2021-04-01 Bijlage Vast te stellen BP Onderstal 2, Hoogerheide -Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.4
Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ’Brabantse Wal’. Voornaamste ontwikkelstrategie betreft het behoud en de accentuering van de aanwezige variatie aan landschapstypen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt betreffen dit polders, veenrelicten, landgoederen, kreken en vestingwerken.
Binnen het plangebied zijn deze landschapstypen echter niet aanwezig, nu het plangebied thans is ingericht ten behoeve van het wonen en tevens behoort tot de bebouwde kom van Hoogerheide. Gelet hierop wordt met het onderhavige planvoornemen geen inbreuk gemaakt op de cultuurhistorische waarden gelegen binnen het landschap de ‘Brabantse Wal’. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het plangebied.
28
Gemeente Woensdrecht
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met de rode contour wordt het plangebied aangeduid.
Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.5
Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
29
verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling Blijkens de ‘Archeologische waarden- en verwachtingenkaart’ van de gemeente Woensdrecht is het plangebied gelegen binnen het gebied aangeduid als ‘Middelhoge archeologische verwachting’.
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Woensdrecht met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.
Op grond van beleidsmatige vertaling van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart geldt voor dit gebied een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring van meer dan 50 m2 en dieper dan 0,50 meter onder de oppervlakte. Onderhavig planvoornemen overschrijdt deze grenswaarden. Derhalve is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Het rapport ziet naast onderhavig plangebied tevens toe op een locatie aan de Onderstal 14. De resultaten van het onderzoek worden navolgend kort toegelicht. Uit het bureauonderzoek volgt dat het plangebied bovenaan de helling van de Brabantse Wal en een droogdal ligt. Door de gunstige landschappelijke ligging is het onderzoeksgebied mogelijk al bewoond geweest in de Steentijd. Uit de periode Laat Paleolithicum-Vroeg Neolithicum worden complextypen zoals jachtkampjes verwacht en uit latere perioden nederzettingsterreinen, huisplaatsen en grafvelden. In de omgeving zijn weinig vindplaatsen bekend maar er komen onder andere enkele vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd voor. Teneinde de verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Het verkennend booronderzoek wijst uit dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit pleistocene rivierafzettingen van de Formatie van Waalre met hierboven dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Vanaf een diepte van ca. 60 tot 100 cm –mv bevindt zich een rommelig pakket zwak tot matig humeus, matig fijn tot matig grof zand. Op de locatie Onderstal 2 bevat dit pakket veel wortelresten en het bestaat uit fijn en grof zand.
30
Gemeente Woensdrecht
Het veldonderzoek toont aan dat er geen sprake is van een intacte eerdlaag (plaggendek). Indien deze in het plangebied is gevormd, dan is de laag sterk verrommeld. In de top van het dekzand is verder geen spoor aanwezig van de oorspronkelijke podzolbodem. Door de verstoring tot in de natuurlijke dekzandafzettingen (C-horizont) wordt in het plangebied geen vondstlaag of een intact sporenniveau verwacht. Hooguit de onderste delen van diepingegraven sporen in het dekzand kunnen behouden zijn gebleven. ADC ArcheoProjecten acht de kans klein dat zich in het plangebied behoudenswaardige vindplaatsen bevinden. Daarom wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De bevoegde overheid neemt op basis van het onderzoeksrapport een selectiebesluit. Conclusie ADC ArcheoProjecten acht de kans klein dat zich in het plangebied behoudenswaardige vindplaatsen bevinden. Daarom wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De bevoegde overheid neemt op basis van het onderzoeksrapport een selectiebesluit.
4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Brabantse Wal’, welke is gelegen op een afstand van circa 1.000 meter. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige ontwikkeling wordt de bouw van acht appartementen mogelijk gemaakt in de kern van Hoogerheide.
Om inzichtelijk te maken of er negatieve effecten optreden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze berekening, opgesteld met behulp van AERIUS, is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Zowel de stikstofdepositie volgend uit de sloopfase, de aanlegfase en
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
31
de gebruiksfase is inzichtelijk gemaakt in de berekening. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen rekenresultaten op Natura 2000-gebieden naar voren komen die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde natuurgebieden.
4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in april 2019 een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting.
Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de quickscan volgt dat nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming niet noodzakelijk is gebleken voor de soortgroepen flora, vleermuizen, vissen, reptielen, vogels en amfibieën. Uit de quickscan blijkt wel dat het plangebied mogelijk geschikt is voor marterachtigen. Teneinde na te gaan of deze beschermde soorten daadwerkelijk gebruik maken van het plangebied, heeft vervolgonderzoek naar marterachtigen plaatsgevonden. Rapportage daarvan is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat het plangebied echter niet in gebruik is door deze soort. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming.
32
Gemeente Woensdrecht
4.7
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Het plangebied is gelegen aan de Onderstal alwaar een snelheidsregime geldt van 30 km/u. Conform de Wet geluidhinder geldt voor deze weg geen onderzoekszone. Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn wel gezoneerd. Het plangebied valt binnen de onderzoekszone van de Scheldeweg, alwaar een snelheidsregime geldt van 50 km/u. Omdat door middel van onderhavig initiatief nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage 7 toegevoegd bij deze toelichting. Uit de rapportage volgt dat ter plaatse van de beoogde woningen als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Scheldeweg ten hoogste 39 dB berekend wordt. De voorkeursgrenswaarde wordt hierdoor niet overschreden. Het aanvragen van hogere grenswaarden is derhalve niet aan de orde. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is hierdoor eveneens niet noodzakelijk. Voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat is inzicht in de gecumuleerde geluidbelasting verkregen.
Bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting zijn de Jan v.d. Heijdenstraat, Onderstal en Raadhuisstraat betrokken. De berekende Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
33
cumulatieve geluidbelasting bedraagt tussen de 37 en 58 dB. De milieukwaliteit is daarom ‘matig’ tot ‘zeer goed’. De hoogst berekende geluidsbelasting wordt berekend aan de voorzijde van de beoogde woningen. Een dergelijke geluidbelasting is niet uitzonderlijk voor een binnenstedelijke locatie. De achtergevels kunnen met een gecumuleerde geluidbelasting van 37 tot en met 44 dB als geluidluwe gevel worden beschouwd. Bovendien geldt dat op basis van het Bouwbesluit een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd is. Gesteld kan worden dat daarom de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt niet overschreden. Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. 4.8
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied aan de Onderstal 2 ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. Er is sprake van diverse bedrijvigheid en meerdere woon-, horeca en detailhandelsfuncties op korte afstand, namelijk aan de Raadhuisstraat. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstap worden verlaagd. Onderhavig bestemmingsplan maakt toevoeging van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd.
Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van deze functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De beoogde woningen bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijvigheid. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Raadhuisstraat 5 Hoogerheide Inrichting Locatie
Bestemming ‘Centrum - 1
34
Raadhuisstraat 7 t/m 100
Max. milieucategorie 2
Richtwaarde VNG (gemengd gebied) 10 m
Afstand tot plangebied 0m
Gemeente Woensdrecht
Bestemming ‘Maatschappelijk’ Bestemming ‘Bedrijf’
Ouwe Raedhuysplein 41 t/m 87 Jan van der Heijdenstraat 14
2
10 m
35 m
2
10 m
87 m
In bovenstaande tabel is gemeten vanaf de grens van de woonbestemming tot de grens van de hindergevende bestemming. Relevante bedrijvigheid vindt doorgaans op nog grotere afstand plaats. Uit de tabel is af te lezen dat uitsluitend aan de richtafstand behorend bij de bestemming ‘Centrum -1’ niet voldaan kan worden. De voorgenomen ontwikkeling van de woningen grenst direct aan deze bestemming. In de huidige situatie zijn de gronden ter plaatse van het plangebied reeds bestemd voor de functie wonen. De voorgenomen ontwikkeling beperkt de uitbreidingsmogelijkheden van naastgelegen bedrijvigheid dus niet meer dan in de vigerende situatie reeds het geval is. Bovendien is het gebruik van de gronden ten behoeve van het wonen reeds in de bestaande situatie naast een centrumbestemming aanvaardbaar bevonden. In de bestaande situatie is binnen de bestemming ‘Centrum-1’ een bloemist, een adviesbureau in verzekeringen en hypotheken, een opticien en een pizzeria aanwezig. Dit betreffen allemaal categorie 1 bedrijven, zoals voorkomend in de VNG-handreiking. Conform het bestemmingsplan mogen deze activiteiten uitsluitend op de begane grond plaatsvinden. Feitelijk is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een richtafstand behorend bij de centrumbestemming, uitgaande van categorie 1 bedrijven.
Bovendien vindt de aan- en afvoer van goederen en het parkeren voor deze centrumbestemming plaats via de Raadhuisstraat. Geluidsoverlast afkomstig van deze activiteiten worden, gezien de ruime afstand van circa 30 meter tussen de Raadhuisstraat en het plangebied, niet verwacht ter plaatse van de te realiseren woningen. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is daarmee gewaarborgd. Omgekeerd betekent dit ook dat het onderhavige planvoornemen omliggende bedrijven niet in hun bedrijvigheid belemmert. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
35
toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een chloorbleekloogtank aan de Sportlaan 4a te Hoogerheide. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 1.1 kilometer tot het plangebied. Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Bron: risicokaart.nl, 2019.
4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij
36
Gemeente Woensdrecht
nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Het plangebied is gelegen binnen een toxisch scenario voor de A58. In dit geval kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaardadvies. Deze stukken zijn bijgevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere risicorelevante transportassen gelegen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er binnen en in de nabijheid van het plangebied geen hogedruk buisleidingen zijn gelegen, waarvoor een beschermingsregime geldt op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
37
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze
38
Gemeente Woensdrecht
'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Om de luchtkwaliteit ter plaatse te bepalen is de NSL Monitoringstool 2018 geraadpleegd. Uit de NSL Monitoringstool 2018 blijkt dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Onderhavige ontwikkeling betreft de netto toevoeging van 7 woningen binnen de kern Hoogerheide. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. 1
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
39
Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de toevoeging van (per saldo) 7 woningen in het bestaand stedelijk gebied. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een m.e.r. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder de categorie D 11.2, de aanleg wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw
40
Gemeente Woensdrecht
van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op 7 extra woningen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een voorvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin de milieueffecten van het plan per milieuaspect zijn beschreven. Op 3 maart 2020 heeft het college van de gemeente Woensdrecht het M.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als m.e.r.-plichtig op grond van de Interim Omgevingsverordening. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r.
en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening NoordBrabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
41
42
Gemeente Woensdrecht
5
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
5.1
Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het bestemmingsplan “Bebouwde kom Hoogerheide - Woensdrecht” alsmede het gemeentelijk handboek. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3
Regels
5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
43
Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 ‘Wonen - 4 ’ Binnen de bestemming ‘Wonen - 4’ is wonen in de vorm van gestapelde woningen toegestaan, mits wordt voldaan aan de in het artikel opgenomen bouw- en gebruiksregels. Ook de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals bijgebouwen, erven, tuinen en parkeervoorzieningen zijn mogelijk. De bebouwing die op het bouwperceel is toegestaan, wordt vermeld in de bouwregels.
5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 4 ‘Anti-dubbeltelregel’ In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 5 ‘Algemene bouwregels’ Voor het hele plangebied gelden een aantal algemene bouwregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. Het betreffen bouwregels ten aanzien van ondergrondse bouwwerken en bestaande afstanden en maten. Artikel 6 ‘Algemene aanduidingsregels’ Dit artikel omvat de algemene aanduidingsregels behorende bij de aanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone - 2’ en de ‘vrijwaringszone – radar 2’.
44
Gemeente Woensdrecht
Artikel 7 ‘Algemene afwijkingsregels’ In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bestemmingsregels en onderliggende bouwregels op het gebied van onder andere afwijkingen in maatvoering en overschrijding van bebouwingsgrenzen door meetverschillen. Artikel 8 ‘Algemene wijzigingsregels’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstige het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen ten behoeve van overschrijdingen van bouw- en bestemmingsgrenzen. Artikel 9 ‘Overige regels’ In dit artikel wordt de gemeentelijke vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren van toepassing verklaard als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of afwijken.
5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 10 ‘Overgangsrecht’ Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 11 ‘Slotregel’ De regels kunnen worden aangehaald onder bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”.
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
de naam: Regels van het
45
46
Gemeente Woensdrecht
6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2
Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3
Economische uitvoerbaarheid Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. De gemeente Woensdrecht zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten (waaronder tevens planschade) is vastgelegd. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
47
48
Gemeente Woensdrecht
7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan heeft niet geleid tot inhoudelijke vooroverlegreacties.
7.2
Zienswijzen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het ontwerpwijzigingsplan, tezamen met de daarbij behorende bijlagen, vanaf 7 augustus 2020 gedurende een periode van zes weken ter inzage. Gedurende de periode van ter inzagelegging kon een ieder zienswijzen indienen ten aanzien van het ontwerpwijzigingsplan. In totaal zijn drie zienswijzen in het kader van het ontwerpwijzigingsplan ontvangen. De zienswijzen zijn ontvangen binnen de termijn van termijn van ter inzagelegging en zijn derhalve ontvankelijk. In de als bijlage 9 bijgesloten nota beantwoording zienswijzen zijn de zienswijze samengevat en beantwoord. De ingediende zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing in de juridische procedure van het plan. Drie indieners van zienswijzen hebben gesteld dat het wijzigen naar de bestemming ‘Wonen – 4’ niet kan dienen om woningvermeerdering mogelijk te maken. Naar aanleiding van nadere inzichten over de procedure en de ingekomen zienswijzen is besloten de juridische procedure om te zetten naar een bestemmingsplanherziening.
Bestemmingsplan “Onderstal 2, Hoogerheide”
49