Nota van beantwoording geanonimiseerd Kortenhoefsedijk 198
Tekst van het document
GEANONIMISEERDE VERSIE KORTENHOEFSEDIJK 198
Nota van beantwoording zienswijzen: Bladzijde 2: inleiding Bladzijde 3: zienswijzen Bladzijde 30 : overleg reacties Bladzijde 31 : Ambtshalve wijzigingen
Z. C_m_5846_21050
Inleiding:
De commissie Ruimte en Economie heeft het ontwerpbestemmingsplan in september 2020 besproken en vrijgegeven voor het voeren van de wettelijke procedure en het vooroverleg. Het ontwerp bestemmingsplan is op 14 oktober 2020 gepubliceerd en heeft met ingang van 15 oktober 2020 gedurende zes weken ter visie gelegen. Er zijn 5 zienswijzen ingediend en twee vooroverlegreacties, van de brandweer en de Ofgv. De reacties zijn verwerkt. Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening dient de raad binnen twaalf weken na het einde van de ter visie termijn te beslissen omtrent de vaststelling. De raad dient derhalve voor die termijn afloopt een besluit te nemen. De termijn is niet fataal, in zoverre dat de raad ook nadien nog een besluit mag nemen. Sanctie is wel dat eventuele aanhoudingen komen te vervallen en mogelijk van rechtswege vergunning is verleend. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De raad heeft inmiddels haar eigen reglement van orde gewijzigd en het “horen” van indieners van zienswijzen heringevoerd. Deze hoorzitting heeft plaatsgevonden op…..
De zienswijzen 1. Kortenhoef Bij deze wil ik mijn zienswijze indienen betreffende het bestemmingsplan Kortenhoefsedijk 198 te Kortenhoef. 1.1 Allereerst ben ik medeondertekenaar van de vaststellingsovereenkomst welke we als buurtbewoners, samen met de gemeente, hebben afgesproken en ondertekend. In deze overeenkomst is o.a. een maximaal aantal woonarken afgesproken in dit gebied. Weliswaar staat er in die overeenkomst geen datum waarop deze overeenkomst afloopt, maar om zonder enig overleg vanuit de gemeente deze overeenkomst te beëindigen, getuigt niet van behoorlijk bestuur. Tevens heeft de eigenaar van de Ankerplaats deze overeenkomst niet ondertekend maar was hij terdege op de hoogte van de afspraken. En stel dat wij, als bewoners, deze overeenkomst eenzijdig hadden beëindigd, was de gemeente dan zomaar akkoord gegaan? Naar mijn mening is dus de overeenkomst nog steeds geldig en mogen er geen arken worden bijgebouwd. Beantwoording: In artikel 11 van de Vaststellingsovereenkomst heeft de Gemeente de verplichting op zich genomen om een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Zoals ook de rechtbank Midden-Nederland in het vonnis van 10 april 2019 heeft overwogen (r.o. 4.6), is in zoverre sprake van een bevoegdhedenovereenkomst. Naar zijn aard is een bevoegdhedenovereenkomst beperkt in tijd. Zodra de bevoegdheid uitgeoefend is, is de overeenkomst uitgewerkt.
Van een blijvende inspanningsverplichting is dan ook geen sprake. Dit volgt ook duidelijk uit de formulering van artikel 11 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst. In artikel 11 is bepaald dat de in de overeenkomst gemaakte afspraken zullen worden vastgelegd in een postzegelbestemmingsplan. Dat is vervolgens ook gebeurd. Op 31 mei 2007 heeft de raad, zoals afgesproken, het bestemmingsplan “Dode Eind” vastgesteld. De gemaakte afspraak is nagekomen. Daarmee is de overeenkomst, voor zover die een bevoegdhedenovereenkomst inhoudt, uitgewerkt. Anders gezegd, de Gemeente heeft, voor zover zij de verplichting op zich heeft genomen om een bestemmingsplan vast te stellen, aan haar verplichtingen voldaan. Voorts heeft een bestemmingsplan een werkingsduur van 10 jaar. Artikel 3.1, lid 2 Wro bepaalt: “De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.” Dit betekent dat de verplichting om een bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen inmiddels (al lang) is uitgewerkt. Voor een uitgebreider beantwoording wordt verwezen naar zienswijze 4 Tomlow e.a.
1.2 Verder beweert de gemeente dat ze graag streven naar participatie van de bewoners maar als er zonder enig overleg dit soort bestemmingsplannen worden doorgedrukt dan is het te verwachten dat het draagvlak onder de bewoners nihil zal zijn. En dat is nu dus ook de situatie hier. Er zijn bijna geen bewoners die positief kijken naar dit nieuwe plan. Beantwoording: De initiatiefnemer heeft de omwonenden vanaf maart 2018 betrokken bij de planvorming. Dit heeft hij gedaan via persoonlijke en plenaire gesprekken en een integrale informatiebijeenkomst d.d. 18 december 2018. De plannen zijn naar aanleiding van dit
participatieproces diverse malen aangepast. Zo is begonnen met 10 woonschepen en 2 woningen en is er nu sprake van 6 woonschepen, waarvan er 1 is opgedeeld in 3 kleine zelfstandige woonunits, en 2 woningen. Vanuit de initiatiefnemer is conform de afspraak met de gemeente een participatieproces doorlopen en is er daarwaar mogelijk rekening gehouden met opmerkingen van de omwonenden. Dat het doorlopen participatieproces niet heeft geleid tot volledig draagvlak bij de omwonenden betekent niet, dat het participatieproces onzorgvuldig is geweest. Dat het participatieproces niet heeft geleid tot honderd procent draagvlak is geen dragend argument om een bestemmingsplan niet vast te stellen. ( zie daarvoor ook de uitspraak van de ABRS op 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2647 waarin de Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat onder de omwonenden geen draagvlak zou bestaan voor het bestreden wijzigingsplan, wat daar ook van zij, geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen reden om aan te nemen dat de communicatie onjuist is weergegeven).
1.3 Tevens zijn er nog een paar praktische bezwaren tegen dit plan waar tot nu toe geen rekening mee is gehouden. De bevolkingsdichtheid in dit gebied is al behoorlijk groot: 36 arken, 8 huizen en 1 bedrijfswoning. Dat is heel veel voor zo'n klein gebied. Daar komt nog bij de huidige verkeersdrukte op een weg (Dode Eind) die daar nu al niet geschikt voor is. Opstoppingen vinden nu al met enige regelmaat plaats. Als er dus nog meer huizen bij komen, gaat dat probleem alleen maar erger worden. Wij maken ons nu al zorgen hoe de hulpdiensten hier moeten komen bij calamiteiten. Beantwoording: In het bestemmingsplan wordt gemotiveerd, dat het plangebied ligt in de metropoolregio Amsterdam, waar een grote druk bestaat op de woningmark. In de MRA Agenda 2016 is een woningbouwdoelstelling opgenomen van 250.000 woningen voor de periode van 2016 tot 2040. Deze woningen moeten vooral binnenstedelijk worden gerealiseerd, door verdichting en door transformatie en herstructurering van overbodige kantoren en bedrijventerreinen. Dit biedt ruimte voor aanvullende woningbouw bovenop de bestaande plannen in de regio, zeker vanwege het specifieke karakter van het plan, met woonarken, waarmee invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve behoefte aan 'waterwonen'.
Geconcludeerd kan worden dat de bescheiden toevoeging van één vrije sectorwoning, vijf vrije sector woonschepen en drie sociale woonarken ondergebracht in één ark, mede vanwege het specifieke woonmilieu past binnen de regionale afspraken. Door drie wooneenheden als sociale woning in de markt te zetten wordt tevens voldaan aan het gemeentelijke beleid om bij woningbouwontwikkeling éénderde deel in de sociale klasse te ontwikkelen. 1.4 Dan nog een punt van aandacht. Op dit moment is het al moeilijk om woonarken te verkopen. Ik geniet nu nog van een vrij uitzicht over boten. Dat is ook 1 van de redenen geweest om indertijd deze ark te kopen. Dit uitzicht gaat verloren met nieuwe woonarken op 4 meter afstand van mijn ark. Dit zal dus ook nog eens een behoorlijke waardevermindering betekenen i.g.v. een eventuele verkoop, naast het inleveren van woongenot. Beantwoording: Indien de bestaande woonarken vanwege dit bestemmingsplan in waarde dalen kan op grond van art. 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in schade (voorheen: planschade) worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Het verzoek kan worden ingediend binnen 5 jaar nadat het planologisch besluit tot wijziging onherroepelijk is geworden. Het kan echter ook zo zijn dat door de upgrading van de omgeving de woonschepen meer waard worden dan nu het geval is.
Uitzicht en privacy: In de huidige situatie is sprake van een bestaande jachthaven met bijbehorende voorzieningen. Met name in het zomerseizoen ligt een jachthaven vol en is er sprake van het komen en gaan van plezierboten. Feit is echter dat er jaarrond boten kunnen liggen en er op basis van de vigerende bestemming geen absoluut recht is op vrij uitzicht, hetgeen nu ook niet aanwezig is. Voorts bestaat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State ook geen recht op blijvend vrij uitzicht. Voorts is het plan, gehoord de opmerkingen uit de omgeving gedurende het participatieproces fors aangepast. Er worden minder woonarken gerealiseerd, aanvankelijk waren het er 10 en nu nog 6 (waarvan 1 bestaat uit 3 zelfstandige kleinere woonunits), met bredere doorzichten van circa 10 meter tussen de woonarken. Dit is een ruimere afstand dan de afstand tussen de bestaande woonarken aan de noordkant van het plangebied die circa 7 meter is. En ook ruimer dan de bestaande afstand tussen de woonschepen aan de zuidkant van het plangebied die tussen 6 à 7 meter bedraagt. Op grond hiervan kan in alle redelijkheid worden gesteld dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden.
1.5 Als laatste wil ik nog opmerken dat, als onze vaststellingsovereenkomst niet meer geldig is, dat er dan nog meer arken te verwachten zijn bijvoorbeeld in de haven Maarten Fokke. En dan worden al mijn aangedragen punten nog nijpender. Waar houdt het dan op? Zoals u ziet zijn er nogal wat punten waar de gemeente niet aan gedacht heeft dan wel waar de gemeente te makkelijk overheen stapt. Al deze punten, maar zeker het punt van de gezamenlijke overeenkomst, zijn belangrijk om het huidige bestemmingsplan niet te gaan wijzigen. Ik verzoek u daarom nogmaals goed te gaan kijken naar het nieuwe bestemmingsplan en deze af te keuren. Beantwoording: Andere evt. verzoeken zullen ook weer bekeken en beoordeeld worden op o.a. planologische argumenten e.d. waarbij ook weer alle belangen in acht worden genomen. In casu is er echter sprake van bedrijfsbeëindiging, opheffen van de jachthaven, waardoor er niet snel sprake zal zijn van een precedentwerking. 2. De Vechtplassencommissie Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het met ingang van 15 oktober 2020 ter inzage liggende ontwerp bestemmingsplan Kortenhoefsedijk 198 te Kortenhoef. Enkele aspecten zijn voor ons aanleiding de volgende zienswijze in te dienen.
2.1 Valt de ontwikkeling binnen "bestaand stedelijk gebied”? De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de Provincie Noord-Holland staat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel alleen toe in "bestaand stedelijk gebied". Wij delen niet de conclusie dat de ontwikkeling in het ontwerp bestemmingsplan past in de in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen definitie 'samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. De toetsing aan dit criterium is vooral een beoordeling van de specifieke karakteristieken van het gebied. Wij delen niet de conclusie dat er ter plaatse sprake is van een "stedelijk samenstel van bebouwing". Beantwoording: Artikel 2, sub nn van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV) verstaat onder ‘stedelijke ontwikkeling’: een ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro. Laatstgenoemd artikel verstaat onder ‘stedelijke ontwikkeling’: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Uit ABRS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 6.3 volgt dat een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als ‘stedelijke ontwikkeling’ te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen kan deze ontwikkeling bijvoorbeeld niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In par. 3.1.3 van de toelichting wordt dan ook terecht opgemerkt dat het plan, vanwege de kleinschaligheid - 6 nieuwe woonschepen met acht wooneenheden en de bouw van twee woningen - niet kwalificeert als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat de ‘Bro-ladder’ hierop niet van toepassing is. Gelet hierop is er ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de PRV en is de verbodsbepaling van art. 5a PRV hierop evenmin van toepassing. Ten overvloede zij opgemerkt dat het plangebied wel degelijk kwalificeert als ‘bestaand stedelijk gebied’. Artikel 2 sub j PRV verstaat onder ‘bestaand stedelijk gebied’: een ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Bro.
Laatstgenoemd artikel verstaat onder ‘bestaand stedelijk gebied’: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De beantwoording van de vraag of het plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, kan worden aangemerkt, hangt volgens de Nota van Toelichting op het Bro af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het onderhavige plangebied is in het geldende bestemmingsplan “Het Dode Eind” bestemd als “Jachthaven” en “Verkeersdoeleinden”.
De ter plaatse bestaande jachthaven met aanlegsteigers, bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en parkeerplaatsen kan worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro. Dit mede gelet op de ligging aangrenzend aan woningen in het lint en woonschepenhavens alsmede de omstandigheid dat het plangebied wordt omsloten door druk bevaren water en wordt ontsloten door de Kortenhoefsedijk en N201. 2.2 Precedentwerking / woningbouwprogramma Het hiervoor genoemde aspect speelt eens te meer waar het niet uitgesloten en zelfs zeer waarschijnlijk is dat andere jachthaveneigenaren in het gebied en ook elders in de gemeente hun ligplaatsen voor recreatievaartuigen zullen willen inruilen voor ligplaatsen voor woonschepen. Zonder beleid zal een beroep op het gelijkheidsbeginsel moeilijk verworpen kunnen worden hetgeen wij zeer onwenselijk vinden. Wij wijzen ook op de toetsing aan het regionale en gemeentelijke woningbouwprogramma. De Toelichting vermeldt dat dat programma ook zonder deze woonschepen kan worden gerealiseerd maar dat de vraag naar deze specifieke woonvorm het aanbod overstijgt, aanleiding is om de woonschepen toch toe te staan. De Toelichting vermeldt vervolgens dat deze specifieke vraag 'door het conserverende beleid voor woonschepen' niet snel ergens anders kan worden ingevuld.
Hiervoor hebben wij reeds genoemd dat wij die kans heel anders inschatten. De twee uitspraken in de Toelichting achten wij tegenstrijdig. Beantwoording: Andere evt. verzoeken zullen ook weer bekeken en beoordeeld worden op o.a. planologische argumenten e.d. waarbij ook weer alle belangen in acht worden genomen.
In casu is er echter sprake van bedrijfsbeëindiging, opheffen van de jachthaven, waardoor er niet snel sprake zal zijn van een precedentwerking. 2.3 Onttrekking ligplaatsencapaciteit / toetsing aan het Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen Het plan betekent de onttrekking van 66 (of 65) ligplaatsen aan de gemeentelijke ligplaatsenvoorraad voor de watersportsector. Wij zijn van mening dat deze onttrekking haaks staat op een van de doelstellingen van het Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen, namelijk die om de recreatiesector in het gebied te revitaliseren. Wij hebben uit de Toelichting niet kunnen opmaken dat de gemeente het ontwerp bestemmingsplan aan het gebiedsakkoord heeft getoetst. Waar gaan de nu in de jachthaven liggende schepen naartoe? Leidt de behoefte aan deze ligplaatsen tot aanvragen voor nieuwe jachthavenvoorzieningen die ten koste zullen gaan van waardevolle (natuur)gebieden in Wijdemeren ("waterbedverschijnsel")? Wij zijn van mening dat toetsing aan het Gebiedsakkoord alsnog behoort te gebeuren en dat gewaarborgd moet worden dat eventuele compensatieverzoeken en/of aanvragen voor nieuwe ligplaatsen niet ten koste gaan van natuurwaarden.
In dit verband wijzen wij op het bestuurlijk overleg op 4 november 2020 tussen gedeputeerde Cees Loggen, wethouder JanJaap de Kloet en Arjan van Rijn, bestuurder AGV, over de relatie tussen het Gebiedsakkoord en de nieuwe Provinciale Ruimtelijke verordening, met name het regime van Bijzonder Provinciaal Landschap. Het uitgangspunt voor een afgesproken verkenning naar de relatie tussen de ambities in het Gebiedsakkoord en de nieuwe verordening is dat de afspraken in het Gebiedsakkoord van kracht blijven, aldus de provincie. Wij zijn altijd bereid om onze zienswijze nader toe te lichten. We zien uw reactie met belangstelling tegemoet. Beantwoording: In art 3 van het Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen staan de doelstellingen vermeld die worden nagestreefd. Hieruit blijkt geenzins dat vermindering van ligplaatsen door het beeïndigen van een jachthaven verboden is. Er wordt onder meer gesproken over: Het ontwikkelen en versterken van de Oostelijke Vechtplassen als ‘vrijetijdslandschap’ zodat bewoners en bezoekers de unieke kwaliteiten (historisch landschap, natuur, cultuur, water) van het gebied volop kunnen beleven.
Het tot stand brengen van belevingsvolle recreatieboulevards met een attractief en onderscheidend wegprofiel voor de Oud en Nieuw- Loosdrechtsedijk, Boomhoek, Moleneind en Scheendijk, met ruimte voor de wandelaar en fietser, ruimte voor parkeren en zicht op het water. Het her-ontwikkelen van de recreatie-eilanden (daar waar gewenst of mogelijk) tot goed onderhouden en ingerichte leisure-eilanden met een divers recreatief aanbod waar recreatie en natuur samenkomen in een onderling versterkend concept dat past bij het gebied waarbij een icoon voor de Oostelijke Vechtplassen tot stand komt. Het creëren van een meer divers dagrecreatief aanbod, met nieuwe attractiepunten en routes voor het beleven van natuur, landschap en cultuurhistorie, ook voor minder validen. De gedachte is te denken in “mogelijkheden” in plaats van verbodsbepalingen. Op een andere, florerende, locatie komen er mogelijk meer ligplaatsen. Alles ligt open met de bereidheid om te kijken wat goed is voor het gebied. Een noodlijdende- en slecht onderhouden jachthaven maakt hiervan niet direct onderdeel uit.
3. De Krakeelakker B.V., Kortenhoefsedijk 197, 1241 NB Kortenhoef
In Weekblad Wijdemeren 15 oktober 2020 is het ontwerpbestemmingsplan Kortenhoefsedijk 198 bekend gemaakt. Hierbij maken wij onze zienswijze kenbaar over dit ontwerpbestemmingsplan. 3.1 Steiger en woonarken die in het plan benoemd worden, worden niet op voldoende afstand geplaatst van de woonarken op de Krakeelakker. Zo kunnen de woonarken die liggen op de Krakeelakker bij eventuele calamiteiten niet verplaatst worden. 3.2 Zeker een belangrijk punt is ook dat het woongenot sterk verminderd wordt, o.a licht/zoninval en permanente bewoning tegenover de huidige situatie, waarin het seizoensgebonden is. Met als negatief gevolg, een waardedaling van de woonarken op de Krakeelakker met name aan de zuidkant. 3.3 De situatie gaat met dit ontwerpbestemmingsplan aanzienlijk wijzigen, namelijk van jachthaven naar een woonarkenhaven. De afspraak, vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, staat duidelijk dat de jachthaven gevestigd op Kortenhoefsedijk 198 jachthaven zal blijven. Deze vaststellingsovereenkomst uit 2004 is door de gemeente Wijdemeren en de Krakkeelakker BV, de VvEK van de Krakeelakker, VOF de Ankerplaats, de bedrijven van en M. Fokke in persoon, VvEK -Klein Kortenhoef, Bewoners van Kooparken Krakeelakker, Bewoners van Kooparken M. Fokke, de Omwonenden Dode Eind en Natuurmonumenten ondertekend.
Overwegende dat afspraken die werden gemaakt in het kader van deze vaststellingsovereenkomst vastgelegd werden in een nieuw bestemmingsplan, voor het bestemmingsplangebied Oud Kortenhoef. Nogmaals hier staat duidelijk in dat Kortenhoefsedijk 198 een jachthaven zou blijven. Vandaar dat wij hebben gekozen voor de inrichting op de Krakeelakker waarin de woonarken, als dat nodig is kunnen worden verplaatst. 3,4 Bij de bijgevoegde tekening van het bestemmingsplan lijkt dat u uitgaat van de eigendomsgrenzen Kortenhoefsedijk 198, volgens ons overschrijdt het plan deze grens aan de noordzijde en westzijde van het perceel. Op basis van de bovengenoemde argumenten hebben wij bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan Kortenhoefsedijk 198. Naar aanleiding van het voorgaande verzoeken wij u met inachtneming van onze zienswijze het ontwerp bestemmingsplan niet vast te stellen. Wij gaan ervan uit, dat u ons van de verdere procedure op de hoogte houdt. Reactie gemeente: Ad 3.1: zie de beantwoording zienswijze onder 4, sub d en f. Ad 3.2: zie beantwoording zienswijze onder 4, sub b en g. Ad 3.3: zie beantwoording zienswijze 1.1 Ad 3.4: De planontwikkeling blijft aan de noordzijde geheel binnen de kadastrale grenzen behorende bij het perceel Kortenhoefsedijk 198.
Aan de westzijde wordt een klein gedeelte van de gronden van Natuurmonumenten meegenomen in de ontwikkeling vooruitlopend tegen de grondruil die gaat plaatsvinden. Niet is gebrleken dat Natuurmonumenten hiertegen privaatrechtelijke bezwaren heeft zodat dit niet aan de ontwikkelaar kan worden tegengeworpen.
4. TOMLOW Advocaten namens omwonenden (zie lijst bij de zienswijze), Emmalaan 41, 3581 HP Utrecht
Gezien het feit dat de zienswijze 34 pagina’s bevat en er sprake is van 42 bijlagen wordt hier een samenvatting van de belangrijkste elementen van de zienswijze gegeven. De volledige zienswijze inclusief bijlage is digitaal beschikbaar gesteld. De zienswijze is ingedeeld in 6 hoofdstukken, met de volgende punten: H1: Voorgeschiedenis - Uitgebreide schets van de voorgeschiedenis o Verwijzing naar 2 uitspraken van de ABRvS uit juli 2003 (bouwvergunning Kortenhoeftedijk 197 en weigering handhavend op te treden): bouwvergunning onterecht verleend, gemeente moet handhavend optreden. Vergunningen waren in strijd met bestemmingsplan Oud-Kortenhoef. o N.a.v. uitspaak compromis gesloten tussen college en bewoners: vaststellingsovereenkomt, februari 2004: geen verdere toename aantal woonschepen (maximaal 18) en geen woonarken in De Ankerplaats. Eigenaren De Ankerplaats hebben niet getekend. o Aanvullende overeenkomst (juli 2004): gemeente probeert akkoord te bereiken met De Ankerplaats. Gemeente is gebonden aan de overeenkomsten. o Bestemmingsplan Het Dode Eind 2007 vastgesteld: gemeentelijk standpunt; geen nieuwe woonarken meer. De Ankerplaats is bestemd als Jachthaven. Beantwoording: Dit hoofdstuk bevat alleen een beschouwing van de voorgeschiedenis en geen specifieke zienswijzen.
H2: Communicatie met het college van B&W - Uitgebreid overzicht van de communicatie van 2017 – 2020 - Gesteld wordt dat de gemeente de Provinciale Omgevingsverordening (POV) heeft willen omzeilen. - Voorts bevat dit hoofdstuk alleen een beschouwing van de communicatie en geen specifieke zienswijzen. Beantwoording opmerking over de POV: De Provinciale Omgevingsverordening NH2020 is op 17 november 2020 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de nieuwe verordening is de voordien geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) ingetrokken (art. 13.10). De provincie heeft echter de gemeentelijke autonomie over reeds lopende projecten, zoals het onderhavige die reeds in 2018 is ingestoken, nadrukkelijk willen eerbiedigen en daartoe in de nieuwe verordening zogenoemd ‘overgangsrecht’ opgenomen. Dit overgangsrecht houdt kort gezegd in dat indien het ontwerpbestemmingsplan nog vóór de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening NH2020 ter inzage wordt gelegd, de PRV van toepassing blijft en de gemeenteraad daarmee zijn bevoegdheid om het bestemmingsplan overeenkomstig de PRV vast te stellen, behoudt. Het ontwerp bestemmingsplan Kortenhoefsedijk 198 is vóór de inwerkingtreding van de POV ter inzage gelegd en dan blijft de PRV van toepassing.
H3: Communicatie met de projectontwikkelaar - Uitgebreid overzicht van de communicatie van 2017 – 2020 (gewijzigde plannen en participatieproces). Zienswijze: Gesteld wordt dat de initiatiefnemer het doet voorkomen of de meningen in de buurt verdeeld zijn. Dit is onjuist en niet onderbouwd. Het overgrote deel is tegen de plannen. Initiatiefnemer sluit de ogen en oren voor de vele bezwaren uit de buurt. Indiener is ook van mening dat de communicatie in de communicatienota onjuist is weergegeven.
Beantwoording De initiatiefnemer heeft de omwonenden vanaf maart 2018 betrokken bij de planvorming. Dit heeft hij gedaan via persoonlijke en plenaire gesprekken en een integrale informatiebijeenkomst d.d. 6 december 2018. De plannen zijn naar aanleiding van dit participatieproces diverse malen aangepast. Vanuit de initiatiefnemer is conform de afspraak met de gemeente een participatieproces doorlopen en is er waar mogelijk rekening gehouden met opmerkingen van de omwonenden. Dat het doorlopen participatieproces niet heeft geleid tot volledig draagvlak bij de omwonenden betekent niet, dat het participatieproces onzorgvuldig is geweest. Dat het participatieproces niet heeft geleid tot honderd procent draagvlak is geen dragend argument om een bestemmingsplan niet vast te stellen, zie daarvoor ook de uitspraak van de ABRS op 4 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2647) waarin de Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat onder de omwonenden geen draagvlak zou bestaan voor het bestreden wijzigingsplan, wat daar ook van zij, geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen reden om aan te nemen dat de communicatie onjuist is weergegeven.
H4: Planologische bezwaren 1. Gesteld wordt dat medewerking van het college aan de wijziging van het bestemmingsplan is ingegeven vanuit de wens de ontwikkelaar maximaal te faciliteren teneinde een zo groot mogelijk rendement te behalen. Dit wordt afgeleid uit het gegeven dat het bestemmingsplan slechts 3 sociale woonruimten oplevert tegen 5 vrije sector woonarken en 2 grotere vrije sector woningen. Beantwoording De medewerking is niet ingegeven om de initiatiefnemer te faciliteren in zijn streven naar zoveel mogelijk rendement. Gemeente Wijdemeren heeft behoefte aan nieuwe woningen. Inmiddels kan voor eenieder duidelijk zijn dat er in Nederland behoefte is aan een groot aantal (300.000 – 500.000) extra woningen. In de Woonvisie is o.a. opgenomen dat bij elk bouwproject minimaal 1/3 in de betaalbare sector gerealiseerd moet worden. Voorliggend plan voorziet in negen nieuwe woonruimten en de vervanging van één bestaande woning. Van de negen nieuwe woonruimten bestaat éénderde deel uit betaalbare woningen, i.c. sociale woonarken. Met het realiseren van de drie sociale woonruimten wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. Verder geldt dat de gemeente medewerking verleend aan het bestemmingsplan indien gemotiveerd is dat dit plan planologisch uitvoerbaar is.
Dat wil zeggen dat het plan voldoet aan wet- en regelgeving; er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat het plan economisch uitvoerbaar is. Hier wordt eveneens aan voldaan. Daarmee is het plan voor de gemeente aanvaardbaar. De mate waarin het plan een positief rendement oplevert voor de initiatiefnemer is geen (ruimtelijk) afwegingscriterium bij de besluitvorming over het plan. 2. Behoefte aan de woonarken Voorts wordt gesteld dat de behoefte aan vrije sector woonarken niet is aangetoond. Met het plan wordt geen belangrijke bijdrage geleverd aan de woningbehoefte in Wijdemeren. Tevens wordt gesteld, dat door het plan de waarde van de bestaande arken zal worden aangetast en dat de verwachting gerechtvaardigd is, dat de nieuwe woonarken, gelet op het gebrek aan privacy, uitzicht en ruimte, slecht (of niet) te verkopen zullen zijn. Duidelijk is dat dat een risico van de ontwikkelaar is. Beantwoording In het bestemmingsplan wordt gemotiveerd, dat het plangebied ligt in de metropoolregio Amsterdam, waar een grote druk bestaat op de woningmark. In de MRA Agenda 2016 is een woningbouwdoelstelling opgenomen van 250.000 woningen voor de periode van
2016 tot 2040. Deze woningen moeten vooral binnenstedelijk worden gerealiseerd, door verdichting en door transformatie en herstructurering van overbodige kantoren en bedrijventerreinen. Dit biedt ruimte voor aanvullende woningbouw bovenop de bestaande plannen in de regio, zeker vanwege het specifieke karakter van het plan, met woonarken, waarmee invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve behoefte aan 'waterwonen'. Geconcludeerd kan worden dat de bescheiden toevoeging van één vrije sectorwoning, vijf vrije sector woonschepen en drie sociale woonarken (ondergebracht in één woonark) mede vanwege het specifieke woonmilieu past binnen de regionale afspraken. Door drie wooneenheden als sociale woning in de markt te zetten wordt tevens voldaan aan het gemeentelijke beleid om bij woningbouwontwikkeling éénderde deel in de sociale klasse te ontwikkelen. 3. Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek Gesteld wordt dat de gemeente in de huisvestingsverordening erkent, dat alleen goedkope woningen schaars zijn in de gemeente. Het bestemmingsplan kan niet worden aangemerkt als een zodanige bijdrage aan het terugdringen van de schaarste dat dit het aandeel woonruimten in de vrije sector rechtvaardigt. Beantwoording In Nederland geldt op grond van Europese regelgeving het uitgangspunt van vrije vestiging.
In de praktijk hanteren veel gemeenten en regio’s bindingseisen vanuit het oogpunt van schaarste. Met een huisvestingsverordening kunnen aantoonbaar schaarse segmenten in de huurwoningenmarkt gereserveerd worden voor mensen die een binding hebben met de betreffende gemeente/regio. De gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek hebben in 2015 een dergelijke huisvestingsverordening vastgesteld en deze in 2019 geactualiseerd. De huisvestigingsverordening heeft dus als doel, dat woningzoekenden in de gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek gelijk behandeld worden, zowel bij het zoeken naar een sociale huurwoning als bij het aanvragen van een urgentie. Het is geen instrument om de bouw van sociale woningen en vrije sector woningen te reguleren of een urgentie in de bouw van bepaalde type woningen mee te sturen of op te baseren. 4. Stedenbouwkundige adviezen Het college stelt dat de stedenbouwkundige van de gemeente van mening is, dat er geen stedenbouwkundige, ruimtelijke of andere bezwaren bestaan tegen de plannen van de projectontwikkelaar. Volgens het college zal er naar het oordeel van de stedenbouwkundige geen verslechtering optreden, indien de bestaande situatie wordt vergeleken met de plannen van de ontwikkelaar.
De omwonenden en met name de bewoners van de woonarken aan Het Dode Eind hebben daar een volstrekt andere visie op hetgeen duidelijk is geworden tijdens de informatieavond van 6 december 2018 en uit de resultaten van de recente enquête. Beantwoording De zienswijze met betrekking tot de stedenbouwkundige inpassing is niet onderbouwd met argumenten anders dat de omwonenden een andere visie hebben. Hierop kan derhalve geen onderbouwde beantwoording worden gegeven. 5. Verzoek in het kader van de WOB Op 15 maart 2019 is een verzoek om informatie ingediend in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur. Op 27 maart 2020 werd een reactie ontvangen, waarbij de 'Notitie planologische haalbaarheid woonarkenhaven Kortenhoefsedijk te Kortenhoef van 15 december 2016 werd toegezonden. In die notitie motiveert Antea Group dat het toenmalige plan (9 woonarken en 2 woningen) een goed plan zou zijn, dat zou voldoen aan alle planologische eisen van de gemeente en de provincie. Kort gezegd heeft Antea Group wel enkele juridische belemmeringen gesignaleerd, maar deze zouden aan de
kant gezet moeten worden, omdat eigenlijk iedereen beter wordt van dit plan: de natuur; de woonarkbewoners in de aangrenzende havens en de bewoners van de woningen. Dat dit slechts de mening is van een bureau dat een opdracht heeft van de initiatiefnemer om een plan te ontwikkelen, moge duidelijk zijn. Het spreekwoord 'Wiens brood men eet, wiens mond men spreekt' is hier dan ook van toepassing. Beantwoording De Antea Group is een onafhankelijk deskundig adviesbureau en is op het gebied van natuuronderzoek aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en werkt volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode. Er is geen enkele aanleiding om aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van Antea Group te twijfelen. Daarbij geldt dat de door de initiatiefnemer ingediende stukken altijd worden beoordeeld door deskundige medewerkers van de gemeente en pas bij een bestemmingsplan kan dienen als onderbouwing indien de gemeente het stuk accepteert. 6. Ruimtelijke onderlegger De stedenbouwkundige onderlegger voor het principebesluit van 24 april 2018 betreft een situatietekening van 22 januari 2018 met 10 woonarken langs een rechte steiger en 1 (grote) woning ter vervanging van de bedrijfswoning. Indiener stelt dat uit stukken volgt dat er allerlei planologische bezwaren zijn tegen het plan en dat het principebesluit van 24 april 2018 niet zorgvuldig is voorbereid.
Bovendien wijkt het huidige plan (5 vrije sector woonarken, 3 sociale woonarken en 2 vrije sector woningen) af van het principebesluit, waarbij nergens uit blijkt dat dat plan stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Beantwoording Het is onduidelijk op welke planologische bezwaren indiener duidt. In het kader van het principebesluit is het plan getoetst aan het ruimtelijk beleid van rijk, provincie en gemeente en de effecten op Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Na het positieve principebesluit is het plan nader uitgewerkt en mede op basis van overleg met de omwonenden aangepast. Dit heeft geleid tot minder woonarken hetgeen een betere ruimtelijke inpassing laat zien. De situering van de woonarken en de twee woningen zijn stedenbouwkundig in lijn met het principebesluit en derhalve aanvaardbaar. “Minder” mag immers altijd. 7. Geen draagvlak in de buurt Het college hecht waarde aan draagvlak bij belanghebbenden. Er is geen gebiedsakkoord tot stand gekomen. Daarnaast heeft de ontwikkelaar enkele essentiële zaken over het hoofd gezien (afstand damwand / buitenste woonark), diepte van het water en brandveiligheidsvoorschriften). Dit zou worden onderzocht. Dat is niet gebeurd.
Er zijn grote bezwaren uit de buurt, vanuit aantasting uitzicht en privacy, brandveiligheid, schade aan arken bij baggeren, bereikbaarheid hulpdiensten, strijd met milieuregels en Wet natuurbescherming bij baggeren, beperking van de doorvaart, insluiten bestaande arken in die haven, waardedaling eigen woonarken, overlast wegdek toegangsweg vanwege zwaar verkeer, menging van vrije sector en sociale huur/koop, onaanvaardbare toename verkeersbewegingen en treffen van geluidwerende maatregelen / vaststellen hoger grenswaarden vanwege geluid van de Vreelandseweg. Beantwoording Het belang van draagvlak is gelegen in het betrekken van de omgeving, in dit geval via participatie met omwonenden bij de planvorming en dat initiatiefnemer zich inspant om zoveel mogelijk draagvlak te creëren. Er is vanaf maart 2018 een uitgebreid participatieproces geweest, zoals in paragraaf 7.2.2 en bijlage 8 bij het bestemmingsplan is toegelicht en waarbij het plan meerdere malen is aangepast om tegemoet te komen aan bezwaren van omwonenden. Dat het participatieproces niet heeft geleid tot honderd
procent draagvlak is geen dragend argument om een bestemmingsplan niet vast te stellen. (zie daarvoor ook de uitspraak van de ABRS op 4 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2647, r.o) waarin de Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat onder de omwonenden geen draagvlak zou bestaan voor het bestreden wijzigingsplan, wat daar ook van zij, geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.)
Voorts worden achtereenvolgend de volgende bezwaarpunten aangegeven: a. Strijd met brandveiligheid: Voor de realisatie van een nieuwe woonark is een omgevingsvergunning nodig. Hierbij moet worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012, met specifieke bouw-, gezondheids- en veiligheidsregels voor woonboten. In het Bouwbesluit worden ook eisen gesteld aan de brandveiligheid van een woonark. Deze eisen zijn wel minder streng dan bij reguliere woningen. Daarnaast geldt, dat er tussen de nieuwe woonarken onderling minimaal circa 10 meter afstand zit; de afstand tot de bestaande woonarken bedraagt ook ten minste 10 meter. Op basis van deze afstanden kan worden gesteld dat risico op branddoorslag en brandoverslag wordt voorkomen, aangezien bij nieuwe situatie een minimale afstand van 5 meter is voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012. b. Uitzicht en privacy: In de huidige situatie is sprake van een bestaande jachthaven met bijbehorende voorzieningen. Met name in het zomerseizoen ligt een jachthaven vol en is er sprake van het komen en gaan van plezierboten. Feit is echter dat er jaarrond boten kunnen liggen en er op basis van de vigerende bestemming geen absoluut recht is op vrij uitzicht, hetgeen nu ook niet aanwezig is. Daarbij komt dat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.
Reeds meermalen heeft de ABRvS immers uitgemaakt, dat er geen recht bestaat op een onveranderd woon- en leefklimaat. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Tevens is van groot belang dat het plan op basis van bezwaren uit de omgeving vanwege de belemmering van het uitzicht is aangepast. Er worden minder woonarken gerealiseerd, aanvankelijk waren het er 12 en nu nog 6, met bredere doorzichten, dan aanvankelijk het plan was, van circa 10 meter tussen de woonarken. Voor wat betreft privacy geldt, dat de afstand tussen de nieuwe woonarken en de bestaande minimaal 10 meter bedraagt. Dit is niet een ongebruikelijke afstand tussen woonarken. Tussen de bestaande woonarken aan de noordkant van het plangebied is de afstand circa 7 meter. Aan de zuidkant van het plangebied is de afstand tussen bestaande woonarken circa 6 à 7 meter. Op grond hiervan kan in alle redelijkheid worden gesteld dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden. c. Schade aan arken bij baggeren: Dit is een uitvoeringsaspect dat buiten de reikwijdte van een bestemmingsplan valt. Mocht er bij het baggeren schade ontstaan aan bestaande arken, dan kan de partij die schade lijdt de veroorzaker, doorgaans de aannemer, daarvoor aansprakelijk stellen.
Hiertoe kan vooraf een nulmeting worden gedaan. d. Bereikbaarheid hulpdiensten: De Model Bouwverordening spreekt in artikel 2.5.3 van een maximale afstand van 10 meter tussen de woningtoegang en de openbare weg. Als die afstand groter is, moet er een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor (onder andere) brandweerauto’s. Maar de brandweer gaat in de praktijk uit van een maximale afstand van 40 meter (conform de NVBR-publicatie ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’, 2003). Als de afstand tussen de
woningtoegang en de opstelplaats van de brandweerauto te groot is, zijn er verschillende oplossingen denkbaar, zoals bijvoorbeeld een droge blusleiding in de steiger met aansluitpunten op de steiger (al of niet gecombineerd met inzet van een brandweerkar die aanwezig is in een afgesloten opslagkist nabij het begin van de steiger). Alternatieven als een blusboot of hogedrukslangen met een lengte van 90 meter kunnen ook overwogen worden, maar de mogelijkheid om dit te realiseren is afhankelijk van de inzetprocedures en materieelkeuzes van het lokale brandweercorps. Hierover volgt in de uitvoeringsfase een nader besluit. e. Strijd met milieuregels en Wet natuurbescherming bij baggeren: uit de uitgevoerde natuurtoets blijkt dat er geen beschermde dieren- en plantensoorten voorkomen in het water of op de oevers. In dat kader is geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig bij evt. het baggeren. Het is niet duidelijk met welke milieuregels strijd zou zijn. f.
Beperking doorvaart en insluiten bestaande arken: De doorvaartruimte aan de zuiden noordkant in de bestaande situatie wijkt niet tot nauwelijks af van die in de beoogde situatie. In onderstaande figuur is met een zwarte stippellijn de ligging van de nieuwe woonarken weergegeven. Aan de zuidkant ligt in de bestaande situatie reeds een steiger op kortere afstand van de bestaande woonarken, die bepalend is voor de doorvaart. Aan de noordkant wordt de doorvaart wel smaller dan in de bestaande situatie, maar daar geldt dat aan de westkant een steiger aanwezig is die de doorvaart al beperkt tot maximaal 7,5 meter. Deze afstand blijft aanwezig tussen de nieuwe woonarken inclusief steiger / ontsluitingspad.
g. Waardedaling woonarken: Indien de bestaande woonarken vanwege dit bestemmingsplan in waarde dalen kan op grond van art. 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in schade (voorheen: planschade) worden ingediend bij het college
van burgemeester en wethouders. Het verzoek kan worden ingediend binnen 5 jaar nadat het planologisch besluit tot wijziging onherroepelijk is geworden. h. Aantasten wegdek toegangsweg door zwaar verkeer: Het is niet aannemelijk, dat de toegangsweg door de werkzaamheden bij de realisatie wordt beschadigd, aangezien de woonarken over het water worden aangevoerd. Mocht er desondanks sprake zijn van schade aan de toegangsweg dan zal die worden hersteld door de veroorzaker. Dit soort zaken wordt geregeld in de anterieure overeenkomst die met de ontwikkelaar wordt gesloten. i.
Menging van vrije sector en sociale huur/koop: De gemeente streeft bij nieuwbouwplannen naar een verdeling tussen betaalbare (sociale) en vrije sector van 30-70 procent. Daar wordt in dit plan aan voldaan. De realisatie van 30 procent sociale woonarken leidt tot meer diversiteit in het gebied en tot woonruimte die voor starters / jongeren bereikbaar is. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat een gemengd programma, i.c. de realisatie van drie sociale woonarken niet inpasbaar is in de omgeving of overlast zal geven.
j.
Onaanvaardbare toename verkeersbewegingen op toegangsweg Dode Eind: In het bestemmingsplan is gemotiveerd, dat de verkeersgeneratie zal toenemen met circa 34 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een nagenoeg te verwaarlozen hoeveelheid die geen problemen zal opleveren. Bovendien is in juli 2021 gestart met de herinrichting van dit deel van de Kortenhoefsedijk als een 30 km zone. De herinrichting is afgestemd op de bebouwingsdichtheid van woningen en de intensiteit van verkeersbewegingen en gericht op een soepele doorstroming met de focus op veiligheid. Het is niet in te zien dat deze beperkte toename leidt tot een onaanvaardbare toename van verkeersbewegingen. Treffen van geluidwerende maatregelen / vaststellen hoger grenswaarden vanwege geluid van de Vreelandseweg: Uit het akoestisch onderzoek volgt, dat er een hogere waarde moet worden vastgesteld vanwege het geluid van het wegverkeer op de Vreelandseweg. In het akoestisch onderzoek is gemotiveerd dat het treffen van maatregelen (vervangen van het wegdek van de Vreelandseweg door een stillere soort, een geluidsscherm of afstandsvergroting) op bezwaren van financiële, landschappelijke en stedenbouwkundige aard stuit of dat er sprake is van gebrek aan fysieke ruimte. In dat geval kan een hogere waarde worden vastgesteld.
Indiener heeft niet gemotiveerd welke van zijn belangen hierdoor worden geschaad of waarom dit planologisch niet acceptabel is.
8. Strijd met de uitgangspunten van het bestemmingsplan Het Dode Eind. Het herontwikkelingsplan is in strijd is met de ruimtelijke uitgangspunten van het vigerend bestemmingsplan Het Dode Eind 2007. Daar is in aangegeven dat er geen toename zou zijn van het aantal woonarken, een beperkte toename van het bouwvlak op het terrein van de jachthaven, geen tweede woning en geen verdichting van het bebouwingslint. Beantwoording Het bestemmingsplan met de genoemde uitgangspunten is 14 jaar oud. Het plan van initiatiefnemer is getoetst aan de geldende wetgeving, het geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en op inpasbaarheid in de omgeving. Op basis van deze beoordeling zijn er geen argumenten om geen medewerking te verlenen aan het plan en het bestemmingsplan niet vast te stellen. 9. Strijd met de inhoud van de Nota Woonschepen van 23 oktober 2012
Uitgangspunt van de Nota Woonschepen is een conserverend beleid. Het bestaande aantal woonboten wordt in beginsel gehandhaafd. Beantwoording Het uitgangspunt in de nota Woonschepen uit 2012, dat het aantal woonboten gehandhaafd blijft, hing mede samen met het destijds restrictieve beleid voor woningbouw in het buitengebied. Op grond van de Provinciaal Ruimtelijke Verordening ligt het plangebied in bestaand stedelijk gebied, waarbinnen nieuwe ontwikkelingen, waaronder woningen en ook woonarken kunnen worden toegestaan. Een andere reden was de bescherming van Natura 2000-gebied. Uit het natuuronderzoek dat gedaan is volgt echter dat er geen negatieve effecten zijn op het omliggende Natura 2000-gebied. Op grond van de beoordeling van het plan is besloten medewerking te verlenen aan voorliggend plan en af te wijken van de Nota Woonschepen uit 2012. 10. Barro: Gesteld wordt dat de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden aangetast en dat er één woonark op gronden met een NNN bestemming is geprojecteerd. Beantwoording In het bestemmingsplan is gemotiveerd dat de voorgenomen planontwikkeling geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Het betreft immers een bestaande jachthaven die getransformeerd zal worden tot woonschepenhaven en het vervangen van de bestaande bedrijfswoning door twee reguliere woningen in de vorm van een twee-onder-een-kapper. Er is hierbij dus sprake van een kleinschalige ontwikkeling, die nauwelijks een uitbreiding vormt van het ruimtebeslag ten opzichte van de vm. jachthaven. Ten aanzien van de NNN is onderzoek gedaan, waaruit volgt dat het plan inderdaad voor een heel klein gedeelte aan de westkant in NNN is gelegen, maar dat er daardoor geen wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN worden aangetast. Indiener heeft niet gemotiveerd waarom deze conclusies onjuist zijn. 11. Laddertoets Er wordt zonder nadere onderbouwing aangenomen dat er behoefte is aan (dure) woonarken. Beantwoording In het bestemmingsplan is wel degelijk een onderbouwing van de behoefte opgenomen. Aangegeven is dat in de metropoolregio Amsterdam een grote druk op de woningmarkt bestaat, waardoor de verwachting is, dat er extra ruimte ontstaat voor aanvullende woningbouw bovenop de bestaande plannen in de regio. Extra ruimte bovenop de bestaande plannen kan ook worden gevonden door invulling te geven aan de kwalitatieve behoefte aan 'waterwonen', gezien het specifieke woonmilieu, dat op onderhavige locatie met woonschepen gerealiseerd kan worden.
Vanwege het fysiek ontbreken van watermilieus in vrijwel alle gebieden die (juridisch) kwalificeren als 'bestaand stedelijk gebied' kan dit woonmilieu namelijk vrijwel nergens meer worden gerealiseerd. 12. Provinciale Ruimtelijke Verordening Er wordt gesteld, dat er geen wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN worden aangetast, dat er geen afbreuk zal worden gedaan aan de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en dat er geen sprake zal zijn van aantasting van bijzondere aardkundige waarden. Deze conclusies zijn volgens indiener niet deugdelijk onderbouwd. Er wordt voorbij gegaan aan het feit, dat ten behoeve van het
plan een oppervlakte van 685 m2 water gedempt wordt (deels in het NNN gebied). Welke gevolgen dat zal hebben voor milieu en natuur is niet onderzocht. Beantwoording Voor beantwoording van de zienswijze over de NNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie verwijzen we naar onze beantwoording bij punt 10. Voor wat betreft aardkundig waardevol gebied is in het bestemmingsplan gemotiveerd, dat aangezien het hier gaat om een bestaande jachthaven met bijbehorende voorzieningen, bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning, er nauwelijks sprake zal zijn van aantasting van bijzondere aardkundige waarden. Voor wat betreft het dempen van water zie de beantwoording onder punt 17. 13. Bijlagen bij het ontwerpbestemmingsplan Uit de bijlagen die met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage zijn gelegd blijkt dat een aantal onderzoeken is uitgevoerd in opdracht van de ontwikkelaar. Beantwoording Onderzoeken die in het kader van een nieuw bestemmingsplan verplicht zijn om op te stellen worden altijd in opdracht van de initiatiefnemer uitgevoerd. Het is immers een ontwikkelaar die iets wil en daarvoor de kosten dient te dragen in plaats van dat deze afgewend worden op de gemeenschap. Voor dit bestemmingsplan zijn er onderzoeken gedaan door de Antea Group, een deskundig en onafhankelijk adviesbureau. Deze onderzoeken/conclusies zijn vervolgens beoordeeld door de gemeente. 14.
Verkeerskundig onderzoek parkeren en verkeersafwikkeling In een verkeeronderzoek uit 2019 was er sprake van een toename van 25 motorvoertuigen per etmaal vanwege het nieuwe plan. In het bestemmingsplan is dat 34. Volgens de ontwikkelaar zou er sprake zijn van een afname. Er is sprake van tegenstrijdige mededelingen. Bovendien is de toegangsweg zo smal dat bij foutparkeerders hulpdiensten niet kunnen passeren. De toegangsweg voldoet niet aan artikel 6.37 het Bouwbesluit. Beantwoording Het onderzoek uit 2019 is geactualiseerd en vervangen door het bij het bestemmingsplan gevoegde onderzoek, dat leidt tot een toename van 34 motorvoertuigen per etmaal. De afname waar de ontwikkelaar op wees is gedaan in een gesprek op 6 juni 2018, dus voordat het uit 2019 verkeersonderzoek definitief is geworden. Het kan zijn dat in die tijd er op basis van een ander plan en/of andere uitgangspunten er nog sprake was van een verkeersafname. Een andere mogelijkheid is dat de ontwikkelaar de afname aan parkeervoorzieningen heeft bedoeld. Aan de toegangsweg wijzigt niets, de huidige situatie blijft hetzelfde. Hulpdiensten kunnen in geval van calamiteiten hun werkzaamheden uitoefenen. Indien er sprake is van fout parkeren is dat een kwestie van handhaving. Dat valt buiten de reikwijdte van een bestemmingsplan. 15.
Externe veiligheid Gesteld wordt dat in het rapport betreffende de externe veiligheid op grond van een theoretische benadering wordt geconcludeerd, dat er niets aan de hand is. In de toelichting op het ontwerp bestemmingsplan is te lezen: De bestaande wegenstructuur rond de projectlocatie biedt meerdere mogelijkheden om van de risicobron af te kunnen vluchten. Vluchten kan via de Kortenhoefsedijk. Afhankelijk van de precieze locatie van het incident kan ook via de Vreelandseweg worden gevlucht. Deze bewering staat in contrast met de mededeling, dat er sprake is van
één smalle ontsluitingsweg en deze mededeling is feitelijk onjuist, tenzij wordt bedoeld dat bewoners en passanten in het Hilversums Kanaal moeten springen om een veilig heenkomen te zoeken. De conclusie, dat de externe veiligheid geen belemmering is voor het project is dan ook niet deugdelijk onderbouwd en feitelijk onjuist. Beantwoording De motivatie waar indiener op duidt betreft het onderdeel ‘verantwoording groepsrisico’ dat nodig is vanwege het risico als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over de N201 (Vreelandsweg). In dat kader is onder meer het element ‘zelfredzaamheid’ beschouwd voor de scenario’s plasbrandscenario en een BLEVE. De paragraaf met betrekking tot de vluchtroutes heeft betrekking op een warme BLEVE (een bleve is een "boiling liquid expanding vapour explosion". Dit is een soort explosie die kan voorkomen als een houder met een vloeistof onder druk openscheurt). In dat geval wordt ervan uitgegaan, dat er sprake is van een hittewerende bekleding van de tankauto die de brandweer 75 minuten de gelegenheid geeft om de tankauto tijdig te koelen. Gedurende die periode is er ook gelegenheid om eventuele bewoners uit de omgeving te waarschuwen en te evacueren. Voor die externe ontvluchting bieden de bestaande wegen voldoende mogelijkheden om van de risicobron af te vluchten. Dit aspect is hiermee deugdelijk verantwoord.
Dit betreft overigens een mogelijke situatie die nagenoeg niet voorkomt. 16. Bodemonderzoek Uit een bodemonderzoek is volgens indiener gebleken dat er op twee plekken een sterk verhoogd gehalte aan koper en PAK is aangetroffen. De verontreiniging zou een oppervlak hebben van circa 180 m2 en een omvang van ongeveer 90 m3 sterk verontreinigde grond. In het bestemmingsplan is aangegeven dat de grond wordt gesaneerd ten behoeve van wonen. Na sanering is er geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Of, wanneer en op welke wijze daadwerkelijk een afdoende sanering zal plaatsvinden wordt volgens indiener niet duidelijk gemaakt, zodat het voorbarig is om reeds nu te stellen dat er geen belemmering zou zijn. Diverse woonarkbewoners hebben aangegeven dat er ook sprake is van vervuiling van het slib dat zich ophoopt in de haven (en onder de reeds aanwezige woonarken). Onduidelijk is op welke wijze dat vervuilde slib zal worden afgevoerd om de plannen te kunnen realiseren. Beantwoording De genoemde verontreinigingen bevinden zich nabij de bestaande woning aan de Kortenhoefsedijk 198. Voor de realisatie van het plan is een omgevingsvergunning nodig voor het realiseren van de twee nieuwe woningen. Er kan pas worden gestart met het bouwen, wanneer de sanering is uitgevoerd. Dit kan de gemeente als voorschrift aan de vergunning koppelen. Daarmee is de sanering indien nodig geborgd.
17. Wateraspecten: dempen van water ten behoeve van de woonarken Uit de tekeningen die bij het ontwerpplan horen blijkt volgens indiener 2, dat ten behoeve van de af te meren vrije sector arken een deel van het water zal worden gedempt. Volgens de tekeningen betreft dit volgens indiener 2 per woonark ruim 137 m2, zodat voor 5 woonarken een stuk water van ongeveer 685 m2 gedempt moet worden om tuinen en looppaden te realiseren. Nergens wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het dempen van dit water en uit niets blijkt, dat daarvoor de benodigde vergunning van Waternet kan worden verkregen. De motivatie in het bestemmingsplan luidt, dat de woonschepen drijvende objecten zijn, waardoor er geen sprake is van demping in het plangebied en dit niet ten koste gaat van de
beschikbare waterberging en dat compensatie voor toename aan verhard oppervlak daarom niet van toepassing is. Dat geldt volgens indiener echter niet voor de tuinen en looppaden, zodat ook deze bewering feitelijk onjuist is. Beantwoording Er is geen sprake van demping van water. De tuinen zijn terrassen op palen of drijvende constructies in het water. Het looppad dat de vrije sector woonarken ontsluit is een steiger die op palen in het water staat. De hoeveelheid aanwezige waterberging wordt derhalve niet aangetast. 18. Akoestisch onderzoek
Het akoestisch onderzoek laat zien dat grenswaarden worden overschreden. Daarover wordt gesteld dat burgemeester en wethouders kunnen overwegen om hogere waarden vast te stellen om de beoogde plannen te realiseren. Dat het college zou hebben besloten om inderdaad hogere grenswaarden vast te stellen is niet gebleken. In de toelichting op het ontwerpplan wordt erkend dat de voorkeurswaarden ingevolge de Wet geluidhinder worden overschreden vanwege het geluid op de Vreelandseweg. Tevens wordt erkend, dat er geen mogelijkheden zijn om bronmaatregelen te nemen. Ook de mogelijkheid van ontvangermaatregelen zijn beperkt, zodat geconcludeerd wordt dat het college kan overwegen om hogere waarden vast te stellen om dit probleem op te lossen. Beantwoording Er kunnen hogere waarden worden vastgesteld indien maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen niet mogelijk zijn. In het akoestisch onderzoek is gemotiveerd, dat bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en ontvanger maatregelen niet mogelijk zijn, met uitzondering van gevelisolatie (dat volgt al uit het Bouwbesluit 2012). Het college van burgemeester en wethouders heeft in dat kader een ontwerpbesluit hogere waarde genomen, dat een zelfstandige procedure doorloopt. Het ontwerpbesluit heeft 6 weken ter inzage gelegen vanaf 29 april 2021. 19.
Evidente privaatrechtelijke belemmering Aangevoerd wordt dat er gezien de voorgeschiedenis en de daaruit voortgevloeide vaststellingsovereenkomst, er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, die in de weg staat aan het wijzigen van het bestemmingsplan ten behoeve van nog meer woonarken en nog meer woningen. Daarnaast is de meest westelijk gelegen ark geprojecteerd in het water dat in eigendom toebehoort aan Natuurmonumenten. Bovendien heeft het College geen zwaarwegende ruimtelijke argumenten naar voren gebracht die het plan zouden kunnen rechtvaardigen. Vanwege het feit dat behoefte zou bestaan aan drie kleine sociale woonruimten wordt aan een projectontwikkelaar 5 vrije sector woonarken en 2 grote vrije sector woningen gegund. Niet omdat daaraan behoefte zou bestaan of omdat dit ruimtelijk gewenst is, maar uitsluitend om de ontwikkelaar (financieel) ter wille te zijn. De plannen druisen in tegen alle ruimtelijke overwegingen van de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan Het Dode Eind in 2007. De plannen zijn tevens in strijd met de Nota Woonschepen en met andere (provinciale) ruimtelijke uitgangspunten. Beantwoording Bekend is dat de ontwikkelaar in gesprek is met de Vereniging Natuurmonumenten om het desbetreffende stukje grond te verwerven, het betreft een klein stukje grond aan de westkant van het plangebied.
Dit is een privaatrechtelijk kwestie.
Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld zoals het nu voorligt. Indien de eigendom niet verkregen wordt kan een klein deel van het plan uiteindelijk niet worden uitgevoerd. Zoals eerder is beantwoord is er sprake van een grote woningtekort (zie beantwoording onder punt 2). Daarnaast heeft het belang van de voorgaande eigenaar mee gewogen. Die heeft kenbaar gemaakt zijn bedrijfsactiviteiten te willen beëindigen, mede gezien het feit dat er niet echt meer sprake was van een florerend bedrijf en hij met pensioen wilde gaan. De gemeente weegt diverse belangen af bij een verzoek als onderhavig. Het evt. financieel gewin van een ontwikkelaar speelt hierin geen rol. Voor het onderdeel met betrekking tot het bestemmingsplan Het Dode Eind (2007) en de Nota Woonschepen verwijzen we naar onze beantwoording bij punten 8 en 9. Tomlow e.a. geven een verkeerde uitleg aan het begrip “evident privaatrechtelijke belemmering” zoals dat in de vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt gehanteerd. Hieruit volgt namelijk dat van een evidente privaatrechtelijke belemmering pas sprake is, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een zakelijk recht (zoals eigendom of erfdienstbaarheid) in de weg staat aan verwezenlijking van de bestemming.