CConstaterende datWijk bij Duurstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - BP Lekdijk West 47

Raadsvergadering 19 maart 2024, gemeente Wijk bij DuurstedeBij agendapunt: Bestemmingsplan Lekdijk West 4717.462 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onderzoek op OCB tijdens het aanvullend milieukundig bodemonderzoek is een aanvulling op het verkennend bodemonderzoek. Tijdens het veldwerk is ter plaatse van de gedempte sloot geen afwijkende bodemopbouw of bodemvreemd materiaal aangetroffen die duiden op een demping. Er zijn geen grondmonsters ingezet ter plaatse van de gedempte sloot omdat hier geen afwijkende bodemopbouw of bodemvreemd materiaal is waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond onder de puingranulaatlaag licht verontreinigd is met kobalt, kwik, lood, nikkel, zink en PAK. Ter plaatse van schuur 3 is de grond niet verontreinigd met PCB. Ter plaatse van de boomgaard is de grond licht verontreinigd met Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 31

OCB. Indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit wordt de grond als Wonen (onder puingranulaatlaag), AW (schuur 3 en boomgaard) en Industrie (boomgaard) gekwalificeerd. Aanvullend asbestbodemonderzoek B&L Grondmanagement BV heeft een aanvullend asbestbodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede. Doel van het aanvullend asbestbodemonderzoek is de betreffende bodem te onderzoeken op asbest. Uit het asbestbodemonderzoek blijkt het volgende: Het mengmonster van de grond fijne fractie is geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten blijkt dat er geen asbest is aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de zwak puinhoudende laag onder de repaclaag niet verontreinigd is met asbest. 4.3.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Cultuurhistorie

4.4.1 Regelgeving en beleid Artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt als volgt: 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden'. Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de voormalige Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is onder andere opgenomen hoe de rijksbeschermde collecties worden beheerd, hoe rijksbeschermd erfgoed wordt aangewezen en hoe het wordt beschermd. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument en regelt de bescherming daarvan in het vergunningenstelsel, opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten.

Cultuurhistorische Atlas De cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht geeft een overzicht van de cultuurhistorische data en het beleid dat de provincie hierop voert. De cultuurhistorische atlas - ook aangeduid als CHAT - kent de volgende thema's: militair erfgoed, kastelen en buitenplaatsen, agrarisch cultuurlandschap, historische infrastructuur en archeologie. Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2012 De gemeente Wijk bij Duurstede heeft haar beleid voor behoud en beheer van cultureel erfgoed verwerkt in de "Erfgoedverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2012". Hierin is onder andere de mogelijkheid tot aanwijzing van gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 32

4.4.2 Onderzoek Via de interactieve kaart van Cultuurhistorie in Utrecht is te zien of het plangebied een rijksof gemeentelijk beschermd monument betreft en of de locatie is gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten. Op de kaart is te zien dat het plangebied geen (rijks- of gemeentelijk) monument betreft en ook niet is gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Verder is op de interactieve kaart van Cultuurhistorie in Utrecht te zien dat het plangebied onderdeel is van het agrarisch cultuurlandschap. Onderdeel hiervan is het bebouwingslint in het buurtschapje Den Oord, of onderdijk, parallel liggend aan de Lekdijk West. De extra woning wordt binnen de contouren van de bestaande (te slopen) agrarische opstallen gerealiseerd waardoor dit bestemmingsplan in een passende ontwikkeling in het bebouwingslint voorziet. Daarnaast ligt het plangebied in het Dwarsdijkse Veld en is ook de strookverkaveling van belang voor het agrarisch cultuurlandschap. De landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling leidt tot behoud en versterking van deze kernkwaliteiten van het gebied. Hierdoor is onder andere gekozen voor het terugbrengen van een oorspronkelijke watergang, het doortrekken van de nog aanwezige watergang en de aanplant van een hoogstamboomgaard en een knotwilgenrij.

Hierdoor wordt de oorspronkelijke landschappelijke structuur teruggebracht en blijven doorzichten over de weides op het open landschap behouden. In paragraaf 2.2.2 van deze bestemmingsplantoelichting is de landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling uitgebreider gemotiveerd. 4.4.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Duurzaamheid

4.5.1 Regelgeving en beleid In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. De Nederlandse klimaatdoelen zijn vastgelegd in de nationale Klimaatwet. De provincie Utrecht kent het convenant Duurzame Woningbouw waarmee zij als doel heeft om het duurzaam bouwen van woningen aan te jagen. Het is een pakket publiekprivate afspraken voor nieuwbouw van woningen, met meetbare ondergrenzen op de thema's energie, klimaatadaptatie, circulariteit, natuur inclusief bouwen, gezondheid. Er zijn ambities geformuleerd op drie niveaus: brons, zilver en goud. Gemeente Wijk bij Duurstede heeft dit convenant ondertekend en gaat minimaal voor brons. Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Wijk bij Duurstede is vertaald in het 'Beleidsplan Milieu en Duurzaamheid 2016-2020'. In het beleidsplan staan de ambities, doelen en milieuthema's beschreven van de gemeente, inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor de periode 2016-2020.

Vanuit een langere termijnvisie voor 2030 zijn doelen geformuleerd.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 33

4.5.2 Onderzoek In het 'Beleidsplan Milieu en Duurzaamheid 2016-2020' is de ambitie geformuleerd dat alle woningen en gebouwen (nieuw en bestaand) klimaatneutraal zijn in 2030. De gemeente toetst de nieuwbouw woningen op de wettelijke EPC eisen die volgen uit het Bouwbesluit. De nieuw te bouwen woningen zullen voldoen aan de eisen van de huidige tijd en aan de geldende voorschriften zoals de BENG-eisen. Ook wordt voor de nieuw te bouwen woningen voldaan aan het convenant Duurzame Woningbouw door woningen te realiseren die minimaal voldoen aan het niveau 'brons'. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen vindt de toetsing plaats. 4.5.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving en beleid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. 4.6.2 Onderzoek Op de risicokaart via Atlas Leefomgeving (zie onderstaande figuur) is te zien dat: Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van andere stationaire risicobronnen; Het plangebied ligt net binnen het invloedsgebied van een nabijgelegen transportroute, namelijk op 3.900 m afstand van het spoor. Het invloedsgebied bedraagt 4.000m; Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet het groepsrisico worden verantwoord binnen het invloedsgebied van een transportroute, in dit geval van het spoor. Hierbij moet worden ingegaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Gelet op de kenmerken (personendichtheid, zelfredzaamheid) van het initiatief en de ligging van het plangebied (alleen in een invloedsgebied met gifwolkscenario) is het risico zeer Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 34

beperkt. Een nadere toelichting is in dit geval niet benodigd.

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart, plangebied: oranje ster (bron: Atlas Leefomgeving) 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Geluid

4.7.1 Regelgeving en beleid De mate waarin het geluid van wegen onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende wegen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende wegen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 35

4.7.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een extra woning en het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning planologisch mogelijk. In de huidige situatie zijn de gronden nog bestemd voor agrarische doeleinden. Wel is hierbij een bedrijfswoning toegestaan en aanwezig. Wanneer geluidgevoelige gebouwen in het kader van de Wet geluidhinder, zoals woningen, worden gerealiseerd dient aangetoond te worden of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In de provincie Utrecht is een geluidbelastingkaart (zie onderstaande figuur) beschikbaar waarop de geluidcontouren zijn te zien van de bedrijven, railverkeer, vliegverkeer (nacht) en wegverkeer. Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidcontour van industrie, spoorwegverkeer of vliegverkeer. Wel ligt de locatie nabij een 60 km/h weg en dient derhalve aandacht te worden besteed aan wegverkeerslawaai. De geluidscontourenkaart zoals gepubliceerd op services.geodan.nl (op basis van informatie van de ODRU uit juli 2019) toont de geluidscontour in 2030 voor wegverkeer inclusief aftrek. Hierop is zichtbaar dat de geluidbelasting in het plangebied maximaal 43 dB bedraagt. Gesteld kan worden dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde voor woningen van 48 dB ten aanzien van wegen niet zal bereiken.

Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.

Figuur 4.4 Uitsnede geluidscontouren 2030 wegverkeer incl. aftrek, plangebied: rode streeplijn (bron: services.geodan.nl) 4.7.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 36

4.8

Geur

4.8.1 Regelgeving en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de geurbelasting die afkomstig is van dierenverblijven bij veehouderijen. Het gaat daarbij om de verlening van een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet geurhinder en veehouderij maakt onderscheid in: dieren met een vastgestelde geuremissiefactor dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend. Voor de tweede gelden minimumafstanden tussen emissiepunt en dergelijke objecten. Daarnaast gelden voor alle dieren minimumafstanden tussen gevel dierenverblijf en gevel geurgevoelig object. Belangrijke kenmerken van de Wet geurhinder en veehouderij zijn beleidsvrijheid en maatwerk. De Wet geurhinder en veehouderij biedt door middel van een verordening aan het bevoegd gezag ruimte om af te wijken van de geurnormen. Door rekening te houden met de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en met de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting van dat gebied ontstaat hierdoor maatwerk. Ook het Activiteitenbesluit verwijst naar de waarden of afstanden van een verordening zodat hier ook ruimte voor afwijking mogelijk is.

Geurbelasting Voor dieren met geuremissiefactor wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object berekend en getoetst. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De geurbelasting moet worden berekend met het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning' en wordt uitgedrukt in odour units in een volume-eenheid lucht (ouE/m3). De geurbelasting wordt onder meer bepaald door: de geuremissie, de hoogte en omvang van het emissiepunt, de snelheid waarmee de lucht wordt afgevoerd en de ligging van stal en emissiepunt ten opzichte van de geurgevoelige objecten. Verordening De gemeenteraad kan in een verordening een andere waarde of afstand stellen dan de wettelijke waarden en afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Met een geurverordening is het mogelijk om ter plaatste van bepaalde gebieden minder strenge geurnormen te hanteren. De gemeente Wijk bij Duurstede heeft geen geurverordening vastgesteld. Geurgevoelig object De Wet geurhinder en veehouderij definieert een geurgevoelig object als: ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'.

Bebouwde kom Voor het beschermingsniveau is het van belang of een geurgevoelig object binnen of buiten Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 37

de bebouwde kom ligt. Objecten binnen de bebouwde kom genieten meer bescherming dan erbuiten. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit en bij behorende Activiteitenregeling milieubeheer staan voorschriften voor geur voor agrarische activiteiten. Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit eisen opgenomen voor geur van het houden van dieren. Deze eisen zijn gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij. In bepaalde gevallen zijn maximaal toegestane geurbelastingen opgenomen, bijvoorbeeld voor varkens en pluimvee (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld). In andere gevallen gelden vaste afstandseisen, bijvoorbeeld voor rundvee of paarden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld). Als er geen geuremissiefactor is vastgesteld, moet de veehouderij in principe voldoen aan een afstand van 100 meter (binnen de bebouwde kom) of 50 meter (buiten de bebouwde kom) tot een geurgevoelig object. 4.8.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een extra woning en het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning planologisch mogelijk. Derhalve worden in dit bestemmingsplan geurgevoelige objecten toegestaan. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied bevinden zich agrarische bedrijven. Ten noorden is dit een bedrijf waar rundvee wordt gehouden.

Dit is een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld en een vaste afstandseis dient te worden aangehouden. Vanwege de ligging buiten de bebouwde kom dient een afstand van 50 meter te worden aangehouden tussen de veehouderij en het geurgevoelig object. De gevoelige objecten in dit bestemmingsplan worden niet binnen een afstand van 50 meter van de veehouderij aan de Lekdijk West 51, ten noorden van het plangebied, gerealiseerd. Zie daarvoor ook paragraaf 4.2.2 van deze toelichting. Ten zuiden van het plangebied is een bedrijf gelegen waar schapen worden gehouden. Voor schapen is een geuremissiefactor opgenomen. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is opgenomen dat voor schapen een factor van 7,8 odour units per seconde geldt. In principe is de geurcontour kleiner dan de maximale planologische contour, zeker in geval van het houden van schapen is de geurcontour vaak zo klein dat deze niet kan worden berekend. Derhalve is eerst gekeken naar een vaste afstand van 50 meter. De gevoelige objecten in dit bestemmingsplan worden niet binnen een afstand van 50 meter van de veehouderij aan de Lekdijk West 45, ten zuiden van het plangebied, gerealiseerd. Verder wordt opgemerkt dat de woning aan de Lekdijk West 46 gelegen is tussen de veehouderij en de woningen in het plangebied.

Bij eventuele uitbreiding van de veehouderij zal rekening moeten worden gehouden met deze dichtstbijzijnde woning en hebben de woningen in het plangebied hiervoor geen consequenties. Zie daarvoor ook paragraaf 4.2.2 van deze toelichting. De beoogde ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan op grond van geurhinder worden toegestaan. 4.8.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 38

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Regelgeving en beleid De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. WHO advieswaarden en voorstel Europese Commissie Op 22 september 2021 heeft de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht.

De nieuwe advieswaarden zijn voor de relevante stoffen lager dan de advieswaarden uit 2005. De WHO heeft zich gerealiseerd dat niet overal in de wereld de nieuwe advieswaarden direct kunnen worden gerealiseerd. Om een stapsgewijze verbetering van de luchtkwaliteit mogelijk te maken, heeft de WHO ook een aantal ‘interimdoelen’ geformuleerd. De Europese Commissie heeft het strengste interimdoel voorgesteld als nieuwe grenswaarden. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de beschikbare jaargemiddelde grensen advieswaarden voor luchtkwaliteit.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 39

Tabel 4.1 Overzicht grens- en advieswaarden luchtkwaliteit 4.9.2 Onderzoek Het doel van dit bestemmingsplan is om de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen als reguliere woning en een extra woning planologisch toe te staan ter plaatse van een huidige agrarische bestemming en ter compensatie van de sloop van de agrarische opstallen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mage bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de luchtkaart van Atlas Leefomgeving kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden uit de Wet milieubeheer voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het plangebied zoals opgenomen op de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Ook zijn de WHO advieswaarden en de advieswaarden van de Europese Commissie opgenomen.

Tabel 4.2 Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: data.rivm.nl/apps/gcn) Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer ter plaatse van het plangebied, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De nieuwe WHO-advieswaarden worden nagenoeg gehaald. Ook blijkt uit de tabel dat er in het plangebied voldaan wordt aan de door de Europese Commissie voorgestelde grenswaarden. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 40

4.10

Natuur

4.10.1 Beleid en regelgeving Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Soortenmanagementplan Op 2 februari 2021 heeft de provincie Utrecht de gemeente Wijk bij Duurstede een gebiedsgerichte ontheffing verleend voor ruimtelijke ingrepen in de bebouwde omgeving voor de duur van 10 jaar in de kernen Wijk bij Duurstede, Cothen en Langbroek. De ontheffing is verleend onder het wettelijk belang 'bescherming van flora en fauna'. Om dit belang recht aan te doen verwacht het bevoegd gezag dat er voor de betrokken soorten een 'plus' wordt gegenereerd. Per project moet worden gekeken of er een plus kan worden gerealiseerd. Vervanging van verblijfplaatsen die verloren gaan tellen nadrukkelijk niet mee. Het uitgangspunt van het Soortenmanagementplan is dat er voortaan natuurinclusief wordt gebouwd en gerenoveerd in de gemeente Wijk bij Duurstede.

Dat betekent dat bij alle projecten waar dat mogelijk is, een ecologische plus moet worden gerealiseerd. 4.10.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt de bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als reguliere woning en wordt een extra woning planologisch toegestaan ter plaatse van een huidige agrarische bestemming en ter compensatie van de sloop van de agrarische opstallen. Gezien het feit dat er bestaande bebouwing wordt gesloopt, worden mogelijk beschermde soorten die zich in of rondom de bebouwing bevinden verstoord. In dit kader is een ecologische quickscan uitgevoerd om inzichtelijk te maken of er beschermde soorten ter plaatse van het plangebied voorkomen. De volledige briefrapportage ecologische quickscan is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Naar aanleiding van de ecologische quickscan is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het nader ecologisch onderzoek zijn als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Om zekerheid te verkrijgen betreffende stikstof emissie in relatie tot Natura 2000-gebieden is een AERIUS berekening uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek naar stikstofdepostie zijn als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten beknopt beschreven.

Conclusie ecologische quickscan Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebieden en wijzigt in de nieuwe situatie niet of nauwelijks in gebruik. Gelet op de ligging van het plangebied en de aard van de voorgenomen ontwikkeling worden in de aanlegfase geen effecten van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid op Natura 2000-gebieden verwacht. In de aanleg- en gebruiksfase kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstof emissie redelijkerwijs worden uitgesloten. Om volledige zekerheid te verkrijgen betreffende stikstof emissie in relatie tot Natura 2000-gebieden kan het bevoegd gezag vragen om een AERIUS-calculatie. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nader onderzoek en toetsing aan het beschermingskader van het NNN zijn daarom niet van toepassing.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 41

Houtopstanden De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op bomen, waardoor het onderdeel bescherming van houtopstanden in de Wnb niet van toepassing is. Soortenbescherming Het onderdeel soortbescherming is voor een aantal soort(groep)en van toepassing. Er kunnen negatieve effecten optreden voor de in onderstaande tabel genoemde beschermde soorten en/of functies.

Tabel 4.3 Overzicht van mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies (bron: Briefrapportage ecologische quickscan) Nader onderzoek Om vast te kunnen stellen of er vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden. Om vast te kunnen stellen of er vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw dient tevens nader onderzoek plaats te vinden. De huismus, steenuil en kerkuil kunnen nestelen in het plangebied. Om dit vast te stellen of uit te kunnen sluiten dient ook nader onderzoek plaats te vinden. Voorzorgsmaatregelen vogels De vestiging van algemene broedvogels kan nooit geheel uitgesloten worden. Om vertraging van de werkzaamheden of schade aan eventuele nesten te voorkomen kunnen de sloopwerkzaamheden het beste buiten het broedseizoen (maart-aug) uitgevoerd worden. Conclusie nader ecologisch onderzoek Bij het onderzoek zijn de in onderstaande tabel weergegeven beschermde functies aangetroffen.

Tabel 4.4 Overzicht beschermde soorten en functies binnen het plangebied (bron: Nader ecologisch onderzoek) Voor het verstoren en vernietigen van verblijfplaatsen is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ook dienen maatregelen te worden getroffen om schade aan de in het plangebied verblijvende dieren te voorkomen en de verloren verblijfplaatsen te compenseren ten einde de duurzame staat van instandhouding te waarborgen. Effecten en toetsing Bij uitvoering van de werkzaamheden zal één nest van de steenuil verloren gaan. Negatieve Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 42

effecten op andere beschermde verblijfplaatsen of essentiële gebiedsfuncties worden op grond van het onderzoek uitgesloten. Voor een aantal soorten zijn ter voorkoming van schade, voorzorgsmaatregelen van toepassing. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden lid 2 en 4 van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming overtreden. Vervolgstappen Om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren zijn vervolgstappen noodzakelijk. Voor een totaaloverzicht van de stappen wordt op deze plaats verwezen naar het bijgevoegde onderzoeksrapport (zie Bijlage 5). Eén van de vervolgstappen is het verkrijgen van een ontheffing. De aanvraag om ontheffing is op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan in voorbereiding. Na het verkrijgen van de ontheffing op de Wet natuurbescherming kan de beoogde ontwikkeling worden gerealiseerd. Dit is eveneens geborgd in een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan. Maatregelen Ter voorkoming van schade aan soorten en gebiedsfuncties waarvoor geen ontheffing wordt aangevraagd zijn maatregelen voorgeschreven. Voor een omschrijving van de maatregelen wordt op deze plaats verwezen naar het bijgevoegde onderzoeksrapport (zie Bijlage 5). De maatregelen zijn bindend van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie berekening stikstofdepositie Busscher Milieu Advies heeft een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. In het kader van de Wet natuurbescherming is nagegaan of de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden mogelijk significante gevolgen kan hebben. Op basis van de ingevoerde bronnen en gehanteerde uitgangspunten is met AERIUS Calculator (versie 2022.2) een berekening uitgevoerd. Met deze berekening is zowel de emissie (uitstoot) als de stikstofdepositie als gevolg van het project bepaald. De berekening is uitgevoerd voor het jaar 2023 voor de aanlegfase. De gebruikfase is uitgevoerd voor het jaar 2024. Uit de berekening voor het project blijkt dat het voorgenomen gebruik leidt tot een stikstofdepositiebijdrage van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Gezien dit resultaat kunnen significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Ten aanzien van het onderdeel gebiedsbescherming is er geen sprake van een vergunningplicht in gevolge de Wet natuurbescherming. 4.10.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Regelgeving en beleid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 4.11.2 Onderzoek Autoparkeernormen In de 'Nota Parkeernormen Wijk bij Duurstede 2016' zijn de parkeernormen opgenomen die gelden in het plangebied. Het is niet noodzakelijk dat alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Aanwezige parkeerplaatsen in het openbare gebied mogen Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 43

bij deze beoordeling in ogenschouw worden genomen. Hierbij moet aangetoond worden dat de aanwezige parkeergelegenheid voldoende is om de parkeervraag die het bouwplan meebrengt op te kunnen vangen. De parkeernormen die van toepassing zijn in het plangebied, zijn de parkeernormen voor een vrijstaand koophuis. Het plangebied maakt onderdeel uit van het 'buitengebied'. Voor de beoogde extra woning dient op basis van de geldende normen in minimaal 2,5 parkeerplaatsen te worden voorzien. Daarnaast dient in het kader van het wijzigen van de functie van de bedrijfswoning naar een reguliere woning ook te worden aangegeven dat voldoende parkeerruimte beschikbaar is. In deze totale parkeerbehoefte kan op eigen terrein worden voorzien. Het plangebied biedt hiervoor voldoende ruimte en de parkeerplaatsen zullen met zorg (uit het zicht) landschappelijk worden ingepast. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende gegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – buitengebied – matig stedelijk. De verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning bedraagt minimaal 7,8 en maximaal 8,6 bewegingen. Gesteld kan worden dat de bestaande wegen de verkeersgeneratie goed aan kunnen. Verder dient te worden opgemerkt dat een agrarisch bedrijf meer verkeer genereert dan de twee woningen in de beoogde situatie.

Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Lekdijk Den Oord of Onderdijk en de Lekdijk West richting de A2. De Lekdijk Den Oord is bereikbaar met de fiets en langs de Lekdijk loopt een fietspad. Op een afstand van circa 7,2 kilometer is station Culemborg gelegen. Dit station is bereikbaar met de veerdienst. Het plangebied is zowel met de auto en voor langzaam verkeer goed ontsloten. Met het OV is de locatie minder goed bereikbaar, maar dit is gezien de beoogde woningtypologie en -aantal geen belemmering. 4.11.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.12

Water

4.12.1 Regelgeving en beleid Rijksbeleid – Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen op het gebied van: klimaatadaptatie waterveiligheid zoetwater en waterverdeling waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Provinciaal beleid - Bodem- en waterprogramma 2022-2027 De bodem en het water vormen de basis van de leefomgeving en zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Een dichtbevolkte provincie vraagt veel van het bodem- en watersysteem. De bodem is een bron voor drinkwater, en schoon en voldoende water is cruciaal voor natuur en landbouw. De bodem is ook steeds vaker een bron voor duurzame energie. In het Bodemen waterprogramma 2022-2027 staat hoe de provincie aan een duurzaam bodem- en Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 44

watersysteem werkt en hoe bodem en water bijdragen aan een veilige, vitale en leefbare provincie. Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Onderdeel van het programma is het wettelijk verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Het programma beschrijft hoe de provincie samen met partners wil werken aan ambities uit de Omgevingsvisie, welke beleidskeuzes worden gemaakt en hoe hier uitvoering aan wordt gegeven. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden - Waterbeheerprogramma 2022-2027: Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities en inzet voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. Het waterschap wil transparant, doelmatig en effectief bijdragen aan gezond leven in een toekomstbestendig gebied. Klimaatadaptatie, de energietransitie, circulariteit, bodemdaling, droogte en biodiversiteit hebben allemaal een watercomponent. Gemeente Wijk bij Duurstede De gemeente heeft het Gemeentelijk Rioleringsplan Wijk bij Duurstede 2014-2018 vastgesteld in november 2013.

In december 2019 is er een positief besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede houdende regels omtrent Water- en rioleringsplan 2020-2024, deze is echter op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan nog niet in werking getreden. In deze paragraaf wordt toch aan dit beleidsstuk getoetst aangezien het besluit positief was. In het Water- en rioleringsplan 2020-2024 staat opgenomen dat perceeleigenaren in principe op eigen terrein het hemelwater bergen of verwerken. Hierin wordt de volgorde ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gevolgd. Bij alle nieuwbouw wordt de onderstaande tabel toegepast per neerslaggebeurtenis.

Tabel 4.5 Eisen per neerslaggebeurtenis (bron: Water- en rioleringsplan 2020-2024) In het Water- en rioleringsplan 2020-2024 staat verder opgenomen over nieuwbouw dat bij alle nieuwbouw panden er een toekomstbestendig systeem wordt aangelegd, door te voldoen aan: nieuwbouw wordt aangesloten op een gescheiden stelsel. Afvalwater en hemelwater Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 45

wordt apart ingezameld en verwerkt; kleinschalige nieuwbouw (tot 5 panden in bestaand bebouwd gebied) wordt aangesloten op het aanwezige stelsel. Eigenaren moeten hun afvalwater en hemelwater gescheiden aanleveren op de perceelgrens, ook wanneer aangesloten wordt op een gemengd stelsel. Zo kan bij toekomstige verandering van het stelsel gemakkelijk worden aangesloten op een gescheiden stelsel; in het buitengebied worden nieuwe percelen aangesloten op drukriolering, tenzij de kosten hiervan hoger zijn dan de aanleg van een IBA; bij nieuwbouw adviseren we het vloerpeil 30 cm hoger aan te leggen ten opzichte van het straatpeil om de kans op wateroverlast te verkleinen; bij nieuwbouw moet hemelwater binnen het plangebied worden verwerkt of als dat niet mogelijk is vertraagd worden afgevoerd. Hiervoor volgen we de eisen van het hoogheemraadschap voor de aanleg van waterberging; vervuiling van afstromend hemelwater proberen we te voorkomen. Uitlogende materialen zijn daarom niet toegestaan; in de bestemmingsfase wordt rekening gehouden met grondwater om te bepalen waar gebouwd kan worden en hoe gebouwd kan worden. Deze toetsing vindt plaats door het toepassen van de watertoets en het maken van een inrichtingsplan. 4.12.2 Onderzoek Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen.

Uit deze toets volgt dat de beoogde ontwikkeling een waterschapsbelang heeft waarop de 'normale procedure' van toepassing is. Dit betekent dat er in overleg (informeel) met het waterschap gekeken moet worden naar waterkansen en -knelpunten. Klimaatadaptatie Door klimaatverandering neemt de kans op weersextremen, zoals wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen verder toe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen aanvullende maatregelen genomen te worden en voldoende ruimte gereserveerd te worden om water op te vangen en te verwerken. Bij onder andere nieuwbouw wordt geadviseerd om 70 mm neerslag van de totale verharding te compenseren via infiltrerende of waterbergende voorzieningen in samenhang met waterberging door extra oppervlaktewater te realiseren (richtlijn minimaal 22,5% van de totale verharde oppervlakte, op basis van een peilstijging 30 cm bij compensatie met alleen oppervlaktewater). In gevolge van de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten in het plangebied worden de agrarische opstallen gesloopt. Om de ontwikkeling goed in zijn omgeving op te laten gaan en het tekort van 75 m² aan beschikbare sloopmeters te compenseren wordt een landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling gerealiseerd. Het slopen van de reeds aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing leidt tot een afname van de verharding in het plangebied.

Daar waar de natuurontwikkeling plaatsvindt, worden de gronden in de huidige situatie gebruikt door de agrarische sector en hierdoor worden onder andere bestrijdingsmiddelen gebruikt en wordt bemesting toegepast. Ter plaatse van de voorgenomen natuurontwikkeling wordt een deel van de weide en het hooiland omgezet naar een kruidenrijke grasvegetatie. Bij het kruidenrijk grasland is sprake van extensiever beheer, wordt wel regelmatig gemaaid, maar is geen sprake meer van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en van bemesting. Dit heeft onder andere een gunstig effect op het herstel van het bodemleven. Daarnaast is een diversiteit aan bloemen en zaden waardevol voor onder andere insecten. Aan de noordzijde van het erf wordt een oorspronkelijke watergang teruggebracht, door het doortrekken van de nog aanwezige watergang en wordt deze aan een zijde met een nieuwe knotwilgenrij aangeplant. Gezien voorgaande worden verschillende maatregelen getroffen om water op te vangen en te verwerken op eigen terrein. In het kader van de aanvraag van de 'omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen' van de nieuw te realiseren woningen, kunnen eventueel nog maatregelen worden getroffen voor de hemelwaterafvoer van het toe te voegen

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 46

dakoppervlak. Oppervlaktewater Het watersysteem is een samenhangend geheel, waarbij het grondwater in verbinding staat met het oppervlaktewater. Onder oppervlaktewater vallen polder- en boezemwatergangen, beken, rivieren en kanalen. Ter plaatse van het plangebied is tertiair oppervlaktewater gelegen. Tertiair oppervlaktewater zijn overige watergangen en wateren van lokaal belang. In een zone rondom watergangen gelden beperkingen. Het is niet toegestaan om te bouwen, obstakels of bomen te plaatsen in de zone tot aan de watergrens.

Figuur 4.5 Plan in combinatie met Legger Oppervlaktewater 2020 (bron: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, bewerking in QGIS) Aan de noordzijde van het erf wordt de oorspronkelijke watergang teruggebracht, door het doortrekken van de nog aanwezige watergang. Aan de noordzijde van de watergang wordt een nieuwe knotwilgenrij aangeplant (zie paragraaf 2.2.2). Het graven van water is niet zonder meer toegestaan. Het graven van oppervlaktewater kan gevolgen hebben voor het peilbeheer door het waterschap, maar ook voor het grondwater, waardoor (elders) wateroverlast of -schaarste kan ontstaan. In de 'Uitvoeringsregels bij de Keur HDSR 2018' is een 'Stroomschema graven van of in oppervlaktewater' opgenomen. Indien er meerdere handelingen worden uitgevoerd die onder graven vallen, dan moet het stroomschema per handeling worden doorlopen. De uitkomsten moeten dan allemaal worden opgevolgd. Indien één van de uitkomsten vergunningplicht is, kan worden volstaan met het aanvragen van een vergunning voor alle handelingen. De zorgplicht is in alle gevallen van toepassing. Aangezien het doel is om een bestaande (tertiaire) watergang te verlengen, is volgens het 'Stroomschema graven van of in oppervlaktewater' een algemene regel met meldplicht en zorgplicht van toepassing.

Algemene regel met meldplicht In paragraaf 2.4.2 van de 'Uitvoeringsregels bij de Keur HDSR 2018' zijn de voorschriften Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 47

opgenomen waar een initiatiefnemer aan dient te voldoen om te voldoen aan de algemene regel. Waterkwaliteit en ecologie De waterkwaliteit en ecologie worden bepaald door de chemische kwaliteit van het water (stoffen in het water) en de ecologische kwaliteit van het watersysteem (flora en fauna). Het uitgangspunt van het waterschap is dat de waterkwaliteit en -ecologie door ruimtelijke veranderingen waar mogelijk moet verbeteren en in ieder geval niet mag verslechteren. Bij de totstandkoming van de beoogde ontwikkeling worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterveiligheid Het waterschap beschermt laaggelegen gebieden tegen overstromingen vanuit rivieren. Om laaggelegen gebieden te beschermen zijn dijken en kades aangelegd, ook wel waterkeringen genoemd. Het plangebied grenst in het westen aan een primaire waterkering en ligt deels ter plaatse van de beschermingszone. De bestaande woning (welke mogelijk wordt voorzien van sloop nieuwbouw), de te slopen agrarische opstallen en de te realiseren extra woning bevinden zich niet in de (beschermingszone van de) waterkering.

Figuur 4.6 Plan in combinatie met Legger Primaire Waterkeringen 2020 (bron: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, bewerking in QGIS) Bodem en grondwater Grondwater bestaat uit al het water in de grond. Regenwater dat op (onverharde) grond terecht komt, zakt in de bodem en voegt zich bij het bestaande grondwater. Een te hoge grondwaterstand zorgt voor grondwateroverlast. Hierdoor kan water op straat komen te staan of in de kruipruimte van woningen. Een te lage grondwaterstand zorgt juist voor Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 48

grondwateronderlast. Hierdoor kunnen panden verzakken of houtrot van de fundering ontstaan. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden geen onttrekkingen van het grondwater gedaan ten behoeve van bodembemaling, beregening of sleufbemaling. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat de ontwikkeling geen verdere verspreiding van eventuele aanwezige verontreiniging veroorzaakt. Afvalwaterketen en afvalwaterzuivering In het gebied ligt een gemeentelijk drukrioleringssysteem. Hierop mag alleen huishoudelijk afvalwater worden geloosd. Het hemelwater van daken en terrein moet worden gefiltreerd worden in de bodem en/of op oppervlaktewater. Voor de extra woning zal een rioolaansluiting worden aangevraagd via de website van de gemeente. Alle kosten voor eventuele aanpassingen van het gemeentelijke drukrioleringssysteem en voor een eventueel te realiseren van een nieuw riool-pompgemaal zullen voor rekening komen van de initiatiefnemer. 4.12.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.13

Milieu-effectrapportage

4.13.1 Regelgeving en beleid Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.13.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan behelst de realisatie van maximaal één extra woning en het toestaan van het gebruik van de bedrijfswoning als reguliere woning. Een dergelijke ontwikkeling kan, gelet op de aard en omvang, niet aangemerkt worden als een activiteit als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.

(stedelijk ontwikkelingsproject). Het betreft de realisatie van één extra woning, op de locatie waar in de huidige situatie een agrarisch bedrijf is toegestaan. De beoogde functiewijziging in het plangebied is naar aard en omvang als gering aan te merken. Eveneens zijn de milieugevolgen zeer beperkt. Derhalve kan de ontwikkeling niet aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Deze conclusie is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1. Omdat de beoogde ontwikkeling niet voorkomt op de bijlagen van het Besluit m.e.r. is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling voldoende zijn onderzocht. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken worden geen onaanvaardbare milieueffecten verwacht en wordt de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan niet door onaanvaardbare milieueffecten belemmerd.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 49

4.13.3 Conclusie Het aspect milieu-effectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 50

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1

Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels. 5.1.1 Begrippen In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 5.1.2 Wijze van meten In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwvlak moeten worden gemeten.

5.2

Bestemmingsregels

5.2.1 Agrarisch Deze bestemming is gebruikt voor de agrarische gronden. Binnen deze bestemming zijn enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan. Bij deze bestemming zijn enkele afwijkingsbevoegdheden overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015', zoals voor de plaatsing van zonnepanelen op onbebouwde gronden en de aanleg van paardenbakken. De geboden afwijkingsmogelijkheden mogen worden gebruikt, maar er zal aan de hand van de opgenomen voorwaarden een (belangen)afweging moeten plaatsvinden en er kan dan ook voor worden gekozen om geen gebruik te maken van de bevoegdheid. 5.2.2 Wonen Omdat de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied bestaat uit de realisatie van een extra woning op grond van de Ruimte voor Ruimte regeling, zijn de gronden waarbinnen de woning mag worden opgericht bestemd voor 'Wonen'. Ook de gronden van de bestaande woning zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor wonen. Met een voorwaardelijke verplichting is de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen geborgd. Ook bij deze bestemming zijn enkele afwijkingsbevoegdheden overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015', zoals bijvoorbeeld voor een aan huis verbonden beroep.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 51

5.2.3 Waarde - Archeologie 4 Het plangebied van dit bestemmingsplan is nagenoeg geheel voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' in het moederplan. De dubbelbestemming is overgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. 5.2.4 Waarde - Natuur en landschap In de noordwestelijke hoek van het plangebied geldt op een klein deel de dubbelbestemming 'Waarde - Natuur en landschap' in het moederplan. De dubbelbestemming is overgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden, landschappelijke karakteristieken en waardevolle landschapselementen.

5.3

Algemene regels

5.3.1 Antidubbeltelregel De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 5.3.2 Algemene bouwregels Dit artikel bevat de algemene bouwregels. 5.3.3 Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welk gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. 5.3.4 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat de regels voor de bescherming, de versterking, het beheer en het onderhoud van de dijk. 5.3.5 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheid voor evenementen.

5.4

Overgangs- en slotregels

5.4.1 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen en het gebruik is in dit artikel geregeld. 5.4.2 Slotregel In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 52

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Financiële uitvoerbaarheid

6.1.1 Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro) Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

In het kader van de beoogde ontwikkeling in het plangebied wordt met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd. Daarnaast is het niet noodzakelijk om een tijdvak of fasering vast te stellen en zijn eisen aan de werken en werkzaamheden niet benodigd. Om deze reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. 6.1.2 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. De initiatiefnemer heeft het economisch eigendom van de percelen. Om deze redenen is er sprake van een financieel-economisch uitvoerbaar plan.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Voorbereidingsfase In de voorbereidende fase van dit bestemmingsplan zijn de omwonenden door de initiatiefnemer van het plan geïnformeerd over het voornemen door middel van keukentafelgesprekken. De ontvangen reacties zijn geen aanleiding geweest om aanpassingen door te voeren in het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 53

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan naar de diverse vooroverlegpartners toegestuurd. De Provincie Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een reactie op het plan te geven. In de bijgevoegde Notitie beantwoording Vooroverleg zijn de vooroverlegreacties samengevat weergegeven en van een reactie voorzien. Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken (24 november 2023 tot en met 4 januari 2024) ter inzage is gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen. Tijdens de ter inzage termijn zijn er geen zienswijzen tegen het bestemmingsplan binnengekomen. Wel zijn er een aantal wijzigingen ambtshalve doorgevoerd. De wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan worden in de bijgevoegde Nota ambtshalve wijzigingen per onderdeel beschreven. Vaststellingsfase Na de termijn van terinzagelegging in de ontwerpfase beslist de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Direct na de beroepstermijn van zes weken treedt, wanneer er tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking.

Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47

Pagina | 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13907942/1