2021-04-01 Bijlage Vast te stellen BP Zorgcomplex Raadhuisstraat Hh - Toelichting bijlage 05 - Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting/Complextype
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 35 Klep & Schoenmaker, 1995. 36 Beobom Ruimingskaart. 34
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 14 van 24
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jager-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.38 Als er naar de landschappelijke situatie van het plangebied wordt gekeken, is er geen oppervlaktewater in de directe omgeving aanwezig. Ook ligt het niet op een gradiëntzone. Op basis van deze kennis is voldoet de landschappelijke locatie niet aan de eisen van de locatiekeuze voor een tijdelijk kampement. Dit blijkt ook uit de al uitgevoerde archeologische onder37
Turfdatabank.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 15 van 24
zoeken in de nabije omgeving. Bij deze onderzoeken zijn ook geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van jager-verzamelaars. Op basis van deze gegevens geldt er een lage archeologische verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn er andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.39 Als er gekeken wordt naar de landschappelijke situatie van het plangebied dan zou het plangebied een geschikte locatie zijn voor de landbouwers. Op een perceel met een soortgelijke landschappelijke locaties, ten zuidoosten van het plangebied, zijn bij het booronderzoek enkele vondsten uit mogelijk het Neolithicum en de Bronstijd aangetroffen. Het kan niet worden uitgesloten dat deze resten afkomstig zijn van een nederzetting. 40 Vanwege de landschappelijke situatie en mogelijke aanwezigheid van vondsten uit het Neolithicum en Bronstijd ten zuidoosten van het plangebied geldt voor Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een hoge verwachting. Het plangebied ligt in de historische kern van Hoogerheide.
Op basis van schriftelijke bronnen is het bekend dat vanaf de Late-Middeleeuwen bewoning heeft plaatsgevonden langs en rondom de Raadhuisstraat. Bij het onderzoek ten zuidoosten van het plangebied zijn metaalslakken en fragmenten van verbrand leem aangetroffen die vermoedelijk afkomstig zijn van de ambachtelijke activiteiten van de pottenbakkers die zich aan de Raadhuisstraat hadden gevestigd.41 Op de historische kaarten is te zien dat vanaf 1910 het plangebied is bebouwd. Op basis van deze gegevens geldt er een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke Chorizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in agrarisch gebruik geweest en is bebouwd. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.
38
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 40 Mulder & Buitenhuis, 2006. 41 Mulder & Buitenhuis, 2006. 39
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 16 van 24
Op basis van de gegevens van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum. Het plangebied bevindt zich op een hoge dekzandrug ver van oppervlaktewater, waardoor het een ongeschikte locatie is voor de jager-verzamelaars. Voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen is de situatie op een hoge dekzandrug voor bewoning en bijhorende activiteiten. Er geldt een hoge verwachting voor deze periodes. Tijdens de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd gaat er bewoning plaatsvinden aan en rondom de Raadhuisstraat. Het plangebied is al bebouwd vanaf het begin van de 20e eeuw. De verwachting voor de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd is dan ook hoog. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de mogelijke aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.
Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. 3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (4.0, 07-06-2016) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek aan Raadhuisstraat 22-32 is op 26 september 2018 door drs. M. Stiekema (senior KNA- prospector) en P. Beurskens MA (archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Voor de boringen aan Raadhuisstraat 20 is op 1 april 2019 een PvA opgesteld door drs. A.J. Wullink (senior KNA- prospector) en P. Beurskens MA (archeoloog). Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. Bij het plaatsen van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige bebouwing. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) acht boringen tot maximaal 2 m -mv gezet (zie bijlage 8). Het booronderzoek is in twee fases uitgevoerd, namelijk boring 1 tot en met 6 in september 2018 en boring 7 en 8 in april 2019. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 42 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 17 van 24
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van de boringen kunnen er drie bodemprofielen worden onderscheiden. In boring 1, 2 en 5 kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. De hoofdlijnen van de opbouw van de bodem kunnen als volgt worden weergegeven: Tabel X.
Hoofdlijn bodemopbouw van boring 1, 2 en 5 Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-40/60 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruin zand
Verstoord
40/60-60/100 cm
Zwak siltig, matig fijn donkerbruin geel gevlekt zand
Verstoord
60/100-80/120 cm
Zwak siltig, matig fijn geel zand
C-horizont
In boring 1, 2 en 5 bestaat de top van de bodem uit een 40 tot 60 cm dikke donkerbruine laag. In deze laag is puin, baksteen en glas aangetroffen. In boring 2 is ook nog plastic aanwezig. Deze laag is geïnterpreteerd als verstoring. Hieronder bevindt zich een donkerbruin geel gevlekte laag. De gevlektheid wijst erop dat ook deze laag is verstoord. Op een diepte van circa 60 tot 100 cm –mv bevinden zich de natuurlijke afzettingen, oftewel de C-horizont. Deze horizont bestaat uit geel zand. Plaatselijk waren er gleyverschijnselen aanwezig. In boring 3 is de dunne verstoorde laag tussen de top van het profiel en de C-horizont niet aanwezig. Onder de 30 cm dikke donkerbruin beige gevlekte laag bevindt zich een scherpe overgang naar de Chorizont. Op een diepte van circa 60 cm –mv bevindt zich veel gley waardoor de natuurlijke afzettingen een oranje kleur hebben. Tabel XI.
Hoofdlijn bodemopbouw van boring 4
Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-10 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruin geel gevlekt zand
Verstoord
10-60 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruin zand
Verstoord
60-75 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruin geel gevlekt zand met resten van een podzol
Verstoord
75-90 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn bruin zand
B-horizont
75-120 cm
Zwak siltig, matig fijn geel zand
C-horizont
In boring 4 is een andere bodemopbouw aangetroffen dan in de overige boringen. De top van het profiel bestaat uit een 10 cm dikke donkerbruin geel gevlekte laag. Hieronder bevindt zich een donkerbruine laag van circa 40 cm met fragmenten van baksteen. Op een diepte van circa 60 cm onder – mv bevindt zich een donkerbruin geel gevlekte laag. In deze laag zijn enkele bruinzwarte vlekken aanwezig die geïnterpreteerd zijn als restanten van een podzol-B-horizont. De gevlektheid van deze 42
Bosch, 2005.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 18 van 24
lagen geeft aan dat het profiel tot circa 75 cm –mv is verstoord. Onder de verstoring bevindt zich een intacte B-horizont die bestaat uit bruin humeus zand. Deze B-horizont gaat geleidelijk over naar de Chorizont. Deze laag bestaat uit geel zand. In boring 6 is er tot 85 cm –mv een verstoring met baksteen, glas en puin aangetroffen. Net zoals in boring 4 is onder de verstoring een restant van een podzol-B-horizont aangetroffen. Deze laag is donkerbruin geel gevlekt met bruinzwarte vlekken. Deze bruinzwarte vlekken zijn restanten van de Bhorizont. Op een diepte van circa 100 cm –mv is de C-horizont aangetroffen. Tabel XII.
Hoofdlijn bodemopbouw van boring 7 en 8
Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-7 cm
Klinker
-
7-40 cm
Volledig puin, worteldoek aan de basis
Puinlaag
40–100 cm
Zwak siltig, matig fijn, zwak humeus donkergrijsbruin zand met puin, scherpe overgang
Opgebracht
100–160 cm
Zwak siltig, matig fijn, zwak humeus donkergeel zand met gleyverschijnselen
C-horizont
160-200 cm
Zwak siltig, matig fijn grijsgeel zand
C-horizont
Boring 7 en 8 zijn in het noordelijke deel van het plangebied gezet. Dit deel van het plangebied is volledig bebouwd of verhard. De boringen zijn geplaatst in delen die verhard zijn met klinkers. De top van het profiel bestaat dan ook uit een 7 cm dikke klinker. Vervolgens is er in boring 7 een 30-40 cm opgebrachte laag aangetroffen. Onder de laag is worteldoek aanwezig. Tot 60-100 cm diepte bevindt zich in beide boringen een opgebrachte laag met puin. De overgang naar de onderliggende laag is scherp. Onder de opgebrachte zandlaag bevindt zich de C-horizont. Deze bestaat uit geel tot grijsgeel zand. Op basis van de boringen is het duidelijk dat enkel de boringen 4 en 6 een deels intact profiel hebben. De overige boorprofielen bevatten een verstoring tot in de top van de C-horizont. De verstoringen in de boorprofielen is te verklaren door de sloop van de schuurtjes en tuinhuisjes die met name in het centrale deel van het plangebied aanwezig waren. Volgens de eigenaar is het noordelijke deel van het terrein 10 jaar geleden gesaneerd waarbij grond is afgegraven en het terrein vervolgens weer is opgehoogd met zand en puin. Verder werd bij het veldbezoek duidelijk dat het westelijke deel van het plangebied recentelijk is afgegraven (zie figuur 11).
Boring 3 en 5 in het westelijke deel van het plangebied ligt circa 50 cm lager dan de deels intacte boringen 4 en 6 in het oostelijke deel van het plangebied en boringen 1 en 2 in het zuidelijke deel van het plangebied. Het aangetroffen bodemprofiel komt niet overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5). Op basis van de extrapolatie van de Bodemkaart werd een hoge enkeerdgrond verwacht. Door verstoringen van de top van het profiel is deze enkeerdgrond in geen enkele boring aangetroffen. Onder de enkeerdgrond werd eventueel een podzolprofiel verwacht, zoals ook is aangetroffen bij archeologische onderzoeken in de omgeving. In boring 4 en 6 is een deels intact bodemprofiel aangetroffen. De natuurlijke afzettingen behoren tot de dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 19 van 24
3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Binnen het plangebied zijn meerdere bodemprofielen te onderscheiden. De bodemopbouw van boring 1, 2 en 5 bestaat uit een toplaag die is geïnterpreteerd als verstoring. Op een diepte van circa 60-100 cm is de C-horizont aangetroffen. Deze bestaat uit geel zand. De bodemopbouw van boring 3 bestaat uit een bouwvoor met een scherpe overgang naar de C-horizont. De C-horizont bevat veel gley waardoor deze afzettingen een oranje kleur hebben. In boring 4 is tot 75 cm drie lagen aangetroffen die geïnterpreteerd zijn als verstoring. Hieronder bevindt zich een restant van een podzol-B-horizont. Deze horizont gaat geleidelijk over naar de gele C-horizont. Ook in boring 6 is een vergelijkende bodemopbouw aangetroffen. In deze boring bevindt zich tot 85 cm een laag die is geïnterpreteerd als verstoring met hieronder restanten van een podzol-B-horizont op de C-horizont. In boring 7 en 8 is onder de klinkerlaag een puinlaag aangetroffen. Hieronder bevindt zich een 60 cm dikke opgebrachte laag die een scherpe overgang heeft naar de onderliggende C-horizont.
Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Bij het booronderzoek is in boring 1 tot en met 3, 5, 7 en 8 een verstoord profiel aangetroffen. Een deel van dit plangebied is recentelijk circa 50 cm afgegraven, waarschijnlijk bij de sloop van de schuurtjes en tuinhuisjes. Het noordelijke deel is afgegraven vanwege een sanering. De verstoring bevindt zich tot een diepte van 60-100 cm -mv. In boring 4 en 6 is een verstoring van circa 75-85 cm aangetroffen. Hieronder bevindt zich een deels intact podzolprofiel. Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? In het westelijke, zuidelijke en noordelijke deel van het plangebied wordt niet verwacht dat er nog archeologische resten aanwezig zijn. De archeologische verwachting van de periodes Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd kan worden bijgesteld naar laag. In het noordoostelijke deel van het plangebied, ter plaatse van boring 4 en 6, is een deels intact podzolprofiel aangetroffen. Op deze locaties kunnen nog archeologische resten in situ aanwezig zijn. De hoge archeologische verwachting voor de periodes Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd. 4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw in boring 1 tot en met 3, 5, 7 en 8 bestaat uit een verstoord profiel tot in de top van de C-horizont. In boring 4 en 6 is op een diepte van circa 75-100 cm een restant van een podzol-B- horizont aangetroffen, wat wijst op (deels) intactheid van de bodem.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 20 van 24
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen in het noordelijke, westelijke en zuidelijke deel van het plangebied kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De lage archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum blijft gehandhaafd en de hoge verwachting voor de periodes Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd kan worden bijgesteld naar laag. Binnen het deel van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord en dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie figuur 12). In boring 4 en 6 was een deels intacte podzolbodem aanwezig, waardoor de hoge archeologische verwachting voor de periodes Neolithicum tot en met Nieuwe tijd kan blijven gehandhaafd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. In dit deel van het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (zie figuur 12). Behalve dat in dit deel een deels intacte podzolbodem is aangetroffen, bevindt zich op deze locatie ook historische bebouwing. Vanaf de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd bevindt er bewoning aan de Raadhuisstraat, dat nog aanwezig kan zijn onder de hedendaagse bebouwing.
Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Woensdrecht), die vervolgens een besluit neemt. Op 15 april 2019 heeft Afdeling Stedelijke Ontwikkeling, contactpersoon dhr. M. Vermunt, een beoordeling opgesteld. De conclusie van de adviseur is als volgt: Op grond van het bureauonderzoek geldt o.i. een lage tot middelhoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit de prehistorie en een middelhoge tot hoge verwachting voor de perioden LateMiddeleeuwen – Nieuwe Tijd. De indruk bestaat, dat het plangebied pas laat in ontginning is gebracht. Bewoning was aanwezig in de 20e eeuw, maar de archeologische waarde die hiermee in verband kan worden gebracht, is o.i. zeer beperkt en rechtvaardigt niet de uitvoer van een proefsleuvenonderzoek.
Mede gezien de aangetroffen bodemsamenstelling en verstoorde bodemopbouw, gevonden bij het booronderzoek achten wij een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek voor dit plangebied niet zeer zinvol. Wij adviseren daarom, het gehele plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bij aanvang van de grondwerkzaamheden zouden wij echter wel graag tijdig geïnformeerd willen worden t.b.v. een locatiebezoek. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het vrijgegeven deel van het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed43, de gemeente Woensdrecht of de provincie Noord-Brabant).
43
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 21 van 24
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Archaeological Research en Consultancy, 2001. Verkennend booronderzoek Antwerpsestraatweg, Hoogerheide. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Compositie 5 stedenbouw, 2013: Gemeente Woensdrecht, bestemmingsplan ”Bebouwde kom Hoogerheide-Woensdrecht” (vastgesteld), Breda. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Feest, van der, N.J.W., 2012: Archeologisch bureauonderzoek Scheldeweg-Raadhuisplein, Hoogerheide. Aeres Milieu rapport AM12244. Hoven, E. & W. van den Engel, 2009: Raadhuisstraat Hoogerheide, gemeente Woensdrecht. Becker en Van de Graaf rapport 10620708. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank.
Den Haag. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, S.A., & H. Buitenhuis, 2006: Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO) voor planlocatie Raadhuisstraat 114 t/m 122 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht (N-Br.) ARC-rapporten 2006-86. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Schutte, A.H., 2016: Archeologisch booronderzoek Scheldeweg-Noord te Hoogerheide in de gemeente Woensdrecht. Econsultancy rapport 15083967.002. Stichting voor Bodemkartering, 1982: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 58 Oost/Bergen op Zoom.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 22 van 24
Stiekema, M. & P. Beurskens, 2018: Plan van Aanpak booronderzoek Raadhuisstraat 22-32 te Hoogerheide in de gemeente Woensdrecht. Econsultancy Swalmen. Weijer, J. van de, 2018: Verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem Raadhuisstraat 22-32 te Hoogerheide. Econsultancy rapport 6554.001, Boxmeer. Wilbers, A., 2006: Jan van der Heijdenstraat, Hoogerheide. Inventariserend veldonderzoek verkennende fase. Becker en Van de Graaf rapport 19055. Wullink, A.J. & P. Beurskens, 2019: Plan van Aanpak booronderzoek Raadhuisstraat 20 te Hoogerheide in de gemeente Woensdrecht. Econsultancy Rotterdam. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 23 van 24
BRONNEN AHN; internetsite, oktober 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, oktober 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, oktober 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, oktober 2018 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, oktober 2018. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, oktober 2018. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, oktober 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, oktober 2018. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, oktober 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, oktober 2018. http://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, oktober 2018. http://geoloket.provincieantwerpen.be/HTML5_251_NL/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371 183.1034793,6619826.820527,643298.9241744,6793491.748791,102100 VEO Bommenkaart; internetsite, oktober 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 6554.002 versie 2
Pagina 24 van 24
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de CHW44
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen de CHW provincie Noord-Brabant Legenda Plangebied Indicatieve archeologische waarden
44
CHW, provincie Noord-Brabant.
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart45
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
45
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 46
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
46
AHN
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart47
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
47
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 48
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
48
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1816 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl)
Situatie 1850-1864 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1896 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1910 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1918 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1938 (bron: www.topotijdreis.nl)
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 6554.002 versie 2
Situatie 1943 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1956 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1970 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1978 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1990 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1996 (bron: www.topotijdreis.nl)
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide.
Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 11. Afgegraven terrein in het plangebied
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Afgegraven terrein in het plangebied Legenda Plangebied Afgegraven terrein
Rapport 6554.002 versie 2
Figuur 12. Selectieadvies
Raadhuisstraat 20-32 te Hoogerheide. Selectieadvies Legenda Plangebied Vrijgave
Rapport 6554.002 versie 2
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegWeichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a
5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 6554.002 versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
9000
8240 8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 6554.002 versie 2
Bijlage 2 Zaaknummer (OMnummer) 2379492100 (53322)
Onderzoeksmeldingen
Situering t.o.v. plangebied In het plangebied
4013163100
Gedeeltelijk in het plangebied
2131339100 (19055)
90 meter ten zuidoosten
Rapport 6554.002 versie 2
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Scheldeweg - Raadhuisstraat Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 25-8-2012 Resultaat: Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en geografische ligging moet worden opgemaakt dat voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit de late prehistorie. Hoewel er in de omgeving geen directe aanwijzingen zijn voor dergelijke bewoning, vormt de ligging op de overgang van de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen naar de lagere dekzandruggen een voorkeurslocatie. De hoogteverschillen en andere bodemtypen zorgen voor een biologische gradiënt en voor een grote biodiversiteit. De periode voorafgaand aan de late prehistorie wordt gezien als een lage trefkans, het gebied was waarschijnlijk ongeschikt om te bewonen door de sterke invloed van het water in de omgeving. Enkel vondsten uit de Romeinse tijd duiden mogelijk op de aanwezigheid van bewoning in de omgeving, echter kan niet worden uitgesloten dat dit materiaal van elders is aangevoerd, bijvoorbeeld bij het aanbrengen van een plaggendek. Dit geld ook voor de daarop volgende periode, de Vroege-Middeleeuwen. Derhalve geldt voor deze perioden een middelhoge verwachting.
De perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn sterker vertegenwoordigd in de beschikbare gegevens en op basis van het bestudeerde materiaal moet worden aangenomen dat met name de zone rond de Raadhuisstraat reeds lange tijd in gebruik is als bewoningszone. Op basis van de beschikbare gegevens geldt voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. De tijdens het onderzoek verworven gegevens geven een beeld van een locatie waarbij de potentie bestaat dat er archeologische resten aanwezig zijn uit diverse perioden. Met name geconcentreerd aan de oostzijde van het plangebied. Echter bestaat de kans dat door de huidige bebouwing de archeologische resten (deels) verstoord zijn. Om hier een duidelijker beeld van te kunnen schetsen is het noodzakelijk een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk worden wat de conditie van de bodem is en kan eventueel de omvang van de aanwezige verstoringen verduidelijkt worden. In het kader van de diverse trajecten voor de ontwikkeling kan beter op voorhand worden vastgesteld welk traject de nieuwe weg zal krijgen, om zo het onderzoek toe te spitsen op de daadwerkelijke verstoring.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Scheldeweg Noord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 9-9-2016 Resultaat: In het gehele plangebied is een verstoorde bodemopbouw vastgesteld. De diepte van de verstoring fluctueert tussen de 135 cm onder maaiveld (boring 2) tot minimaal 260 cm onder maaiveld (boring 7). Bij een groot aantal boringen (4, 7, 8, 9, 11 en 12) is de exacte diepte van de verstoring niet vastgesteld vanwege hang- dan wel grondwater onder in deze boringen. Door dit water kwamen er boormonsters naar boven die dermate nat en verrommeld waren dat ze niet te interpreteren waren (mede doordat de monsters vermengd raakten met grond die van boven in het boorgat naar beneden viel). Bij boring 4 leek het erop dat op de diepte waar grond- dan wel hangwater voorkomt, de bodem waarschijnlijk intact was. Het is goed mogelijk dat hemelwater door de losse verstoorde bodem makkelijk naar beneden stroomt en dan in de top van de intacte bodem stagneert, wat zou betekenen dat het grond- dan wel hangwater niveau de diepte van de verstoring aangeeft. Het is wel opvallend dat de diepte van het grond- dan wel hangwater enorm verschilt in het plangebied. De mate van verstoring in het plangebied geeft aan dat een groot deel vergraven is, een deel mogelijk gediepploegd.
Naast de diepgaande bodemverstoring binnen het plangebied is tijdens het veldwerk ook gebleken dat het terrein van de gemeentewerf (ter plaatse van boringen 5, 6, 7 en 8) aanmerkelijk lager ligt dan het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied maar hoger dan het terrein ten zuiden van het plangebied. Vermoedelijk is de locatie geëgaliseerd waarbij het zuidelijke deel is opgehoogd. Dat zou ook verklaren waardoor er in boring 8 op 190 cm onder maaiveld een donkergrijs puinhoudend pakket is aangetroffen. Onder de verstoorde pakketten bestond de C-horizont over het algemeen uit matig fijn, zwak siltig zand. Een uitzondering hierop is boring 6. Hier is onder het verstoorde pakket op 210 cm onder maaiveld een leemlaag aangetroffen met daaronder veen. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek geheel bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Jan Van Der Heijdenstraat Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 19-9-2006 Resultaat: Uit de resultaten van beide onderzoeken blijkt dat het plangebied bovenaan de helling van een droogdal ligt op de terrasrand de Brabantse Wal en dat er in het plangebied grotendeels een begraven maar ongestoorde podzolbodem aanwezig is. In twee boringen (boringen 1 en 3) is het bodemprofiel recentelijk tot een diepte van 60 tot 110 cm verstoord, waardoor mag worden aangenomen dat de percelen waarin deze gezet zijn waarschijnlijk ook als verstoord mogen worden beschouwd (zie paragraaf 3.2 en 3.3). Ondanks dat er in boring 2 nog een klein deel van de oorspronkelijke bodem is aangetroffen, wordt er toch van uit gegaan dat op de parkeerplaats achter het postkantoor de bodem grotendeels verstoord is, mede omdat deze parkeerplaats is ingegraven in de helling. Ook een klein deel van de tuin achter huisnummer 60 wordt beschouwd
2223144100 (32128)
90 meter ten zuidoosten
2191911100 (27703)
200 meter ten noorden
2132238100 (19191)
350 meter ten zuidoosten
2132676100 (19244)
350 meter ten zuidoosten
Rapport 6554.002 versie 2
als verstoord omdat hier gegraven is om het maaiveld gelijk te krijgen met het pad buiten de tuin. In twee van de andere vier boringen (boringen 4 en 5) zijn in de ongestoorde B-horizont (tussen 50 en 80 cm diep) vondsten aangetroffen die wijzen op menselijke activiteiten in het verleden. Het verbrande hout, de verbrande leem en mogelijk ook enkele metaalslakken kunnen echter niet nauwkeuriger worden gedateerd dan tussen de IJzertijd en de Nieuwe tijd. Voor het deel van het plangebied langs de Raadhuisstraat dat momenteel bebouwd is, is niet bepaald of de bodemopbouw verstoord is. Het is onbekend of er kelders aanwezig zijn en tot welke diepte de funderingen reiken. Als de funderingen ondiep zijn dan is het mogelijk dat er nog onverstoorde archeologische resten onder de bebouwing voorkomen. Op basis van de resultaten van het IVO is vastgesteld dat er in het plangebied zowel de bodemopbouw als het archeologische niveau grotendeels ongestoord zijn (bijlage 4). Daarnaast zijn waarschijnlijk archeologische resten in situ aanwezig die echter niet nauwkeuriger gedateerd kunnen worden dan uit de periode IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Het soort en omvang van deze resten zijn echter onbekend. Geadviseerd wordt daarom een karterend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren in de ongestoorde delen van het plangebied.
Voor goedkeuring van dit selectieadvies kan contact opgenomen worden met het bevoegd gezag, de provinciaal archeoloog van Noord-Brabant, dhr. M. Meffert. Deze dient het advies te beoordelen en een selectiebesluit te nemen. Voordat het selectiebesluit genomen is, kan niet begonnen worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Raadhuisplein Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 1-12-2008 Resultaat: Resultaat is niet bekend. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Hoogerheide Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 17-7-2001 Resultaat: Resultaat is niet bekend. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Raadhuisstraat 114 T/M 122 Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 26-9-2006 Resultaat: Op basis van de bij het bureauonderzoek verkregen informatie kan een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied worden opgesteld. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de historische dorpskern van Hoogerheide, op een terrasafzettingsrest direct naast een steilrand die de overgang naar het zeekleigebied vormt. De bodemopbouw zal in het verleden een podzolprofiel hebben gehad, indien het terrein voor een (korte) periode deel heeft uitgemaakt van de es kan hierop een dun esdek zijn aangebracht.
De analyse van historisch kaartmateriaal heeft echter aangetoond dat er in ieder geval vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw bebouwing op de kavels van de projectlocatie aanwezig is geweest, die de oorspronkelijke bodemopbouw in meer of mindere mate (afhankelijk van de funderingsdiepte en -wijze) zal hebben verstoord. De trefkans op archeologische waarden is in belangrijke mate afhankelijk van de huidige bebouwing: afgezien hiervan heeft het terrein in het verleden door zijn hoge ligging een uiterst gunstige locatie gevormd voor menselijke bewoning en/of gebruik. Het Inventariserend Veldonderzoek (IVO) zal derhalve duidelijk moeten maken in hoeverre de huidige bebouwing de oorspronkelijke bodemopbouw en potentieel hierin aanwezige archeologische grondsporen intact heeft gelaten, waaronder de aanwezigheid van resten van een begraafplaats. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Raadhuisstraat 114 T/M 122 Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 29-9-2006 Resultaat: In alle zes boorpunten is alleen zand aangetroffen. De bovenste laag bestaat uit een 65–100 cm dikke bouwvoor, zwak tot matig humeus, betrekkelijk fijn zand. In deze bouwvoor zijn resten van puin, glas en kunststoffen (piepschuim) aangetroffen tot in de onderkant van dit pakket.
De bouwvoor ligt met een vrij scherpe overgang op geelwit, fijn zand dat minstens tot een diepte van 170 cm beneden maaiveld is aangetroffen. Uit het veldonderzoek blijkt, dat er geen stuifzand is afgezet en dat er geen herkenbare es is gevormd. De bouwvoor is vrij dik en verstoord (zie aanwezigheid van plastic op enige diepte), en is gelegen op het onverstoorde zand van de C-horizont van een dekzandpakket. Daaruit volgt tevens dat er geen resten van een oude bodem (meer) aanwezig zijn. Ook zijn er in de boorpunten geen aanwijzing gevonden voor het gebruik van het plangebied als begraafplaats. Hoewel de geplande verstoring door de bouw van een parkeergarage tot circa 4 m beneden maaiveld plaats zal vinden, zullen hierdoor geen dieper gelegen archeologische resten worden verstoord: tussen 65–170 cm beneden maaiveld is alleen onverstoord dekzand aangetroffen. Aangezien dit dekzand tijdens de laatste ijstijd is afgezet, bestaat er geen mogelijkheid dat zich hieronder nog archeologische resten bevinden. Dit gaat echter niet op voor de smalle strook met woningen direct aan de Raadhuisstraat. De analyse van historisch bronmateriaal heeft aangetoond dat zich hier vanaf de LateMiddeleeuwen bebouwing heeft bevonden, waarbij voor de laat 15 e en begin 16e eeuw zelfs het ambacht van de bewoners (pottenbakkers) bekend is.
Tijdens het uitvoeren van het archeologisch onderzoek bevond zich op deze locaties nog (recente) bebouwing, waardoor het niet mogelijk was de bodemopbouw hier te bestuderen. Vanwege de hoge potentiële archeologisch-historische waarde die deze percelen bezitten voor het bestuderen van de laatmiddeleeuwse bewoningsgeschiedenis van Hoogerheide, wordt geadviseerd om archeologisch vervolgonderzoek – bijvoorbeeld de sloop- en graafwerkzaamheden op het terrein onder archeologische begeleiding te laten plaatsvinden.
Bijlage 3
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2131339100 (426481)
Locatie t.o.v. plangebied
Omschrijving
140 meter ten zuidoosten
Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragmenten van huttenleem/verbrande leem Bronstijd - Nieuwe tijd : - 3 fragmenten van metalen slakken
Rapport 6554.002 versie 2
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrari- sche levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levens- stijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 6554.002 versie 2
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaam- de 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelij- ker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 6554.002 versie 2
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal ge- weld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 6554.002 versie 2
Bijlage 6 AMZ-cyclus Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelij- ke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waar- den, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waar- van een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de date- ring, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennen- de fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.