Toelichting - BP Lekdijk West 47
Tekst van het document
TOELICHTING PROJECT
Lekdijk West 47
STATUS
vastgesteld
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.0352.bgblekdijkwest47-bva1
DATUM
23-01-2024
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
6 Aanleiding planherziening Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
6 6 7 8
Huidige situatie en planbeschrijving
9
2.1 2.2
9 9
Huidige situatie Toekomstige situatie
Beleidskaders
14
3.1 3.2 3.3
14 16 23
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Omgevingsaspecten
26
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
26 27 29 32 33 34 35 37 39 41 43 44 49
Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodemkwaliteit Cultuurhistorie Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Geur Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water Milieu-effectrapportage
Juridische planbeschrijving
51
5.1 5.2 5.3 5.4
51 51 52 52
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
Uitvoerbaarheid
53
6.1 6.2
53 53
Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Pagina | 3
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 4
Toelichting
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding planherziening
De eigenaar van de gronden gelegen aan de Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede is voornemens middels de Ruimte voor Ruimte regeling op het perceel een extra burgerwoning te realiseren. Ter plaatse van het plangebied zijn de agrarische activiteiten beëindigd. De beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en de voorgenomen sloop van de agrarische opstallen zijn, gezamenlijk met natuurontwikkeling, aanleiding om in het plangebied een extra burgerwoning te realiseren. Omdat de locatie op basis van het geldende bestemmingsplan bestemd is voor een agrarisch bedrijf is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend postzegelbestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede en heeft de kadastrale gegevens: 2587, 2588 en 722, sectie E van de kadastrale gemeente Wijk bij Duurstede (gemeentecode: WIJ01). De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente, ten zuidwesten van de kern van Wijk bij Duurstede en ten noordoosten van de kern van Culemborg. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk agrarische gronden en verspreid liggende burgerwoningen en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In het noorden en het oosten wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden en in het zuiden grenst het plangebied aan een burgerwoning. Ten westen is de Lekdijk Den Oord of Onderdijk gelegen, via deze weg wordt de locatie tevens ontsloten. Tegenover deze weg en in het zuiden op iets grotere afstand bevinden zich ook burgerwoningen.
Figuur 1.1 Luchtfoto plangebied (bron: QGIS, eigen bewerking) Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 6
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Buitengebied 2015” (vastgesteld op 9 maart 2016). Daarnaast is het “Paraplubestemmingsplan Kleinschalige windturbines” (vastgesteld op 12 oktober 2021) van toepassing op onderhavige locatie. Het “Paraplubestemmingsplan Kleinschalige windturbines” is niet relevant voor dit plan en wordt derhalve in deze paragraaf niet nader beschouwd. Het plangebied kent, conform het bestemmingsplan “Buitengebied 2015”, de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Er geldt deels een bouwvlak met de functieaanduiding ‘grondgebonden veehouderij’. Ook geldt deels de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk'.
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding geldende bestemmingsplannen (bron: QGIS, eigen bewerking) Het doel is om de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen als reguliere woning (burgerwoning) en een extra burgerwoning te realiseren. Burgerwoningen zijn binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch’ niet toegestaan (artikel 3 van het bestemmingsplan “Buitengebied 2015”). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet derhalve in een nieuw planologisch - juridisch kader.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 7
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 vormt de inleiding op het plan. Vervolgens is in hoofdstuk 2 het plan nader toegelicht. In hoofdstuk 3 komen het beleid en algemene regels van het rijk, de provincie en de gemeente aan de orde. In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan verschillende omgevingsaspecten, zoals archeologie en cultuurhistorie, ecologie, water en milieu. Per aspect zijn de van toepassing zijnde regelgeving en het beleid benoemd. Vervolgens zijn de onderzoeken beschreven en conclusies getrokken. Hoofdstuk 5 behelst de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 8
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie ter plaatse van het plangebied beschreven. Ook wordt een planbeschrijving gegeven van de beoogde ontwikkeling. Daarbij wordt ook ingegaan op de landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch perceel met daarop meerdere verouderde agrarische opstallen. Er is in de huidige situatie ca. 675 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig op een bouwvlak van bijna 1 hectare. De verouderde bedrijfsbebouwing heeft een negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied en zijn omgeving. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk agrarische gronden, verspreid liggende burgerwoningen en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In het noorden en het oosten wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden en in het zuiden grenst het plangebied aan een burgerwoning.
Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied met te slopen agrarische opstallen (bron: QGIS, eigen bewerking)
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie worden de opstallen van het agrarisch bedrijf gesloopt. De bestaande bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als reguliere woning. In de toekomst wordt deze woning mogelijk van sloop - nieuwbouw voorzien. Tevens wordt er een extra woning op het perceel gerealiseerd. De agrarische activiteiten op de gronden worden hiermee beëindigd. Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 9
Middels de Ruimte voor Ruimte-regeling van de provincie Utrecht is het mogelijk om op agrarische percelen het agrarisch gebruik te beëindigen ten behoeve van één of meerdere nieuwe woningen door de sloop van voormalig agrarische bebouwing op de locatie zelf én elders. Hiervoor gelden echter voorwaarden. In paragraaf 3.2.2 van dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling getoetst aan deze voorwaarden (Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht). 2.2.1 Beeldkwaliteit woningen Op het voormalig agrarisch erf wordt een extra woning gerealiseerd. In een vervolgstadium van de ontwikkeling wordt het plan voor de te bouwen woning nader uitgewerkt, maar het voornemen bestaat uit de realisatie van een woning die past bij het landelijke bebouwingsbeeld. De bestaande bedrijfswoning (op termijn mogelijk voorzien van sloop nieuwbouw) ligt in de eerste lijn en is een meer landelijke woning. De extra woning ligt in de tweede lijn en is een meer landelijke - schuur-achtige woning. De woning in de tweede lijn is ondergeschikt aan de andere woning op het erf en is eenvoudig van karakter en hoofdvorm. De beide woningen vormen samen een ensemble. De hoeveelheid verharding op het erf wordt beperkt en parkeren vindt plaats uit het zicht. Voor wat betreft de maatvoering van de woningen is aangesloten bij de standaard in het buitengebied van de gemeente.
De woningen worden afgedekt met een kap waarvan de nokrichting haaks op de weg is. Ten aanzien van kleurstelling en materialisering wordt bij voorkeur gewerkt met aardkleuren en met natuurlijke materialen, zoals hout, baksteen en zink. 2.2.2 Landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling Het plangebied ligt aan de Lekdijk West op de grens van de uiterwaarden met het landbouwgebied van de oeverwallen. Onder andere de bochtige wegen en de grote open ruimtes bepalen in het landbouwgebied de sfeer. Ook de (hoogstam)boomgaarden maken deel uit van de kwaliteit. Langs de dijk is de knotbomenrij een belangrijke landschappelijke kwaliteitsdrager. Vanaf de onderdijk is de knotbomenrij langs de dijk niet zichtbaar, wel bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied diverse knotbomen. In gevolge van de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten in het plangebied worden de agrarische opstallen gesloopt. Ter compensatie van de sloop van de bebouwing wordt een Ruimte voor Ruimte woning teruggebouwd. Om de ontwikkeling goed in zijn omgeving op te laten gaan en het tekort van 75 m² aan beschikbare sloopmeters te compenseren (zie paragraaf 3.2.2) wordt een landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling gerealiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 10
Figuur 2.2 Landschappelijke inpassing (bron: QGIS, eigen bewerking) De landschappelijke inpassing bestaat uit diverse elementen. De bestaande solitaire bomen naast de in-/uitrit van het erf blijven behouden. Verder is aan twee zijden van het erf van de nieuwe woning een erfgrens voorzien in de vorm van een heg. Dit in de vorm van een lage knip- en scheerheg van een haagbeuk. Een landschappelijke heg is voorzien aan de noordzijde. Dit betreft eveneens een haagbeuk. De heg heeft een lengte van circa 70 meter. Om de landschappelijke structuur verder te versterken is een hoogstamboomgaard beoogd. Door te kiezen voor hoogstamfruit blijven doorzichten naar het open landschap behouden. Ook draagt een boomgaard bij aan een aantrekkelijke leefomgeving en heeft een hoogstamboombaard een grote ecologische waarde. De heg aan de noordzijde dient tevens als windsingel van de boomgaard. Tussen de heg en de boomgaard wordt een kavelpad aangelegd. Dit kavelpad wordt uitgevoerd als karrespoor in halfverharding, zoals bijvoorbeeld grasbetontegels. Dit zodat het agrarisch land ook in nattere perioden nog goed te betreden is met een wat zwaarder voertuig. De natuurontwikkeling bevindt zich op de achterzijde van het functieveranderingserf, ten oosten van de te slopen bebouwing.
Daar waar de natuurontwikkeling plaatsvindt, worden de gronden in de huidige situatie gebruikt door de agrarische sector en hierdoor worden onder andere bestrijdingsmiddelen gebruikt en wordt bemesting toegepast. De voorgestelde natuurontwikkeling is qua situering gebaseerd op de oorspronkelijke structuur, zie figuur 2.3 en 2.4.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 11
Figuur 2.3 Plangebied in 1870 (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 2.4 Plangebied in 1970 (bron: topotijdreis.nl) Ter plaatse van de voorgenomen natuurontwikkeling wordt een deel van het weide en hooiland omgezet naar een kruidenrijke grasvegetatie. Het lange smalle langwerpige kavel blijft onveranderd in gebruik. Bij het kruidenrijk grasland is sprake van extensiever beheer, wordt wel regelmatig gemaaid, maar is geen sprake meer van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en van bemesting. Dit heeft onder andere een gunstig effect op het herstel van het bodemleven. Daarnaast is een diversiteit aan bloemen en zaden waardevol voor onder andere insecten. Het gebruik als weide en hooiland heeft in de huidige situatie tot gevolg dat sprake is van een open karakter. Het is wenselijk om deze openheid, met name ter plaatse van het achterste smalle perceel, zo veel mogelijk te behouden. Derhalve wordt aan de noordzijde van het erf een oorspronkelijke watergang teruggebracht, door het doortrekken van de nog aanwezige watergang en wordt deze aan een zijde met een nieuwe knotwilgenrij aangeplant. Hierdoor wordt de oorspronkelijke landschappelijke structuur teruggebracht en blijven doorzichten over de weides op het open landschap behouden. Het nieuwe beplantingselement in het open landschap bestaat derhalve uitsluitend uit een knotwilgenrij.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 12
Figuur 2.5 Landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling (bron: QGIS, eigen bewerking)
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 13
Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Figuur 3.1 Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie) De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Relatie tot dit bestemmingsplan Geen van de in de NOVI benoemde nationale belangen worden geraakt met voorliggend bestemmingsplan. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. Conclusie De NOVI vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 14
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot dit bestemmingsplan Met het opstellen van dit bestemmingsplan is het Barro als uitgangspunt genomen. Het voorgenomen plan speelt zich af op lokaal niveau en conflicteert niet met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling is voorzien. Conclusie Het Barro vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro: lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Relatie tot dit bestemmingsplan
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 15
Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 onder i van het Bro. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak over de Ladder voor duurzame verstedelijking geoordeeld dat de realisatie van 11 woningen - of minder - niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, Bro (ECLI:NL:RVS:2017:1724). De ontwikkeling van één woning kan derhalve niet aangemerkt worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft op basis van het Rijksbeleid in onderhavige situatie daarom niet doorlopen te worden. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is vastgesteld op 10 maart 2021 en is opgesteld vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Via haar ruimtelijke beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in 2050 goed wonen, werken en recreëren is. In de Omgevingsvisie, die opgesteld is op basis van zeven samenhangende thema's, zijn per thema programma's opgenomen die zorgen voor de uitvoering van de hoofdlijnen van het beleid.
Figuur 3.2 Zeven samenhangende beleidsthema's (bron: Omgevingsvisie provincie Utrecht) Voor het omgevingsbeleid hanteert de provincie Utrecht twee centrale uitgangspunten: 1. Gebiedsgerichte, integrale en toekomstgerichte oplossingen waarmee Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden blijven of worden versterkt De gebiedsgerichte uitwerking en (afspraken om te komen tot) keuzes stemt de provincie af met regionale partijen. Samen met gemeenten, waterschappen en andere partners pakt de provincie de regionale programmering op van woningbouw en werklocaties en mogelijk ook van energie en stedelijke voorzieningen zoals kantoren en retail. De Utrechtse kwaliteiten zijn de kwaliteiten die belangrijk zijn voor de uitstraling en aantrekkelijkheid van de provincie Utrecht en voor het behoud van een duurzame en veilige leefomgeving. Het gaat om: Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 16
de groene kwaliteiten, zoals natuur, landschap en erfgoed; de blauwe kwaliteiten, zoals bodem, water en lucht; de rode kwaliteiten, zoals economische ontwikkeling, bereikbaarheid, energie en een vitaal bebouwd gebied; de sociale kwaliteiten zoals voorzieningen, sociale samenhang, cultureel aanbod en inclusiviteit. 2. Concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Voor sommige grote opgaven is veel ruimte nodig, zoals verstedelijking en de energietransitie. Daarom kiest de provincie Utrecht ervoor de schaarse ruimte efficiënt te benutten en functies slim te combineren. Daarbij wordt het principe 'inbreiding gaat voor uitbreiding' gehanteerd. Bij uitbreiding wordt gezocht naar grootschalige locaties waar nieuwe ontwikkelingen geconcentreerd en gecombineerd worden. Relatie tot dit bestemmingsplan De provincie legt het accent op de binnenstedelijke opgave en beoogt op die manier de druk op het landelijk gebied te verminderen en de beschikbare ruimte duurzaam te benutten. Uiteraard blijven er ook ontwikkelingen die naar aard en omvang minder passend zijn in een stedelijke omgeving. Voor dergelijke ontwikkelingen bestaat ruimte om in het buitengebied te landen, mits wordt voorzien in een goede ruimtelijke én landschappelijke inpassing.
Daarbij dient oog te zijn voor (ten minste) behoud en bij voorkeur versterking van de aanwezige kwaliteit van het landelijk gebied. Dit bestemmingsplan behelst het planologisch mogelijk maken van een extra woning in agrarisch (buiten)gebied. Daarbij verdwijnt de bestaande agrarische bebouwing en het agrarisch bouwvlak van de gronden. Het mogelijk maken van een woonbestemming op een voormalig agrarisch perceel is geen nieuw fenomeen en het toestaan van deze enkele extra burgerwoning op de locatie staat het voornemen om het grootste deel van de woningbouwopgave binnenstedelijk te realiseren ook niet in de weg. In de omgeving van het plangebied is bovendien reeds sprake van diverse woonbestemmingen, zodat gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op het bestaande karakter van de directe omgeving. Het gevolg van de locatie in het landelijk gebied is automatisch dat er oog dient te zijn voor de kenmerken en kwaliteiten van het landschap. De ontwikkeling mag niet tot gevolg hebben dat deze landschappelijke waarden worden aangetast. Aangezien in de huidige situatie bebouwing aanwezig is in het planegbied en deze bebouwing wordt vervangen ten behoeve van één extra burgerwoning, behoud het perceel voor een belangrijk deel de huidige uitstraling. Er wordt geen hoogbouw of groot woningbouwproject gerealiseerd.
Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling een passende invulling voor de locatie betreft met het oog op de kwaliteit van de directe omgeving. Vanwege een beperkt tekort (75 m2) aan te slopen bestaande bebouwing op de locatie is onderdeel van dit bestemmingsplan een landschappelijk inpassingsplan en plan voor natuurontwikkeling in het plangebied. In paragraaf 2.2.2 van dit bestemmingsplan is hierop ingegaan. Conclusie De beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht vormen geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 17
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim Omgevingsverordening provincie Utrecht bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. De interim Omgevingsverordening is vastgesteld op 10 maart 2021 en in werking getreden op 1 april 2021. De interim Omgevingsverordening is een tijdelijke verordening, totdat de Omgevingswet van kracht is. De interim Omgevingsverordening vervangt onder andere de ruimtelijke verordening en de milieuverordening. Relatie tot dit bestemmingsplan Onderstaand wordt ingegaan op de bepalingen uit de interim Omgevingsverordening, voor zover relevant en daarmee niet limitatief zoals van toepassing op de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Watersysteem In het kader van het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast zijn in hoofdstuk 2 van de interim Omgevingsverordening regels opgenomen. Het plangebied ligt binnen een overstroombaar gebied (artikel 2.10). Het is belangrijk dat kwetsbare objecten (zoals elektriciteitscentrales, ziekenhuizen, woonwijken en bedrijventerreinen) bestand zijn tegen overstromingen.
Aangezien de ontwikkeling geen (onderdeel van een) grootschalig woningbouwproject is en de bestaande agrarische bebouwing wordt vervangen ten behoeve van één extra woning, nemen de overstromingsrisico's zeer beperkt toe ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied is tevens gelegen in een verplicht peilbesluitgebied. Het waterschap stelt één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. Als laatste is de locatie gelegen in het 'Gebied dempen oppervlaktewaterlichamen', waarbij geheel of gedeeltelijk dempen ook het ondieper maken van oppervlaktewaterlichamen omvat (artikel 2.32). Ondergrond en bodem Het plangebied ligt binnen de 'Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad' (artikel 3.11). Voor dergelijke gebieden is het van belang deze zo veel mogelijk te vrijwaren van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is het belangrijk om het risico op aantasting van de beschermende kleilagen boven het grondwater te voorkomen. Bij de aanleg van een eventueel bodemenergiesysteem zal daarom een systeem met horizontale lussen worden toegepast of wordt gewerkt met een ander type energiesysteem.
Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling maar betreft de omzetting van een agrarisch bedrijfsperceel naar een woonfunctie, waarbij de te slopen agrarische opstallen plaats maken voor een extra woning. Artikel 3.11 vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bereikbaarheid en mobiliteit Het plangebied is gelegen binnen de 'Buffer luchtvaartterrein' (artikel 4.53). Op de locaties binnen deze buffer mogen geen bestemmingen en regels worden toegevoegd die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaarttuigen, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting onder de grens, genoemd in de bijlage 16 Luchtvaartterrein, bij de verordening blijft. Het beoogde initiatief voorziet enkel in een bestemmingswijziging ten behoeve van wonen, waardoor deze regel niet van relevant is. Cultuurhistorie en landschap Hoofdstuk 7 van de Interim Omgevingsverordening gaat in op cultuurhistorie en landschap, waaronder ook de cultuurhistorische hoofdstructuur. In paragraaf 4.1 (archeologie) en paragraaf 4.4 (cultuurhistorie) van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op het aspect
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 18
archeologie en cultuurhistorie. Het plangebied is op kaart 15 aangegeven als gelegen binnen het gebied 'Uitzondering verstedelijkingsverbod Landelijk gebied', maar betreft geen historische buitenplaats of militair erfgoed. Artikel 7.8 is derhalve niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is het plangebied onderdeel van het 'Landschap Rivierengebied' (Bijlage 15) en dient voldaan te worden aan hetgeen is opgenomen in artikel 7.9. In het 'landschap Rivierengebied' dienen de volgende kernkwaliteiten behouden te blijven: 1. schaalcontrast van zeer open naar besloten; 2. samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom; 3. samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal - rivier; 4. de Kromme Rijn als vesting en vestiging. Van negatieve effecten op de kernkwaliteiten van dit landschap is geen sprake. Doordat de huidige agrarische bebouwing wordt vervangen door één woning, heeft de ontwikkeling geen effect op het schaalcontrast van het landschap. Het huidige landschap en de beleving daarvan vanaf het plangebied wordt verder niet aangetast, waardoor de huidige samenhang blijft behouden. Daarnaast wordt in het plangebied zelf in een landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling voorzien.
Onderdeel hiervan is het omzetten van een deel van de weide en het hooiland naar een kruidenrijke grasvegetatie en het terugbrengen van een oorspronkelijke watergang. Laatstgenoemde heeft tot gevolg dat de oorspronkelijke landschappelijke structuur deels wordt teruggebracht. De beoogde ontwikkeling van één woning kan hiermee mogelijk worden gemaakt binnen de kernkwaliteiten van dit gebied en dit bestemmingsplan is in overeenstemming met artikel 7.9. De interm Omgevingsverordening voorziet daarnaast in artikel 6.2 in regels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN (zie ook paraagraaf 4.10) waardoor toetsing aan de regels uit artikel 6.2 niet aan de orde is. Wonen, werken en recreëren Het plangebied is onderdeel van het landelijk gebied. In hoofdstuk 9 van de interim Omgevingsverordening wordt ingegaan op onder andere verstedelijking in het landelijk gebied. In dit kader is in artikel 9.10 aangegeven dat een stedelijke functie kan worden toegestaan als het agrarisch gebruik is beeïndigd. Daarvoor dient getoetst te worden aan de indstructieregel voor functiewijziging. Het plangebied van dit bestemmingsplan is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw.
De locatie ligt op korte afstand van omliggende burgerwoningen en heeft onvoldoende beschikking over agrarische gronden voor de exploitatie van een volwaardig agrarisch bedrijf. In paragraaf 2.2.2 en 4.4 van deze toelichting wordt ingegaan op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Hieruit blijkt dat de bestaande waarden worden behouden of versterkt. In paragraaf 4.2 is aangetoond dat de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Ook ligt de locatie binnen het gebied dat is aangemerkt voor 'Uitbreiding woningbouw en bedrijventerreinen onder voorwaarde mogelijk' (artikel 9.12). In onderhavige situatie is geen sprake van een uitbreiding van woningen in landelijk gebied, maar van een functiewijziging van een agrarisch bedrijfsperceel. Derhalve kan toetsing aan artikel 9.12 achterwege blijven en dient getoetst te worden aan de regels uit artikel 9.11, zie onder 'Ruimte voor ruimte'. Ruimte voor ruimte In artikel 9.11 is de instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie opgenomen. In landelijk gebied kan, indien het agrarisch gebruik is beëindigd, de bouw van één of meer nieuwe woningen worden toegestaan, mits aan het onderstaande schema wordt voldaan. Artikel 9.11 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen ('ruimte voor ruimte') 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 19
gebruik is beëindigd de bouw van één of meer nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c.
de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 20
Figuur 3.3 Schema mogelijkheden functieverandering (voormalige) agrarische bedrijfspercelen (bron: interim Omgevingsverordening) Aangezien het doel is om één extra burgerwoning toe te voegen en de bestaande bedrijfsbebouwing (excl. bestaande bedrijfswoning met bijgebouw) van circa 675 m2 te slopen, kan in beginsel niet worden voldaan aan de sloopeis van minimaal 750 m2. Het totale bouwvlak waar de agrarische bestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming is echter bijna 1 ha en biedt derhalve veel meer bouwmogelijkheden voor agrarische opstallen. Naast de sloop van de agrarische opstallen van 675 m2 wordt een groot agrarisch bouwvlak inclusief ruime bouwmogelijkheden ingeleverd ten behoeve van één burgerwoning. Daarnaast kan door middel van een hoogwaardige kwalitatieve landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing extra omgevingskwaliteit worden gerealiseerd. In paragraaf 2.2.2 van de toelichting van dit bestemmingsplan is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor wat betreft de landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling. Het tekort aan sloopmeters bedraagt 75 m2. Door de landschappelijke inpassing van het voormalige agrarisch erf aan te vullen met een natuurontwikkeling wordt zowel voldaan aan de voorwaarde onder sub b. als onder sub c.
In paragraaf 2.2.2 zijn de landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling beschrijven, waarbij onder andere sprake is van het Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 21
terugbrengen van een oorspronkelijke watergang, de aanplant van een knotbomenrij en het omzetten van 3.780 m2 weide naar een kruidenrijke vegetatie. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd. Om het beoogde plan mogelijk te maken wordt het tekort aan sloopmeters op bovengenoemde wijze gecompenseerd binnen het plangebied en wordt voldaan aan artikel 9.11. Conclusie Aan de minimale sloopeis van 750 m2 wordt in beginsel niet voldaan voor de realisatie van één extra burgerwoning. De voorgestelde landschappelijke inpassing én natuurontwikkeling (zie paragraaf 2.2.2) voorziet in realisatie van extra omgevingskwaliteit en daarmee in een compensatie voor het tekort van 75 m2 aan de sloopeis zoals opgenomen in de interim Omgevingsverordening. De regels uit de interim Omgevingsverordening vormen geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 3.2.3 Landschapsbeleidsplan Utrecht 2018-2023 Utrechts Landschap staat voor behoud van biodiversiteit en cultuurhistorie. De provincie streeft naar het versterken van ecosystemen en streeft naar een zo hoog mogelijke kwaliteit van natuur en landschap. Het 'Beleidsplan 2013-2017' verscheen in een tijd waarin de natuuren erfgoedwereld in flink in beweging was. Doordat de overheid zich terugtrok werd het een belangrijke opgave om de steun van bedrijven, fondsen en particulieren te laten groeien.
De omschakeling naar duurzame energie, infrastructurele en verstedelijkingsopgaven, maken de druk op het buitengebied hoog. De toename van het aantal recreanten verhoogt de druk op de natuur. Tegelijkertijd groeit de betrokkenheid van Utrechters bij de bescherming van de leefomgeving. In de periode 2018-2023 is het doel om de Utrechtse natuur, het landschap en het erfgoed te blijven ontwikkelen, beschermen en te beheren. De speerpunten uit het beleid zijn als volgt: Robuust netwerk verwerven, veiligstellen; beheer en ontwikkeling; beschermen en beleven; Steun Utrechtse samenleving dichtbij en betrokken; groeiende achterban; vrijwilligers; Deskundigheid inzetten belangenbehartiging van natuur en erfgoed; actieve inbreng deskundigheid; Verduurzaming en ontwikkeling verkleinen footprint; behoud solide financiële basis; kennisontwikkeling. Relatie tot dit bestemmingsplan De ontwikkeling behelst een planologische wijziging ten behoeve van één extra woning ter plaatse van een agrarische bestemming. De bestaande agrarische opstallen worden gesloopt. Het open karakter van de locatie blijft bij de functieverandering behouden. Ook past de woning bij de huidige omgeving, aangezien meerdere burgerwoningen aanwezig zijn in het omliggende gebied. Dit plan heeft vanwege de aard en omvang niet tot gevolg dat de druk op de natuur en het buitengebied verder toeneemt.
Door het landschappelijk inpassen van de gewenste woonfunctie op het voormalige agrarische perceel, dat gepaard gaat met sloop van voormalige agrarische bebouwing, wordt leegstand of verval voorkomen, wat resulteert in behoud en ontwikkeling van het landschap. Daarnaast voorziet de voorgenomen natuurontwikkeling onder andere in de realisatie van een kruidenrijk grasland en het Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 22
terugbrengen van een oorspronkelijke watergang, en leidt dit tot een verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap in het plangebied. Conclusie Het Landschapsbeleidsplan legt geen restricties op voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Stedelijk Gebied Wijk bij Duurstede Op 6 juli 2021 is de omgevingsvisie Stedelijk Gebied Wijk bij Duurstede vastgesteld. In de omgevingsvisie is weergegeven hoe de stad Wijk bij Duurstede en de dorpen Cothen en Langbroek er over 10 jaar uit kunnen zien. De omgevingsvisie Stedelijk Gebied Wijk bij Duurstede is de opvolger van de Structuurvisie Wijk bij Duurstede 2020 zoals vastgesteld in 2010. In de stad Wijk bij Duurstede moeten ongeveer 1.000 nieuwe woningen worden gebouwd tot het jaar 2030. Die nieuwe huizen zijn vooral bedoeld voor ouderen en jongeren die na al in de Wijk wonen. Zodat deze groepen inwoners ook in de toekomst in de stad kunnen (blijven) wonen in een moderne, kleinere woning. In de eengezinshuizen die zij achterlaten, kunnen dan weer jonge gezinnen gaan wonen. Zo zorgt nieuwbouw voor 'doorstroming' in de stad. Het bouwen van nieuwe huizen hoeft dus niet te betekenen dat er veel nieuwe mensen bij komen in de stad. Er wordt vooral gebouwd voor de eigen bevolking. De gemeente wil niet dat de stad wordt volgebouwd. Het is juist belangrijk dat Wijk bij Duurstede een groene stad blijft met genoeg ruimte om te spelen, sporten, wandelen of te genieten van de natuur. Hierbij kiest de gemeente voor groen in de stad, maar ook voor het bieden van ruimte buiten de stad voor het bouwen van nieuwe woningen.
Relatie tot dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één extra woning ter plaatse van agrarische gronden. In de omgeving van het plangebied zijn al verschillende woonbestemmingen aanwezig. Aangezien de gemeente tot 2030 inzet op het realiseren van groen in de stad, waarbij ook ruimte wordt geboden buiten te stad voor het bouwen van nieuwe woningen, sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de ambitie die is geformuleerd in de Omgevingsvisie Stedelijk Gebied Wijk bij Duurstede. De nieuw te realiseren woning biedt ook ruimte voor doorstroming in de stad. De woning wordt buiten de stad gerealiseerd en voorziet daarmee in de behoefte om buiten de stad in een meer groene omgeving te wonen. Conclusie De Omgevingsvisie Stedelijk Gebied Wijk bij Duurstede vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 3.3.2 Omgevingsvisie Kromme Rijngebied Op 18 april 2017 is de omgevingsvisie Kromme Rijngebied is door de gemeenteraden van Houten, Bunnik en Wijk bij Duurstede vastgesteld. De visie is gericht op het buitengebied van de betreffende gemeentes: het Kromme Rijngebied en stelt gebiedskwaliteit voorop. De uitgangspunten voor de omgevingsvisie bestaat uit drie onderdelen: De vraagstukken uit de samenleving; De eigen verantwoordelijkheden als gemeentelijke overheden; De kwaliteiten in het gebied.
De vraagstukken, de (gemeentelijke) verantwoordelijkheid en de gebiedskenmerken zijn geïntegreerd tot een visie voor de Kromme Rijnstreek. Hieruit volgen vier speerpunten:
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 23
1. Sterke ontwikkeling van recreatie; 2. Naar een kwaliteitscultuur; 3. Verandering en vernieuwing stimuleren; 4. Volop innovatie. Relatie tot dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van één woning in het buitengebied van Wijk bij Duurstede. Het buitengebied is divers en gevarieerd. Om ontwikkeling mogelijk te maken en ruimte voor initiatieven te hebben, is het belangrijk om goed te weten wat de kwaliteiten zijn en waar ze zitten. In de nabijheid van het plangebied zijn verschillende woonbestemmingen gelegen. Het toevoegen van één woning past in deze omgeving. Om verandering en vernieuwing te stimuleren, vindt de gemeente het belangrijk dat de fysieke leefomgeving wordt aangepast aan nieuwe wensen en kansen. Het is daarbij van belang dat initiatieven passen binnen de visie van de gemeente. Door de beoogde ontwikkeling te toetsten aan zowel het rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid wordt zorggedragen voor dit onderdeel. Daarnaast zet de gemeente in op innovatie. In het buitengebied is voor sommige innovatieve ideeën meer ruimte dan in de stad. Bijvoorbeeld het realiseren van een woning in een groene omgeving. Het buitengebied biedt hier wel ruimte voor, terwijl dit in de stad moeilijker te realiseren is. Hiermee biedt het plangebied een geschikte locatie voor het beoogde initiatief.
Conclusie De uitgangspunten en speerpunten uit de Omgevingsvisie Kromme Rijngebied vormen geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied Het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied (LOP) is opgesteld in opdracht van zes gemeenten (De Bilt, Zeist, Bunnink, Utrechtse Heuvelrug, Houten en Wijk bij Duurstede). Het plan is als visiedocument vastgesteld door de gemeenteraad op 2 februari 2010. Het Landschapsontwikkelingsplan is een belangrijk middel voor het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het landschap. In het plan worden, uitgaande van de bestaande kwaliteiten, gewenste ontwikkelingen geschetst en vastgelegd. Hierbij wordt ingegaan op vele aspecten van het landschap, uiteenlopend van de ontstaansgeschiedenis en haar cultuurhistorische waarden en ecologische waarden tot het huidige landbouwkundige en recreatieve gebruik. Relatie tot dit bestemmingsplan Het Landschapsontwikkelingsplan onderscheidt drie hoofdgebieden, met grote unieke landschappelijke verschillen, die elk gebied een eigen herkenbare identiteit geven. Het plangebied is gelegen in het 'rivierenlandschap van de Kromme Rijn en Lek'. Het plangebied maakt deel uit van een gebied waar wordt ingezet op toekomstperspectieven met nieuwe functiecombinaties, zoals landbouw, natuur, waterberging en recreatie.
De Lekdijk biedt kansen voor de beleving van het rivierenlandschap en biedt meer mogelijkheden voor natuuren landschapsbeleving en recreatief gebruik. Aangezien in de huidige situatie beperkt bebouwing aanwezig is en deze bebouwing wordt vervangen met één woning, staat de beoogde ontwikkeling het toekomstperspectief uit het Landschapsontwikkelingsplan niet in de weg. Daarnaast is binnen het kader van het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied een landschappelijk inpassingsplan én plan voor natuurontwikkeling uitgewerkt (zie paragraaf 2.2.2). Conclusie Het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 24
3.3.4 Woonvisie 2021-2030 Wijk bij Duurstede Sinds 16 april 2022 geldt de Woonvisie 2021-2030 Wijk bij Duurstede. Met deze visie is de woonvisie uit 2016 herzien en wordt voor de periode tot 2030 een visie op het 'goede wonen' in de gemeente gegeven. De Woonvisie geeft een terugblik en de stand van zaken, beschrijft de kwantitatieve en kwalitatieve opgave, gaat in op het instrumentarium en staat stil bij de mogelijkheden om de bouw te versnellen en meer flexibiliteit te creëren. In de Woonvisie is gekozen voor drie thema's: Versnellen (1), Verdichten (2) en Verruimen (3). Binnen de kaders 'uitbreiding woningvoorraad', 'huisvesten van doelgroepen' en 'inzetten van instrumentarium' is een uitwerking gegeven. Voor de periode tot 2030 wordt in de gemeente uitgegaan van een toename van 1.200 woningen (150 per jaar). Relatie tot dit bestemmingsplan Het beoogde initiatief sluit aan op de visie zoals opgenomen in de Woonvisie. Er wordt een extra woning toegevoegd aan de woonvoorraad en er is behoefte aan woningen voor iedere levensfase. Daarnaast zal de nieuw te bouwen woning voldoen aan de eisen van de huidige tijd en aan de geldende voorschriften zoals de BENG-eisen, en wordt hiermee ook aangesloten op het thema om duurzaam te wonen en leven. Conclusie De Woonvisie 2021-2030 Wijk bij Duurstede vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 25
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1
Archeologie
4.1.1 Regelgeving en beleid Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. 4.1.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' conform het bestemmingsplan "Buitengebied 2015". Ter plaatse van deze dubbelbestemming worden de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht indien de bouwwerken maximaal 2,5 meter uit bestaande funderingen worden opgericht en indien ten behoeve van de bouwwerken bodemingrepen plaatsvinden met een diepte van maximaal 100 cm onder het bestaande maaiveld (ongeacht de oppervlakte). Dit volgt ook uit het archeologiebeleid van de gemeente. Op de archeologische beleidskaart (kaart 11, zie onderstaande figuur) is te zien dat het plangebied is gelegen in 'Archeologisch waardevol gebied 4: Verwachtingswaarde archeologie - middelhoog'. Het betreft landschappelijke zones met naar verwachting een gemiddelde dichtheid aan archeologische sporen. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing: oppervlakte plangebied tot 5.000 m2; diepte bodemingreep tot 100 cm onder maaiveld; Afhankelijk van de exactie situering van de woningen (zowel de extra woning als bij vernieuwbouw van de bestaande woning) kan wel of niet worden voldaan aan de voorwaarde om bouwwerken maximaal 2,5 meter uit de bestaande funderingen op te richten.
Indien de woningen op grotere afstand van de te slopen agrarische opstallen en/of de bestaande (bedrijfs)woning is beoogd, zal op basis van de voorschriften een archeologisch onderzoek benodigd zijn. De oppervlakte van het plangebied van de woningen zal niet groter zijn dan 5.000 m2. Afhankelijk van de uitwerking van het bouwplan zijn bodemingrepen tot 100 cm beneden het maaiveld benodigd. De archeologische waarden worden beschermd via de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. De nummering sluit aan bij de reeds geldende dubbelbestemming van het bestemmingsplan "Buitengebied 2015". Zowel voor het bouwen als voor werkzaamheden geldt een vergunningplicht waarbij getoetst wordt of de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 26
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied rood omlijnd (bron: Archeologische beleidskaart) 4.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1 Regelgeving en beleid Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009)13 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 27
4.2.2 Onderzoek Het plangebied kent in de huidige situatie de bestemming 'Agrarisch'. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend 'Wonen' en 'Agrarisch'. Door de agrarische bedrijvigheid in de omgeving kan geconcludeerd worden dat sprake is van een gemengd gebied. In gevolge van de ligging in een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. De beoogde extra woning en het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning is op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2015" niet toegestaan. Hiermee wordt een nieuwe gevoelige bestemming toegevoegd. Wel dient omliggende (agrarische) bedrijvigheid reeds rekening te houden met de bestaande bedrijfswoning in het plangebied. Dit is immers een woning die tot een andere inrichting behoort en deze woning kan derhalve reeds een beperking vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Om te beoordelen of de realisatie van de extra woning een (extra) beperking van de bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven meebrengt, zijn de omliggende bedrijfspercelen in onderstaande figuur weergegeven voorzien van bijbehorende richtafstanden. De richtafstand behorende bij de nabijgelegen agrarische bedrijvigheid betreft 50 meter. De richtafstand van het bedrijf aan de noordzijde van het plangebied strekt niet tot aan het plangebied.
Wel is er een bestaande woning aanwezig binnen de richtafstand. Hierdoor wordt het agrarisch bedrijf reeds beperkt door de bestaande woning. De realisatie van de extra woning binnen het plangebied levert geen extra beperkingen op voor dit agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf dat aan de zuidzijde van het plangebied ligt heeft eveneens een richtafstand van 50 meter. De figuur toont aan dat een deel van het plangebied ligt binnen de richtafstand van dit agrarisch bedrijf. De beoogde locatie van de extra woning is echter buiten de richtafstand gelegen. Verder is van belang dat binnen de richtafstand van 50 meter in het plangebied van dit bestemmingsplan geen woonbestemming is opgenomen. Daarnaast zijn binnen de richtafstand reeds meerdere bestaande woningen aanwezig. Het voornemen om een extra woning te realiseren binnen het plangebied levert hierdoor geen extra beperkingen op voor dit agrarisch bedrijf; de bestaande woningen vormen reeds een beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf en dit bestemmingsplan leidt niet tot het opnemen van een gevoelige bestemming (zoals 'Wonen') binnen de richtafstand.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 28
Figuur 4.2 Omliggende bedrijven met richtafstanden (bron: QGIS, eigen bewerking) Naast bedrijvigheid binnen een bouwvlak dient ook aandacht uit te gaan naar het agrarisch gebruik van de gronden zonder bouwvlak in verband met een mogelijke spuitzone. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2015" is een algemene spuitvrije zone rond gevoelige functies ingesteld. Op deze plaats wordt derhalve verwezen naar artikel 3.4.4 van dit bestemmingsplan waarin is bepaald dat tot het strijdig gebruik wordt gerekend het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de boom- en fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van bestemmingsvlakken van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies, met uitzondering van bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden. Onder voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven, met uitzondering van bedrijfswoningen behorende bij het bedrijf dat de fruit- of boomteelt uitoefent. Het woon- en leefklimaat van gevoelige functies wordt hierdoor beschermd. 4.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Regelgeving en beleid In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 29
4.3.2 Onderzoek Ten behoeve van het voorgenomen plan is in het plangebied een verkennend bodemonderzoek en zijn twee aanvullende milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd. De rapportage van het verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. De rapportage van het (tweede) aanvullend milieukundig bodemonderzoek is als Bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Tijdens het aanvullend onderzoek is gebleken dat de bodem onder het puingranulaat bijmengingen met puin bevat. Hierdoor is de bodem asbestverdacht en is dit aanvullend onderzocht. De rapportage van het aanvullend asbestbodemonderzoek is als Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten (beknopt) weergegeven. Naar aanleiding van de onderzoeken is in 2022 de asbesthoudende puinlaag verwijderd. In deze paragraaf wordt daar tevens kort op ingegaan. Verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek B&L Grondmanagement BV heeft een verkennend en aanvullend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede. Doel van het verkennend milieukundig bodemonderzoek is het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit.
Uit het bodemonderzoek blijkt het volgende: vooronderzoek Gezien de ligging van de locatie in een voormalig boomgaardgebied is de toplaag (0-30 cm-mv) locatie verdacht voor OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen). Rondom de schuren met asbestdaken is de onverharde toplaag (0-10 cm-mv) van de bodem verdacht voor asbest. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank is de bodem verdacht voor olie/aromaten. De slootdempingen zijn verdacht voor de aanwezigheid van mogelijke afvalstoffen en slib. algemene bodemkwaliteit Er zijn ten hoogste lichte overschrijdingen met metalen, PAK en olie aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. OCB De toplaag (0-30 cm-mv) is licht verontreinigd met OCB (som DDE). slootdemping Er zijn geen aanwijzingen in het veld gedaan die duiden op een slootdemping met afval. Wel is bij boring 1 een sliblaag waargenomen. Deze laag is licht verontreinigd kwik, nikkel, zink en PAK. ondergondse olietank Er zijn geen aanwijzingen in het veld gedaan die duiden dat een ondergrondse tank aan de voorzijde van het woonhuis aanwezig (is geweest). De grond en het grondwater zijn niet verontreinigd met olie en/of aromaten. Asbest rondom schuren met asbestdaken Er is zowel zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen AVM waargenomen. In de grond is geen of een gering gehalte asbest aangetoond.
Asbest erf Zintuiglijk is tijdens het verkennend deel van het onderzoek geen asbest waargenomen in de grove fractie (> 20 mm). In de fijne fractie (< 20 mm) van de grond van boring 14 is asbest aangetoond boven de interventiewaarde. Tijdens het nader asbestonderzoek ter plaatse van boring 14 is in de grove fractie van de sleuven 101, 102 en 103 AVM aangetroffen. In sleuf 104 en 105 is geen AVM aangetroffen. In Mees Ruimte & Milieu | Lekdijk West 47
Pagina | 30
de bodem direct onder de puinlaag met AVM van sleuf 101 t/m 103 is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen. RE1 is gedefinieerd op basis van duidelijk waarneembare verschillende puinlagen. RE1 is sterk verontreinigd met asbest. De oppervlakte van RE1 is 115 m2. Conclusie De bodemkwaliteit is in voldoende mate vastgesteld. Een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Voor de algemene bodemkwaliteit en de aandachtspunten OCB, slootdempingen, ondergrondse tank en de grond rondom de 3 schuren met asbestdaken geldt dat deze geen belemmering vormen. Ter plaatse van RE1/erf is de puinlaag sterk verontreinigd met asbest. Voor de asbestverontreiniging geldt het Besluit asbestwegen milieubeheer. Het bevoegd hiervoor is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Het voorhanden hebben van een asbestweg is niet toegestaan. De eigenaar van de asbestweg dient dit te melden bij ILT en is verplicht om maatregelen te nemen. De maatregelen kunnen bestaan uit het afdekken van de puinlaag met een duurzame afschermlaag (asfalt, klinkers of beton) of het verwijderen van de asbesthoudende puinlaag. Indien gekozen wordt voor het verwijderen van de asbestweg/puinlaag dient een plan van aanpak opgesteld en ingediend te worden bij ILT. Na afloop van de ontgraving dient de sanering gecontroleerd te worden. Van de sanering dient een evaluatieverslag opgesteld en ingediend te worden bij ILT.
Verwijdering asbesthoudende puinlaag Bottomline Projectbegeleiding heeft op 16 februari 2022 de begeleiding verzorgd bij het verwijderen van de asbesthoudende puinlaag op de locatie Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede. De puinlaag is ontgraven op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek. Hierbij is de visueel met asbest verontreinigde puinlaag volledig verwijderd. Na verwijdering zijn de wanden en bodem visueel gecontroleerd. Een en ander is met foto’s vastgelegd. De verwijderde puinlaag is in containerbakken geplaatst en 17 maart 2022 afgevoerd. In totaal is 61,24 ton afgevoerd. De bonnen zijn beschikbaar gesteld. Na de ontgraving is de putbodem voorzien van wegendoek en aangevuld met gecertificeerd menggranulaat. In totaal is 38 m³ menggranulaat aangevoerd. Geconcludeerd is dat op basis van de visuele controle de aanwezige asbesthoudende puinverharding volledig is verwijderd. (tweede) Aanvullend milieukundig bodemonderzoek B&L Grondmanagement BV heeft een aanvullend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Lekdijk West 47 te Wijk bij Duurstede. Doel van het aanvullend milieukundig bodemonderzoek is het beantwoorden van de vragen die zijn gesteld door de ODRU. Uit het aanvullend milieukundig bodemonderzoek blijkt het volgende: De grond is tijdens het verkennend bodemonderzoek onderzocht op OCB.