CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a

gemeenteraad 11 maart 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Dammerweg achter 73 te Nederhorst den Berg10.724 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Februari 2020

Definitief

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a, Nederhorst den Berg

Plannaam:

Dammerweg 73a

Plantype:

Ruimtelijke onderbouwing

Datum:

24 februari 2020

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ................................................................................................................... 4 HUIDIGE PLANOLOGISCHE REGIEM ................................................................................................................... 6 EISEN AAN EEN RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ................................................................................................... 7 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 8

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3

BESCHRIJVING PROJECTGEBIED .......................................................... 9

HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................................ 9 GEWENSTE SITUATIE ................................................................................................................................... 11 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 11

HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 12 3.1 3.2 3.3

RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 13 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 19

HOOFDSTUK 4 MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 21 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

GELUID .................................................................................................................................................... 21 BODEM.................................................................................................................................................... 22 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 22 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 23 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 25 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 27 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 29

HOOFDSTUK 5 WATERASPECTEN........................................................................ 31 5.1 5.2

VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 31 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 32

HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................... 33 HOOFDSTUK 7 INSPRAAK EN VOOROVERLEG.......................................................... 34 7.1 7.2

VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 34 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 34

BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING ................................................................................. 35 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2

MAATVOERING VORIG WOONSCHIP ....................................................................................................... 36 BOUWTEKENINGEN ............................................................................................................................ 37

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

In de petgaten aan de rand van de Spiegel- en Blijkpolderplas in de gemeente Wijdemeren zijn verschillende ligplaatsen voor recreatiewoonschepen aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens een recreatiewoonschip van 18 meter lang, 6 meter breed en vanaf de waterlijn 3,4 meter hoog af te meren op het perceel kadastraal bekend als sectie B, perceelnummer 1610, gelegen achter het woonperceel Dammerweg 73. Dit is op basis van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg” niet toegestaan. De betreffende aanlegplaats heeft binnen het vigerend bestemmingsplan de bestemming “recreatie – verblijfsrecreatie 4”. Binnen deze bestemming is één recreatiewoonschip toegestaan met een lengte van niet meer dan 20 meter. Voor recreatiewoonschepen waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 17 meter, mag de breedte, goothoogte, bouwhoogte en inhoud niet meer bedragen dan respectievelijk 5 meter, 4 meter gemeten vanaf de waterlijn, 4,5 meter gemeten vanaf de waterlijn en 265 m³. Voor recreatiewoonschepen waarvan de lengte meer bedraagt dan 17 meter tot een maximum van 20 meter, mag de breedte en bouwhoogte niet meer bedragen dan respectievelijk 4,5 meter en 4,5 meter gemeten vanaf de waterlijn. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan verruiming van de maatvoering van woonarken in het projectgebied.

Dit door middel van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) lid 1 onder a, sub 3 waarbij wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg”. De overweging van de gemeente om in beginsel medewerking te willen verlenen aan een groter recreatiewoonschip vindt zijn grondslag in het recent toestaan van een bredere woonark op basis van het bestemmingsplan “Overmeer-Zuid”. Hiermee heeft de gemeenteraad op 4 april ingestemd door de “herziening bestemmingsplan Overmeer-Zuid woonschepenplaatsen” vast te stellen. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat de ontwikkeling in lijn is met dit eerder genomen besluit en daarmee tevens voldoet aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Wijdemeren, aan de noordzijde van het dorp Nederhorst den Berg. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Wijdemeren, sectie B, nummer 1610. Het perceel ligt aan de rand van een zogenaamde legakker en wordt aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke zijde omringd door water van de Spiegelplas. Aan de westelijke zijde ligt het perceel aan de achterkant van de Dammerweg. In afbeelding 1.1 en 1.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de omliggende kernen en de directe omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

Afbeelding 1.1

Ligging van het projectgebied ten opzichte van omliggende kernen (bron: PDOK)

Afbeelding 1.2

Ligging van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

1.3

Huidige planologische regiem

1.3.1

Algemeen

Het projectgebied bevindt zich in het projectgebied van het bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg”. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Wijdemeren op 27 september 2012 vastgesteld. In afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven. Hierin is het projectgebied met de rode omlijning weergegeven. In het bestemmingsplan is het projectgebied voorzien van de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 4’.

Afbeelding 1.3

1.3.2

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Beschrijving bestemmingen en aanduidingen

De voor ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor ligplaatsen voor recreatiewoonschepen. Binnen deze bestemming is één ligplaats toegestaan, waarbij de lengte van het recreatiewoonschip niet meer 20 meter mag bedragen. Voor recreatiewoonschepen, waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 17 meter, mag de breedte goothoogte, bouwhoogte en inhoud niet meer bedragen dan respectievelijk 5 meter, 4 meter gemeten vanaf de waterlijn, 4,5 meter gemeten vanaf de waterlijn en 265 m³. Voor recreatiewoonschepen waarvan de lengte meer bedraagt dan 17 meter tot een maximum van 20 meter, mag de breedte en bouwhoogte niet meer bedragen dan respectievelijk 4,5 meter en 4,5 meter gemeten vanaf de waterlijn.

1.3.3

Strijdigheid

De wens voor een recreatiewoonschip van 18 meter lang en 6 meter breed past niet binnen de maatvoering van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg” zoals hierboven beschreven. Ook is er strijdigheid met het bestemmingsplan omdat de regels met betrekking tot de toegestane maximale maten niet zijn ondergebracht bij de regels met betrekking tot het bouwen, maar bij de gebruiksvoorschriften. Voor het nieuwe recreatiewoonschip is een Omgevingsvergunning bouwen vereist.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan verruiming van de maatvoering van woonarken in het projectgebied middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) lid 1 onder a, sub 3 waarbij wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg”. De overweging van de gemeente is hierbij dat zeer onlangs eveneens een verzoek is gedaan voor het toestaan van een breder woonschip. Hiermee heeft de gemeenteraad op 4 april ingestemd door de “herziening bestemmingsplan Overmeer-Zuid woonschepenplaatsen” vast te stellen, waarin ten aanzien van woonboten de volgende bouwregel is opgenomen: “de maximale lengte bedraagt 20 m, de maximale breedte bedraagt 6 m en de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte bedraagt respectievelijk 4 m en 4,5 m ten opzichte van het waterpeil;”. Belangrijke overwegingen voor het vaststellen van dit bestemmingsplan waren hierbij dat een breedte van 6 meter op zich niet meer ruimtelijke impact heeft dan de tot dan toe toegestane breedte van 4,5 meter, zodat sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt de doorvaart op geen enkele manier beperkt met de nieuwe breedtemaat.

Om medewerking aan het voornemen te kunnen verlenen, dient aangetoond te worden dat er vanuit het oogpunt van een ‘goede ruimtelijke ordening’ geen overwegende bezwaren bestaan tegen de voorgenomen ontwikkeling. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.4

Eisen aan een ruimtelijke onderbouwing

Een op artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3 Wabo gebaseerde zelfstandige instructie voor de inhoud en inrichting van een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een ruimtelijke onderbouwing de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing belicht alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening en toont aan dat voorliggend project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In een goede ruimtelijke onderbouwing zijn neergelegd: 1. een verantwoording van de gemaakte keuzen; 2. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 5; 3. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 7; 4. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; verwezen wordt naar de gehele ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat met alle relevante feiten en af te wegen belangen rekening is gehouden; 5. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken; het ontwerpbesluit zal voor een ieder ter inzage worden gelegd.

Er wordt gelegenheid geboden om zienswijzen in te dienen; 6. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan; Verwezen wordt naar hoofdstuk 6. Voor zover bij het project geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de ruimtelijke onderbouwing ten minste neergelegd: 7. een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; Verwezen wordt naar paragraaf 4.8. 8. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het besluit begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan diverse relevante aspecten; 9. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het besluit zijn betrokken; het betreffende hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op luchtkwaliteitseisen. De milieu- en omgevingsaspecten zijn beschreven in hoofdstuk 4.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het projectgebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie NoordHolland en de gemeente Wijdemeren beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten waaronder de watertoets. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

BESCHRIJVING PROJECTGEBIED

Huidige situatie

Het projectgebied betreft een ligplaats voor een recreatiewoonschip in het buitengebied van de gemeente Wijdemeren, ten noorden van de dorpskern Nederhorst den Berg. Het projectgebied bevindt zich in een petgat met een lengte van 147 meter en een breedte van 52 meter. Tot 2016 heeft ruim 30 jaar een woonschip met een nokhoogte van 4,10 meter, een casco van 14 meter lang en 5 meter breed en een gemiddelde dakbreedte van 6 meter op de ligplaats gelegen (in bijlage 1 is een plattegrond opgenomen). Momenteel is er geen schip meer aanwezig. Recentelijk zijn ook de oude vlonders, beschoeiing en een oude berging van 3 meter bij 4 meter verwijderd. Er is een omgevingsvergunning afgegeven door de gemeente Wijdemeren om de vlonder en de steiger te vernieuwen. Het voormalige woonschip is in afbeelding 2.1 te zien. Daarnaast zijn in afbeelding 2.2 en 2.3 foto’s opgenomen van de huidige situatie in het projectgebied.

Afbeelding 2.1

Foto’s van het woonschip dat tot 2016 ter plaatse van het projectgebied heeft gelegen (Bron: initiatiefnemer)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

Afbeelding 2.2

Huidige situatie (Bron: Initiatiefnemer)

Afbeelding 2.3

Luchtfoto projectgebied (Bron: Google Maps)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

2.2

Gewenste situatie

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het afmeren van een nieuw recreatiewoonschip ter plaatse van het projectgebied. Afbeelding 2.3 geeft een beeld van het betreffende schip. Daarnaast zijn in bijlage 2 de bouwtekeningen van het schip opgenomen. Het gewenste recreatiewoonschip heeft een lengte van 18 meter, een breedte van 6 meter en hoogte van 3,4 meter ten opzichte van het waterpeil. Hoewel de breedte van 6 meter meer is dan de huidige toegestane breedte van 4,5 meter (voor woonschepen van meer dan 17 meter, maar minder dan 20 meter lang) heeft de ontwikkeling daarmee niet meer ruimtelijke impact. De breedte van het petgat ter plaatse maakt daarnaast dat de doorvaart op geen enkele wijze wordt belemmerd door een woonschip met een breedtemaat van 6 meter. Ten slotte is de fysieke omgeving ter plaatse zodanig van opzet, dat de gewijzigde maatvoering ruimtelijk goed inpasbaar is.

Afbeelding 2.3

2.3

Gevelaanzichten gewenste woonschip (Bron: Spruyt)

Verkeer en parkeren

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat. Door de gewenste ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie niet toe, aangezien planologisch gezien het aanmeren van een recreatiewoonschip al mogelijk is. Er is enkel sprake van verruiming van de maatvoering. De ontsluiting van het projectgebied vindt net als in de huidige situatie plaats via het perceel Dammerweg 70. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen het voornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

HOOFDSTUK 3

BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

3.1.1.1 Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

3.1.1.2 Opgaven van nationaal belang In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):   

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Noordwest-Nederland (de provincies Noord-Holland, Flevoland en het IJsselmeergebied) zijn: 

  

Verbetering van de bereikbaarheid van de Metropoolregio Amsterdam (voornamelijk aan de noordkant van Amsterdam en op termijn de achterlandverbinding naar het oosten en het uitvoeren van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer); Het versterken van de mainport Schiphol en het bijbehorende netwerk van verbindingen door het opstellen van de Rijksstructuurvisie Mainport Amsterdam Schiphol Haarlemmermeer (SMASH). Hierin wordt onderzocht welke ruimtelijke en infrastructurele randvoorwaarden daartoe moeten worden geborgd; Het ontwikkelen van de Zuidas als economische toplocatie en infrastructuurknooppunt (weg, spoor en openbaar vervoer) samen met andere overheden; Het mogelijk maken van de drievoudige schaalsprong in het gebied Amsterdam-Almere-Markermeer (woningbouw, infrastructuur en groen/blauw) samen met betrokken overheden (RRAAM); Het ruimtelijk mogelijk maken van de ontwikkeling Zaan-IJoevers in de regio Amsterdam (binnenstedelijke gebiedsontwikkeling: ontwikkelen aantrekkelijk woonwerkmilieu) samen met andere overheden; Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma), het behouden van het kustfundament, het verbeteren van het ecologisch systeem van het Markermeer-IJmeer (Natura BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

    

2000) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van de gebiedsgerichte deelprogramma’s Kust, IJsselmeergebied en Waddengebied van het Deltaprogramma; Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma’s Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma; Het voor de lange termijn behouden van een adequate zeetoegang van de IJmond (Zeesluis IJmuiden); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) en buisleidingennetwerk; Het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in de kop van Noord Holland, Flevoland en het IJsselmeer/Markermeer; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) NNN, inclusief de Natura 2000-gebieden.

3.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.2

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid en conclusie

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. De planologische wijziging raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de SVIR. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ moet hieraan getoetst worden wanneer planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt. Gelet op de aard en omvang van het voornemen, is hier geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie NoordHolland 2050 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief 3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050

3.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 (vanaf nu: Omgevingsvisie NH2050) is het integrale provinciale beleidsplan voor de gehele provincie Noord-Holland. De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. De hoofdambitie van de visie is om het huidige relatief hoge welvaarts- en welzijnsniveau van de provincie Noord-Holland vast te houden. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Onder de hoofdambitie zijn samenhangende ambities geformuleerd. In het Visiedeel zijn de ambities uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. Het gaat om de volgende vijf bewegingen: -

-

-

-

Dynamisch schiereiland – hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling – hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem wordt de agglomeratiekracht vergroot. Sterke kernen, sterke regio’s – deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie – in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving – deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.

In deze bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Deze ontwikkelprincipes geven houvast naar de toekomst toe omdat ze op hoofdlijnen beschrijven hoe de provincie deze ontwikkelingen voor zich ziet. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen en moeten dus ook als zodanig worden gelezen. In de ontwikkelingsprincipes komen de kansen voor toeristisch-recreatieve ontwikkeling een aantal keren aan bod. Het gaat dan vooral om kansen om recreatie te combineren met waterberging en natuur. Ook worden verblijfsrecreatieve voorzieningen genoemd als mogelijkheid om bij te dragen aan de versterking van de economie en de leefbaarheid van kleine kernen. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Gedeputeerde Staten heeft de ambtelijke conceptversie van de eerste integrale Omgevingsverordening vrij gelaten. Aangezien de nieuwe Omgevingsverordening nog niet is vastgesteld, geldt momenteel nog de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

3.2.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening

3.2.2.1 Algemeen In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) staan de regels waaraan bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en (tijdelijke) omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan dienen te voldoen. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door Provinciale Staten vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief 3.2.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening In voorliggend geval zijn allereerst artikel 5c (kleinschalige ontwikkeling) en artikel 15 (ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied) van toepassing. Daarnaast zijn de artikelen 20, 21 en 22 van toepassing aangezien het projectgebied binnen de Stelling van Amsterdam en de Hollandse Waterlinie ligt. Hierna wordt nader op de vorenstaande artikel ingegaan. Artikel 5c: Kleinschalige ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Het aantal burgerwoningen mag hierbij niet toenemen. 2. In afwijking van het eerste lid is bebouwing buiten het bestaande bouwblok mogelijk, mits het bebouwd oppervlak niet wordt vergroot. 3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied indien dit op grond van een ander artikel in deze verordening is toegestaan. 4.

In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied ter plaatse van een bestemmingsvlak, dat reeds voorziet in een stedelijke functie, naar een woonfunctie voor maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de omzetting naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; b. aan maximaal 2.500 m² van het oorspronkelijke bestemmingsvlak dat voorzag in de stedelijke functie wordt de woonbestemming toegekend; c. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden, en; d. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 5. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ nader gedefinieerd als: gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening.

In het Besluit ruimtelijke ordening is het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ nader gedefinieerd als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, indien gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a.

rekening wordt gehouden met:

i.

de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en;

ii.

de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en;

b.

hierbij wordt betrokken:

i.

de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en;

ii.

de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en;

iii.

de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren.

3. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief 4. Gedeputeerde Staten kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies vragen over ontwikkelingen die een grote impact kunnen hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden of indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes als bedoeld in het tweede lid onder a.

Artikel 20 UNESCO-erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden Als erfgoed van uitzonderlijke universele waarden wordt aangewezen: a. Stelling van Amsterdam; b. Beemster; c. Nieuwe Hollandse waterlinie. De begrenzing van het UNESCO-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden is aangegeven. Het projectgebied ligt in zowel de Stelling van Amsterdam als de Nieuwe Hollandse waterlinie.

Artikel 21 Kernkwaliteiten Voor de gronden gelegen binnen de in artikel 20 genoemde erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden dienen in het bestemmingsplan regels te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van de uitzonderlijke universele waarde, zoals omschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

Artikel 22 Ontwikkelingen binnen de UNESCO-erfgoederen 1. Een bestemmingsplan mag uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals genoemd in artikel 15 en in bijlage 1 bij deze verordening. 2. In aanvulling op het gestelde in het eerste lid bevat het bestemmingsplan geen bestemmingen en regels die voorzien in: a.

een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject;

b.

een project dat, of een activiteit die de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden van het UNESCO-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden “De Beemster”, “De Stelling van Amsterdam” of de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”, aantast of doet verdwijnen.

3. Artikel 5a, artikel 5c en artikel 15 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een bestemmingsplan hierin wel voorzien indien: a.

er sprake is van een groot openbaar belang;

b.

er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op het behoud of de versterking van de uitgewerkte kernkwaliteiten te mitigeren of te compenseren;

c.

het bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 5a of artikel 5c;

d.

het bestemmingsplan in overeenstemming is met de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 15 van deze verordening en;

e.

er geen reële andere mogelijkheden zijn.

5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid plaatsheeft.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief Toetsing van het initiatief aan de artikelen 5c, 15, 20, 21 en 22 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bestemmingsvlak welke een stedelijke functie mogelijk maakt, namelijk binnen de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 4’. Tevens neemt het aantal woningen niet toe. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met artikel 5c van de PRV en is geen ontheffing van de provincie Noord-Holland vereist. Verder vindt in hoofdstuk 3.2.3 een toetsing plaats aan de ambities en ontwikkelprincipes uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, waar bij nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied en UNESCO-gebieden rekening dient te worden gehouden op basis van de artikelen 15, 20 21 en 22 van de PRV. Tevens wordt hier de activiteit getoetst aan de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden van het UNESCO-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden “De Stelling van Amsterdam” en de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”.

3.2.3

Leidraad Landschap & Cultuurhistorie

3.2.3.1 Algemeen Deze vernieuwde Leidraad (vastgesteld op 10 april 2018) beschrijft, na de introductie, de bestaande waarden en de ontwikkelkansen in de verschillende gebieden in Noord-Holland. De kaart van de provincie is daartoe onderverdeeld in twintig landschappelijke eenheden, zogenaamde ensembles, en tien provinciale structuren, zoals de Westfriese Omringdijk, de Stelling van Amsterdam en (agrarische) erven. Van elk ensemble en elke structuur geeft de Leidraad eerst een beschrijving van de context, de ontstaansgeschiedenis en de dynamiek in het gebied. De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: -

bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzicht van de ruimtelijke dragers.

Het projectgebied ligt binnen het ensemble ‘Vechtstreek’. Daarnaast ligt het projectgebied binnen de provinciale structuren ‘Stelling van Amsterdam’ en de ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Hieronder wordt nader ingegaan op betreffende ensemble en provinciale structuren.

3.2.3.2 Vechtstreek Het ensemble Vechtstreek ligt ten oosten van Amsterdam en grenst aan de oostzijde aan Het Gooi. Het Gooi en de Vechtstreek worden vaak in één adem genoemd en zijn ook landschappelijk met elkaar verbonden. In het veenrivierenlandschap in het westen van het ensemble zijn kronkelige riviertjes met uitwaaierende verkavelingen karakteristiek, in het veenpolderlandschap in het oosten, waar ook het projectgebied zich bevindt, zijn de ontginningslinten en de langgerekte verkavelingspatronen kenmerkend. Veel veenpolders zijn voor turfwinning vergraven tot veenplassen. Het gebied is een belangrijk natuur- en recreatiegebied voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De Diemerscheg vormt een van de scheggen van Amsterdam. In het noorden hebben de snelwegen A1 en A6 grote invloed op het landschap. Het westelijk deel van het ensemble wordt doorsneden door het Amsterdam-Rijnkanaal. De Stelling van Amsterdam valt in de Vechtstreek samen met de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Onderstaande ambities en bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit in het ensemble Vechtstreek: - De karakteristiek van het veenrivierenlandschap met uitwaaierende lijnen en veenpolderlandschap met plassen en evenwijdige lijnen is leidend; - In de Vechtstreek blijft de openheid van het militair-strategische landschap ervaarbaar; - Sluit aan bij de Vecht als ruimtelijke drager van het open landschap; - De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur bij (semi-)tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals zonneenergie; - Het behouden van de vrije ruimte (molenbiotopen) rond historische windmolens, in verband met de windvang en de zichtbaarheid van molens in het landschap.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief 3.2.3.3 Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van land. Dit is de reden dat de linies zijn opgenomen in de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De waterlinies zijn van groter belang dan enkel als krijgskundig monument. Ze brengen ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. Naast hun cultuurhistorische en landschappelijke betekenis vormen de linies een ‘stiltelandschap’, een gebied binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA), waar openheid en rust te ervaren zijn. Voor de Stelling van Amsterdam is een beeldkwaliteitsplan (2008) opgesteld. In het kader van de UNESCOnominatie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie wordt het beleid van de betrokken provincies geactualiseerd. Onderstaande ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit in structuur van de “Stelling van Amsterdam” en de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”: -

De ruimtelijke betekenis van de Stelling van Amsterdam – Nieuwe Hollandse Waterlinie op de schaal van de MRA wordt groter; De samenhang van het Stellingsysteem met het landschap staat voorop; De kenmerkende samenhang tussen de onderdelen van het militaire systeem blijven herkenbaar;

3.2.3.4 Toetsing van het initiatief aan de ambities en ontwikkelprincipes van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Het projectgebied bevindt zich in een veenplas in het veenpolderlandschap. In veenplassen loopt de verkaveling door in de plassen in de vorm van legakkers. Het projectgebied bevindt zich langs een dergelijke legakker. In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt gestuurd op het behoud en herstel van legakkers. Met voorliggend initiatief wordt geen afbreuk gedaan aan de legakker. Daarnaast wordt het recreatiewoonschip in lijn met de kavelrichting afgemeerd. Voor wat betreft de ligging van het projectgebied in de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie wordt opgemerkt dat het projectgebied niet onderdeel uit maakt van een duidelijk onderdeel van het militaire systeem. Het afmeren van een recreatiewoonschip doet dan ook geen afbreuk aan de structuur van de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

3.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale beleidsambities zoals verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en verankerd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Tevens is de ontwikkeling in overeenstemming met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Wijdemeren

3.3.1.1 Algemeen In 2012 heeft de gemeenteraad van Wijdemeren de Structuurvisie Wijdemeren vastgesteld. In het document is aan de hand van verschillende aspecten een huidige ruimtelijke structuur en een visie voor de gehele gemeente opgesteld. De structuurvisie gaat in op de ruimtelijke structuur voor een periode van 10 tot 40 jaar. Het speerpunt in het gemeentelijk beleid is gelegen in het versterken van de toeristisch-recreatieve positie van Wijdemeren in het Groene Hart. 3.3.1.2 Visie In voorliggend geval is het onderdeel ‘recreatie’ van belang. Recreatie De gemeente heeft als speerpunt in haar beleid het stimuleren van de dagrecreatie, het verbreden van het recreatieve aanbod, het innoveren van de verblijfsrecreatie en het recreatief aantrekkelijker maken van de gemeente. Een vertaling daarvan in deze structuurvisie is het creëren van een recreatieve poort naar Wijdemeren: een goed zichtbare en goed bereikbare plek met informatie over het gebied, de natuur, het landschap, de watersportmogelijkheden en andere toeristische informatie. In het algemeen is het beleid gericht op het vergroten van de zichtbaarheid, de beleefbaarheid en de toegankelijkheid van het water. Er zal in bestemmingsplannen aandacht komen voor het behoud van waardevolle doorzichten in de linten en het behouden of vergroten van openbare ruimte aan het water.

3.3.1.3 Toetsing aan de Structuurvisie Wijdemeren Voorliggend initiatief voorziet met een verruiming van de bouwmogelijkheden voor het af te meren recreatiewoonschip in de behoefte van de hedendaagse recreant en daarmee in een versterking van het recreatieve aanbod. Van aantasting van de zichtbaarheid, de beleefbaarheid en de toegankelijkheid van het water is geen sprake. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de ‘Structuurvisie Wijdemeren’. 3.3.2

Welstandsnota 2013

3.3.2.1 Algemeen Het hoofddoel van de Welstandsnota 2013 is het geven van helderheid voor de burger en welstandscommissie ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken. In de welstandsnota staan de relevante randvoorwaarden en uitgangspunten voor het welstandsbeleid. In de nota worden de volgende welstandscriteria onderscheiden: -

Sneltoetscriteria voor ‘veelvoorkomende bouwwerken’; Gebiedsgerichte criteria; Algemene criteria.

Voor recreatiewoningen gelden de sneltoetscriteria. Wanneer het bouwplan voldoet aan de genoemde sneltoetscriteria, dan voldoet het aan redelijke eisen van welstand. 3.3.2.1 Sneltoetscriteria Recreatiewoning/chalet Massa: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief -

de hoofdvorm is eenvoudig; het gebouw bestaat uit een onderbouw en een eenvoudige kapvorm; de goot- en nokhoogte mogen niet meer bedragen dan 3 en 4,5 meter; aan- of uitbouwen zoveel mogelijk vermijden of opnemen in de hoofdmassa.

Materiaal en kleurgebruik: -

gevels uitvoeren in duurzame materialen geen opvallend kleurgebruik

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Plaats: -

gelegen buiten een strook van 10 meter van de openbare weg en niet zichtbaar vanaf de openbare weg; geen opvallend kleurgebruik.

3.3.2.3 Toetsing aan de Welstandsnota 2013 Gelet op de beschreven sneltoetscriteria voor recreatiewoningen, voldoet het gewenste recreatiewoonschip aan de Welstandsnota 2013. Zo heeft het schip een eenvoudige hoofdvorm, worden geen opvallende kleuren gebruikt en bedraagt de nokhoogte minder dan 4,5 meter.

3.3.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

HOOFDSTUK 4

MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN

Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

4.1.2

Situatie projectgebied

Formeel gezien is een recreatiewoonschip niet geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder en zijn er geen wettelijke normen voor de toegestane geluidbelasting en het toegestane binnenniveau. In het kader van goede ruimtelijke ordening dient de geluidbelasting wel in beschouwing genomen te worden.

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Het projectgebied is niet gelegen in de omgeving van een spoorweg. Daarnaast is de afstand tot de dichtstbijzijnde weg, de Dammerweg, ruim en is er sprake van tussenliggende geluidswerende bebouwing.

4.1.2.2 Industrielawaai Het projectgebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid.

4.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt in het kader van het voorliggend initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; 3. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder als 2 uur gehanteerd; 4. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd).

4.2.3

Conclusie

In voorliggend geval is er sprake van een bouwwerk die de grond niet raakt. Gezien het bepaalde in punt 1 kan om deze reden een bodemonderzoek achterwege blijven.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.3.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:     

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:   

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2

Situatie projectgebied

4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven. De rode ster geeft het projectgebied weer.

Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie:    

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief De dichtstbijzijnde risicocontour is afkomstig van het tankstation De Haan Minerale Oliën B.V., echter ligt het projectgebied ruim 120 meter buiten deze contour. Daarnaast is er sprake van een bestaande ligplaats voor een recreatief woonschip, waardoor het aantal personen dat ter plaatse verblijft door de gewenste ontwikkeling niet toeneemt. Het groepsrisico neemt daardoor eveneens niet toe, waardoor een nadere verantwoording achterwege kan blijven.

4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke onderbouwing Dammerweg 73a Definitief In de directe omgeving van het projectgebied komen voornamelijk woonerven voor. De omgeving van het projectgebied kan worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9701497/1