CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Visie Circulaire Economie - def. versie

Raadsvergadering 19 april 2022, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Visie Circulaire economie18.529 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Meer doen aan minder.

VISIE

IRCULAIRE ECONOMIE

Visie Circulaire Economie

Inhoudsopgave Voorwoord .................................................................................................................................. 7 1.

2.

3.

4.

5.

Introductie ......................................................................................................................... 9

Organisatie: anders werken ............................................................................................. 37 5.1

Mindset, kennis en inkoop .................................................................................... 37

1.1

Wat is circulaire economie? ................................................................................... 9

5.2

Samenhang binnen de duurzaamheidsopgave ..................................................... 39

1.2

Niveaus van circulariteit ....................................................................................... 10

5.3

Samenwerkingspartners ....................................................................................... 40

1.3

Soorten grondstofstromen ................................................................................... 12

5.4

Enkele aanpakken uitgelicht ................................................................................. 41

1.4

Rijksbeleid ............................................................................................................ 13

Rollen en instrumenten ................................................................................................... 16

6.

Aan de slag! ...................................................................................................................... 44 6.1

Wat doen we al? ................................................................................................... 44

2.1

Rollen bij de circulaire economie ......................................................................... 16

6.2

Kansen voor de komende periode ........................................................................ 46

2.2

Beleidsinstrumenten ............................................................................................ 17

6.3

Van ambitie naar uitwerkingsplannen .................................................................. 48

Inkopen ............................................................................................................................ 21

Bijlage 1 - Grondstoffenstromen ................................................................................................ 50

3.1

Uitgangspunten inkoopbeleid .............................................................................. 21

Bijlage 2 - Afkortingen ................................................................................................................ 53

3.2

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen ............................................................... 22

Bijlage 3 - Bronnen ..................................................................................................................... 55

3.3

Andere vormen van duurzaam inkopen ............................................................... 25

Documenten.......................................................................................................................... 55

Circulaire kansen pakken ................................................................................................. 27

Afbeeldingen / foto’s ............................................................................................................ 56

4.1

Inleiding ................................................................................................................ 27

Websites .............................................................................................................................. 57

4.2

Grondstoffenketen consumenten en bedrijven ................................................... 27

Overig

4.3

Woningbouw en utiliteitsbouw ............................................................................ 28

4.4

Grond-, weg- en waterbouw ................................................................................ 31

4.5

Producten voor eigen organisatie ........................................................................ 34

.............................................................................................................................. 57

2

Visie Circulaire Economie

SAMENVATTING

3

Visie Circulaire Economie

Samenvatting Waarom circulariteit De snelle groei van de wereldbevolking, technologische ontwikkelingen en het streven naar economische groei maken dat de mensheid steeds meer grondstoffen gebruikt. Dit leidt tot schaarste en ernstige milieueffecten, zoals de uitstoot van CO2. Om welvaart, welzijn en een schone leefomgeving voor onze én toekomstige generaties te behouden is een transitie naar een circulaire economie noodzakelijk. In een lineaire economie worden producten na einde levensduur weggegooid of verbrand. De gebruikte grondstoffen gaan verloren. Een geheel circulaire economie kent geen afval: de grondstoffen waarvan de (afgedankte) producten gemaakt zijn, worden opnieuw gebruikt en blijven in de keten. Zo blijft de waarde behouden. Circulariteit is meer dan recycling (hoofdstuk 1) Een circulaire economie omvat echter meer dan het hergebruik van materialen. Het begint met de vraag: is dit product wel werkelijk nodig? En zo ja, hoe kunnen we het zo ontwerpen dat het zo weinig mogelijk belastend is wat betreft grondstoffengebruik en schadelijke emissies. Ook het verlengen van de levensduur van een product (door onderhoud, reparatie en renovatie) is essentieel. De zogenaamde ‘R-ladder’ brengt al deze strategieën om te komen tot meer circulariteit schematisch in beeld en geeft handvatten om aan de slag te gaan.

Als startpunt is het belangrijk om zicht te krijgen op de grondstoffenstromen. In 2016 verscheen het Rijksbrede Programma Nederland Circulair in 2050. Nationale doelen zijn onder andere 50% minder verbruik van grondstoffen in 2030 en 100% circulair in 2050. Rollen en instrumenten van de gemeente (hoofdstukken 2 en 3) Wijk bij Duurstede heeft meerdere rollen als het gaat om de circulaire economie: • Aanbieder van materialen/afvalstromen; • Inkoper van materialen en producten; • Regelgever en vergunningverlener; • Aanjager en facilitator richting inwoners, bedrijven en organisaties.

Ook beschikt zij over diverse instrumenten die zij kan inzetten. Een van die instrumenten is het inkoopbeleid. Door zoveel mogelijk circulair in te kopen, levert de gemeente een bijdrage aan de circulaire economie en stimuleert zij marktpartijen op dit vlak. Circulair inkopen betekent soms dat er andere, innovatieve contractvormen worden gebruikt. Circulaire kansen pakken (hoofdstuk 4) Er zijn sectoren waar met (gemeentelijke) regelgeving en inkoop veel verschil kan worden gemaakt als het gaat om (her)gebruik van grondstoffen en CO2-reductie. Het gaat hierbij met name om: • Inzameling en verwerking van afval; • Woningbouw en utiliteitsbouw; • Grond- Weg- en Waterbouw (GWW); • Inkoop producten voor de eigen organisatie. Vanuit de Rijksoverheid zijn er voor deze terreinen diverse instrumenten en handvatten ontwikkeld voor meer circulariteit. In deze sectoren gaan veel materialen om en kan de gemeente op verschillende manieren invloed uitoefenen. Daarom beschouwen wij deze als vier gemeentelijke speerpunten in deze visie. Later kunnen hier andere thema’s aan toegevoegd worden. Organisatie: anders werken (hoofdstuk 5) Om als gemeente circulariteit vorm en inhoud te kunnen geven, is bewustwording, kennisopbouw en soms een andere manier van denken nodig in de interne organisatie.

Daarnaast vraagt dit thema om een integrale aanpak en onderlinge samenwerking tussen de verschillende disciplines en goede interne communicatie. Alleen dan kunnen kansen optimaal benut worden. Een andere voorwaarde voor de transitie naar een circulaire economie is samenwerking tussen de verschillende ketenpartners. Het gaat daarbij om opdrachtgever en opdrachtnemer, maar ook om andere partijen zoals ontwerpers, toeleveranciers en recyclingbedrijven. Alleen door samen te werken, en door ecologische en economische doelen te koppelen, kunnen we de grondstofketen sluiten.

4

Visie Circulaire Economie

Schema voor uitwerking van circulaire doelen Wijk bij Duurstede

Aan de slag! (hoofdstuk 6) In de gemeente Wijk bij Duurstede wordt al op verschillende manieren gewerkt aan circulariteit. Een goed voorbeeld hiervan is onze inspanning om afval als grondstof aan te bieden. Ook op andere werkvelden maken we stappen én liggen kansen voor de komende periode. Wij onderschrijven de landelijke doelstellingen van 50% circulair in 2030 en 100% in 2050. Om deze doelstellingen te behalen is een versnelling nodig. We moeten meer circulair denken en vooral ook doen, de kansen beter benutten. De vrijblijvendheid moet eraf. Met deze visie als startpunt worden uitwerkingsplannen opgesteld voor de speerpunten, omdat de verwachting is dat op die thema’s veel circulariteitswinst te behalen is.

De uitwerking zal zichtbaar maken welke doelen haalbaar zijn voor de gemeente. Deze lokale doelen, uitvoeringsplannen en welke extra menskracht en middelen daarvoor nodig zijn, worden ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Daarbij gaat het in eerste instantie om wat de gemeentelijke organisatie zelf kan doen en afspreken met haar samenwerkingspartners binnen haar verschillende rollen. Daarnaast zal het nodig zijn om bewoners en bedrijven te stimuleren bij te dragen aan circulair wonen en werken.

5

Visie Circulaire Economie

VOORWOORD

6

Visie Circulaire Economie

Voorwoord Een groeiende wereldbevolking, een toenemende welvaart en technologische ontwikkeling zorgen voor groeiende materiële behoeften. Dit legt een steeds grotere druk op klimaat, milieu en grondstoffen. De inrichting van het huidige (lineaire) economische systeem zal – gekoppeld met een stijgende vraag naar goederen - vroeg of laat leiden tot een uitputting van de beschikbare grondstoffen op deze aarde. Een toenemende schaarste leidt bovendien tot vergaande prijsstijgingen voor goederen waardoor onze welvaart onder druk komt te staan. Daarnaast zorgt het winnen en verbruiken van steeds nieuwe grondstoffen voor een aanzienlijke bijdrage aan de uitstoot van CO2. Om een schone en veilige leefomgeving voor de toekomstige generaties te behouden, zullen we op een andere manier moeten omgaan met de materialen die we hebben. Binnen de circulaire economie kan welvaart gecombineerd worden met duurzaamheid door de aanwezige grondstoffen steeds weer te hergebruiken. Dat is geen eenvoudige opgave omdat we de bestaande werkwijze al jaren, zo niet eeuwen, hanteren. Tot de benodigde gedragsverandering riep de Club van Rome al op in 1972 door met hun rapport ‘De grenzen aan de groei’ aandacht te vragen voor de uitputting van natuurlijke hulpbronnen.

Inmiddels is Circulaire Economie allang niet meer het exclusieve domein van wetenschappers of van de ‘groenen’. Het besef dat de beschikbaarheid van grondstoffen en fossiele energiebronnen eindig zijn, is breed doorgedrongen in de samenleving. Op een dag zijn voorraden zover geslonken dat ze onbetaalbaar worden. Voor het bedrijfsleven biedt het circulair werken kansen en levert een goed belegde boterham op, zowel in binnen- als in buitenland. Slim hergebruik betekent kostenreductie. Maar met een circulair economisch systeem ontstaat er tevens een vraag naar een veelheid aan nieuwe producten en diensten, met alle economische prikkels van dien. Het brengt nieuwe kennisontwikkeling op gang bij tal van beroepen, kennisinstellingen, opdrachtgevers, producenten en talloze andere betrokkenen. Als één van de pijlers binnen de duurzaamheidsambities, wordt ook in Wijk bij Duurstede werk gemaakt van circulaire economie. Deze visie helpt om voor de aankomende periode richting te geven en keuzes te maken zodat onze gemeente - ook voor onze kinderen en daarop volgende generaties - een fijne en toekomstbestendige plek blijft.

Wijk bij Duurstede, februari 2022

Hans Buijtelaar Wethouder Circulaire Economie

7

Visie Circulaire Economie

1 INTRODUCTIE

8

Visie Circulaire Economie

1. Introductie De explosieve bevolkingsgroei en langere levensverwachting, in combinatie met de toename in consumptie per persoon, leiden tot steeds meer grondstoffengebruik en schadelijke emissies. Om de wereld leefbaar en de economie draaiende te houden is een transitie naar een circulaire economie noodzakelijk. Circulariteit omvat veel meer dan alleen recycling. Het vraagt om een andere manier van denken en doen. Niet alleen na einde levensduur van een product, maar ook al in de ontwerp- en gebruiksfase. In dit hoofdstuk wordt het begrip circulariteit uitgelegd. Ook komen de landelijke doelstelling inzake circulariteit aan bod.

Lineaire economie In een lineaire economie worden steeds nieuwe (virgin) grondstoffen ingezet voor de productie van goederen. Als deze gebruikt zijn, ontstaat er (rest)afval waarmee alle waarde teniet gedaan wordt. Het systeem gaat er vanuit dat de aarde een onuitputtelijke bron van grondstoffen is met een oneindig gebruik van die middelen.

Lineaire versus circulaire economie

Groei van de wereldbevolking in miljarden

1.1 Wat is circulaire economie? De bevolkingsgroei leidt tot een toename in vraag naar grondstoffen terwijl de beschikbaarheid daarvan in veel gevallen afneemt. Dat vraagt om een andere manier van omgaan met de middelen die we hebben en de aarde ons biedt.

Circulaire economie Binnen de circulaire economie geldt de aarde als kwetsbaar systeem waar natuurlijke grondstoffen op kunnen raken. Met dit uitgangspunt wordt in de circulaire economie geprobeerd om zo min mogelijk grondstoffen te gebruiken. Grondstoffen die worden gebruikt, worden steeds hergebruikt in toepassingen waarbij de waarde zo lang mogelijk behouden blijft. Indien alle eerder gebruikte grondstoffen gerecycled kunnen worden, is er geen sprake meer van afval. Bijkomend voordeel is dat vermindering van (primair) grondstoffengebruik ook leidt tot minder CO2uitstoot. Grondstoffen- en klimaatbeleid gaan hand in hand. Circulaire economie kan als volgt gedefinieerd worden:

“Circulaire economie is een economisch systeem waarin waarde behouden blijft of ontstaat door producten en grondstoffen te hergebruiken en vernietiging van grondstoffen te minimaliseren”

9

Visie Circulaire Economie

Er zijn vele definities van het begrip circulaire economie. In essentie gaan achter de meeste definities dezelfde principes schuil. De volgende vier definities leggen op verschillende aspecten van circulariteit de nadruk. Economisch systeem De circulaire economie gaat uit van een economisch systeem, waarbij het verdienen van geld, naast andere factoren, een belangrijke voorwaarde is om op lange termijn ‘volhoudbaar’ te zijn. Waardebehoud Producten blijven in de circulaire economie hun waarde behouden en kunnen zelfs in waarde toenemen, bijvoorbeeld door het 'upgraden' van een (deel van het) product. In een lineaire economie verliest een product langzaam aan waarde. Denk bijvoorbeeld aan een nieuwe auto die bij het verlaten van de showroom al in waarde is afgenomen. Hergebruik van grondstoffen Als een product of de onderdelen ervan niet meer kunnen worden gebruikt, dan worden de grondstoffen van een product 'teruggewonnen' en hergebruikt. Een fabrikant zal hier in het productontwerp rekening mee moeten houden. Minimale vernietiging van grondstoffen Naast het herwinnen achteraf, zal vooraf in het productontwerp al rekening gehouden moeten worden met het minimaliseren van het gebruik van grondstoffen én het resterende afval. Dit principe geldt als uitgangspunt voor de gehele keten, dus ook in de schakels van bijvoorbeeld de toeleveranciers.

Die verbinding met de andere partners in de productieketen maakt dat het circulair produceren van goederen bij één producent ook bij anderen zorgt voor verduurzaming, waarmee circulaire economie een verbindend thema binnen de bedrijfskolommen is. Kortom, een circulaire economie combineert een gezonde planeet met een sterke economie. Er wordt beter omgegaan met schaarse (en dus dure) grondstoffen, wat goed is voor de wereld (kleinere carbon footprint, minder delving) maar ook voor de portemonnee. Met het hergebruiken van eerder ingezette grondstoffen is Nederland minder afhankelijk van landen die grondstoffen bezitten maar het minder nauw nemen met vervuiling, mensenrechten, etc.

1.2 Niveaus van circulariteit Het circulaire model is erop gericht om grondstoffen en producten zo lang mogelijk een zo hoog mogelijk waarde te laten behouden. Hiermee worden de stappen gezet van een lineaire economie naar een circulaire economie. Ladder van Lansink Eind 1979 aanvaardde de Tweede Kamer de motie Lansink c.s. met de voorkeursvolgorde voor afvalbeheer. Via de nota “Beperking en gebruik van afval van particuliere huishoudens” is die voorkeursvolgorde opgenomen in de Wet milieubeheer (art. 10.4). Inmiddels kennen we de zogenoemde ‘Ladder van Lansink’. 10R model Naast deze zes stappen in afvalbeheer (de afvalhiërarchie) is door prof. dr. Jacqueline Cramer een uitgebreider (circulair) model ontwikkeld waarin gekeken is naar het sluiten van grondstoffen-kringlopen: het 10R-model. Hierin wordt gekeken naar de fasen van na, tijdens en voor het gebruik. De afbeelding is weergegeven onder de beschrijving van de fasen. Vóór de gebruiksfase De stap naar circulariteit wordt gezet door ieder product met hergebruik als uitgangspunt te ontwerpen, het gebruik van grondstoffen te verminderen of zelfs helemaal voorkomen. De mate van circulariteit neemt toe naarmate men meer voor het gebruik nagedacht heeft over het sluiten van de grondstoffenkringloop: hoe hoger op de R-ladder, des te lager is het grondstofgebruik.

Tijdens de gebruiksfase Vervolgens is het doel om de levensduur van de gebruikte producten en onderdelen zo lang mogelijk op te rekken. Dit kan door producten te hergebruiken, te onderhouden en repareren (denk aan de zogenaamde repair-cafés), te renoveren of op te knappen. Met het reviseren worden er nieuwe producten van oude producten en materalen gemaakt. Tenslotte kan een bestaand product met een ander doel hergebruikt worden.

10

Visie Circulaire Economie

Na de gebruiksperiode Als het product of de onderdelen ervan niet meer als dusdanig inzetbaar zijn, dan kom je in de laatste fase terecht. De materialen uit het product worden zo nuttig mogelijk ingezet door middel van recycling (de 2e R): de materialen worden verwerkt tot grondstoffen met dezelfde (hoogwaardige) of mindere (laagwaardige) kwaliteit dan de oorspronkelijke grondstof. Als dat niet mogelijk is, dan is de laagste trede en dus minst circulaire ‘R’ is R die van recover: het verbranden van gebruikte materialen met energieterugwinning (bij de ladder van Lansink is dit fase D ‘Energie’).

Het 6R model voor circulariteit2

Recycling, downcycling en upcycling Recycling wordt vaak gebruikt als algemene term voor het hergebruiken van materialen. Binnen dit proces ontstaan nieuwe grondstoffen of een nieuw product met een zekere waarde. Indien de waarde min of meer gelijk blijft, is er sprake van recycling.

Het 10R model voor circulariteit1

De afgelopen jaren is het 10R model doorontwikkeld naar het 6R model. De afbeelding lijkt complexer maar enkele R-niveaus zijn samengenomen ter vereenvoudiging. Ook zijn de beschreven drie gebruiksfases en de kringloopgedachte sterker verbeeld.

1

Circulaire economie: van visie naar realisatie, Prof. dr. Jacqueline Cramer, juni 2015

Bij downcycling worden producten nog steeds gerecycled, maar worden ze omgezet in minder waardevolle producten. De kwaliteit van het nieuwe product is dus lager dan daarvoor. Glas kan prima met kwaliteitsbehoud worden hergebruikt, maar wanneer er te veel kleuren worden vermengd, kan er alleen nog bruin glas van worden gemaakt. Hierdoor is een deel van de waarde verloren gegaan en is het product dus gedowncycled. Hetzelfde gaat op bij het mengen van allerhande plasticsoorten. Producten worden ook gedowncycled als er sprake is van vervuiling in de afvalstroom. Bij upcycling vindt omzetting van oude materialen plaats naar materialen met een hogere waarde dan het origineel. Denk aan restmateriaal bij de productie van kleding dat vervolgens

2

Circulaire Economie in Kaart (bewerkt) , Planbureau voor de Leefomgeving, 2019 11

Visie Circulaire Economie

als grondstof wordt gebruikt voor het vervaardigen van tassen die een hogere waarde kennen dan het restmateriaal dat anders waarschijnlijk weggegooid en verbrand zou worden.

1.3 Soorten grondstofstromen Bedrijven, organisaties en consumenten gebruiken en consumeren op allerlei wijzen grondstoffen en materialen. Om te weten hoe je in de praktijk invulling kunt geven aan een circulaire economie, is zicht op de grondstofstromen noodzakelijk. Informatie over de omvang en de waarde van de stromen en voorraden grondstoffen is nodig om er optimaal gebruik van te kunnen maken. Er dient duidelijk gemaakt te worden welke soorten van grondstofstromen er zijn, immers: iedere stroom kent z’n eigen ontstaan en verloop. Zo maakt het nogal uit of het over elektronica, bouwmaterialen, biomassa of kunststoffen gaat.

Cradle to Cradle (C2C) Een ander concept dat ook onder de circulariteitsmodellen valt is Cradle to Cradle (C2C). Bij C2C ontwerp worden materialen toegepast ‘met respect voor hun intrinsieke waarde en hun bruikbare levensduur in gerecyclede of zelfs geüpcyclede producten met een waarde en technologische geavanceerdheid die groter kunnen zijn dan die van de oorspronkelijke producten’3. Net als in de natuur is er bij C2C-ontwerp geen afval, geen schaarste en geen beperking. Het is een ontwerpconcept dat is gebaseerd op onbeperkt hergebruik van grondstoffen ('waste is food'), het gebruik van duurzame energie en het stimuleren van diversiteit. Binnen het concept van Cradle to Cradle wordt een product beoordeeld op vijf kwaliteitscategorieën: − Materiaalkeuze (gezondheid en veiligheid voor mens en milieu); − Hergebruik van materialen; − Hernieuwbare energie en CO2-management; − Watergebruik in het productieproces; − Sociale rechtvaardigheid.

3

Voedsel

Bouw

Maakindustrie

Consumenten Kunststoffen

Binnen deze sector heeft met name de veeteelt grote stromen: diervoeding (gras en mais), mest en melk. Ook de stroom in de voedingsmiddelenindustrie is groot. Schoon water speelt een grote rol in deze sector. Grote stromen in de bouw zijn de delfstoffenwinning en de productie van bouwmaterialen (bijv. beton). Deze worden verwerkt in de bouwnijverheid: in de woning- en utiliteitsbouw en de grond-, weg- en waterbouw (infrastructuur). De maakindustrie is een zeer brede sector met een grote variatie in producten, waardenketens en markten. De levensduur en complexiteit van producten zijn van invloed op de wijze waarop circulaire economie kan worden toegepast. Bij ‘Consumenten’ zijn twee grote stromen te onderscheiden: de consumptie en de afvalstroom. Jaarlijks brengen kunststofproducenten circa 2.000 kiloton kunststof op de Nederlandse markt, hiervan wordt 250-300 kiloton per jaar gerecycled. Het overgrote deel eindigt in de verbrandingsinstallaties, een ander deel resulteert in zwerfvuil en microplastics op land en in zee en zorgt voor vervuiling van de ecosystemen.

Bovenstaande opsomming is verre van limitatief. Er zijn veel andere sectoren te onderscheiden met elk hun eigen grondstofstroom. Dicht bij huis is te zien dat ook bij het beheer van groengebieden (zoals plantsoenen, bermen en natuur) en de fruitteelt een materiaalstroom vrijkomt. Deze bestaat in hoofdzaak uit hout en bermgras.

Definitie volgens het Cradle to Cradle Products Innovation Institute (C2CPII) 12

Visie Circulaire Economie

Nederland Circulair in 2050 In 2016 kwam het Rijk met het Programma Nederland Circulair in 2050 waarin wordt geschetst hoe de economie kan worden omgebogen naar een duurzame, volledig circulaire economie in 2050. Het programma omschrijft wat nodig is om zuiniger en slimmer met grondstoffen, producten en diensten om te gaan.

De gebouwde omgeving als herwinningsgebied van grondstoffen

Naast de verschillende sectoren is het zinvol om onderscheid te maken naar de lengte van de levenscyclus van een product4. Zo is de ‘levenduur’ van beton in gebouwen vele malen langer dan die van kunststof in verpakkingen. Daarnaast bevinden grondstofstromen zich op verschillende schaalniveaus, uiteenlopend van lokaal tot mondiaal. Als nabijgelegen bedrijven bijvoorbeeld elkaars reststromen willen gebruiken, zijn daarvoor lokale ruimtelijke voorzieningen noodzakelijk, zoals transportleidingen op een bedrijventerrein. Bij elektronica is er sprake van mondiale productieketens met grondstoffen en onderdelen uit de hele wereld. Voor de grootschalige recycling van aardmetalen in elektronica zijn enkele industriële installaties op Europese schaal naar verwachting afdoende. Daarentegen zal het breken en recyclen van bouwmaterialen en het benutten van warmte op regionale schaal plaatsvinden.

1.4 Rijksbeleid De explosieve vraag naar grondstoffen, de afhankelijkheid van andere landen voor kritieke grondstoffen en de uitstoot van CO2 zijn voor het Rijk de aanleiding geweest om beleid te maken op circulariteit. Hiermee wordt aangesloten op de Sustainable Development Goals (SDG’s) zoals de VN die heeft vastgelegd.

4

Het Programma bouwt voort op de groene groei programma’s ‘Van Afval Naar Grondstof’ (VANG), gericht op het duurzamer omgaan met grondstoffen, en ‘Biobased Economy’ dat zich richt op de transitie van fossiele grondstoffen naar biomassa als grondstof. Van deze programma’s zijn de doelen en lopende acties terug te vinden. Verder legt het programma ‘Nederland Circulair in 2050’ de verbinding met het beleid voor een gezonde en veilige leefomgeving. Naast het creëren van samenhang in bestaand beleid worden in dit programma voorstellen gedaan om de noodzakelijke transitie naar een circulaire economie te versnellen. Ook wordt met dit programma de aanpak naar terreinen zoals voeding, bouw, financiën, onderwijs en arbeidsmarkt verbreed. Tenslotte geeft het programma aan wat op verschillende schaalniveaus, internationaal, nationaal maar ook regionaal en lokaal moet gebeuren.

Grondstoffenakkoord Begin 2017 hebben 180 partijen in Den Haag het Grondstoffenakkoord ondertekend. Hierin staan afspraken om de Nederlandse economie te laten draaien op herbruikbare grondstoffen. Het akkoord is ondertekend door zowel partijen uit de overheid als het bedrijfsleven. Op basis van het Grondstoffenakkoord zijn in 2018 zogenoemde transitieagenda’s opgesteld voor vijf sectoren. Bij de keuze voor de sectoren en ketens is gekeken naar het belang voor de Nederlandse economie maar ook de milieubelasting. Per transitieagenda staat beschreven hoe de betreffende sector circulair kan worden in 2050 en welke acties daarvoor nodig zijn.

Grondstof voor de circulaire economie, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), p.16 13

Visie Circulaire Economie

Er zijn transitieagenda’s voor de volgende sectoren en ketens: − Biomassa en voedsel; − Bouw; − Maakindustrie; − Consumptiegoederen; − Kunststoffen. In het ‘Uitvoeringsprogramma: acties en projecten 2019-2023’ is de vertaling gemaakt van bovenstaande transitieagenda’s naar concrete acties en projecten voor de periode 2019 tot en met 2023. Dit uitvoeringsprogramma is recent geactualiseerd voor de periode 2021-2023.

Vijf leidende principes voor de toekomst Een groep koplopers heeft in opdracht van de provincie Utrecht en de Cirkelregio Utrecht een toekomstbeeld geschetst: toekomstbeelden en transitiepaden voor een circulaire economie in de provincie Utrecht. Dat deden zij onder de naam De Nieuwe Utrechtse Stijl. Het toekomstbeeld is samen te vatten in vijf leidende principes: 1. De waarde van materialen wordt keer op keer volledig benut; 2. Economische activiteiten hebben een positieve impact op mens en milieu; 3. Energie komt uit hernieuwbare bronnen; 4. De schaal van kringlopen is zo klein als kan en zo groot als moet; 5. Producten en andere ontwerpen zijn flexibel, aanpasbaar en modulair.

DOELEN uit het programma ‘Nederland Circulair in 2050’: In 2030: 50% minder verbruik van grondstoffen. In 2050: Nederland een circulaire economie.

Samenwerking tussen de overheden Binnen het Interbestuurlijk Programma (IBP) van 2018 is afgesproken dat Rijk, provincies (IPO), gemeenten (VNG) en waterschappen (UvW) de vijf transitieagenda’s gaan uitvoeren. Afspraken zijn gemaakt over circulair inkopen en aanbesteden van gebouwen en infrastructuur en het bevorderen en opschalen van circulair bouwen. Het Betonakkoord is hier een voorbeeld van. Onderdeel van de transitieagenda’s is het opstellen van een regionale grondstoffenstrategie. Op provinciaal niveau wordt inzicht geboden in de omvang van de grondstoffen- en materiaalstromen en de mogelijkheden om deze stromen sluitend te maken. Op regionaal niveau binnen de provincie Utrecht wordt verder samengewerkt binnen de Alliantie Cirkelregio Utrecht. Het regionaal convenant Duurzaam Bouwen wordt voorbereid ten behoeve van gemeenten.

14

Visie Circulaire Economie

2 ROLLEN EN INSTRUMENTEN

15

Visie Circulaire Economie

2. Rollen en instrumenten Om de omslag naar een circulaire economie te ondersteunen en te versnellen, is te zien dat de Rijksoverheid verschillende maatregelen neemt. Met wet- en regelgeving kan gedragsverandering op gang worden gebracht waardoor minder wordt weggegooid (denk aan de statiegeldregeling op plastic flesjes). Ook worden ontwikkelingen gestimuleerd zoals het circulair ontwerpen van producten waardoor minder grondstoffen nodig zijn en een langduriger waarde-behoud van producten ontstaat. Op regionaal niveau groeit de mate van samenwerking. Uiteraard ligt er op het gebied van de circulaire economie ook een rol weggelegd voor de gemeenten die beschikken over beleidsinstrumenten om circulariteit na te streven.

2.1 Rollen bij de circulaire economie In de stappen naar een circulaire economie kan gekeken worden naar de verschillende rollen die de gemeente kan aannemen richting andere partijen. In dit hoofdstuk zijn de rollen specifiek gemaakt voor het circulariteitsvraagstuk. Aanbieder en producent van materiaalstromen Met het inzamelen van glas, PMD, papier& karton, textiel, GFT en restafval verkrijgt de gemeente de materiaalstroom vanuit de consumentenketen. Met eigen groenbeheer wordt een materiaalstroom geproduceerd van met name (snoei)hout en bermgras. Met het aanbieden van deze beide materiaalstromen kan herbruikbaar materiaal worden verkregen zodat een bijdrage wordt geleverd aan het sluiten van de grondstofstromen. Ook de afvalstroom van bedrijven kan op dezelfde wijze als grondstof worden aangeboden. De gemeente kan toezien op verbeterde afspraken tussen bedrijven, inzamelaar en de verwerkers.

− −

Als initiator of katalysator kan de gemeente het voortouw nemen bij nieuwe initiatieven met meerdere partijen; Als facilitator kan de gemeente de aanwezige expertise en het beschikbare netwerk inzetten om initiatieven van bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties en andere overheden te faciliteren.

Inkoper Met het inkopen en aanbesteden kan de gemeente niet alleen producten en diensten verkrijgen maar ook sturing geven aan beleidsdoelstellingen die worden nagestreefd, bijvoorbeeld die op circulaire economie. Hiermee kan een voorbeeldfunctie worden vervuld, kan worden opgetreden als ‘launching customer’ waarmee (financieel) draagvlak wordt gecreëerd en de plaatselijke economie kan worden gestimuleerd. Regelgever Niet alleen inkopen en aanbesteden geven sturing aan de circulaire doelen; als regelgever kan de gemeente dwingende kaders stellen. Met strategisch beleid stelt de gemeente doelen, kaders en normen en wordt toezicht gehouden op de uitvoering daarvan door derden. Dit kan via het vestigingsbeleid maar ook via ruimtelijke kaders in de omgevingswet. Met de ondertekening van convenanten en overeenkomsten zoals green deals en city deals, spreekt de gemeente uit dat ze zichzelf ook wil binden aan afspraken met betrekking tot circulariteit. Vanuit deze convenanten kunnen als logisch vervolg uiteindelijk ook kaders voor derden volgen.

Aanjager De gemeente kan ook als aanjager bijdragen aan het tot stand komen van circulaire activiteiten. − Als grond- en/of vastgoedeigenaar kan de gemeente een fysieke plek aanbieden ter vestiging en/of ontplooiing van activiteiten met betrekking tot circulariteit; − Om initiatieven op gang te brengen en te houden kan de gemeente via subsidieregelingen als (co)financier optreden waardoor lokale circulaire activiteiten worden gestimuleerd;

16

Visie Circulaire Economie

2.2 Beleidsinstrumenten Naast de rollen die een gemeente kan invullen om circulaire economie op gang te brengen en houden, beschikt ze ook over beleidsinstrumenten die ingezet kunnen worden. Onderzoek Met een onderzoek kan richting worden geven of een onzekerheid worden weggenomen. Dit helpt voor beargumenteerde besluitvorming of om focus te kunnen bepalen, een vervolgfase in te zetten of te leren van opgedane ervaringen. Het beleidsinstrument onderzoek wordt vaak in combinatie met andere beleidsinstrumenten ingezet. Onderzoek kan in verschillende “ontwikkelstadia” van beleid, project of activiteit worden ingezet. In de beginfase kan dat een verkennend onderzoek zijn, zoals een Grondstofstromenanalyse of marktverkenning. Als al beter bekend is wat er moet gebeuren, kan een haalbaarheidsstudie worden gedaan. Als iets al loopt of is afgerond kunnen (de effecten) worden gemonitord of geëvalueerd. Bedrijfsondersteuning en -financiering Omdat de transitie naar een circulaire economie nog in de beginfase zit en er voor bedrijven nog veel onzekerheden zijn hoe ze hier ‘rendabel op kunnen inspelen, is het investeren in circulariteit vaak risicovol. Door bedrijven te ondersteunen met een vorm van financiering, kunnen bedrijfsrisico’s worden verlaagd en geeft dit een duw in de rug al wel te investeren in de transitie naar een circulaire economie.

Dit beleidsinstrument wordt vaak ingezet als een overheid al een beleid of strategie heeft opgesteld waarin doelstellingen of koers zijn vastgelegd. Met bedrijfsondersteuning en -financiering kan er gericht worden bijgedragen aan deze (eigen) doelstellingen of koers. Aangezien de risico’s en knelpunten behoorlijk kunnen verschillen, is er een groot scala aan instrumentarium voor overheden beschikbaar: subsidies op ‘onrendabele toppen’, leningen, deelnemingen, belastingen/heffingen, garanties en vouchers. Daarnaast wordt ook het instrument van het revolverend fonds ingezet. Na het verstrekken van een lening of bij een deelname, komt het geld weer terug, zodat het opnieuw kan worden ingezet voor leningen/deelneming. Op het gebied van circulaire economie zijn er de nodige subsidies en regelingen op Europees, nationaal en regionaal niveau. Hoewel de meesten zich niet specifiek richten op circulaire economie, zijn er wel die gericht zijn op het gebied van innovatie en duurzaamheid, waar circulaire economie onder te passen is. Binnen onze provincie biedt het Economic Board Utrecht (EBU) een overzicht van verschillende regionale investeringsfondsen.

De Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU) is financiële partner voor partijen die zicht richten op de transformatie of herstructurering van werklocaties, bedrijfsobjecten en kantoorgebouwen, om zo nieuwe efficiënte en duurzame mogelijkheden te scheppen voor bestaand vastgoed. Op gemeentelijk niveau zijn geen specifieke subsidieregelingen gericht op de circulaire economie. Inkoop Om de transitie naar circulaire economie te stimuleren, moeten overheden ook zelf het goede voorbeeld geven. Circulair inkopen is hiervoor een geschikt instrument. Ook wordt circulair inkopen gebruikt om een innovatie samen met een bedrijf in de markt te zetten (launcing customer). Tot slot wordt het inkoopinstrument ingezet omdat zo de inkoopkracht kan worden aangewend om de markt in beweging te zetten om andere duurzame en circulaire producten te leveren. In het volgende hoofdstuk wordt de rol van het inkoopinstrument nader beschreven. Informatievoorziening Dit beleidsinstrument is gericht op het geven van voorlichting en het delen van informatie met anderen. In het kader van de circulaire economie kan dit instrument worden ingezet om bewustwording te creëren bij inwoners of bedrijven over het eigen grondstoffenverbruik en om indirect gedrag te beïnvloeden.

Ook is het een goed instrument om in te zetten wanneer betrokkenen de transitie naar een circulaire economie willen doorzetten, maar nog niet goed weten wat te doen of waar te beginnen of hen te ondersteunen in het verder brengen van hun circulaire doelen. Informatievoorziening is vaak onderdeel van het (gemeentelijk) overheidsbeleid om anderen breed te informeren (met voorlichtingscampagnes, nieuwsbrieven en folders) of gericht (via inloopbijeenkomsten, informatiegesprekken). Ook een voorziening als een expertisecentrum, waar inwoners, bedrijven en andere geïnteresseerden informatie kunnen inwinnen over circulariteit, valt hieronder. Onderwijs Door onderwijsinstellingen te betrekken bij de transitie én binnen de eigen organisatie en ook aandacht te schenken aan het delen en toepassen van kennis, wordt de transitie naar een circulaire economie gestimuleerd. Zo kan er samengewerkt worden met bedrijven en onderwijsinstellingen om kennis te delen en innovatie te stimuleren (triple-helix). Ook het laten geven van trainingen en cursussen aan de eigen organisatie is een manier van onderwijs inzetten als beleidsinstrument. Verder is het een manier om kennis te delen en bewustzijn te creëren voor de transitie.

17

Visie Circulaire Economie

Netwerk- en informatie-uitwisseling Met de inzet van dit instrument wordt gefocust op de uitwisseling van kennis en informatie en het met elkaar in contact brengen van verschillende partijen en sectoren. Zo kunnen er ervaringen worden gedeeld, kan er van elkaar worden geleerd en kan men met elkaar aan de slag om de transitie naar een circulaire economie te realiseren. Dit kan via kennisnetwerken, platformen en seminars of congressen. Het creëren van netwerken wordt veelal gedaan door het houden van netwerkbijeenkomsten. Partijen kunnen elkaar dan vinden en helpen om (samen) een stap verder te komen. Tevens kan inspiratie worden opgedaan voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. Bij veel innovaties en transities is het belangrijk om ‘out of the box’ te denken. Via dit beleidsinstrument kunnen partijen ook met anderen van buiten het vertrouwde netwerk in contact komen en daarmee komen ook nieuwe oplossingen in beeld. Verbindingen en kennis die worden gemaakt en uitgewisseld, kunnen als katalysator dienen en de transitie naar een volgende fase brengen. Wet- en regelgeving Dit beleidsinstrument wordt ingezet om bepaalde (beleids-)doelstellingen te realiseren. Via wet- en regelgeving kan hierop gestuurd worden door iets te verplichten (bijvoorbeeld certificering), te verbieden of toe te staan (via een vergunning).

Met het stellen van afdwingbare kaders kan de overheid doelstellingen voor circulaire economie nastreven. Het gebeurt ook dat bestaande wet- en regelgeving in de weg zit omdat nieuwe ontwikkelingen meer ruimte nodig hebben dan de huidige normen bieden. In dergelijke gevallen kan er gericht actie worden ondernomen op het wegnemen van belemmeringen van bestaande wet- en regelgeving. Onder dit beleidsinstrument vallen de volgende typen: convenant, vergunning, verbod, certificering, verbod / vrijstelling, concessie en verordening. Convenanten Een minder dwingende vorm van dit beleidsinstrument is het aangaan van convenanten met andere (markt)partijen. Green Deals / City Deals De afgelopen jaren zijn er de nodige convenanten, in de vorm van Green Deals en City Deals, opgesteld op het gebied van circulariteit. Er zijn (eind 2021) inmiddels 205 Green Deals afgerond en 28 in uitvoering:

− − − − − − − −

Biomassastromen (Green Deal 2); Verduurzaming Betonketen (Green Deal 30); Biobased Bouwen (Green Deal 154); Cirkelstad (Green Deal 168); Circulaire Gebouwen (Green Deal 178); Duurzaam GWW 2.0 (Green Deal 209)-; Circulair Inkopen (Green Deal 223); Circulaire Festivals (Green Deal 231).

Ook zijn de zogenoemde City Deals: − Circulaire Stad (City Deal); − Circulair en Conceptueel Bouwen (City Deal). Hoewel deze deals strikt beschouwt niet als wet- en regelgeving kunnen worden gezien, hebben ze wel een committerend karakter voor degenen die hieraan deelnemen. Wijk bij Duurstede heeft zich tot nu toe nog niet aangesloten bij deze deals. Convenant Duurzaam Bouwen Inmiddels werkt de Provincie Utrecht aan een Convenant Duurzaam Bouwen. Vanuit een kerngroep bestaande uit de Cirkelalliantie, EBU, gemeente Amersfoort en gemeente Utrecht is onderzocht of bij regionale overheden en marktpartijen de behoefte en het commitment bestaat om een convenant Duurzaam Bouwen op te stellen. De private partijen hebben aangegeven snel te willen komen tot uniformiteit en integraliteit in de aan hen gestelde eisen waarmee een meer gelijk speelveld wordt gecreëerd. Dit belang wordt ook bij de publieke partijen onderschreven. Tegelijkertijd wordt ook een aantal obstakels gezien, zoals het gebrek aan capaciteit en deskundigheid bij de kleine gemeenten. Vanuit de provincie is recent aangegeven dat men in maart 2022 wil komen tot de ondertekening van het convenant. De beoogde ondertekenaars streven naar energiepositief/energieneutraal bouwen, circulair bouwen, klimaat-adaptief bouwen, natuur-inclusief bouwen, duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving in relatie tot nieuwbouw.

Met gezamenlijke afspraken en een gezamenlijk toetsingskader worden de uitvragen en aanbestedingen vereenvoudigd. Binnen het convenant wordt gewerkt met verschillende niveaus (brons, zilver, goud). Na ondertekening moet er een leidraad komen voor implementatie van de afspraken in bouwprojecten, gebiedsontwikkelingsprocessen en de publieke borging. Per twee jaar wordt het convenant opnieuw afgewogen en waar nodig aangepast naar de nieuwe inzichten op het gebied van duurzaam bouwen.

18

Visie Circulaire Economie

Ruimtelijke ordening De gemeente heeft diverse taken en bevoegdheden in het ruimtelijk beleid, bijvoorbeeld op het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Bij ruimtelijke (bouw)projecten worden veel grondstoffen en materialen gebruikt. Door middel van de inzet van beleidsinstrumentarium voor ruimtelijke ordening kunnen decentrale overheden sturen op een meer duurzame of circulaire bouwmethode of materiaalgebruik. Bijvoorbeeld door het stellen van voorwaarden bij gronduitgifte, gebiedsontwikkeling, grondstoffen-opslag en bij de bouw, renovatie en sloop van een gebouw. Instrumenten als de omgevingswet en het omgevingsplan liggen op het snijvlak van het wetgevende en het ruimtelijk instrument. Omgevingsplan De nieuwe Omgevingswet is een bundeling van 26 huidige wetten en regels over ruimtelijke ordening, wonen, infrastructuur, milieu, water en natuur. De wet treedt naar verwachting op 1 juli 2022 in werking. De Rijksoverheid wil met de Omgevingswet de regels voor ruimtelijke ontwikkelingen vereenvoudigen en samenvoegen. Onderdeel van de stelselwijziging zijn een nieuw digitaal stelsel (DSO), kortere procedures, nieuwe instrumenten én een cultuurverandering in de ruimtelijke ordening.

In de huidige bestemmingsplannen of pilot-omgevingsplannen worden nog maar weinig circulaire eisen voorgeschreven. Een omgevingsplan biedt volop kansen om te reguleren en te stimuleren, bijvoorbeeld in de bouw en de infrastructuur. Te denken valt aan circulaire doelvoorschriften voor nieuwe bedrijfsterreinen of bijvoorbeeld via doelvoorschriften zorgen voor de bouw van nieuwbouwwoningen met gerecycled materiaal uit de regio. Als hergebruik via omgevingsplannen de norm wordt, is het een uitdaging voor architecten en ontwerpers om op die basis met nieuwe oplossingen te komen. Het is dan niet de vraag hoe je gebruikte kozijnen in een nieuw gebouw kunt benutten, maar hoe je het nieuwe gebouw om de oude kozijnen heen ontwerpt. Bij infrastructuur kunnen prefab ligger van een viaduct minstens 100 jaar mee. Desondanks worden ze veelal na een paar decennia vermalen tot funderingsmateriaal, omdat het viaduct wordt gesloopt. Hergebruik kan 40 procent in de kosten schelen, en het kan leiden tot een CO2-besparing van 60 procent. Door meer gebruiks- of bouwmogelijkheden te bieden als aan bepaalde doelen wordt bijgedragen (de ‘ja, mits-gedachte’), kan een omgevingsplan naast regulerend, ook stimulerend werken. Hiervoor is nodig om bij ruimte initiatieven in een vroege fase het gesprek aan te gaan met de initiatiefnemer over de kansen voor circulariteit.

Onder de Omgevingswet hebben decentrale overheden één regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Voor gemeenten is dat het omgevingsplan. Dit omgevingsplan is als het ware de opvolger van het huidige bestemmingsplan en de beheersverordening, maar omvat veel meer, omdat hierin alle regels staan over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. De fysieke leefomgeving omvat, volgens de definitie in de Omgevingswet, (niet limitatief) bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. In het omgevingsplan dienen alle regels met betrekking op de fysieke leefomgeving binnen een gemeente, te worden opgenomen. Een verbrede reikwijdte ten opzichte van de ruimtelijke ordening die nu centraal staat in het bestemmingsplan. Het gaat daarbij niet alleen om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (vergelijkbaar met de huidige bestemmingen), maar ook om regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving zoals bouwen en milieubelastende activiteiten. In het omgevingsplan kan worden bepaald welk van deze (bouw) activiteiten vergunningplichtig zijn en welke niet.

19

Visie Circulaire Economie

3 INKOPEN

20

Visie Circulaire Economie

3. Inkopen Binnen het totaal van alle grondstoffenstromen die soms een mondiaal karakter hebben, lijkt het alsof een gemeente beperkte invloed kan aanwenden om de (Rijks)doelen voor de circulaire economie mede invulling te geven. Toch is er wel degelijk invloed uit te oefenen want binnen de jaarlijkse gemeentebegroting van Wijk bij Duurstede wordt voor circa € 12 miljoen ingekocht. Met het inkopen van goederen en diensten kan sturing worden gegeven aan de doelstellingen die er binnen een gemeente worden nagestreefd. Ten aanzien van het realiseren van de doelstellingen voor circulariteit, ligt er voor de gemeente dus een belangrijke sleutel bij het inkoopinstrument.

Bij juridische uitgangspunten moet gedacht worden aan zaken als drempelbedragen met betrekking tot de wijze van aanbesteding, het hanteren van uniforme documenten en voorwaarden, mandaat en rechtsgeldige vertegenwoordiging, privacy, verschillen tussen inkoop en subsidie, (on)geoorloofde staatssteun, klachtenregeling en geschilbeslechting.

3.1 Uitgangspunten inkoopbeleid De gemeente zorgt via haar inkoop- en aanbestedingsfunctie voor het leveren van maximale toegevoegde maatschappelijke waarde en optimaal omgaan met het geld van haar burgers. Het inkoopbeleid geeft de kaders voor het inkopen en aanbesteden van Leveringen, Diensten en Werken en kent daarbij organisatorische, economische, juridische, ethische en ideële uitgangspunten. Met betrekking tot de organisatorische uitgangspunten liggen er afspraken over de wijze waarop de inkooporganisatie binnen de gemeente is ingericht en welke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden er decentraal liggen. Verder valt onder dit punt de wijze waarop de ondersteuning met noodzakelijke informatie en formats is geregeld evenals de jaarlijkse interne controles op rechtmatigheid van de uitvoering van het inkoop- en aanbestedingsbeleid.

Uitgangspunten inkoopbeleid

Bij de ethische uitgangspunten wordt gekeken naar belangenconflicten die de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de aanbestedingsprocedure in het gedrang kan brengen en het uitgangspunt dat de gemeente alleen zaken wil doen met integere ondernemers die zich niet bezighouden met criminele of illegale praktijken. Onder de ideële uitgangspunten valt het Maatschappelijk Verantwoord Inkopen.

Bij de economische uitgangspunten worden zaken in ogenschouw genomen zoals het doelmatig inkopen en aanbesteden waarbij met publieke middelen op efficiënte en effectieve wijze moet worden omgegaan. Dit komt tot uitdrukking in het hanteren van gunningscriteria als de BPKV (Beste prijs-kwaliteitverhouding), het afsluiten van raamcontracten, het stimuleren van het lokale (midden- en klein)bedrijfsleven, zorgdragen dat afhankelijkheid van opdrachtnemers wordt voorkomen en het prikkelen tot innovatieve oplossingen.

21

Visie Circulaire Economie

3.2 Maatschappelijk Verantwoord Inkopen MVI als inkoop- en aanbestedingsstrategie Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) wordt in alle fasen van het inkoopproces rekening gehouden met de sociale, ecologische en economische dimensies van duurzaamheid. Door MVI als centraal thema op te nemen binnen het inkoop- en aanbestedingsbeleid, is er een instrument dat kan helpen de duurzaamheidsopgave te realiseren. Deze opgave heeft onder andere betrekking op: a. de transitie naar een circulaire economie; b. het verminderen van CO2-emissies; c. de verbetering van mensenrechten in de (internationale) productieketen; d. het werken aan een inclusieve samenleving (social return).5 In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (Manifest MVI) opgesteld in 2016, deze wordt vernieuwd voor de periode 2022-2025. Met behulp van dit landelijke manifest kan een eigen gemeentelijk Plan van Aanpak MVI worden opgesteld dat gelijk opgaat met het inkoop- en aanbestedingsbeleid. In dat Plan van Aanpak wordt zichtbaar gemaakt welke concrete beleidsopgave de gemeente via het inkoopinstrument wil realiseren en hoe dit moet worden gedaan voor circulair en klimaatbewust inkopen, ketenverantwoordelijkheid en de social return on investment (SROI).

Met een eigen Plan van Aanpak MVI wordt het onderkennen en benutten van MVI-gerelateerde kansen een integraal onderdeel van de vooraf te bepalen inkoop- en aanbestedingsstrategie. a. Circulair inkopen: transitie naar een circulaire economie Het zo lokaal mogelijk sluiten van grondstoffenkringlopen betekent dat er minder nieuwe grondstoffen noodzakelijk zijn en er ook minder transport nodig is. Dit geldt zowel voor ontwerp, gebruik als einde levensduur. Bovendien levert het in de regel kansen op voor versterking van de lokale economie en voor social enterprises.

5

Innovatieve contractvormen Circulair inkopen betekent dat er andere, (soms) innovatieve contractvormen om de hoek kunnen komen, met andere verdienmodellen, en dat er bij prijsbeoordelingen meer focus moet komen op levensduurkosten. Contractvormen als lease en huur zijn al bekend. Verder zijn er vormen zoals pay-per-use, retourwaarde (statiegeld ook wel ‘koop en terugkoop’) en de product-dienstcombinatie. Met ‘pay-per-use’ betaalt een gebruiker alleen voor het gebruik van een product. Met een statiegeldregeling (verkoop en terugkoop door leverancier bij einde gebruiksduur) bijvoorbeeld bij tapijttegels of kantoormeubilair (zie voorbeeld Stadskantoor Venlo). De product-dienstcombinatie (PDC) is een model waarbij het product inclusief aanverwante diensten wordt uitgevraagd. De leverende partij heeft er in dit model baat bij om een kwalitatief hoogwaardig en circulair product te leveren, waardoor deze minder onderhoud hoeft uit te voeren en daar dus op kan besparen. Een vorm die verder gaat, is de inkoop van de gebruiksfunctie, niet van het bezit van het product zelf. Door meer functionele waarde toe te voegen, kan een leverancier meer winst maken. Bij een PDC blijft de leverancier na de levering verantwoordelijk voor zijn product.

Het is te verwachten dat er zo meer oog is voor het optimaliseren van de gebruiksfase en de afvalfase van deze producten wat het totale kostenplaatje en de milieu-impact ten goede zal komen. Een voorbeeld is het inkopen van licht in plaats van de verlichtingsinstallatie genaamd ‘Light-as-a-Service’ (LaaS). Insteek bij de ‘circulaire contractvormen’ is tevens dat de leverende partij meer verantwoordelijk wordt voor geleverde producten/materialen, bijvoorbeeld door een terugnameverplichting. Afhankelijk van de opgave dient eerst gekeken te worden op ontwerpniveau (bijvoorbeeld voorkomen van materiaalgebruik) en pas in tweede instantie naar de toepassing, aard en herkomst van nieuwe materialen. Ook moet gekeken worden naar een optimale wijze van verwerking van vrijkomende (afval)materialen. Hiervoor kan een circulaire checklist worden ontwikkeld. Green Deal Circulair Inkopen (GDCI) De Green Deal Circulair Inkopen (GDCI) is een initiatief van PIANOo Expertisecentrum Aanbesteden, NEVI, Rijkswaterstaat en MVO Nederland. In de GDCI dragen bedrijven en overheden bij aan een versnelling naar een circulaire economie door inkooppilots en -trajecten. Bedrijven en overheden bundelen binnen de coalitie kennis en ervaringen om met hun inkoopbeleid de circulaire economie aan te jagen.

Punten c. en d. hebben geen directe invloed op circulariteit maar zijn in deze paragraaf opgenomen vanwege hun relevantie binnen Maatschappelijk Verantwoord Inkopen. 22

Visie Circulaire Economie

De opgedane lessen worden breed verspreid, zodat iedereen die te maken heeft met het inkoopproces hiervan kan profiteren. b. Vermindering van CO2-emissies Met de opgave om uiteindelijk CO2-neutraal te worden, dient ook het eigen huis op orde te zijn en dienen de inkopen die de gemeente doet eveneens zoveel mogelijk CO2-neutraal te zijn. Het streven daarbij is om dit klimaatbewust inkopen zoveel mogelijk in de opdracht te bereiken door CO2-neutraal aanbesteden als norm te stellen. Hierbij wordt gekeken naar de CO 2-voetafdruk van de opdracht-gerelateerde werkzaamheden, als die van de bijbehorende materialen. Bij de inkoopopdracht wordt dan gevraagd naar een maximale reductie van de CO 2-belasting. Een tweede stap kan zijn om op te nemen dat ook de resterende belasting gecompenseerd moet worden. Bij beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV, voorheen EMVI – Economisch Meest Voordelige Inschrijving) worden naast prijs ook andere kwaliteitsaspecten meegewogen in de beoordeling van inschrijvingen. BPKV kan worden ingezet om inschrijvers op een opdracht te stimuleren om meer te bieden dan wat geëist wordt. Een zo hoog mogelijke CO 2-reductie kan hierbij als inkoopcriterium worden meegenomen, waarbij zelfs minimum eisen kunnen worden gesteld. c.

Ketenverantwoordelijkheid / ISV Veel van wat de overheid inkoopt heeft zijn oorsprong in productielanden, waar de werkomstandigheden sterk afwijking van die in Nederland. Door ketenverantwoordelijkheid te nemen kunnen sociale mistanden eerder in de productie- / inkoopketen worden tegengegaan. De zogenoemde Internationale Sociale Voorwaarden (ISV) richten zich op het bevorderen van de internationale arbeidsnormen. Met het toepassen van ISV bij grote opdrachten voor Leveringen, Diensten en Werken kun je als uitvoeringsvoorwaarde opnemen dat leveranciers actie ondernemen om risico's voor de arbeidsnormen en mensenrechten in de keten te verkleinen. Omdat de overheid met haar inkopen ook deel van de keten is, neemt zij hier ook haar verantwoordelijkheid. Dit moet goed afgewogen worden per opdracht en kan niet standaard als eis worden opgelegd vanwege het risico dat (voorkeurs)leveranciers worden uitgesloten.

omstandigheden in hun keten te verbeteren. Op deze wijze worden duurzame producten de norm en vergroot het aanbod zich met een groeiende aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en respect voor mensenrechten. Daarnaast wordt bijgedragen aan de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de VN. Het Rijk heeft in 2017 ISV-beleid voor inkopen vastgesteld en heeft het toepassen van ISV verplicht bij aanbestedingen boven de Europese drempel en binnen 1 van de 10 geselecteerde risico-categorieën. Decentrale overheden kunnen ervoor kiezen om ISV ook toe te passen in de aanbestedingsfase en/of gedurende het contractbeheer. Binnen de gemeente wordt gedeeltelijk gewerkt met deze ketenverantwoordelijkheid. Door Fair Trade producten te kopen, kunnen boeren en arbeiders in ontwikkelingslanden een meer eerlijke plek te verwerven in de handelsketen, kunnen ze leven van hun werk en kan er geïnvesteerd worden in een duurzame toekomst. d. Social Return On Investment De gemeente stelt eisen op het gebied van social return on investment (SROI), waarbij leveranciers wordt gevraagd om kwetsbare (lokale) groepen te betrekken bij de uitvoering van de opdracht. Met deze SROI–verplichting kunnen meer werkplekken worden gerealiseerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Social Return kan worden geformuleerd als een verplicht percentage van de opdrachtsom dat moet worden aangewend voor Social Return activiteiten. De SROI-waarde die wordt gerealiseerd wordt berekend door gebruik te maken van zogenoemde bouwblokken. Kern van de bouwblokkenmethode is dat de aanbestedende partij verschillende social return-activiteiten c.q. verplichtingen benoemt en dat een marktpartij zelf kan bepalen welke activiteit/verplichting zij wenst toe te passen. Per doelgroep wordt een social return inspanningswaarde bepaald. De waarde van een bepaald bouwblok hangt samen met de afstand van de (uitkerings)groep tot de arbeidsmarkt en de inspanning die geleverd moet worden om de groep terug te geleiden. De winnende inschrijver is verplicht om een bepaald (relatief) bedrag te behalen.

De ISV zijn relevant voor alle producten en diensten die ingekocht worden in risicolanden. Denk aan koffie, bedrijfskleding, elektronica, natuursteen en papier. Het toepassen van de internationale sociale voorwaarden zorgt voor bewustwording en stimuleert leveranciers om

23

Visie Circulaire Economie

-

VOORBEELD STADSKANTOOR VENLO Het stadskantoor van de gemeente Venlo is een bijzonder gebouw, omdat het is ontworpen en gebouwd volgens het principe van Cradle to Cradle. Producten worden zó ontworpen, dat na gebruik de grondstoffen weer opnieuw gebruikt kunnen worden. Statiegeld op meubilair Bij de aankoop van de bureaustoelen en tafels in het stadkantoor, is afgesproken dat het na 10 jaar weer opgehaald wordt door de leverancier. De gemeente krijgt dan 18% van het aanschafbedrag terug. De leverancier is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het meubilair. Daar heeft de leverancier zelf ook belang bij omdat de meubels na 10 jaar weer opgehaald worden en een nieuwe bestemming krijgen.

24

Visie Circulaire Economie

Biobased inkopen Biobased inkopen legt een nadruk op het inkopen van producten die gebaseerd zijn op hernieuwbare grondstoffen. Het zet de transitie in van fossiele brandstoffen naar biomassa voor niet-voedsel toepassingen zoals bioplastics, biochemicaliën en biomassa voor energie. Bij biobased inkopen is er daarmee vooral aandacht voor de herkomst van producten uit de biosfeer, conform de C2C-defnitie. Biobased inkopen is vooral gericht op de biologische herkomst van producten. Dit kan een onderdeel zijn van circulair inkopen maar leidt niet in alle gevallen tot circulair gebruik. In de definitie van biobased is bijvoorbeeld de toekomstige herbruikbaarheid niet opgenomen.

Bouwblokken t.b.v. SROI (voorbeeld)

3.3 Andere vormen van duurzaam inkopen Naast het onderscheid tussen lineair en circulair inkopen, zijn er naast het (bredere) MVI en (gerichte) circulair inkopen ook nog andere vormen van inkopen met een duurzaamheidsdoelstelling. Duurzaam inkopen Duurzaam inkopen werd in 2005 geformaliseerd door SenterNovem, de voorganger van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Zij stelde criteria op aan de hand waarvan je duurzaam kon inkopen. De meeste criteria waren eigenlijk normen waaraan partijen wel of niet voldeden: vinkjes die gezet konden worden waarmee een verifieerbare ondergrens is neergezet voor duurzaam inkopen. Dit in tegenstelling tot circulair inkopen dat het onderscheidend vermogen van aanbieders waardeert en beloont waarmee het ‘de koplopers’ stimuleert om steeds meer positieve impact te realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11250127/1