2021-07-07 Bijlage 7. Ruimtelijke onderbouwing Windpark ZEBRA inclusief alle bijlagen.pdf
Tekst van het document
Goede ruimtelijke onderbouwing Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht Zeeuwind, Eneco en Lindewind 717149 | Definitief v7.0 03/06/2021
Pondera
Colofon
Hoofdvestiging Nederland
Soort document
Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Goede ruimtelijke onderbouwing
Postadres
Projectnaam Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht
Postbus 919 6800 AX Arnhem
Versienummer
Vestiging South East Asia
Datum
Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Definitief v7.0
3-6-2021
Project nummer 717149
Opdrachtgever Zeeuwind, Eneco en Lindewind
Auteur Marjolein Pigge
Nagekeken door Jan-Willem Broersma
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.
Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2 Beleid 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
59
Uitgangspunten________________________________________________________________ 59 Landschap ___________________________________________________________________ 59 Geluid _______________________________________________________________________ 71 Slagschaduw _________________________________________________________________ 84 Veiligheid ____________________________________________________________________ 91 Natuur ______________________________________________________________________ 107 Cultuurhistorie _______________________________________________________________ 126 Waterhuishouding _____________________________________________________________ 131 Vliegverkeer en radar __________________________________________________________ 145 Overige aspecten _____________________________________________________________ 152 Eindconclusie en voorwaarden omgevingsvergunning _________________________________ 166
6 Economische uitvoerbaarheid 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 7.2
48
Algemeen ____________________________________________________________________ 48 Beschrijving van het plan voor het windpark __________________________________________ 49
5 Onderzoek 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
39
Functionele structuur ___________________________________________________________ 39 Landschappelijke structuur _______________________________________________________ 45
4 Planbeschrijving 4.1 4.2
11
Mondiaal, Europees en Rijksbeleid_________________________________________________ 11 Provinciaal beleid provincie Zeeland _______________________________________________ 16 Provinciaal beleid provincie Noord-Brabant __________________________________________ 21 Regionaal beleid _______________________________________________________________ 28 Gemeentelijk beleid ____________________________________________________________ 34 Conclusie beleid _______________________________________________________________ 36
3 Huidige situatie 3.1 3.2
1
Aanleiding en doel ______________________________________________________________ 1 Ligging plangebied ______________________________________________________________ 2 Geldend bestemmingsplan ________________________________________________________ 3 Juridisch kader _________________________________________________________________ 6 Leeswijzer ____________________________________________________________________ 10
168 169
Procesparticipatie _____________________________________________________________ 169 Financiële participatie en maatschappelijke meerwaarde _______________________________ 171
Bijlagen Bijlage 1 MER Windpark ZE-BRA, met bijlagen: Bijlage 1 Termen en afkortingen Bijlage 2 Gezondheid Bijlage 3 Geluid en slagschaduw Bijlage 4 Natuur Bijlage 5 Landschap Bijlage 6 Archeologie Bijlage 7 TNO radartoets Bijlage 8 Veiligheid Bijlage 9 Reactie LVNL en ILenT Bijlage 10 Kaarten Bijlage 11 Nota van antwoord Bijlage 2 Aanvulling MER Windpark ZE-BRA (wijziging naar 16 windturbines), met nieuwe bijlagen: Bijlage 1 Geluid en Slagschaduw •
Onderzoek geluid en slagschaduw
Bijlage 2 Natuur •
Oplegnotitie ecologische beoordeling
•
Aeriusberekening
Bijlage 3 Landschap •
Aanvullende landschappelijke beoordeling
Bijlage 4 Cultuurhistorie en Archeologie •
Inventariserend veldonderzoek archeologie
Bijlage 5 Veiligheid •
Oplegnotitie externe veiligheid
•
Memo veiligheid wegen
Bijlage 3 Natuurtoets* Bijlage 4 Compensatieplan NNZ en Compensatieplan NNB Bijlage 5 Verslag Omgevingsdialoog Bijlage 6 Verklaring van geen bezwaar radarverstoring Defensie Bijlage 7 Selectie visualisaties Windpark ZE-BRA Bijlage 8 Nota van overleg
* Recentere versie met actualisatie passages NNZ/NNB ten opzichte van Natuurtoets in bijlage 4 van bijlage 1 MER
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Eneco, Lindewind en Zeeuwind (hierna: de initiatiefnemers) zijn voornemens om in het grensgebied tussen de provincies Zeeland en Noord-Brabant, in aansluiting op de bestaande en recent gerealiseerde windparken Kreekraksluizen en Kabeljauwbeek, een nieuw windpark te realiseren: Windpark ZE-BRA (zie voor ligging Figuur 1.1). Het windpark is grotendeels gepland in de provinciaal aangewezen concentratielocatie voor windenergie ‘Kreekraksluizen’ (zie ook Figuur 2.1 en Kader 1.1). Onderdeel van het project is de verwijdering van de bestaande windparken Anna-Mariapolder, Bath en de solitaire windturbine in Woensdrecht. Door sanering en opschaling van bestaande windturbines wordt de provinciaal aangewezen concentratielocatie voor windenergie optimaal benut, zoveel mogelijk rekening houdend met belangen in de omgeving (zoals landschap, landbouw, natuur, omwonenden en dijkveiligheid). Kader 1.1 Bestaande windlocaties in en nabij windenergie concentratielocatie Kreekraksluizen
De provincie Zeeland heeft de locatie Kreekraksluizen (zie Figuur 2.1) in 2006 aangewezen als ‘Windenergie concentratielocatie’. De locatie Kreekraksluizen is gelegen tegen de provinciegrens met Noord-Brabant. Aansluitend in de provincie Noord-Brabant hebben gezamenlijke overheden in de regio West-Brabant het gebied ten oosten van deze Zeeuwse windenergie concentratielocatie aangemerkt als ‘Zoekgebied voor Wind – Woensdrecht’ binnen de in ontwikkeling zijnde Regionale Energiestrategie (RES). Het aantal geschikte locaties voor windenergie is in zowel provincie Zeeland als provincie Noord-Brabant gelimiteerd waardoor ingezet wordt op optimale benutting van aangewezen concentratielocaties om de doelstellingen voor wind op land te bereiken.
Doel Het doel met de ontwikkeling van Windpark ZE-BRA is om te komen tot een optimale benutting (maximalisatie), en daarmee opwekking van windenergie, binnen de ‘Windenergie concentratielocatie Kreekraksluizen’. Ontwikkeling van windpark ZE-BRA is in overeenstemming met het (provinciale) concentratiebeleid, In aansluiting op de ontwikkeling in Zeeuws concentratiegebied geeft een deel van het windpark ook invulling aan het ‘Zoekgebied voor Wind – Woensdrecht’. Optimale benutting brengt met zich mee dat windturbines van drie bestaande windparken worden vervangen door één windpark met nieuwere windturbines in het gebied ten zuiden van de Bathse brug tot net over de snelweg A4. De hoeveelheid nieuw (en extra) op te stellen vermogen in windpark ZE-BRA moet voldoende zijn om de sanering van de bestaande windturbines mee te financieren. Het initiatief omvat 16 windturbines (zie ook Kader 4.1). Het windpark krijgt een opgesteld vermogen van circa 67,2 megawatt (MW), uitgaande van een opgesteld vermogen van circa 4,2 MW per windturbine en levert (afhankelijk van het type turbine) naar verwachting een jaarlijkse productie van netto circa 190 miljoen kWh op. Dit is genoeg windenergie om circa 65.290 huishoudens1 te voorzien van elektriciteit uit wind, dit is zo’n drie en een half maal het totaal aantal huishoudens in de gemeente Reimerswaal en Woensdrecht bij elkaar2.
1 2
Gebaseerd op een gemiddeld verbruik van 2.910 kWh per huishouden Aantal huishoudens in de gemeente Reimerswaal is 9.060 en in gemeente Woensdrecht is 9.622 per (2020)
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 1
Kader 1.2 Bijdrage windpark ZE-BRA aan totaal energieverbruik in Reimerswaal en Woensdrecht
Het totaal energieverbruik* in de gemeente Reimerswaal is 8.529 TJ en in de gemeente Woensdrecht is 2.688 TJ, dit staat samen gelijk aan circa 3.116 miljoen kWh. Het windpark draagt netto 6% bij aan het totale energieverbruik van de beide gemeentes (inclusief gasverbruik, maar ook elektriciteitsverbruik van bedrijven, landbouw, vervoer et cetera). * Elektriciteit- en gasverbruik voor gebouwde omgeving, verkeer en vervoer, industrie, energie, afval en water, landbouw, bosbouw en visserij en hernieuwbare warmte. Gegevens via klimaatmonitor.databank.nl
Afwijking bestemmingsplan Voor de realisatie van de windturbines is in ieder geval een omgevingsvergunning noodzakelijk. Het windpark wordt planologisch ingepast door middel van een afwijking als bedoeld in artikel 2.12.1.a.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De voorliggende rapportage dient als ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ (de wetgever gebruikt deze term) in de omgevingsvergunning voor de afwijking van de vigerende bestemmingsplannen.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied3 ligt ten zuiden van het bestaande Windpark Kreekraksluizen tot net over de A4 van Bergen op Zoom naar de Belgische grens (zie ook Figuur 1.1), de twee windturbines ten oosten van de snelweg zijn echter komen te vervallen. Het plangebied ligt in de gemeente Reimerswaal (provincie Zeeland) en de gemeente Woensdrecht (provincie Noord-Brabant). Direct ten zuiden van het plangebied ligt de grens met België. De concentratielocatie voor windenergie Kreekraksluizen omvat zowel het gebied ten noorden als ten zuiden van de rijksweg A58. De Zeeuwse concentratielocatie is al deels ingevuld door Windparken Kreekraksluizen en Windpark Anna-Mariapolder. Het plangebied is voor wat betreft het Zeeuwse deel ook tegelijkertijd de begrenzing van de windenergie concentratielocatie voor specifiek dít project, zoals bedoeld in artikel 2.8 lid 1 van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Windpark Kreekraksluizen is in de periode 2012-2013 uitgebreid en bestaat nu uit 33 windturbines met een gezamenlijk opgesteld vermogen van 82,5 MW. Windpark Anna-Mariapolder bestaat uit 16 windturbines en is in de periode 20072009 in gebruik genomen. In de directe omgeving van de windenergie concentratielocatie staan ook nog enkele andere windturbines.
Dit betreffen het Windpark Bath (2 windturbines, in gebruik genomen in 2000) in de gemeente Reimerswaal, en in de gemeente Woensdrecht één solitaire windturbine en het windpark Kabeljauwbeek (5 windturbines, in gebruik genomen in 2020) tussen de A4 en de provinciale grens met provincie Zeeland. Zie Figuur 1.1 voor de ligging van de bestaande windparken in en nabij de concentratielocatie.
3
In deze ruimtelijke onderbouwing wordt over het projectgebied uit het MER (plaatsingsgebied voor de windturbines) gesproken als 'plangebied'. Formeel is juridisch-planologische het 'plangebied' enkel het gebied waarover het besluit afwijking bestemmingsplan genomen wordt. Voor het gemak wordt voor het gehele projectgebied gesproken over plangebied. Dit projectgebied gaat overigens ook nog uit van de plaatsing van 19 windturbines en omvat dus ook een gebiedje ten oosten van de A4. Het hier geformuleerde plangebied is het gebied waar onderzoek in het MER, de aanvulling en onderliggende onderzoeken op heeft plaatsgevonden. Plangebied is de term die gangbaar gebruikt wordt in ruimtelijke planvorming, waaronder ook de afwijking bestemmingsplan omgevingsvergunning.
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 2
Ligging nabij België Het plangebied ligt direct ten noorden van de Belgische grens, waar het Antwerpse havengebied vrijwel direct begint aan de overzijde van het Schelde-Rijnkanaal. Figuur 1.1 Plangebied Windpark ZE-BRA en bestaande windparken in de omgeving
1.3 Geldend bestemmingsplan Bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, gemeente Reimerswaal In de gemeente Reimerswaal geldt voor het plangebied het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” (vastgesteld 17 december 2019) met voornamelijk de bestemming ‘Agrarisch’ met enkele bouwvlakken en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie - 2’ en ‘Waarde – Archeologie - 3’ en ‘Waarde – Archeologie - 4’. In het noordwesten van het plangebied geldt de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ met functieaanduiding ‘waterzuiveringsinstallatie' en de bestemming ‘Bos’. Ter plaatse van wat oude dijken in het gebied komt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – beschermde dijk’. De bestaande windturbines in het plangebied hebben de functieaanduiding ‘windturbine’. Wat meer ondergeschikt komen ook de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Water’ voor in het plangebied. De westzijde van het plangebied wordt bepaald door de Schelde-Rijnverbinding met een bestemming ‘Water’ en dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ als ook een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk’. Door het smalste gedeelte van het plangebied is een dubbelbestemming ‘Leiding – Leidingenstrook 3’ gelegen. Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - radar’. De voornaamste bestemmingen en aanduidingen worden kort toegelicht.
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening, grondgebonden agrarisch gebruik, grondgebonden agrarische bedrijven en
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 3
bijbehorende voorzieningen. De voor ‘Agrarisch met waarden – Beschermde dijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud en/ of herstel van de daaraan eigen landschappelijke, natuur en/of cultuurhistorische waarden, alsmede voor onder meer grondgebonden agrarisch medegebruik. Voor beide bestemmingen geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘windturbine’ een windturbine mag staan met de bestaande maten. De bestaande windparken zijn ook aangeduid met de gebiedsaanduiding ‘windturbinepark <naam windpark>’. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ (2, 3 en 4) is er sprake van een onderzoeksverplichting voor archeologie bij realisatie van bouwwerken met een oppervlak van respectievelijk meer dan 250 m2, 500 m2 of 2.500 m2 of het bouwwerk dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Binnen de 'vrijwaringszone - radar' geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken hoger dan 75 meter boven NAP. Dit om te voorkomen dat de radarbeelden van Defensie worden verstoord. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod. Het geldende bestemmingsplan laat de realisatie van windturbines niet toe, er is derhalve een afwijking van het geldende bestemmingsplan of een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Figuur 1.2 Overzicht geldende bestemmingen (in beide gemeenten)
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerking Pondera)
Ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2020”, gemeente Reinerswaal Op 29 april 2021 is een ontwerp van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Reimerswaal ter inzage gelegd. In dit zogenoemde ‘veegplan’ worden plannen van (particuliere)
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 4
initiatiefnemers gebundeld in één bestemmingsplan. Deze systematiek komt zo veel als noodzakelijk jaarlijks terug. Het bestemmingsplan “Buitengebied 2020” is een veegplan voor globaal in de volgende wijzigingen in het plangebied of in de omgeving: •
Radarverstoringsgebied Defensie: herstel wijze verwerking radarverstoringsgebied. Over het plangebied komen zones te liggen met een bouwverbod voor bouwwerken met een hogere bouwhoogte dan 90 meter, respectievelijk 94 meter, boven NAP.
•
Golfclub Reymerswael: uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden.
•
Artikel Agrarisch: toevoeging wijzigingsbevoegdheid om de aanduiding 'windturbine' te verwijderen in het geval dat de aangeduide windturbine wordt gesaneerd.
Bestemmingsplan “Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied” (geconsolideerd), gemeente Woensdrecht Het bestemmingsplan “Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied” is vastgesteld door de gemeenteraad van Woensdrecht op 17 februari 2011, vervolgens is het bestemmingsplan “Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied, 3e herziening” vastgesteld (27 februari 2014) en het “Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening 2016” (19 maart 2015). In de geconsolideerde versie 4 zijn het moederplan en de herzieningen verwerkt. Aan de zuidrand van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Windturbinepark Kabeljauwbeek 2018” (vastgesteld 7 februari 2009) en omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan “Zonnepark Kabeljauwbeek” (vastgesteld 17 november 2020). Op beide plannen wordt hier verder niet in gegaan omdat hier verder geen ontwikkeling plaatsvindt ten behoeve van windpark ZE-BRA. Voor dat deel van het plangebied dat in de gemeente Woensdrecht is gelegen geldt voornamelijk de bestemming ‘Agrarisch’ ten westen van snelweg A4, ten oosten van de A4 geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ met onder meer de gebiedsaanduidingen ‘overige zoneecologische hoofdstructuur’, ‘overige zone - groenblauwe mantel’ en ‘overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied’ met enkele bouwvlakken. Daarnaast geldt de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3’.
Wat meer ondergeschikt komen ook de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Water’ voor in het plangebied. De A4 kent daarnaast een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - weg 1’, ‘vrijwaringszone weg 2’ en ‘geluidzone - weg’. Aan de uiterste oostzijde van het plangebied geldt ook een bestemming ‘Bedrijf’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – uienschilbedrijf’. Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - radar’. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf (één per bouwvlak), het behoud en versterken van de open gebieden in relatie tot de aanwezige agrarische functies en (vollegronds)teeltbedrijven en paardenhouderij bij wijze van neventak. De voor 'Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening, het behoud en versterken van de natuur- en landschapswaarden in relatie tot de aanwezige agrarische functies en het behoud, herstel en/ of ontwikkeling van de EHS5. De aanduidingen ‘overige zone - groenblauwe mantel’ en ‘overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied’ en ‘overige zone- ecologische hoofdstructuur’ zijn ter bescherming van waarden op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening.
4
De geconsolideerde plan heeft geen juridisch bindende status. Voor de juridisch bindende regels en verbeelding wordt verwezen naar het moederplan en de genoemde herzieningen. 5 Het bestemmingsplan spreekt nog over EHS (ecologische hoofdstructuur). EHS heet tegenwoordig Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 5
Op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van: •
ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot;
•
de bouw van een bijgebouw, de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw of het oprichten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvoor graafwerkzaamheden worden verricht op een diepte van minder dan 0,50 meter onder de oppervlakte én waarvan de toename van de bebouwde oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m².
Voor overige gevallen geldt in ieder geval een onderzoeksplicht. Binnen de 'vrijwaringszone - radar' geldt een bouwverbod voor bouwwerken hoger dan de denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de radarantenne op 48 +NAP, oplopend met 0,25 graden tot een hoogte van 113 m +NAP op een afstand van 15 kilometer van de radarantenne. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod. De geldende bestemmingsplannen late de realisatie van windturbines niet toe, er is derhalve een afwijking van de geldende bestemmingsplannen of een herziening van de geldende bestemmingsplannen noodzakelijk.
1.4 Juridisch kader Hieronder wordt ingegaan op de procedurele context voor dit plan en samenhang met de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.).
Afwijking bestemmingsplan omgevingsvergunning Omdat het planvoornemen niet past in het geldende bestemmingsplan is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. De initiatiefnemers zijn voornemens om voor het bouwplan een aanvraag in te dienen voor ‘afwijking van het bestemmingsplan in de omgevingsvergunning’ (omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo). Via deze procedure (ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo) is het mogelijk om af te wijken van het geldende planologisch regime. Voorwaarde voor verlening van de vergunning is dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht en onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de goede ruimtelijke ordening. Daar waar dat aan de orde is, wordt aangegeven op welke wijze afspraken die in dat kader nodig zijn, in de besluitvorming worden gewaarborgd.
Relatie met de milieueffectrapportage De procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving, indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Het doel van de m.e.r. is om te verzekeren dat adequate milieu-informatie beschikbaar wordt gemaakt, zodat het milieubelang volwaardig kan worden meegewogen bij de besluitvorming over dergelijke activiteiten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De inhoudelijke vereisten aan een milieueffectrapport (MER) zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. De m.e.r.-procedure mondt uit in een rapport, het milieueffectrapport (MER)6.
6
De afkorting m.e.r. (kleine letters met puntjes) staat voor de procedure van milieueffectrapportage, de afkorting MER (hoofdletters zonder puntjes) staat voor het milieueffectrapport.
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 6
De oprichting van een windpark is opgenomen in bijlage C en D van het Besluit m.e.r: •
categorie C22.2: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark, bestaande uit 20 windturbines of meer;
•
categorie D22.2, windparken met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit 10 windturbines of meer.
Voor windparken van 10 tot 20 windturbines, of voor windparken met een opgesteld vermogen van 15 MW of meer betekent dit: •
een plan-m.e.r.-plicht voor het bestemmingsplan;
•
een m.e.r.- beoordelingsplicht voor de omgevingsvergunning.
Voor windparken7 tot 10 windturbines, of met een opgesteld vermogen tot 15 MW betekent dit: •
een plan-m.e.r.-beoordeling voor het bestemmingsplan;
•
een vormvrije-m.e.r.- beoordelingsplicht voor de omgevingsvergunning.
In aanvulling op bovenstaande drempelwaarden, geldt mogelijk een plan-m.e.r.-plicht als er voor het ruimtelijk plan een passende beoordeling nodig is. M.e.r.-(beoordelings)plicht voor Windpark ZE-BRA Voor de oprichting en exploitatie van Windpark ZE-BRA zijn verschillende vergunningen nodig. Het windpark wordt ruimtelijk mogelijk gemaakt via een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.12.1.a.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)). Voor het windpark wordt een omgevingsvergunning voor 16 windturbines aangevraagd, met een gezamenlijk opgesteld vermogen van minder dan 100 MW, dit is onder de drempelwaarde van categorie C22.2 maar boven de drempelwaarde voor categorie D22.2. Er is dus voor de omgevingsvergunning sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht8. Dit houdt in dat het bevoegd gezag moet beoordelen of het doorlopen van een project-m.e.r. noodzakelijk is. In afstemming tussen bevoegd gezag en initiatiefnemer is er voor gekozen om direct (vrijwillig) een projectMER op te stellen, daarmee krijgt het milieu een volwaardige plek in de besluitvorming over het windpark. Er is daarmee geen m.e.r.-beoordeling meer aan de orde. Het MER is toegevoegd als bijlage 1. Het MER is uitgevoerd voor een windpark van 19 windturbines. Besloten is om een gewijzigde aanvraag in te dienen voor 16 windturbines, waarbij dus 3 windturbines vervallen.
In bijlage 2 is de aanvulling opgenomen op het MER voor windpark ZE-BRA, dat het gevolg van het vervallen van windturbines voor het MER beschrijft.
7 8
Volgens de definities in het Besluit m.e.r. bestaat een windturbinepark uit tenminste 3 windturbines. Er wordt geen plan vastgesteld, er is dus geen sprake van een plan-m.e.r.-plicht
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 7
Passende beoordeling Voor het MER en de ruimtelijke procedure is een natuurtoets nodig en zijn de effecten op flora en fauna in beeld gebracht, dit is inclusief de gevolgen voor beschermde soorten. Als het windpark negatieve effecten heeft op een Natura-2000 gebied dient een passende beoordeling conform de Wet natuurbescherming (Wnb) te worden opgesteld, dat is voor onderhavig plan het geval.
Bevoegd gezag Voor een windpark met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten op basis van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 (Ew 1998) bevoegd gezag voor het vaststellen van een inpassingsplan. Artikel 9e lid van de Elektriciteitswet bepaalt: “Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.” Gedeputeerde Staten zijn dus bevoegd gezag op grond van artikel 9f, tweede lid, Ew 1998 en moet coördineren op grond van artikel 9f, eerste lid Ew 1998. Artikel 9f, Lid 6, sub a bepaalt vervolgens dat Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat het eerste niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien: “in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden”.
Gedeputeerde Staten mogen hun bevoegdheid dus terugleggen bij de gemeente waar het windpark voorzien wordt. Windpark ZE-BRA betreft één inrichting, derhalve zijn Gedeputeerde Staten van Zeeland het bevoegd gezag voor het gehele windpark. Gedeputeerde Staten hebben deze bevoegdheden schriftelijk aan de gemeente Reimerswaal overgedragen9 (dit is standaard beleid in de provincie Zeeland). Het college van burgemeester en wethouders treedt daarmee op als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning en de m.e.r.-procedure voor windpark ZE-BRA. Omdat van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken, dient de gemeenteraad van Reimerswaal een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) te verlenen, alvorens het college de omgevingsvergunning kan verlenen. Twee provincies, twee gemeenten: één bevoegd gezag Windpark ZE-BRA voorziet in de oprichting en sanering van windturbines in twee gemeenten, de gemeente Reimerswaal (provincie Zeeland) en gemeente Woensdrecht (provincie Noord-Brabant). Uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, art. 2.4) volgt dat in dergelijke situaties de gemeente, waar het betrokken project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, beslist op een aanvraag om omgevingsvergunning. Van de 16 windturbines van Windpark ZE-BRA komen er 14 in de gemeente Reimerswaal (provincie Zeeland) en 2 in de gemeente Woensdrecht (provincie Noord-Brabant).
Het grootste deel van het windpark is dus voorzien in de gemeente Reimerswaal in de provincie Zeeland. Het college van Reimerswaal is daarmee het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning en voert de regie over de vergunningprocedure en draagt ervoor zorg dat in de vergunningprocedure alle belangen worden betrokken. Het college heeft afspraken gemaakt met de gemeente Woensdrecht en de andere betrokken bestuursorganen om te waarborgen dat alle bewoners en belanghebbenden in de vergunningprocedure kunnen participeren.
9
Bij brief d.d. 16 december 2014, briefkenmerk 51/3.8/2014007187
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 8
Rol van de gemeente Woensdrecht Gemeente Reimerswaal is het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. De gemeenteraad van Woensdrecht wordt nadrukkelijk geïnformeerd over de planvorming en ook voor de inwoners wordt er een informatiebijeenkomst georganiseerd. Daarnaast is de gemeente Woensdrecht wettelijk aangewezen adviseur is in de procedure en op die wijze formeel betrokken. Daarnaast is er (ambtelijk) intern veel contact en afstemming tussen de gemeente Reimerswaal en de gemeente Woensdrecht. Relatie met België Het plangebied ligt tegen de Belgische grens, waardoor effecten in België op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. De initiatiefnemers hebben samen met de gemeente Reimerwaal als bevoegd gezag besloten om in lijn met het ESPOO verdrag ook de Belgische instanties te informeren en betrekken bij de totstandkoming van het MER en de besluitvorming over het windpark. De kern van het ESPOO verdrag is dat in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. In het kader van overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening worden ook instanties in België benaderd.
Coördinatieregeling Gedeputeerde Staten van Zeeland hebben hun bevoegdheid om te beslissen over windpark ZE-BRA neergelegd bij de gemeente Reimerswaal. De gemeenteraad is daarmee ook bevoegd de gemeentelijke coördinatieregeling (GCR) van toepassing te verklaren op grond van artikel 3.30 Wro. De coördinatieregeling, onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (paragraaf 3.6.1.), houdt in dat de ontwerpbesluiten gelijktijdig ter inzage worden gelegd en eenieder gedurende de inzagetermijn een zienswijze kan geven. Als een belanghebbende het niet eens is met één of meer van de besluiten, kan hij/zij beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op onderliggend project wordt de coördinatieregeling zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening toegepast. De gemeenteraad van Reimerswaal heeft daarvoor op 29 september 2020 een coördinatiebesluit genomen.
Crisis- en herstelwet Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat het over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er een versnelde afhandeling door de Raad van State geldt en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. Op basis van artikel 1.1. lid 1 Chw geldt de stroomlijning van procedures voor besluiten ter verwezenlijking van drie type projecten: •
projecten die vallen onder de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd in Bijlage I;
•
projecten van Bijlage II;
•
projecten op basis van de bijzondere voorzieningen uit Hoofdstuk 2 Chw, te weten ontwikkelingsgebieden (afdeling 1, hoofdstuk 2 Chw) en "Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis" (afdeling 7, hoofdstuk 2 Chw) (zie Bijzondere voorzieningen).
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 9
De realisatie van het windpark valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.2: “aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998”, waardoor hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Omdat er tijdsdruk zit achter de energietransitie is het zeer wenselijk de procedure te stroomlijnen met gebruikmaking van de Chw. Dit brengt onder meer met zich mee dat: •
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, na afloop van de beroepstermijn, een termijn van 6 maanden heeft voor het doen van een uitspraak op een beroep;
•
dat het beroepschrift meteen de gronden van beroep moet bevatten (het indienen van een pro-
forma beroepschrift is niet mogelijk) Het van toepassing zijn van de Chw vermeld dient te worden in bekendmaking, publicatie en besluitvorming.
1.5 Leeswijzer Dit hoofdstuk geeft de inleiding tot het project. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst. In hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en omgeving aan de orde, hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het plan voor de windturbines. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte de conclusies weer over uitvoerbaarheid van dit plan en het vervolg.
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 10
2 Beleid 2.1 Mondiaal, Europees en Rijksbeleid 2.1.1 Beleid voor duurzame energie Beleid, wet- en regelgeving voor duurzame energieopwekking, ruimtelijke ordening en milieu vormen het kader waarbinnen de ruimtelijke onderbouwing is opgesteld. Voor een uitgebreide beschrijving van de klimaatdoelen en beleidskaders duurzame energieopwekking op mondiaal, Europees en Rijksniveau wordt verwezen naar paragraaf 2.2 en 2.3 van bijlage 1 MER. Hieronder wordt beknopt in gegaan op de belangrijkste doelen en daarna wordt vooral in gegaan op het ruimtelijk beleid op rijksniveau, als ook provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
Klimaatakkoord Parijs (2015) en Europees doelstelling In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)10 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook mede ondertekend. Het Europese doel voor 2020 is vervolgens vastgelegd om 20% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren, voor Nederland is dit vertaald in een doel van 14% in 2020 en voor 2030 dient vervolgens 32% van het totale energieverbruik duurzaam gerealiseerd te worden.
Rijksbeleid voor duurzame energie Het rijksbeleid voor duurzame energie, en specifiek voor wind, heeft zich in eerste instantie altijd gericht op doelen in 2020. Nu 2020 bereikt is, overigens zonder het halen van bijbehorend doel (zie Kader 2.2), komt vooral het doel voor 2030 in beeld. In deze paragraaf wordt vooral kort ingegaan op de (actuele) doelstellingen voor 2030 in het kader van het Nationaal Klimaatakkoord. Kader 2.1 Stand van zaken opgesteld vermogen windenergie; doelstelling voor 2020 niet gehaald
Op 1 januari 2020 stond in Nederland op land 3.551 MW aan windenergie opgesteld, dat is 59% van de nationale doelstelling (Bron: Windstats, 1 januari 2020). Er resteert daarmee dus nog een forse opgave van 2.449 MW voor de doelstelling 2020. Volgens de Monitor Wind op land 2019 (RVO, mei 2020) wordt er op 31 december 2020 4.508,8 MW aan opgesteld vermogen verwacht. Daarmee zijn de doelstellingen voor 2020 niet gehaald, maar is het nog wel mogelijk de Europese doelen voor 2023 (16% energieverbruik uit hernieuwbare bronnen) te behalen. Inmiddels is het 2021 en is de doelstelling van windenergie op land van 6.000 MW niet gehaald. Een rechtstreekse bijstelling van dit doel in opgesteld vermogen heeft niet plaatsgevonden voor na 2020. Alle gerealiseerde windenergie draagt direct bij aan het nieuwe doel uit het Klimaatakkoord om in 2030 tenminste 35 TWh duurzame elektriciteit op land (wind en zon) te realiseren. Partijen in de regio stellen de Regionale Energiestrategieën (RES-en; zie ook paragraaf 2.4) op. Deze geven inzicht waar binnen een regio in de komende jaren nieuwe wind- of zonneparken komen om de doelen voor 2030, met doorkijk naar 2050, te behalen.
10
De klimaatconferentie van Parijs 2015 (officieel: 2015 United Nations Climate Change Conference), die van 30 november tot 12 december 2015 plaatsvond in Parijs leidde tot het afsluiten van het "Akkoord van Parijs", dat op 22 april 2016 in New York is ondertekend. Het klimaatverdrag is 4 november 2016 in werking getreden.
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 11
In Kader 2.1 wordt de huidige stand van zaken van opgesteld vermogen van windenergie op land weergegeven. De doelstelling van 6.000 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land in 2020 op basis van het Energieakkoord uit 201311 is niet gehaald.
Nationaal klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. Aan de sectortafel 'elektriciteit' van dat Klimaatakkoord zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden.
Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Windpark ZE-BRA draagt bij aan de toename van de productie van duurzame energie in een functiecombinatie van blijvend agrarisch grondegebruik en duurzame elektriciteitsopwekking.
2.1.2 Ruimtelijk Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op nationaal niveau is nieuw omgevingsbeleid geformuleerd in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is een structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel met het NOVI, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland op basis van de nieuwe Omgevingswet die er aan komt. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden.
Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en 11
"Energieakkoord voor duurzame groei", Sociaal-Economische Raad (SER), september 2013. Geraadpleegd van: http://www.energieakkoordser.nl/energieakkoord.aspx
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 12
vragen om nationale aandacht. Dit zijn ‘nationale belangen’. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Voor windturbines op land stelt de NOVI “De molens op land clusteren we zoveel mogelijk en passen we zo goed mogelijk in het landschap in. Bijvoorbeeld langs snelwegen. Hierbij zorgen we dat bewoners goed betrokken zijn en waar het kan meeprofiteren in de opbrengsten”. Hernieuwbare energie op land In het Klimaatakkoord is afgesproken dat decentrale overheden via Regionale Energie Strategieën (RES’en) aan de lat staan om samen met partijen gebieden voor grootschalige elektriciteitsopwekking aan te wijzen. De RES’en dienen voor 35 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land te voorzien in 2030. In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) zullen de volgende vier ruimtelijke principes in de regionale afweging worden meegenomen (Klimaatakkoord): •
Streef naar zuinig en (zoveel mogelijk) meervoudig ruimtegebruik;
•
Breng vraag naar en aanbod van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk dicht bij elkaar;
•
Combineer opgaven en ga als dat nodig is over tot uitruilen en herbestemmen;
•
Sluit zo goed mogelijk aan bij gebiedspecifieke ruimtelijke kwaliteit.
Bij de keuze voor de locatie voor duurzame opwekking worden tevens de beschikbaarheid, bouwtijd en kosten van netcapaciteit meegewogen (Klimaatakkoord). De Structuurvisie Wind op Land (SWOL) uit 2014 had de doelstelling om zodanige voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. Met provincies zijn er prestatieafspraken gemaakt over het behalen van de doelstelling van 6000 MW wind op land in 2020. Daarvoor zijn grootschalige windparken en ook kleinere windparken nodig. In zoverre de doelstelling niet tijdig wordt gerealiseerd, zal het restant van de opgave verdubbeld worden en meelopen in de Regionale Energie Strategieën (RES’en). Deze verdubbeling zal dan gerealiseerd worden in de periode 2021-2023. De verdubbeling boven de 6000 MW kan bestaan uit de opwekking van windenergie op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie gerealiseerd worden, mits deze additioneel zijn aan het beeld van de Nationale Energieverkenning. Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. De definitieve NOVI met uitvoeringsagenda is op 11 september 2020 vastgesteld door de Ministerraad en naar de Tweede Kamer gestuurd. Uitvoeringsagenda Samen met de NOVI is een Uitvoeringsagenda uitgebracht.
Daarin staat hoe uitwerking wordt gegeven aan de NOVI, welke inzet Rijk en regio nu al plegen en welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. Naast de instrumenten van de Omgevingswet wordt daarbij ook een aantal nieuwe instrumenten ingezet. Ook starten er een aantal nieuwe (nationale) programma’s. Voorbeelden hiervan zijn het Programma Energiehoofdstructuur (PES), Programma Gezonde Leefomgeving en Nationaal Programma Landelijk Gebied. Ook staat beschreven hoe instrumenten zoals de Omgevingsagenda’s, NOVI-gebieden
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 13
en regionale verstedelijkingsstrategieën zorgen voor een doorvertaling van de NOVI naar een regionale aanpak.
Structuurvisie Windenergie op Land (2014) De Structuurvisie Wind op Land (SWOL, maart 2014)12 is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met vaststelling van het NOVI is komen te vervallen. Voor het nationaal belang in het NOVI is onder meer het SWOL relevant. De doelstelling van de SWOL is zodanig ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat begin 202013 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW aan windturbines op land operationeel is. Daarvoor worden drie soorten beleid gepresenteerd: •
Visie: bundeling in gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windenergie (windparken met een vermogen groter dan 100 MW) en daarmee andere gebieden vrijhouden van grootschalige windenergie. Bij het ruimtelijk ontwerp van windturbineprojecten aansluiten bij de hoofdkenmerken van het landschap.
•
Aanwijzen van concrete gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windturbineparken. Het kabinet zal initiatieven voor windturbineparken met een omvang van ten minste 100 MW toetsen aan deze gebieden.
•
Taakverdeling tussen Rijk en provincies bij het ruimtelijk mogelijk maken van windenergie, en de prestatieafspraken die daarover met het IPO zijn gemaakt. Verder wordt ingegaan op beleidsonderwerpen die van groot belang zijn voor het slagen van de doelen voor windenergie, zoals de stimuleringsregeling SDE+14 en het landelijke elektriciteitsnet.
Het kabinet heeft in de SWOL elf gebieden aangewezen waar grootschalige windturbineparken op land mogen komen. Om de doelstelling van 6.000 MW te halen is het noodzakelijk dat ook buiten deze gebieden ruimte wordt geboden voor kleinere windturbineparken. Provincies kunnen daarvoor locaties aanwijzen of hebben dit reeds gedaan. Programma Energiehoofdstructuur Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. Het Programma Energiehoofdstructuur is de juridisch-beleidsmatige opvolger van onder meer de structuurvisies Wind op Land. De term ‘programma’ komt voort uit de Omgevingswet. De ambitie van het Programma Energiehoofdstructuur is tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030–2050. Het gaat dus over het gehele Nederlandse grondoppervlak, uitgezonderd de Noordzee. Het programma is nog in ontwikkeling.
Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Dit is gebeurd door middel van het opnemen van een hoofdtracé voor buisleidingen op een visiekaart. Het hoofdtracé en de mogelijke 12
"Structuurvisie Windenergie op land" (SWOL), Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 28 maart 2014. Zie onder meer kader 2.2. voor overzicht stand van zaken 2020 en nieuw nationaal doel voor 2030. 14 Inmiddels is dit de stimuleringsregeling SDE ++ 13
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 14
aansluitpunten zijn vertaald naar een visiekaart. De Structuurvisie Buisleidingen is deels vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorganger NOVI) wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij moet de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen. Op basis van jurisprudentie15 is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op een windpark omdat dat niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)16 voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Defensieradar Voor een aantal doelstellingen van het ruimtelijke beleid van het Rijk is een algemene regeling opgenomen in het Barro en de daarop gebaseerde Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In het Barro is onder andere een regeling opgenomen om onaanvaardbare verstoring van de werking van radarposten voor Defensie-inrichtingen te voorkomen. In de Rarro is rondom de vliegveldradar van Vliegbasis Woensdrecht een toetsingsgebied aangewezen met een straal van 75 km waarbinnen de mogelijke radarverstoring door windturbines met een tiphoogte van meer dan 113 m +NAP moet worden onderzocht. De projectlocatie is gelegen binnen het toetsingsgebied van de radarpost Vliegbasis Woensdrecht. De beoogde tiphoogte van de windturbines bedraagt meer dan 113 m +NAP. Dat houdt in dat op grond van het Barro en de Rarro een toetsing voor wat betreft het onderwerp radarhinder moet plaatsvinden.
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Voor buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is in artikelen 2.9.2 en 2.9.4 van het Barro opgenomen dat het voorkeurstracé uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 (ter plaatse van het plangebied met een breedte van 50 meter) gevrijwaard moet blijven van nieuwe bebouwing die mogelijk een belemmering kan opleveren voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Met deze zone moet dus in de verdere besluitvorming rekening worden gehouden als een harde randvoorwaarde. Scheepvaart In artikel 2.1.3 van het Barro is bepaald dat bij ruimtelijke planvorming rekening moet worden gehouden met de belangen van het scheepvaartverkeer dat plaatsvindt over vaarwegen die bij het Rijk in beheer zijn. Het Schelde-Rijnkanaal is een scheepvaartroute die in beheer is bij het Rijk. Deze route is bestemd voor binnenvaartschepen tot en met CEMT-klasse VIb (Duwkonvooi met 2×2 bakken naast elkaar). De CEMT-
15
ABRvS 16 maart 2016, nr. 201503226/1. Besluit van 22 augustus 2011, houdende algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) 16
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 15
klasse betreft de vaarwegklasse zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport (CEMT) en is gebaseerd op de afmetingen van standaardschepen en duwstellen. Op grond van artikel 2.1.2 van het Barro moet daarom rekening worden gehouden met een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de vaarweg. Hoofdwegen In artikel 2.7.2 van het Barro is bepaald dat bij ruimtelijke planvorming rekening moet worden gehouden met reserveringsgebieden voor verbreding van bestaande hoofdwegen. Bij ministeriële regeling (Rarro) worden hoofdwegen of delen daarvan aangewezen waarvoor een bij die regeling vast te stellen reserveringsgebied geldt aan een of beide zijden van de hoofdweg ten behoeve van een mogelijke uitbreiding daarvan. In artikel 3.1 van de Rarro wordt voor vastlegging van de reserveringsgebieden op kaart verwezen naar de in bijlage 16 aangewezen (en op www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen) gebieden. De A4 tussen Bergen en op Zoom en de Belgische grens heeft geen reserveringsgebied volgens het Barro/Rarro.
2.2 Provinciaal beleid provincie Zeeland De provincie Zeeland wil een evenredige bijdrage leveren aan de landelijke opgave van 35 TWh aan duurzame elektriciteitsopwekking voor wind en zon, die volgt uit het Klimaatakkoord. De landelijke opgave leidt tot een provinciale doelstelling van ongeveer 3 TWh (35 TWh/12). De provincie wil dit doel realiseren door haar opgave van 570,5 MW opgesteld vermogen aan wind op land voor 2020 te verhogen naar 700 MW opgesteld vermogen windenergie in 2030. Eind 2019 stond in Zeeland 516 MW geïnstalleerd vermogen17, ten opzichte van 2018 is het geïnstalleerd vermogen met 13,8 MW gestegen 18.
2.2.1 Coalitieakkoord ‘Samen Verschil Maken’ Op 2 juni 2019 is het nieuwe coalitieakkoord van de provincie Zeeland gepubliceerd waarin de ambities van de nieuwe coalitie bestaande uit CDA, SGP, VVD en PvdA kenbaar zijn gemaakt. De energietransitie speelt een belangrijke rol in het coalitieakkoord. Voor wat betreft het windenergiebeleid vervolgt de nieuwe coalitie de ingeslagen weg van het Omgevingsplan 2018. Windturbines groter dan 21 meter mogen in principe alleen op windenergie concentratielocaties worden gerealiseerd worden. De provincie stelt voor het behalen van haar ambities op hoofdlijnen de kaderstellende beleidsruimte voor wind, zon en waterprojecten vast, maar laat maatwerk over aan de gemeenten. Vormen van duurzame energie mogen niet ten koste van externe veiligheid. Draagvlak bij omwonenden en participatie van de omgeving staan voor de provincie bij ontwikkeling van windprojecten voorop.
2.2.2 Omgevingsplan Zeeland 2018 De provincie Zeeland heeft de ambitie uitgesproken in haar Omgevingsplan Zeeland 2018 19 om een evenredige bijdrage te leveren aan de landelijke opgave van 35 TWh aan duurzame elektriciteitsopwekking voor wind en zon, die volgt uit het Klimaatakkoord. De landelijke opgave leidt tot een provinciale doelstelling van 35 TWh/12 is ongeveer 3 TWh. De provincie wil dit doel realiseren door haar opgave van 570,5 MW opgesteld vermogen aan wind op land voor 2020 te verhogen naar 700 MW
“Monitor Wind op land 2019”, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 7 mei 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/06/26/bijlage-monitor-wind-op-land-2019 18 Windstats, 2020. 19 Vastgesteld op 21-09-2018. Geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl planidentificatie NL.IMRO.9929.SVOmgPlan2018-VA02 17
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 16
opgesteld vermogen windenergie (staat voor 7 Petajoule (PJ) 20) in 2030. Samen met een zonne-energie ambitie van 500 MW op dak en 500 MW op land (samen circa 3,5 PJ) draagt de provincie Zeeland dan circa 10,5 PJ bij. Dit is 1/12e deel van de landelijke opgave en staat gelijk aan het huidige elektrische verbruik in de provincie. Figuur 2.1 Uitsnede Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 (geconsolideerd) - Kaart 7: Duurzame en hernieuwbare vormen van energie
Concentratielocatie Kreekraksluizen/ Schelde Rijnkanaal
Bron: Figuur 2.1 van bijlage 1 MER
20
De joule (symbool J) is de internationale eenheid van energie. Elektrische energie wordt meestal gemeten in kilowattuur (kWh). Een hoeveelheid van 1 kWh komt overeen met 3.600.000 J of 3,6 MJ (megajoule). 1TWh = 1.000.000.000 kWh en 1 PJ = 1.000.000.000 MJ
Goede ruimtelijke onderbouwing 717149 | Windpark ZE-BRA, gemeenten Reimerswaal en Woensdrecht | Definitief v7.0 | 3-6-2021 Pagina 17
Voor windenergie voert de provincie een beleid dat zich kenmerk door concentratie van de windturbines binnen een aantal aangewezen concentratielocaties. Deze concentratielocaties bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op of bij grootschalige infrastructurele werken. De concentratielocaties voor windturbines zijn in Figuur 2.1 aangegeven. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan de Oosterscheldekering, Sloegebied, Kreekraksluizen/Schelde Rijnkanaal, Krammersluizen en Kanaalzone als concentratiegebieden aangewezen. Het plangebied valt onder het gebied Kreekraksluizen/Schelde Rijnkanaal. Het plaatsen van windturbines in dit gebied is overeenkomstig provinciaal beleid. Met de aanwijzing als concentratielocatie wordt ruimte geboden om de realisatie van de provinciale duurzame energie ambitie mogelijk te maken (en daarmee een bijdrage te leveren aan de nationale opgave voor duurzame energie). De aangewezen concentratielocaties zijn vanuit initiatieven in het verleden tot stand gekomen maar er zijn meer mogelijkheden zonder de concentratiegedachte geweld aan te doen. De omgevingsvisie biedt derhalve ruimte voor enkele extra windprojecten wanneer deze aansluiting zoeken bij grote infrastructuurlijnen als bijvoorbeeld waterkeringen langs de grote wateren.
Het concentratiebeleid heeft geen betrekking op windturbines tot een maximale tiphoogte van 20 meter, dergelijke turbines zijn primair een zaak van de gemeenten.
2.2.3 Zeeuwse Omgevingsverordening 2018 De Zeeuwse Omgevingsverordening21 bepaalt in artikel 2.8 het volgende ten aanzien van windenergie: “Artikel 2.8 Windenergie 1.
In een bestemmingsplan worden nieuwe windturbines, met een hogere tiphoogte dan 20 meter, toegelaten binnen de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties. De toelichting bij een bestemmingsplan waarin windturbines overeenkomstig de eerste volzin worden toegelaten bevat een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, op kaart wordt aangegeven wat de begrenzing is van de windenergie concentratielocatie.
2.
Buiten de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties wordt in een bestemmingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 20 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande, niet toegelaten.