CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van beantwoording geanonimiseerd Kortenhoefsedijk 198

gemeenteraad 16 december 2021, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Kortenhoefsedijk 19813.483 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Of als bijvoorbeeld uit het kadaster blijkt dat een bouwvergunning gedeeltelijk betrekking heeft op grond van een ander die daar bezwaar tegen heeft. Daarvan is in dit geval geen sprake. Als er al sprake is van een afspraak dat er een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud zou worden vastgesteld - hetgeen gelet op het hierboven uiteengezette niet zo is - dan kwalificeert die afspraak niet als een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het gaat immers niet om een zakelijk recht. Voor zover Tomlow e.a. menen dat toch sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die een belemmering vormt om over te gaan tot vaststelling van het bestemmingsplan, is de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter om daarover te oordelen. Dit volgt ook uit de door Tomlow e.a. zelf aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4146).1 Dat de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 10 april 2019 de vordering van [PARTIJEN] niet-ontvankelijk heeft verklaard maakt dat niet anders. Dat vonnis bevestigt alleen maar dat de afspraak tussen partijen het karakter van een bevoegdhedenovereenkomst heeft en dat dus reeds daarom geen sprake is of kan zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

H5: Civielrechtelijke bezwaren, vaststellingsovereenkomst. Voorgeschiedenis/weergave van feiten. Op 4 februari 2004 hebben diverse bewoners van de kooparken, gelegen in de havens van De Krakeelakker en Maarten Fokke te Kortenhoef, en de bewoners van woningen gelegen aan het doodlopende gedeelte van de Kortenhoefsedijk te Kortenhoef, plaatselijk bekend als het Dode Eind, samen met de Gemeente de ‘Vaststellingsovereenkomst Dode Eind’ (Vaststellingsovereenkomst) ondertekend. Aanleiding voor de Vaststellingsovereenkomst was een geschil dat in de jaren daarvoor was ontstaan tussen partijen over het omvormen van de jachthavens van De Krakeelakker en Maarten Fokke (gedeeltelijk) tot havens, geschikt voor het afmeren van woonarken. Het destijds geldende bestemmingsplan verzette zich daartegen. Om toch een aantal woonschepen te kunnen afmeren zijn tussen partijen afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in de Vaststellingsovereenkomst.

1 Zie bijvoorbeeld ook ABRS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1037, r.o. 11.5

Artikel 5 van de Vaststellingsovereenkomst heeft betrekking op de beperking van het aantal woonarken. In artikel 5 staat onder meer het volgende. “1. In de haven van Fokke zullen niet meer dan 18 woonarken afgemeerd worden (…). 2. In de haven van de Karkeelakker zullen niet meer dan 18 arken afgemeerd worden (…). (…) 8. In de jachthaven van de Ankerplaats zullen geen woonarken worden afgemeerd. De Ankerplaats verbindt zich om bij eventuele verkoop van (een gedeelte van) hun haven een kwalitatieve verplichting te doen opnemen in de notariële akte, opdat de rechtsopvolgers eveneens de verplichting op zich nemen om geen woonarken in de haven af te meren. (…) 10. Indien een der partijen toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de uit het zesde en zevende lid voortvloeiende verplichtingen, verbeurt de tekortschietende partij een direct opeisbare boete ad euro 25.000 ten behoeve van de gezamenlijke andere partijen, zulks onverlet het recht van de andere partijen om alsnog nakoming te vorderen.” Artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst heeft betrekking op de vastlegging van de afspraken in een postzegelbestemmingsplan. In artikel 11 staat onder meer het volgende: “1.

De in deze vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken zullen - voor zover deze afspraken een bestuursrechtelijk karakter hebben en voor zover deze planologisch geregeld kunnen worden - worden vastgelegd in een postzegelbestemmingsplan voor het gebied van het huidige bestemmingsplan OudKortenhoef, alsmede voor een gedeelte van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied II (voor de grensoverschrijdingen). 2. In dat nieuwe bestemmingsplan zal de feitelijke situatie waarover partijen overeenstemming hebben bereikt worden vastgelegd en positief worden bestemd. Daarnaast zal via dit bestemmingsplan worden voorkomen dat zich in de toekomst opnieuw ongewenste ontwikkelingen zullen voordoen. Dat wil zeggen dat aan het gebied dat voor permanente bewoning wordt gebruikt de bestemming “wonen” zal worden toegekend (met uitsluiting van andere recreatieve bestemmingen en horeca), terwijl aan het gebied in de havens van Maarten Fokke en de Ankerplaats dat daadwerkelijk wordt gebruikt als jachthaven, de bestemming “jachthaven” zal worden toegekend zonder dat nieuwe mogelijkheden worden gecreëerd om dit gebied te gebruiken voor andere doeleinden. (…).” De toenmalige eigenaar van De Ankerplaats heeft de Vaststellingsovereenkomst niet ondertekend. Vervolgens is door partijen in juli 2004 een aanvullende overeenkomst gesloten.

Artikel 7 van de aanvullende overeenkomst heeft betrekking op de positie van De Ankerplaats. In artikel 7 staat onder meer het volgende: “1. De gemeente zal alles in het werk stellen om de vennootschap onder firma De Ankerplaats V.O.F., hierna te noemen de Ankerplaats, te bewegen om alsnog in te stemmen met de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2004. Tot op heden is de Ankerplaats niet bereid geweest om de vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2004 te tekenen. 2. Indien de Ankerplaats niet bereid blijkt te zijn om de vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2004 alsnog te tekenen, zal de gemeente trachten een afzonderlijk akkoord te bereiken met de Ankerplaats, welk akkoord in ieder geval zal inhouden, dat de Ankerplaats geen bezwaren zal indienen tegen het postzegelbestemmingsplan dat op grond van de vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2004 zal worden vastgesteld, alsmede dat de Ankerplaats instemt met het feit dat in de haven van de Ankerplaats

géén woonschepen zullen worden toegelaten. (…)” De toenmalige eigenaar van de Ankerplaats heeft ook niet ingestemd met de aanvullende overeenkomst. Hij heeft derhalve nooit de verplichting op zich genomen om geen woonarken in de haven af te meren en om die verplichting door te leggen aan eventuele rechtsopvolgers. Op 31 mei 2007 heeft de gemeenteraad van Wijdemeren het bestemmingsplan “het Dode Eind” vastgesteld. In dat plan is aan de gronden en het water behorende bij De Ankerplaats de bestemming ‘jachthaven’ toegekend.

a. Tomlow heeft een uitvoerige uiteenzetting gegeven over de destijds, in februari 2004, gesloten (vaststellings)overeenkomst tussen omwonenden/belanghebbenden en de gemeente. Gesteld wordt o.a. dat een bestemmingsplan zou worden vastgesteld dat werend is ten aanzien van woonarken in de jachthaven van de Ankerplaats. Volgens Tomlow is de gemeente gehouden om de destijds gemaakte afspraak na te komen en betekent dit dat de gemeente nu geen bestemmingsplan kan vaststellen dat het afmeren van woonarken in de Ankerplaats mogelijk maakt. Beantwoording: Voor zover in de Vaststellingsovereenkomst afspraken zijn gemaakt over het vaststellen van een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud (weren van woonarken in De Ankerplaats), is sprake van een bevoegdhedenovereenkomst. De gemaakte afspraak is reeds in 2007 nagekomen met het vaststellen van het bestemmingsplan “Dode Eind”. De overeenkomst is in zoverre dan ook uitgewerkt, zodat de gemeente niet langer kan worden gehouden aan de afspraak om een bestemmingsplan vast te stellen dat werend is ten aanzien van het afmeren van woonarken. Maar ook als zou moeten worden aangenomen dat de afspraak nog wel geldt, dan staat deze er niet aan in de weg dat de Gemeente een bestemmingsplan vaststelt dat het afmeren van woonarken in De Ankerplaats mogelijk maakt.

Daartoe is van belang dat een bevoegdhedenovereenkomst naar zijn aard aan het bestuursorgaan de ruimte laat om op rechtmatige wijze af te wijken van de gemaakte afspraken. Kortom, de Vaststellingsovereenkomst staat, anders dan wordt gesteld, op geen enkele wijze in de weg aan het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan. b. Tomlow brengt naar voren dat er geen sprake is van een gemengde overeenkomst (bevoegdheden en vaststellingsovereenkomst) waar de gemeente vanuit gaat. Beantwoording: Er wordt ten onrechte gesteld dat de in februari 2004 gesloten overeenkomst puur het karakter heeft van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Voor zover in de overeenkomst afspraken zijn gemaakt over het aantal af te meren woonarken kan inderdaad worden gesproken van een vaststellingsovereenkomst, maar dat betekent uitdrukkelijk niet dat alle in de overeenkomst vastgelegde afspraken het karakter hebben van een vaststellingsovereenkomst. De in artikel 11, lid 1 neergelegde afspraak dat de Gemeente de in de Vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken - voor zover deze afspraken een bestuursrechtelijk karakter hebben en voor zover deze planologisch geregeld kunnen worden - zal vastleggen in een postzegelbestemmingsplan heeft niet het karakter van een vaststellingsovereenkomst.

Die afspraak, waarvan nu ten onrechte beweerd wordt dat die geschonden is, heeft het karakter van een bevoegdhedenovereenkomst.

Het onderscheid tussen een vaststellingsovereenkomst en een bevoegdhedenovereenkomst is van groot belang voor de aard van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeit. In de eerste plaats raakt een bevoegdhedenovereenkomst naar zijn aard uitgewerkt nadat van de bevoegdheid gebruik is gemaakt. Een bestuursorgaan kan dus niet gehouden worden om tot in lengte van jaren en bij herhaling zijn bevoegdheid op de afgesproken manier uit te (blijven) oefenen. In de tweede plaats houdt een bevoegdhedenovereenkomst, anders dan een vaststellingsovereenkomst, slechts een inspanningsverplichting in. Het bestuursorgaan moet zijn best doen om op de afgesproken manier van zijn bevoegdheid gebruik te maken, maar behoudt de ruimte om bij de besluitvorming rechtmatig af te wijken van de bevoegdhedenovereenkomst. Die ruimte is groter naarmate het bestuursrecht het bestuur meer beslissingsvrijheid geeft, zoals in het ruimtelijke ordeningsrecht het geval is. Ook de belangen van derden kunnen maken dat het bestuursorgaan rechtmatig anders kan beslissen dan is afgesproken.2 Bevoegdhedenovereenkomst is uitgewerkt In artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst heeft de Gemeente de verplichting op zich genomen om een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Zoals ook de rechtbank Midden-Nederland in het vonnis van 10 april 2019 heeft overwogen (r.o.

4.6), is in zoverre sprake van een bevoegdhedenovereenkomst. Naar zijn aard is een bevoegdhedenovereenkomst beperkt in tijd. Zodra de bevoegdheid uitgeoefend is, is de overeenkomst uitgewerkt. Van een blijvende inspanningsverplichting is dan ook geen sprake. Dit volgt ook duidelijk uit de formulering van artikel 11, lid 1 van de Vaststellingsovereenkomst. In artikel 11 is bepaald dat de in de overeenkomst gemaakte afspraken zullen worden vastgelegd in een postzegelbestemmingsplan. Dat is vervolgens ook gebeurd. Op 31 mei 2007 heeft de raad, zoals afgesproken, het bestemmingsplan “Dode Eind” vastgesteld. De gemaakte afspraak is nagekomen. Daarmee is de overeenkomst, voor zover die een bevoegdhedenovereenkomst inhoudt, uitgewerkt. Anders gezegd, de Gemeente heeft, voor zover zij de verplichting op zich heeft genomen om een bestemmingsplan vast te stellen, aan deze verplichting voldaan. Dat die verplichting geen verdere werking richting de toekomst heeft volgt uit artikel 11, lid 2. Daar is immers bepaald dat in dat nieuwe bestemmingsplan de feitelijke situatie waarover partijen overeenstemming hebben bereikt zal worden vastgelegd en positief worden bestemd. Ook staat er dat via dit bestemmingsplan wordt voorkomen dat zich in de toekomst opnieuw ongewenste ontwikkelingen zullen voordoen. De woorden ‘dat’ en ‘dit’ verwijzen naar het vastgestelde postzegelbestemmingsplan.

Wat onder ‘de toekomst’ moet worden begrepen is niet nader gedefinieerd. Gelet op de formulering van artikel 11, lid 2 kan dit evenwel niet anders worden begrepen dan dat daarmee de planperiode van 10 jaar is bedoeld. Gesproken wordt immers over ‘dit’ bestemmingsplan. Een bestemmingsplan diende toen nog immers na 10 jaar te worden herzien. Artikel 3.1, lid 2 Wro bepaalt: “De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.” Dit betekent dat de verplichting om een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen inmiddels (al lang) is uitgewerkt. In tegenstelling tot dat wat Tomlow stelt, volgt ook overigens uit de vaststellingsovereenkomst niet dat de Gemeente heeft bedoeld om verdergaande planologische verplichtingen op zich te nemen, in die zin dat de Gemeente zich ook zou hebben verplicht om in latere (toekomstige) bestemmingsplannen een verbod op het afmeren van woonarken in de haven van De Ankerplaats op te nemen. Op pagina 2 van de Vaststellingsovereenkomst staat immers dat partijen uitdrukkelijk de intentie hebben om door 2

Zie hierover uitgebreid P.J. Huisman en F.J. van Ommeren, Hoofdstukken van privaatrechtelijk overheidshandelen, Wolters Kluwer: Deventer 2019, pp. 646-654.

middel van de vaststellingsovereenkomst zoveel mogelijk een einde te maken aan de tussen partijen aanhangige geschillen betreffende de ruimtelijke ordening in het gebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Oud Kortenhoef’ en de betreffende civielrechtelijke geschillen. Voorts staat er dat het de bedoeling is om een oplossing te vinden voor de lange termijn, zodat na jaren van onrust en procedures een voor alle partijen aanvaardbare en bestendige situatie kan worden bereikt. Deze overwegingen moeten worden gezien in het licht van de destijds bestaande bestuursrechtelijke en civielrechtelijke geschillen tussen partijen. Die geschillen wilden zij beëindigen en zijn ook daadwerkelijk beëindigd met het sluiten van de Vaststellingsovereenkomst. Hoewel het voor zich spreekt dat de destijds gemaakte afspraken een bestendig karakter hebben, betekent dit allerminst dat ze eeuwigheidswaarde hebben. Dit volgt ook op geen enkele wijze uit de overeenkomst. Dit geldt al helemaal voor de afspraak die is gemaakt over het vaststellen van een bestemmingsplan. Gelet op de wettelijke planhorizon van 10 jaar (die dwingend is neergelegd in artikel 3.1 lid 2 Wro) kan de desbetreffende afspraak naar zijn aard geen langere geldigheid hebben dan 10 jaar. Dat zou immers afbreuk doen aan de bedoeling van de wetgever dat de actualiteit van bestemmingsplannen gewaarborgd moet zijn.

In dit verband is ook relevant een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4694, bijlage 1). Ook hieruit volgt dat, gelet op de geldigheidsduur van een bestemmingsplan van tien jaar er rekening mee moet worden gehouden dat de raad de planologische bestemming op enig moment na het verstrijken van de geldigheidsduur van het thans geldende bestemmingsplan zou kunnen wijzigen. Met de in artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraak heeft de gemeente zich dan ook niet verbonden aan een bepaalde handelwijze in de (verre) toekomst. Ook uit artikel 5 lid 8 van de Vaststellingsovereenkomst kan niet worden afgeleid dat de gemeente nog steeds gehouden zou zijn om af te zien van het vaststellen van een bestemmingsplan dat het afmeren van woonarken in De Ankerplaats mogelijk maakt. In artikel 5 lid 8 is bepaald dat het de bedoeling van partijen was om met de (toenmalige) eigenaar/exploitant van De Ankerplaats af te spreken dat De Ankerplaats uitsluitend als jachthaven zou worden gebruikt en dat daar geen woonarken zouden worden afgemeerd. Deze bepaling bevat geen verplichting voor de gemeente maar slechts voor de (toenmalige) eigenaar/exploitant van De Ankerplaats. Hij heeft echter nooit de Vaststellingsovereenkomst ondertekend.

Uit artikel 5 lid 8 valt op geen enkele manier af te leiden dat de gemeente de verplichting op zich heeft genomen om zich tot in de oneindige toekomst in te spannen om te voorkomen dat er geen woonarken in De Ankerplaats worden afgemeerd. Dat staat er niet en kan daar ook niet in worden gelezen. Samenvattend kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de gemeente de afspraak die in 2004 is gemaakt door het vaststellen van het bestemmingsplan het Dode Eind is nagekomen en de overeenkomst daardoor is uitgewerkt. Voorts bestaat er naast het ambtshalve actualiseren van een bestemmingsplan (art. 3.1, lid 2 Wro) ook de mogelijkheid om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen op verzoek van een initiatiefnemer. M.b.t. de Ankerplaats is een dergelijk verzoek ontvangen van JeeGee vastgoed B.V. Een zodanig verzoek kan niet eeuwig afgewezen worden op grond van een uitgewerkte overeenkomst uit 2004. c. Tomlow stelt dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Beantwoording: (zie ook de beantwoording onder punt 19). Uit jurisprudentie van de RvS blijkt dat het bevoegde bestuursorgaan niet bevoegd is om een bestuursrechtelijke ontheffing te verlenen of om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, indien er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering”. Gelet op hetgeen hiervoor uiteen is gezet is, anders dan Tomlow e.a.

stellen, in het geheel geen sprake van privaatrechtelijke belemmering die aan vaststelling van het onderhavige

bestemmingsplan in de weg staat, laat staan dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State volgt dat van een evidente privaatrechtelijke belemmering pas sprake is, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld, dat een zakelijk recht (zoals eigendom of erfdienstbaarheid) in de weg staat aan verwezenlijking van de bestemming. Daarvan is in dit geval geen sprake. Als er al sprake is van een afspraak dat er een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud zou worden vastgesteld - hetgeen gelet op het hierboven uiteengezette niet zo is - dan kwalificeert die afspraak niet als een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het gaat immers niet om een zakelijk recht. Voor zover Tomlow e.a. menen dat toch sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die een belemmering vormt om over te gaan tot vaststelling van het bestemmingsplan, is de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter om daarover te oordelen. Dit volgt ook uit de door Tomlow e.a. zelf aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4146).3 Dat de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 10 april 2019 de vordering van [PARTIJEN] niet-ontvankelijk heeft verklaard maakt dat niet anders.

Dat vonnis bevestigt alleen maar dat de afspraak tussen partijen het karakter van een bevoegdhedenovereenkomst heeft en dat dus reeds daarom geen sprake is of kan zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

3 Zie bijvoorbeeld ook ABRS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1037, r.o. 11.5

5. .

Ontwerp zienswijze bestemmingsplan perceel Kortenhoefsedijk 198 De Ankerplaats. Hierbij maken wij ernstig bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan. Wijziging van Jachthaven Ankerplaats naar Woonschepenhaven van 5 woonarken. Omliggend terrein is al te dicht bebouwd. Overlast verkeer dode end. Veiligheid i.v.m. hulpdiensten. Milieu baggerwerkzaamheden, hoe vervuild is de bagger. Waardevermindering ark. Kadastrale afmetingen in twijfel. Privacy: Wij wonen in de eerste direct naast gelegen ark, de steiger zou op maar 7 meter van onze ark komen dus U begrijpt dat wij geen privacy meer hebben als 5 gezinnen daar ze elke dag gebruik maken. En wilt U erop wijzen dat de huidige Jachthaven van half oktober tot en met eind maart nagenoeg leeg is en een oase van rust, dat zelfs de ijsvogels en aalscholvers komen vissen.

Beantwoording: 5.1 Omliggend terrein is al te dicht bebouwd. Beantwoording: Als gekeken wordt naar de stedenbouwkundige inrichting van het gebied wijzigt dit qua omvang in het geheel niet. Een jachthaven met ca. 60 ligplaatsen, parkeergelegenheid, een loods en een bedrijfswoning wordt omgezet naar woonschepenhaven met 6 woonschepen (8 wooneenheden) met bijbehorende parkeergelegenheid en 2 burgerwoningen. Voorts blijft het bestaande omliggende terrein zoals het nu is, daar wordt niets aan gewijzigd. 5.2 Overlast verkeer Dode End. Beantwoording: In het bestemmingsplan is gemotiveerd dat de verkeersgeneratie zal toenemen met circa 34 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een nagenoeg te verwaarlozen aantal dat geen problemen zal opleveren. Bovendien is in juli 2021 gestart met de herinrichting van dit deel van de Kortenhoefsedijk als een 30 km zone. De herinrichting is afgestemd op de bebouwingsdichtheid van woningen en de intensiteit van verkeersbewegingen en gericht op een soepele doorstroming met de focus op veiligheid. Het is niet in te zien dat deze beperkte toename leidt tot een onaanvaardbare toename van verkeersbewegingen. 5.3 Veiligheid i.v.m. hulpdiensten. Beantwoording: De Bouwverordening spreekt in artikel 2.5.3 van een maximale afstand van 10 meter tussen de woningtoegang en de openbare weg.

Als die afstand groter is, moet er een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor (onder andere) brandweerauto’s. Maar de brandweer gaat in de praktijk uit van een maximale afstand van 40 meter (conform de NVBR-publicatie ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’, 2003). Als de afstand tussen de woningtoegang en de opstelplaats van de brandweerauto te groot is, zijn er verschillende oplossingen denkbaar, zoals bijvoorbeeld een droge blusleiding in de steiger met aansluitpunten op de steiger (al of niet gecombineerd met inzet van een brandweerkar die aanwezig is in een afgesloten opslagkist nabij het begin van de steiger). Alternatieven als een blusboot of hogedrukslangen met een lengte van 90 meter kunnen ook overwogen worden, maar de mogelijkheid om dit te realiseren is afhankelijk van de inzetprocedures en materieelkeuzes van het lokale brandweercorps. Hierover volgt in de uitvoeringsfase een nader besluit en wordt niet geregeld in een bestemmingsplan.

5.2 Milieu baggerwerkzaamheden, hoe vervuild is de bagger. Beantwoording: Er is een mate van bodemverontreiniging aangetroffen nabij de bestaande woning Kortenhoefsedijk 198. Dit wordt voordat er t.z.t. een bouwvergunning kan worden afgegeven gesaneerd. Uit de uitgevoerde natuurtoets blijkt dat er geen beschermde dieren- en plantensoorten voorkomen in het water of op de oevers. In dat kader is geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig bij evt. het baggeren. Tevens is niet gebleken dat de bagger vervuild is. 5.3 Waardevermindering ark. Beantwoording: Indien de bestaande woonarken vanwege dit bestemmingsplan in waarde dalen kan op grond van art. 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in schade (voorheen: planschade) worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Het verzoek kan worden ingediend binnen 5 jaar nadat het planologisch besluit tot wijziging onherroepelijk is geworden. 5.4 Kadastrale afmetingen in twijfel. Beantwoording: Aangezien er geen nadere uitleg bij de zienswijze wordt gegeven kan alleen gesteld worden dat de afstanden zoals op kaart worden aangegeven de juiste zijn en de plannen als zodanig zullen worden uitgevoerd. 5.5 Privacy: Wij wonen in de eerste direct naast gelegen ark, de steiger zou op maar 7 meter van onze ark komen dus U begrijpt dat wij geen privacy meer hebben als 5 gezinnen daar ze elke dag gebruik maken.

En wilt U erop wijzen dat de huidige Jachthaven van half oktober tot en met eind maart nagenoeg leeg is en een oase van rust, dat zelfs de ijsvogels en aalscholvers komen vissen. Beantwoording: In de huidige situatie is sprake van een bestaande jachthaven met bijbehorende voorzieningen. Met name in het zomerseizoen ligt een jachthaven vol en is er sprake van het komen en gaan van plezierboten met bijbehorende verkeersbewegingen. Feit is echter dat er jaarrond boten kunnen liggen en er op basis van de vigerende bestemming geen absoluut recht is op vrij uitzicht, hetgeen nu ook niet aanwezig is. Daarbij komt dat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Reeds meermalen heeft de ABRvS immers uitgemaakt, dat er geen recht bestaat op een onveranderd woon- en leefklimaat. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Tevens is van groot belang dat het plan op basis van bezwaren uit de omgeving vanwege de belemmering van het uitzicht is aangepast. Er worden minder woonarken gerealiseerd, aanvankelijk waren het er 12 en nu nog 6. Voor wat betreft privacy geldt, dat de afstand tussen de nieuwe woonarken en de bestaande minimaal 10 meter bedraagt.

Dit is niet ongebruikelijke doch ruime afstand tussen de woonarken. Tussen de bestaande woonarken aan de noordkant van het plangebied is de afstand circa 7 meter. Aan de zuidkant van het plangebied is de afstand tussen bestaande woonarken circa 6 à 7 meter. Op grond hiervan kan in alle redelijkheid worden gesteld dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden.

3. Reacties Overleg partners In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (goede dienstenoverleg) zijn de volgende instanties in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over het ontwerpbestemmingsplan: 1. Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek. 2. Regionale Brandweer Gooi en Vechtstreek te Hilversum. 3. Provincie Noord-Holland te Haarlem. Van de Provincie Noord-Holland is geen reactie ontvangen. De Omgevingsdienst Flevoland Gooi en Vechtstreek heeft laten weten enkele opmerkingen te hebben. Deze zijn verwerkt. De Regionale Brandweer heeft aandacht gevraagd voor het opnemen van een minimale steigerbreedte van 1.20 m.

Conclusie: geen van de ingediende reacties geeft aanleiding tot wijziging van het (ontwerp)bestemmingsplan.

4. Ambtshalve wijzigingen Er zijn enkele redactionele aanpassingen gedaan en de verbeelding is aan de wegzijde aangepast in die zin dat de gronden in eigendom van de gemeente een Verkeersbestemming hebben behouden.

Bijlage 1 Jurisprudentie Uitleg uitspraak hof blz 24: een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4694 Een vaststellingsovereenkomst is in artikel 7:900 lid 1 BW als volgt gedefinieerd: “Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.” De zinsnede ‘omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt’ verdient in dit verband aandacht. Daaruit volgt immers dat partijen een overeenkomst kunnen sluiten ter vaststelling van een tussen hen bestaande rechtsverhouding. Een vaststelling kan ook betrekking hebben op een absoluut recht of inhouden dat tussen partijen geen rechtsverhouding bestaat. Waar het om gaat, is dat een tussen partijen bestaande (rechts)verhouding wordt vastgelegd. Dat is heel iets anders dan dat, zoals in artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst gebeurt, met burgers afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de Gemeente in de toekomst van een publiekrechtelijke bevoegdheid gebruik zal maken. Het door Tomlow aangedragen arrest (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:192) mist in deze casus relevantie.

Dit blijkt uit de geciteerde passage: “Ook indien, zoals de Gemeente heeft betoogd, de opslag op [terrein] bestuursrechtelijk gezien niet onder het overgangsrecht zou vallen, was de Gemeente na het aangaan van de vaststellingsovereenkomst civielrechtelijk verplicht om jegens [appellanten] uit te gaan van die status (opslag [terrein] valt onder overgangsrecht). De afspraak in de vaststellingsovereenkomst betekent immers (ook) dat de Gemeente niet langer betwist dat de opslag op [terrein] onder het overgangsrecht valt. Artikel 7:900 BW houdt immers onder meer in dat partijen zich bij een vaststellingsovereenkomst binden ter beëindiging of voorkoming van een geschil omtrent wat tussen hen rechtens geldt. Daarom mocht de Gemeente bij de Raad van State niet de stelling innemen dat de opslag op [terrein] niet onder het overgangsrecht viel, hetgeen zij echter wel heeft gedaan (Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 18 april 2012. 2.13.8; prod. 4 mva). Dat was in strijd met de vaststellingsovereenkomst. Anders gezegd: of de opslag op [terrein] onder het overgangsrecht viel is een feitelijke kwestie, waarover partijen nu juist in een vaststellingsovereenkomst hadden afgesproken dát die opslag onder het overgangsrecht viel.” (onderstr.

en vet adv.) Hieruit volgt duidelijk dat door partijen gemaakte afspraken over een feitelijke kwestie (of het al dan niet bestaan van een rechtsverhouding) er in bepaalde gevallen (belangrijk om te vermelden is dat er in het arrest sprake was van een tweepartijen-geschil) toe kunnen leiden dat een bestuursorgaan geen gebruik (meer) kan maken van een hem toekomende bestuursrechtelijke bevoegdheid. Dat is dan dus het gevolg van het feit dat in de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat bepaalde feiten of rechtsverhoudingen niet (meer) kwalificeren als voor de uitoefening van die bevoegdheid relevante feiten. Dergelijke afspraken zijn heel iets anders dan afspraken over de wijze waarop een bestuursorgaan van de hem toekomende bevoegdheid gebruik zal maken. In artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst is sprake van dit laatste. Dit betekent dat wat [PARTIJEN ] over vaststellingsovereenkomsten schrijven bij de duiding van de in artikel 11 neergelegde afspraak niet relevant is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10823532/1