Bijlage: Bestuurlijke Kadernotitie
Tekst van het document
TVW Fase 2: Plan van Aanpak
Bestuurlijke kadernotitie TVW Een Plan van Aanpak voor het opstellen van 5 Transitievisies Warmte in de Gooi en Vechtstreek
Projectnummer: ETR100411 | Versie 1 | 8-1-2021
Samen op weg naar een duurzaam verwarmde regio
INHOUDSOPGAVE 1.1 INLEIDING
6
1. INLEIDING
6
1.1 MEEWERKENDE PARTIJEN
6
1.2 DOEL BESTUURLIJKE KADERNOTITIE
6
1.3 BEGRIPSBEPALING
6
1.4 LEESWIJZER
8
2. DE GEMEENTE ALS WARMTEREGISSEUR
9
2.1 INLEIDING
9
2.2 ROLOPVATTINGEN
9
2.2.1 De afwachtende regisseur
9
2.2.2 De procesregisseur
9
2.2.3 De sturende regisseur
10
2.2.4 De integrale regisseur
10
2.2.5 Keuzes voor regierollen
10
2.3 OPGAVE EN TIJDPAD
11
2.3.1 Opgave
11
2.3.2 Tijdspaden
12
2.3.3 Keuzes opgave en tijdspad
14
3. KEUZE VOOR EEN WARMTETECHNIEK
16
3.1 WAT BETEKENT EEN KEUZE VOOR EEN WARMTETECHNIEK?
16
3.2 WARMTETECHNIEKEN
16
3.2.1 Hoe gaat de gemeente om met innovatie?
17
3.3 HOE WORDT DE KEUZE GEMAAKT VOOR EEN WARMTETECHNIEK?
19
4. KIEZEN VAN STARTBUURTEN
20
4.1 PROCES OM BUURTEN TE PRIORITEREN
20
4.2 CRITERIA
20
4.3 VERVOLGTRAJECT
21
5. UITGANGSPUNTEN PARTICIPATIE EN COMMUNICATIE
22
5.1 INLEIDING
22
5.2 COMMUNICATIE-UITGANGSPUNTEN
22
5.3 COMMUNICATIE-INSTRUMENTEN
23
5.3.1 Interactieve website
23
5.3.2 Animatie TVW
23
5.3.3 Bewonersbijeenkomsten
23
5.3.4 Bijeenkomsten in het kader van ‘no regret’-maatregelen
24
6. PLAN VAN AANPAK
25
6.1 ZEVEN FASEN
25
7. UITGANGSPUNTEN VOOR DE UITVOERING
27
7.1 WAAROM MOETEN GEMEENTEN WIJKUITVOERINGSPLANNEN SCHRIJVEN?
27
7.2 WAT MOET ER IN EEN WIJKUITVOERINGSPLAN STAAN?
27
7.3 HOEVEEL WIJKUITVOERINGSPLANNEN MOETEN ER GESCHREVEN WORDEN?
28
7.4 WAT IS DE RELATIE MET DE OMGEVINGSPLANNEN?
29
7.5 WAT IS DE RELATIE MET DE NIEUWE WARMTEWET?
29
7.6 WELKE INZET VRAAGT EEN WIJKUITVOERINGSPLAN?
30
7.7 DRIE AANVLIEGROUTES VOOR PARTICIPATIE
31
7.7.1 Het open proces
31
7.7.2 Het bewonersinitiatief
32
7.7.3 Een voor de hand liggende oplossing
32
7.8 FASERING VAN EEN WUP
32
7.9 WELKE UITGANGSPUNTEN VINDEN DE GEMEENTEN BELANGRIJK VOOR HET PROCES VAN EEN WUP?
33
BIJLAGE 1: FASERING
34
FASE 3: ANALYSE
34
Eindbeeld warmtetechnieken per buurt
34
Voorbereiden data voor het afwegingskader
34
Opstellen concept afwegingskader
34
Eerste bewonersbijeenkomsten
35
FASE 4 EN 5: AFSTEMMEN EN AFWEGEN
35
FASE 6: OPSTELLEN
35
FASE 7: VASTSTELLEN
36
1. Inleiding 1.1 Inleiding In de regio Gooi en Vechtstreek werken vijf gemeenten samen om voor elke gemeente een zogeheten ‘Transitievisie Warmte’ (TVW) op te stellen. De gemeenten Blaricum, Gooise Meren, Huizen, Laren en Wijdemeren zijn inmiddels samen met stakeholders hiervoor al enige tijd op weg. In de Transitievisie Warmte beschrijven de gemeenten hoe de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving er volgens de huidige inzichten uit gaat komen te zien.
• • • • • •
Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken Woningcorporatie Dudok Wonen Woningcorporatie De Alliantie Energie Verbonden (de samenwerkende energiecoöperaties in de regio) Versa Welzijn Regio Gooi- en Vechtstreek
Adviesbureaus APPM en CE Delft verzorgen de procesbegeleiding voor dit traject en hebben deze bestuurlijke kadernotitie opgesteld.
Deze Transitievisies Warmte worden na de zomer van 2021 aan de gemeenteraad voorgelegd ter vaststelling. Daarvoor moet in de komende maanden een proces doorgelopen worden waarin samen met stakeholders en in participatie met inwoners een prioritering in de buurten/dorpen wordt aangebracht en waarin technieken worden toegewezen. Deze bestuurlijke kadernotitie bevat een overzicht van de keuzes die zijn gemaakt om deze stappen te doorlopen. De bestuurlijke kadernotitie wordt aangeboden aan de vijf gemeenteraden die in afzonderlijke sessies zijn geïnformeerd over de voortgang van de Transitievisie Warmte.
1.2 Doel bestuurlijke kadernotitie
1.1 Meewerkende partijen
1.3 Begripsbepaling
De volgende partijen hebben een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van deze bestuurlijke kadernotitie: • De vijf gemeenten: Blaricum, Gooise Meren, Huizen, Laren en Wijdemeren • Liander
In deze notitie passeert een aantal begrippen de revue. De volgende begrippen zijn belangrijk om te kennen:
In dit document is samen met de hierboven genoemde meewerkende partijen tot een aantal relevante kaders gekomen die nodig zijn om tot een definitieve Transitievisie Warmte voor iedere gemeente te komen. Het doel van dit document is om deze kaders voor te leggen aan iedere gemeenteraad. Op basis van de terugkoppeling van de gemeenteraden worden de definitieve kaders vastgesteld. Na de zomer van 2021 vindt de vaststelling van de Transitievisie Warmte plaats.
6
•
Transitievisie Warmte (TVW): In het Klimaatakkoord1 staat dat gemeenten de regisseur zijn in het komen tot een wijkgerichte aanpak om de hele gemeente uiteindelijk in 2050 aardgasvrij te krijgen. Hoe een gemeente dit gaat oppakken en in welke buurt ze wanneer aan de slag gaat, beschrijft de gemeente in de Transitievisie Warmte. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente voor het eind van 2021 een Transitievisie Warmte heeft vastgesteld. Vervolgens moeten gemeenten minimaal iedere vijf jaar de TVW herijken op basis van nieuwere inzichten.
•
Buurten: In deze notitie spreken we steevast van ‘buurten’ als aanduiding van een geografisch afgebakend gebied dat als onderwerp dient voor de warmtetransitie in dit gebied. Voor sommige gebieden dekt dit begrip wellicht niet de lading en kan er beter ‘wijk’ of ‘dorp’ gelezen worden. Voor de eenduidigheid is besloten om consequent wel de term ‘buurt’ te gebruiken. Paragraaf 7.3 gaat hier wat dieper op in.
•
Wijkuitvoeringsplan (WUP): In een Wijkuitvoeringsplan wordt vastgelegd op welke manier een buurt aardgasvrij gemaakt gaat worden. Daar moet in ieder geval in komen te staan: a. De planning waarop de buurt (stapsgewijs) aardgasvrij wordt; b. Wanneer de toelevering van aardgas wordt beëindigd; c. Welk alternatief voor aardgas wordt gekozen; d. Welke concrete fysieke maatregelen daarvoor nodig zijn in de openbare ruimte en in de gebouwen; e. Welke investeringen er door wie gedaan moeten worden; f. Welke keuzeruimte er is voor individuele bewoners (bijvoorbeeld om niet mee te gaan in collectieve maatregelen);
1
Het Klimaatakkoord – en daarmee het opstellen van de Transitievisie Warmte (TVW) is verbonden met twee wettelijke kaders. Ten eerste de instemming door het Parlement (2017) met het
g. Hoe de participatie heeft plaatsgevonden en welke partijen betrokken zijn bij deze planning en keuze voor aardgasvrij alternatief; h. Op welke wijze de keuze is gemaakt om voor deze strategie te gaan (met o.a. motivatie als er niet voor de variant met de laagste maatschappelijke kosten is gekozen). Hoofdstuk 7 gaat verder in op deze Wijkuitvoeringsplannen. Met de WUP’s worden gestart na het vaststellen van de TVW en vormen geen onderdeel van dit project. •
Leidraad: Het Rijk ondersteunt gemeenten bij het opstellen van de TVW’s o.a. door middel van een Leidraad die zij hebben ontwikkeld. Deze Leidraad is ontwikkeld door het Expertisecentrum Warmte (ECW) en bestaat uit: • De Startanalyse: Deze analyse is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gemaakt met het model Vesta MAIS. De Startanalyse is gemaakt op basis van landelijke data en biedt op buurtniveau voor vijf warmtestrategieën een eerste beeld van de technisch-economische gevolgen (zoals nationale kosten, energievraag, CO2-reductie). Deze Startanalyse wordt met enige regelmaat geüpdatet op basis van de meest recente inzichten. • De Handreiking voor Lokale Analyse: Dit is een handreiking met tips en richtlijnen om gemeenten en modelmakers te ondersteunen bij het verrijken van de Startanalyse met lokale data - afkomstig van de gemeente en (lokale) stakeholders. Daarmee kan de gemeente recht doen aan de lokale situatie. • Daarnaast is door het Programma Aardgasvrije Wijken een stappenplan opgesteld dat bestaat uit zeven fasen die gemeenten kunnen doorlopen om tot een Transitievisie Warmte te komen. Dit
internationale Klimaatakkoord, waardoor de opgave voor 2050 wettelijk is vastgelegd. Ten tweede de Klimaatwet (2019). In deze wet zijn de klimaatdoelen vastgelegd. Het proces van zowel de RES als de TVW’s dragen bij om deze wettelijke doelen te halen." 7
stappenplan wordt gebruikt als handvat voor de aanpak in de Gooi- en Vechtstreek. De Startanalyse beschrijft vijf warmtetechnieken die kunnen worden toegepast om buurten aardgasvrij te maken. Deze technieken worden in Hoofdstuk 3 toegelicht.
1.4 Leeswijzer Deze bestuurlijke kadernotitie bestaat uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk, beschrijven we de mogelijke regierollen en de keuze voor het tijdspad richting 2050 in Hoofdstuk 2. In Hoofdstuk 3 wordt toegelicht op welke wijze er warmtetechnieken worden toegewezen aan de buurten in de vijf gemeenten. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 beschreven hoe er, door middel van een afwegingskader, een buurtvolgorde wordt aangebracht. Hoofdstuk 5 beschrijft de uitgangspunten voor communicatie en participatie bij de totstandkoming van de TVW. Een beschrijving van de resterende fasen staat in Hoofdstuk 6. De notitie sluit af met een overzicht van de op dit moment bekende uitgangspunten die richting geven aan het proces om, na vaststelling van de TVW tot Wijkuitvoeringsplannen te komen.
8
2. De gemeente als warmteregisseur •
2.1 Inleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen bij de ‘wijkgerichte aanpak’ om te komen tot een aardgasvrije gebouwde omgeving. De regierol van gemeenten bij de energietransitie en de totstandkoming van de Transitievisie Warmte is nieuw. Gemeenten geven op verschillende manieren invulling aan deze rol. Als basis voor latere keuzes is het belangrijk dat door de gemeenteraad en het college vroeg in het proces wordt nagedacht over een strategische rol en een bewuste afweging wordt gemaakt. Door deze afweging te maken in de Transitievisie Warmte is zowel voor inwoners en stakeholders als voor de interne organisatie helder waar de gemeente voor staat. Daarmee kan een eenduidige boodschap worden uitgedragen en kunnen logische vervolgstappen worden gezet. De Argumentenfabriek heeft in opdracht van het Kennis- en Leerprogramma Aardgasvrije Wijken een handig overzicht opgesteld om gemeenten te helpen bij het kiezen van deze strategische rol. De keuze voor een regierol is onder andere afhankelijk van de inhoudelijke afwegingen (bijvoorbeeld het verbinden met andere opgaven), de wijze waarop de gemeente wil omgaan met het betrekken van de omgeving en de beschikbare capaciteit en financiële middelen. Er zijn vier typische rollen uitgewerkt: • • •
de afwachtende regisseur; de procesregisseur; de sturende regisseur,
de integrale regisseur.
Een gemeente kan uiteraard andere rollen of een combinatie van rollen kiezen en kan tijdens het proces ook wisselen van rol. Bij de vier varianten gaat het uitdrukkelijk om rolopvattingen en niet om ambitieniveaus.
2.2 Rolopvattingen 2.2.1 De afwachtende regisseur De afwachtende regisseur gaat niet sneller dan wettelijk verplicht is. Hij houdt ook nauw in de gaten in hoeverre er draagvlak is voor de warmtetransitie binnen zijn gemeente. Tempo heeft geen prioriteit en er worden ook weinig tot geen buurten aangewezen als aardgasvrij voor 2030. Bovendien vindt de afwachtende regisseur het belangrijk om de ontwikkeling van bepaalde technieken nog af te wachten.
2.2.2 De procesregisseur De procesregisseur heeft co-creatie hoog in het vaandel staan en dit komt dan ook tot uiting in de totstandkoming van de Transitievisie Warmte. Met het proces om tot een TVW te komen legt de procesregisseur de basis om tempo te kunnen maken na 2030. Daarbij wordt veel overleg georganiseerd tussen inwoners, stakeholders in de gemeente. Verder wordt er aansluiting gezocht bij bestaande initiatieven en vindt er een zorgvuldige belangenafweging plaats waarbij gezocht wordt naar zoveel mogelijk draagvlak. De procesregisseur investeert vooral in het participatieproces en in het zo nodig faciliteren van stakeholders. 9
Gemeente Gooise Meren
2.2.3 De sturende regisseur De sturende regisseur gaat grondig te werk. Tempo en duidelijk resultaat is van groot belang. Om het voortgang en de tempo te bewaken wordt de TVW opgesteld met een beperkte groep stakeholders die ook meebeslist. De stuurder richt zich niet alleen 2030 maar biedt aan iedereen duidelijkheid hoe de warmtetransitie er tot 2050 uit gaat zien. De sturende regisseur investeert relatief veel middelen om voortgang te boeken.
Gooise Meren kiest voor een combinatie van de procesregisseur en de integrale regisseur. Op basis van het coalitieakkoord en missie en visie van Gooise Meren zijn zowel de procesregisseur als de integrale regisseur rollen die goed bij de gemeente passen. Gooise Meren heeft niet de middelen en capaciteit om te kiezen voor een sturende rol. Een afwachtende rol heeft ook niet de voorkeur, omdat daarmee inwoners en stakeholders geen perspectief geboden wordt en de opgave in de
2.2.4 De integrale regisseur De integrale regisseur ziet de TVW niet als een opzichzelfstaande opgave, maar verbindt deze met andere ruimtelijke en sociaal-economische opgaven. Door opgaven slim te combineren, probeert de integralist de kosten en de hinder voor de inwoners te beperken. Binnen de gemeentelijke organisatie zorgt de integralist ervoor dat de verschillende afdelingen samen integraal beleid opstellen. De integrale regisseur investeert in de breedte zodat relevante afdelingen kunnen bijdragen aan de integrale aanpak.
2.2.5 Keuzes voor regierollen
toekomst groter wordt indien de gemeente afwacht. Als procesregisseur werkt Gooise Meren samen met inwonersinitiatieven en partners zoals energiecoöperatie Wattnu. Als integrale regisseur streeft Gooise Meren er naar om opgaven in de openbare ruimte slim te combineren om zo efficiënt en effectief deze transitie te doorlopen. In beide rollen is veel oog voor het belang van inwoners en andere eindgebruikers, waarbij de procesregisseur zich vooral richt op de actieve, participerende inwoner, terwijl de integrale regisseur alles in het werk stelt om alle inwoners zoveel mogelijk te ontlasten en op die manier draagvlak te creëren.
Alle vijf de gemeenten hebben aangegeven graag een keuze te maken voor een
Deze strategische rol zal in de Transitievisie Warmte verder worden uitgewerkt
regierol in de Transitievisie Warmte. De verschillende regierollen zijn in sommige
en in latere wijkuitvoeringsplannen helpen bij het maken van concrete keuzes.
gevallen goed met elkaar te combineren. In de volgende alinea’s verwoorden de vijf gemeenten zelf hoe zij hun rol willen invullen: Gemeente Blaricum De rolbepaling van de gemeente Blaricum volgt nog.
Gemeente Huizen De gemeente Huizen heeft in 2015 als ambitie vastgesteld om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Een ambitie die in lijn ligt met de doelen van het Klimaatakkoord. Voor de eerstkomende jaren heeft het ondersteunen van bewoners bij energiebesparing prioriteit. Het tempo van energiebesparing en woningisolatie moet omhoog en de gemeente stuurt daarop via een langjarige energiebesparingscampagne waarin de bewoner voorop staat. Voorlichting,
10
onafhankelijk advies en, binnen de mogelijkheden van de gemeente, financiële ondersteuning zijn daarbij de instrumenten. In de campagne richten de gemeente en de betrokken partners (o.a. de lokale energiecoöperatie HuizenDuurzaam, woningcorporatie De Alliantie en het Duurzaam Bouwloket) zich op álle bewoners, om uiteindelijk iedereen te betrekken bij de energietransitie. Als het gaat om energiebesparing en woningisolatie kenmerkt de regierol van de gemeente zich dan ook als procesmatig en tot op zekere hoogte sturend. Voor wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) naar volledig aardgasvrij is de gemeentelijke regierol volgender en meer afwachtend. Het tempo waarmee WUP’s kunnen worden opgesteld en uitgevoerd is afhankelijk van de mate waarin de warmtetransitie haalbaar en betaalbaar is. De verwachting is dat betaalbare aardgasvrije oplossingen voor bestaande woningen en wijken pas op langere termijn op grotere schaal beschikbaar komen. Daarnaast zijn twee belangrijke randvoorwaarden die de VNG heeft gesteld bij het aangaan van het Klimaatakkoord vooralsnog niet ingevuld: er zijn nog onvoldoende bevoegdheden voor gemeenten en een vergoeding vanuit het Rijk voor de aanzienlijke uitvoeringslasten voor het opstellen en uitvoeren van WUP’s is nog niet geregeld. De gemeente Huizen staat in dit opzicht voor een zorgvuldig proces en beraadt zich daarom nog op het starten van het eerste WUP.
Gemeente Wijdemeren De gemeente Wijdemeren heeft de regie in de warmtetransitie binnen de gemeente. De rol die wij kiezen, moet passen bij onze ambities, capaciteit en middelen. De combinatierol van procesregisseur en integrale regisseur past het best bij de gemeente Wijdemeren voor de aansturing van de warmtetransitie. Met deze combinatierol zetten wij de eindgebruikers (inwoners, bedrijven en organisaties) centraal en kiezen voor een tempo waarbij iedereen kan meekomen. Als procesregisseur zoeken wij de samenwerking op met partners zoals de energiecoöperatie Wijdemeren en lopende initiatieven zoals Ankeveen Aardgasvrij met Aquathermie. Ook zoeken wij als procesregisseur actief naar aanvullende financieringsmogelijkheden voor de warmtetransitie. Als integrale regisseur vinden wij het belangrijk om uitdagingen slim te combineren om zo efficiënt en effectief deze transitie te doorlopen. Wij kiezen niet voor een sturende rol. De gemeente heeft niet voldoende capaciteit en middelen beschikbaar om een sturende rol in te nemen. Ook kiezen wij niet voor de rol van afwachtende regisseur. Wij schuiven de uitdagingen waarvoor wij als gemeente aan de laat staan niet voor ons uit.
2.3 Opgave en tijdpad
Wordt op termijn een eerste wijkuitvoeringsplan gestart, dan zal de rol van de gemeente daarbij nader worden uitgewerkt. Een combinatie van een rol als procesregisseur (samenwerking met meerdere partijen) en integrale regisseur (verbinding met andere opgaven in de wijk) lijkt dan voor de hand te liggen.
2.3.1 Opgave
Gemeente Laren
Dit betekent voor de vijf gemeenten in de Gooi- en Vechtstreek die samenwerken aan de Transitievisie Warmte dat in totaal 66.310 woningen tussen
De rolbepaling van de gemeente Laren volgt nog.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in 2050 aardgasvrij is en dat er 95% minder CO2 wordt uitgestoten in vergelijking met 1990. Alle vijf gemeenten onderschrijven ook deze ambitie.
11
nu en 2050 aardgasvrij gemaakt dienen te worden. Dat komt neer op 2.287 woningen per jaar tussen nu en 2050. De verdeling hiervan is als volgt:
•
Gemeente
•
Aantal woningen
Opgave per jaar (2032-2050)
Blaricum
4.941
260
Gooise Meren
26.508
1.395
Huizen
18.874
993
2.3.2 Tijdspaden
Laren
5.280
278
Er zijn meerdere tijdspaden denkbaar waarmee de opgave gehaald wordt, namelijk:
Wijdemeren
10.707
564
TOTAAL
66.310
3.490
Een aantal kanttekeningen hierbij: •
•
Er wordt verder van uit gegaan dat alles wat tussen nu en 2050 nieuw wordt gebouwd geen gasaansluiting krijgt. Hoewel dit volgt op recente wetgeving (de wet ‘VET’) worden momenteel, op basis van oude afspraken, hier en daar nog woningen gebouwd met een aardgasaansluiting. Naast woningen zijn er uiteraard ook andere gebouwen, zoals utiliteitsgebouwen (denk aan kantoren, scholen, zorgcentra et cetera), die aardgasvrij moeten worden.
De komende jaren wordt vooral begonnen worden met plannen maken en nog niet met het daadwerkelijk afkoppelen van aardgas bij woningen. Ervan uitgaande dat in 2022 voor de eerste buurten wordt begonnen met de WUP’s, dat deze vervolgens in 2024 klaar zijn en maximaal 8 jaar nodig is voor de uitvoering, ligt het voor de hand dat de eerste buurten in 2032 volledig aardgasvrij zijn. De opgave per jaar is in bovenstaande tabel dus omgerekend naar de periode tussen 2032 en 2050. Niet alle woningen zijn aangesloten op aardgas. De werkelijke aantallen liggen voor sommige gemeenten (iets) lager. Er is niet precies bekend hoeveel. De Klimaatmonitor geeft aan dat in de gemeente Blaricum 8% van de woningen is aangesloten op stadswarmte (waarbij wellicht nog gebruik gemaakt wordt van aardgas voor koken). Voor de overige gemeenten is dat 0%.
• • • • •
Het “Snelle start”-tijdspad Het lineaire tijdspad Het exponentiele tijdspad Het “S-curve”-tijdspad Het “Uitstellen”-tijdspad
De verschillende tijdspaden worden hieronder toegelicht, met een inschatting m hoeveel woningen dit zal gaan voor de hele regio.
12
In het “Snelle start”-tijdspad wordt ambitieus begonnen. Een groot aantal gebouwen wordt aardgasvrij gemaakt en vervolgens ieder jaar wat minder dan het vorige jaar. Dit komt bijvoorbeeld neer op 5.000 woningen per jaar in het begin en 500 per jaar aan het einde. Het voordeel van dit tijdspad is dat daadkrachtig begonnen wordt, waardoor de latere decennia de opgave minder groot is. Het nadeel is dat er wellicht keuzes worden gemaakt die later door de tijd ingehaald worden en (kosten)efficiënter bleken te zijn. In het lineaire tijdspad worden er elk jaar evenveel gebouwen aardgasvrij gemaakt. Dit komt bijvoorbeeld neer op 3.316 woningen per jaar voor de gehele periode. Het voordeel van deze strategie is dat deze even behapbaar is over de hele periode. Het nadeel is dat deze als te langzaam of juist te snel wordt ervaren in het begin.
In het exponentiele tijdspad worden er ieder jaar meer gebouwen aardgasvrij gemaakt ten opzichte van het jaar ervoor. Dit komt bijvoorbeeld neer op 500 woningen per jaar in het begin en langzaam toewerken naar 5.000 per jaar aan het einde. Het voordeel van deze strategie is dat er langzaamaan kan worden begonnen, geleerd wordt van de eerste trajecten en later opgeschaald wordt. Het nadeel van deze keuze is dat de opgave voor volgende jaren altijd groter is dan het jaar ervoor, waardoor de druk en de kosten steeds verder toenemen. In het “S-curve”-tijdspad worden er in het begin nog weinig gebouwen aardgasvrij gemaakt, maar wel ieder jaar meer dan het jaar ervoor. Dit zorgt dat op de helft van de tijd ook de helft van het aantal gebouwen aardgasvrij is gemaakt. Precies op de helft worden de meeste gebouwen aangepakt. Daarna worden er ieder jaar minder woningen aardgasvrij gemaakt dan het jaar ervoor.
13
Dit komt bijvoorbeeld neer op 500 woningen per jaar in het begin. Dan wordt er toegewerkt naar 5.000 per jaar in het midden en weer afgebouwd naar 500 woningen per jaar aan het eind. Deze curve maakt de opgave het grootst in het midden, waardoor langzamer aan kan worden begonnen en rustiger kan worden geëindigd. In het “Uitstellen”-tijdspad worden er in de eerste decennia nog weinig gebouwen aardgasvrij gemaakt. In de laatste jaren wordt er een snelle inhaalslag gemaakt om zo toch tot het einddoel te komen. Dit komt bijvoorbeeld neer op 0 woningen per jaar in het begin, na een tijdje 500 per jaar en aan het einde 8.000 per jaar. Het voordeel is dat er in het begin geen hoge kosten hoeven te worden gemaakt. Het nadeel is dat de opgave te ver vooruit wordt geschoven en onder een te hoge tijdsdruk moet worden gerealiseerd.
veel onduidelijk, bijvoorbeeld hoeveel middelen gemeenten ter beschikking hebben voor deze opgave. Daarom willen de gemeenten relatief rustig beginnen en daarna opschalen. Voor Gooise Meren, Huizen en Blaricum heeft het S-curve model de voorkeur. Wijdemeren kiest voor een exponentieel model en Laren wil eerst uitstellen alvorens met een exponentieel model te beginnen. Voor de korte termijn betekent dit dat de meeste gemeenten met één wijkuitvoeringsplan willen starten tussen 2022 en 2026. Laren start niet voor 2026, Gooise Meren is al gestart met een wijk en beslist later of daar de komende jaren een wijkuitvoeringsplan aan toegevoegd kan worden.
Gemeente
Voorkeur voor tijdspad
Tussen 2022 en 2026 opstarten van aantal WUP’s
Blaricum
S-Curve
1
Gooise Meren
S-Curve
1 of 2
Huizen Laren Wijdemeren
S-Curve (met versnelling rond 2040) 2022-2026: Uitstellen Na 2026: Exponentieel Exponentieel
Keuze volgt later 0 1
De gemeenten geven hierbij de volgende toelichting: Gemeente Blaricum De toelichting van de gemeente Blaricum volgt nog.
2.3.3 Keuzes opgave en tijdspad Voor alle gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek is de opgave om aardgasvrij te worden groot en moet expertise opgedaan worden. Ook is nog
14
Gemeente Gooise Meren
Gemeente Laren
Gooise Meren kiest voor een tijdspad dat past bij de ambitie, capaciteit en middelen. Er wordt nu in Muiderberg ervaring opgedaan en zo mogelijk wil Gooise Meren voor 2026 een tweede wijk opstarten. Dat betekent dat er voor 2026 twee wijkuitvoeringsplannen kunnen worden vastgesteld. Door slim gebruik te maken van zowel de opgedane ervaring binnen de gemeente als van de opgedane kennis en ervaring elders in het land, wil Gooise Meren binnen de mogelijkheden daarna versnellen zodat echt vaart gemaakt kan worden met CO2 besparing. Hiermee kiest Gooise Meren voor het S-curve model.
De toelichting van de gemeente Laren volgt nog.
Wij kiezen nu niet voor een ‘snelle start’ of ‘lineaire groei’. Hiervoor zouden wij in korte tijd meer Wijkuitvoeringsplannen moeten starten. Vooralsnog heeft de gemeente hier niet de middelen of capaciteit voor. Een belangrijke voorwaarde voor Gooise Meren om een Wijkuitvoeringsplan tot uitvoering te brengen, is de betaalbaarheid en haalbaarheid voor de eindgebruikers. Gemeente Huizen De gemeente Huizen wil de keuze voor het al dan niet starten van de eerste wijkuitvoeringsplannen opnemen in de uiteindelijke Transitievisie Warmte, nog niet in deze kadernotitie. In welke mate invulling wordt gegeven aan randvoorwaarden die de VNG heeft gesteld (bevoegdheden en compensatie van de uitvoeringslasten voor gemeenten) speelt daarbij een grote rol. Daarnaast is de kansrijkheid van de warmtetechniek per wijk van belang, informatie die nu nog niet volledig beschikbaar is. Naarmate technieken op ruime schaal bewezen én (ten opzichte van aardgas) betaalbaar zijn voor bewoners, zal de bereidheid van bewoners om mee te gaan in de transitie groter zijn wanneer dit niet het geval is. Vanuit het oogpunt van een zorgvuldig en kansrijk proces zal de start van het eerste wijkuitvoeringsplan daarop zijn afgestemd.
Gemeente Wijdemeren De gemeente Wijdemeren heeft de ambitie om binnen vijf jaar (voor 2026) te starten met een eerste Wijkuitvoeringsplan. Daarmee zetten wij de warmtetransitie in gang en doen wij kennis en ervaring op. Dit is nuttig, omdat wij de Transitievisie Warmte iedere 5 jaar herijken. Het opstarten van een Wijkuitvoeringsplan helpt ons bij de eerste herijking in 2026. Met het opstarten van één Wijkuitvoeringsplan voor 2026 is het tijdspad ‘exponentiele groei’ een logische keuze. Echter is de warmtetransitie volop in ontwikkeling. Op basis van nieuwe kennis, technieken en financieringsmogelijkheden kan het tijdspad andere vormen aannemen. Dit herijken wij over 5 jaar. Wij kiezen nu niet voor een ‘snelle start’ of ‘lineaire groei’. Hiervoor zouden wij in korte tijd meer Wijkuitvoeringsplannen moeten starten. Vooralsnog heeft de gemeente hier niet de middelen of capaciteit voor. Wij kiezen nadrukkelijk ook niet voor een ‘uitstel tijdspad’. Het niet opstarten van een Wijkuitvoeringsplan zou bij dit tijdspad horen. Een belangrijke voorwaarde voor Wijdemeren om een Wijkuitvoeringsplan tot uitvoering te brengen, is de betaalbaarheid voor de eindgebruikers.
15
3. Keuze voor een warmtetechniek In de Transitievisie Warmte geeft een gemeente een eerste beeld van hoe zij de toekomstige warmtevoorziening van hun gemeente voor zich zien. In dit hoofdstuk gaan wij in op welke technieken op dit moment worden bekeken en hoe de keuze voor een warmtetechniek zal worden gemaakt. Allereerst zal ingegaan worden op wat het betekent wanneer de gemeente een keuze maakt voor een voorlopige warmtetechniek in de TVW.
3.1 Wat betekent een keuze voor een warmtetechniek? In de Transitievisie Warmte wordt voor buurten in de gemeente aangegeven welke verwarmingstechniek de gemeente voorlopig ziet als meest waarschijnlijke aardgasvrije oplossing. Dit beeld wordt gegeven op basis van de nu bekende inzichten. Deze oplossing is in sommige buurten zekerder dan anderen. Het kan daarmee ook zijn dat voor sommige buurten er nog geen keuze kan worden gemaakt. Hiernaast gaat het om een dominante voorkeurstechniek per buurt 2. In ieder buurt zullen uitzonderingen aanwezig zijn. Wanneer een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt bijvoorbeeld. Ook kunnen voor kantoren en andere bedrijfsgebouwen andere technieken interessant zijn dan voor woningen.
2
Zoals in paragraaf 1.3 vermeld, is het nog aan gemeenten om te bepalen wat de precieze afbakening van een ‘buurt’ is. De landelijke modellen gaan uit van de buurtindeling van het CBS.
De TVW wordt minimaal eens per 5 jaar herijkt om nieuwe inzichten, over warmtetechnieken, kosten en mogelijkheden, mee te kunnen nemen. De TVW geeft een eerste voorlopig beeld van de verwarmingstechnieken. Pas in de Wijkuitvoeringsplannen wordt, in afstemming met de inwoners van een buurt, een definitieve techniek gekozen.
3.2 Warmtetechnieken In de keuze voor warmtetechnieken zijn vier dominante strategieën te onderscheiden. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft met een eerste analyse (de Startanalyse) uitgerekend welk van deze technieken per buurt de voorkeur heeft, als wordt gekeken naar de kosten van de hele maatschappij. Strategie 1: Individuele elektrische warmtepomp Dit is een all-electric strategie met verregaande woningisolatie (minimaal label B). De verwarming van de gebouwen in de buurt gebeurt met een elektrische warmtepomp (WP) voorzien van een buffervat. De radiatoren worden vervangen door een lagetemperatuur (LT)-afgiftesysteem zoals vloerverwarming of LT-radiatoren. Van deze strategie worden twee varianten getoond: een lucht-WP en een bodem-WP. Voor meer informatie over deze strategie, klik hier.
Deze indeling zal ook gehanteerd worden in de TVW. Wel kijken we lokaal nog of deze buurtindeling overal logisch aansluit bij de voorziene warmtetechniek. Dit kan er toe leiden dat voor de wijkuitvoeringsplannen buurten nog in kleinere delen worden gesplitst. 16
Strategie 2: Warmtenet met middenen hogetemperatuurbron In deze strategie worden gebouwen verwarmd met een warmtenet met een afgiftetemperatuur op het middenniveau (70°C). De gebouwen worden geïsoleerd tot een label D. Het net wordt gevoed door warmtebronnen met een temperatuur van 70°C of hoger. De piekketels draaien op groen gas. Mogelijke warmtebronnen zijn industriële restwarmte en geothermie. Voor meer informatie over deze strategie, klik hier. Strategie 3: Warmtenet met lagetemperatuurbron Deze strategie bestaat uit verwarming met een warmtenet dat wordt gevoed met lagetemperatuurbronnen. De ontwerper van het systeem heeft de mogelijkheid om collectief (voor een groep gebouwen) de warmte op een voldoende hoge temperatuur te brengen (70°C) of individueel in de woning. Wanneer de warmte collectief wordt opgehoogd, wordt de woning tot een label D geïsoleerd, en is er geen losse voorziening voor warm tapwater nodig. Gebeurt dit individueel in de woning, dan zal de woning moeten worden geïsoleerd tot label B, en is een warmtepomp nodig om ook warm tapwater te leveren. Voor meer informatie over deze strategie, klik hier. Strategie 4 en 5: Duurzaam gas In deze strategieën blijft het gasnet in gebruik, voor groengas of voor waterstofgas. Het gas wordt gebruikt voor een standaard HR-ketel of in combinatie met een hybride warmtepomp.
De woning wordt beperkt geïsoleerd (tot label D). Omdat zowel groengas als waterstof zeer beperkt beschikbaar zijn tot aan 2030, en daarna ook in beperkte hoeveelheden, zijn deze strategieën alleen
geschikt voor buurten waar andere strategieën niet zijn toe te passen, of erg duur zijn. Voor meer informatie over de strategie groengas, klik hier. Voor de strategie waterstof klik hier.
3.2.1 Hoe gaat de gemeente om met innovatie? De warmtetransitie is net gestart. De komende jaren zal er worden geleerd, en dit geeft ruimte voor innovatie. Tegelijkertijd moet er worden gestart met de warmtetransitie om deze innovaties te laten ontstaan. Op dit moment zijn er twee belangrijke innovaties geïnventariseerd voor de gemeente. Het gaat hierbij om groengas en waterstof en de ontwikkelingen rondom ultradiepe geothermie. Gekozen wordt om nu nog niet te wachten tot deze technieken komen, maar wel een vinger aan de pols te houden om deze innovaties in de toekomst wel mee te kunnen nemen in de warmtetransitie. Groengas en waterstof Voor 2030 zullen groengas en waterstof geen grote rol kunnen spelen in de verwarming van de woningen en gebouwen in de gemeente (zie het kader op de volgende pagina). Wel zijn pilots nodig om ervaring op te doen met waterstof. Een groep inwoners van Naarden-Vesting heeft de wens een pilot te starten met waterstof voor verwarming van de vesting. Naast pilots wordt in de Transitievisie Warmte bekeken voor welke buurten duurzaam gas de meeste meerwaarde heeft. Duurzaam gas wordt gezien als een sluitstuk in de energietransitie: in deze buurten zal de gemeente niet starten met initiatieven om woningen van het aardgasnet af te halen. Wel kunnen bewoners starten met het isoleren van hun woningen, en het plaatsen van bijvoorbeeld hybride warmtepompen.
Richting 2030 komt er meer informatie over de beschikbaarheid van groengas en waterstof voor de verwarming van woningen en gebouwen. In een volgende update van de Transitievisie zullen deze inzichten worden meegenomen. 17
Het Expertisecentrum Warmte heeft onlangs het volgende bericht naar buiten gebracht over de beschikbaarheid van waterstof en groengas: Onzekerheden waterstof Grootschalige toepassing van waterstof in de gebouwde omgeving is nu nog onzeker vanwege een aantal redenen: Er is nog onvoldoende ervaring met inzet van pure waterstof voor de gebouwde omgeving. De komende jaren wordt ingezet op pilots om de nodige ervaring op te doen. Momenteel is de productie van duurzame waterstof zeer beperkt en partijen gaan pas investeren in productie van waterstof als er een goede markt ontstaat. Het is nog onduidelijk of dit gaat gebeuren. Komende jaren wordt een groeiende vraag naar duurzame waterstof verwacht vanuit industrie en mobiliteit. Deze sectoren hebben soms beperkte verduurzamingsalternatieven bijvoorbeeld omdat hoge temperaturen (>500 °C) vereist zijn, of voor zwaar vervoer waar elektrificatie geen haalbaar alternatief lijkt. Dit kan alleen gerealiseerd worden met groengas, biobrandstoffen of waterstof. Wilt u meer weten over waterstof, klik dan hier. Onzekerheden groengas De huidige productie van groengas is beperkt (0,1 miljard m³ in 2018). Afgezet tegen de 11 tot 12 miljard m³ aardgas die momenteel in de gebouwde omgeving gebruikt wordt, is dit een klein volume.
De groengassector heeft de ambitie om in 2030 2 miljard m³ groengas te produceren, waarvan het merendeel naar de gebouwde omgeving zou kunnen gaan. Of deze ambitie gerealiseerd kan worden is deels afhankelijk van de doorbraak van nieuwe technologieën. Het is nog onzeker of deze technologieën goed genoeg werken. Na 2030 wordt bovendien een groeiende vraag naar groengas verwacht vanuit de industrie en mobiliteit, gezien de beperkte verduurzamingsalternatieven in deze sectoren. Wilt u meer weten over groengas, klik dan hier.
Ultradiepe geothermie Ultradiepe geothermie is een geothermieboring op zeer grote diepte (meer dan 4km) waarbij er hogere temperaturen uit de bodem gewonnen kunnen worden. Het is een innovatieve techniek: er zijn nog geen succesvolle ultradiepe geothermieboringen in Nederland gedaan. Larderel Energy is bezig met het ontwikkelen van een ultradiepe geothermiebron in Eemnes, en heeft interesse geuit in het ontwikkelen van dit soort geothermiebronnen in de regio Gooi en Vechtstreek. Larderel heeft hiervoor ook een opsporingsvergunning aangevraagd. Momenteel is de beschikbaarheid en potentie van geothermie in de regio nog niet volledig bekend. Een landelijk onderzoek (SCAN) zal daar in de loop van 2021 meer duidelijkheid over geven. Ook de proefboring in Eemnes zal meer inzicht geven in de beschikbaarheid en kansrijkheid van ultradiepe geothermie. De gemeenten blijven de ontwikkelingen rondom het initiatief van Larderel volgen. Conclusie Momenteel worden duurzame gassen en ultradiepe geothermie gezien als interessante ontwikkelingen waar momenteel nog te weinig zekerheid over is om mee te nemen in deze Transitievisie Warmte. Wanneer nieuwe inzichten over deze technieken naar voren komen zal de Transitievisie Warmte worden geüpdatet. Minimaal zal dit eens in de vijf jaar gebeuren.
18
3.3 Hoe wordt de keuze gemaakt voor een warmtetechniek?
Figuur 1. Illustratief voorbeeld van een gemeente met een voorziene warmtetechniek per buurt.
Voor de gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek zijn de landelijke modelberekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving het uitgangspunt voor de keuze voor warmtetechnieken. Deze berekeningen gaan uit van de laagste nationale kosten3 per buurt. Deze analyse wordt aangevuld met lokale inzichten: de lokale kennis over de aanwezigheid van lokale warmtebronnen, en andere onderzoeken en initiatieven die er in de regio spelen. De verwachting is dat het PBL in de loop van het jaar ook de kosten voor de eindgebruiker per warmtestrategie in beeld brengt. Deze uitkomst kan in een buurt als doorslaggevende factor gebruikt worden indien de laagst nationale kosten van twee warmtetechnieken weinig van elkaar verschillen. De ambitie van de gemeenten Huizen, Blaricum, Gooise Meren en Wijdemeren is om te komen tot een aanduiding van de voorlopige warmtetechnieken die op dit moment worden voorzien voor alle buurten in hun gemeenten. Ook zal duidelijk worden aangeven in welke buurten er op dit moment nog geen duidelijke voorlopige techniek te vinden is, omdat de berekeningen van het PBL geen duidelijke ‘winnaar’ laten zien. De gemeente Laren is van plan om in haar Transitievisie Warmte geen beeld te schetsen van de voorlopig voorziene warmtetechniek.
De startanalyse gaat uit van nationale kosten. De nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om over te stappen op een aardgasvrije warmtetechniek, ongeacht wie die kosten betaalt. Besparingen op de energierekening worden hierin ook meegenomen. De reden 3
om nationale kosten te hanteren, is dat deze kosten een objectief beeld geven van de totale kosten van de energietransitie, zonder vooraf de belangen van één partij (bijvoorbeeld een netbeheerder of woningeigenaar) voorop te stellen. 19
4. Kiezen van startbuurten Naast dat voor de meeste gemeenten geldt dat in de TVW een voorkeur wordt uitgesproken voor de strategieën om aardgasvrij te worden in alle buurten, wordt er ook een volgorde gekozen waarin deze buurten opgestart worden. Hierbij is het belangrijk om aan te geven voor welke buurten zij voor 2030 willen starten met het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan. In dit hoofdstuk schetsen wij eerst beknopt het beoogde proces, schetsen wij de criteria die meegenomen worden, en tot slot schetsen wij hoe de gemeente wil omgaan met het aanwijzen van startbuurten.
4.1 Proces om buurten te prioriteren Om te komen tot een prioritering van alle buurten/dorpen in de vijf gemeenten, maken we gebruik van een zogeheten afwegingskader. Dit kader bevat alle criteria die relevant zijn voor de prioritering; een wegingsfactor van deze criteria en een score van deze criteria per buurt. In deze notitie worden de gehanteerde criteria geduid. In een volgende stap (na de vaststelling van deze bestuurlijke kadernotitie) wordt, gezamenlijk met het projectteam, gekeken welk belang ieder van deze criteria heeft. Hierdoor wordt het duidelijk in welke buurten het logisch lijkt om te starten en welke buurten logischerwijs later aan de beurt komen. Op basis hiervan kan gekeken worden hoeveel buurten de gemeente wil aanwijzen in de Transitievisie Warmte waar ze voor 2030 mee aan de slag willen gaan.
4.2 Criteria Er zijn een tiental criteria geselecteerd die worden meegenomen bij het prioriteren van buurten om een keuze te kunnen maken waar als eerst kan worden gestart met het opstellen van een uitvoeringsplan. Deze criteria zijn onder te verdelen in een aantal categorieën: Technisch-economische criteria Hierbij gaat het over de kosten van de maatregelen, de zekerheid van de modelanalyses, etc. • • •
Lage nationale kosten: Waar zijn de totale kosten van de overstap naar een aardgasvrij alternatief het laagst? Eindgebruikerskosten: Waar zijn de kosten voor de bewoner het laagst? Robuustheid van de resultaten: Waar heeft een optie in verschillende scenario’s en/of modellen de voorkeur? Waar heeft een optie duidelijk lagere kosten dan andere alternatieven?
Werk met werk maken • Investeringsagenda infrastructuur: Waar zijn de komende jaren werkzaamheden gepland in de ondergrond, zoals vervanging van riolering, water- of gasleidingen of andere wegopenbrekingen? • Investeringsagenda vastgoedeigenaren: de natuurlijke herinvesteringsmomenten van lokale vastgoedeigenaren 20
•
(m.n. woningcorporaties) met betrekking tot het renoveren van vastgoed en/of sloop- en -nieuwbouwplannen; Buurtontwikkeling: Waar zijn grootschalige nieuwbouw- of transformatieprojecten?
Sociale kracht • Lokaal buurtinitiatief : Wanneer inwoners en/of bedrijven zelf al een initiatief hebben, dan kan dit een goede reden zijn om hier te starten met de warmtetransitie ; • Sociale karakteristieken van de buurt: • Draagvlak voor de transitie: Er kan gestart worden in die buurten waar de warmtetransitie bij inwoners het meest leeft en het meest gemotiveerd zijn. • Draagkracht: Er kan gestart worden met van bewoners (specifiek particuliere huiseigenaren) die de draagkracht hebben om te investeren, of juist, aansluitend bij sociaal-economisch beleid, zwakkere buurten als eerste aardgasvrij te maken. Overige criteria • Contracteerbaarheid: in buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het contracteren van de warmtevraag eenvoudiger omdat er maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeven te worden gemaakt; • Waarde van het gasnet: Liander investeert in het gasnet, als het gasnet net is aangelegd heeft deze nog een hoge waarde in de boeken. Het is voor Liander daarom wenselijk om te beginnen in buurten waar de waarde van het gasnet het laagst is.
4.3 Vervolgtraject CE Delft en APPM brengen deze criteria voor de buurten van de gemeenten in Gooi en Vechtstreek in beeld. Gezamenlijk met het projectteam en in goed overleg met stakeholders gaan wij in gesprek over welke criteria zwaarder moeten wegen dan anderen, en bekijken wij welke buurten het logisch lijkt om te starten en welke buurten logischerwijs later aan de beurt komen. Deze uitkomsten worden nogmaals kritisch bekeken door het projectteam, en op basis hiervan zal door de gemeenten een keuze worden gemaakt welke buurten de gemeente wil aanwijzen in de Transitievisie Warmte waar ze voor 2030 mee aan de slag willen gaan met het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan. De gemeenten Wijdemeren, Blaricum en Gooise Meren zijn van plan om in hun TVW een buurt aan te wijzen waar zij willen starten met de warmtetransitie. De gemeente Laren is niet van plan om voor 2030 reeds te starten met een traject om in een buurt de woningen van het aardgas af te halen. De gemeente Huizen heeft hierover op dit moment nog geen uitgesproken voorkeur en zal gedurende het project bepalen of het wenselijk is om een buurt aan te wijzen (zie ook de toelichting in paragraaf 2.3.3).
21
5. Uitgangspunten participatie en communicatie 5.1 Inleiding Het is belangrijk dat het proces om tot een TVW te komen een transparant proces is waarin onder andere de bewoners, gebouweigenaren en de raden goed betrokken zijn. In dit hoofdstuk bespreken we daarom de participatie- en communicatie-acties om de verschillende doelgroepen goed mee te nemen in het proces om te komen tot de Transitievisies Warmte.
5.2 Communicatie-uitgangspunten We hanteren in de communicatie richting alle doelgroepen een aantal uitgangspunten: • We zetten communicatie en participatie in als middel om te informeren en technische materie begrijpelijk te maken, bewustwording en eigenaarschap te stimuleren, in gesprek te komen, voorkeuren op te halen, te enthousiasmeren, te verbinden en een basis te creëren voor gedragsverandering. • We zijn eerlijk en transparant. De beschikbare informatie delen we actief en we zijn open over dingen die we nog niet weten. We delen zoveel mogelijk over de voortgang en de status van het proces om te komen tot de TVW. • De TVW raakt iedereen. Het is daarom van belang om alle doelgroepen te voorzien van de juiste informatie en hen te vragen om input waar nodig of wenselijk. Het ophalen van voorkeuren helpt om verwachtingen van betrokkenen in beeld te krijgen en zoveel als mogelijk te verenigen met de ambities in de TVW. Om dit zo goed mogelijk te realiseren, zoeken we naar
•
•
vormen van participatie en communicatie die aansluiten bij de verschillende doelgroepen. Eenieder wordt betrokken op manier die past bij ieders kennis, ervaring en talenten. Zo kan iedereen meewerken aan de leefomgeving vanuit zijn of haar eigen rol. Hierbij maken we gebruik van reeds in de gemeenten aanwezige kennis, kunde en onderzoek. We houden rekening met de andere participatie- en communicatietrajecten die al lopen binnen de gemeentes op het gebied van de energietransitie en ruimtelijke ordening (bijvoorbeeld de RES en de omgevingsvisie). We maken slimme combinaties en houden het voor de doelgroepen behapbaar. We bieden zoveel mogelijk handelingsperspectieven, zodat mensen weten hoe ze tot actie over kunnen gaan. Een voorbeeld is het aanreiken van ‘no regret-maatregelen’ waarmee we huis- en gebouweigenaren handvaten geven om zelf aan de slag te gaan.
We gaan daarom aan de slag met de volgende kernboodschap (volgende bladzijde):
22
o o o
o o o
Eind 2021 is voor alle betrokkenen duidelijk: dat uiterlijk in 2050 gestopt wordt met het gebruik van aardgas; hoe wordt bepaald wanneer in een wijk een WUP wordt opgestart; hoe de TVW tot stand komt, hoe de betrokkenen kunnen meedoen en wat dat van hen vraagt, zodat zij een keuze kunnen maken om wel of niet te participeren dat energie besparen – waaronder isoleren – altijd een goede eerste stap is; waar ze terecht kunnen voor meer informatie over energie besparen en het aardgasvrij maken van hun woning; wat voor een energiebesparingsmaatregelen– zonder spijt – genomen kunnen worden als voorbereiding op aardgasvrij. Zoals toekomstgerichte keuzes bij verbouwingen en de aanschaf van een nieuwe keuken, cv-ketel etc.
Het verkrijgen van zoveel mogelijk draagvlak onder bewoners is nadrukkelijk geen doel op zich voor de Transitievisie Warmte. Dit komt immers aan bod wanneer in de fase erna voor iedere buurt een WUP geschreven gaat worden. Bij het opstellen van deze WUP is, met de TVW als vertrekpunt, het van belang dat er tot een keuze gekomen wordt voor een aardgasvrije techniek en isolatiestrategie dat op zoveel mogelijk draagvlak kan rekenen in de desbetreffende buurt. Meer over deze WUP’s is te lezen in Hoofdstuk 7.
5.3 Communicatie-instrumenten Er zijn verschillende instrumenten die mogelijk zijn om in te zetten voor de inwonerscommunicatie- en participatie. Hieronder lichten we een aantal van de instrumenten verder toe.
5.3.1 Interactieve website Elke gemeente richt op de eigen website een pagina in die gaat over de TVW. Hierop komt uitleg over wat de TVW precies is, hoe het zich onderscheidt van bijvoorbeeld de RES en wat het traject is dat wordt doorlopen binnen de gemeente. Ook plaatsen de gemeentes hier nieuwsberichten, relevante documenten en kondigen ze de bijeenkomsten aan. Daarnaast wordt er een interactieve website ontwikkeld waar alle buurten te zien zijn en waarin de uitkomsten van de TVW zichtbaar worden. Inwoners en gebouweigenaren kunnen hiermee hun eigen buurt aanklikken, zien wat de voorlopige aardgasvrije oplossing wordt en voor wanneer de uitvoering daarvan gepland staat. Deze kaart zal worden gemaakt voor de vijf gemeenten en wordt gehost vanuit de regionale website. Op de verschillende gemeentewebsites zorgen we dat een verwijzing komt waardoor inwoners direct naar de kaart worden geleid.
5.3.2 Animatie TVW Om de inwoners van de vijf gemeenten goed te informeren, willen we graag een animatie inzetten die te zien is op de websites van de gemeenten en wordt gebruikt tijdens informatiebijeenkomsten. Deze animatie neemt op een heldere manier bewoners mee in het proces om te komen tot de TVW. We onderzoeken hierbij of het mogelijk is om aan te sluiten bij bestaande animaties over de TVW en om deze animatie te koppelen aan een enquête.
5.3.3 Bewonersbijeenkomsten In het voorjaar van 2021 vinden de eerste informerende bijeenkomsten plaats voor alle gemeenten. De bijeenkomsten zijn consulterend van aard: bewoners en bedrijven worden gevraagd om mee te denken over de manier waarop buurten geprioriteerd worden en welke warmteoplossingen de voorkeur genieten. Wij doen dit in deze fase omdat de gedachten inmiddels voldoende gevormd zijn
23
om goed beslagen ten ijs te komen richting de inwoners. Voor de bijeenkomsten heeft elke gemeente afzonderlijk gekozen voor een aantal dat zij wil plannen. Vooralsnog wordt, gezien de omstandigheden rondom Covid-19, hierbij uitgegaan van online bijeenkomsten.
5.3.4 Bijeenkomsten in het kader van ‘no regret’-maatregelen Het proces om tot aardgasvrije buurten te komen, is een proces van de lange adem. Hoewel er al processen voor een aantal buurten zijn opgestart, waaronder Muiderberg, worden de meeste buurten pas (ver) na 2030 aardgasvrij. Voor het slagen van de warmtetransitie is deelname van -uiteindelijk – alle bewoners noodzakelijk. Bewustwording over kansen, nut en noodzaak is daarom van cruciaal belang. Uit de consumentenpsychologie weten we dat het bieden van concreet handelingsperspectief een belangrijke stap is op weg naar bewustwording. We willen daarom bewoners nu concrete no regret-maatregelen aanbieden zodat de warmtetransitie geen “ver-van-je-bed-show” is. Dit zijn de maatregelen die voor de bewoners sowieso verstandig zijn om te nemen en die een toekomstige warmte-oplossing niet in de weg staan. Een grote stap in het behalen van een klimaatneutrale regio is immers het verder terugdringen van de energievraag. Hierbij gaan we de samenwerking aan met het regionale Energiedienstenbedrijf aangezien zij een belangrijke rol spelen in het verduurzamen van woningen in de regio, van informatievoorziening tot uitvoering. Hiermee leveren ze een wezenlijke bijdrage aan het terugdringen van de regionale energievraag.
24
6. Plan van Aanpak In deze paragraaf gaan we in op de resterende fasen om tot vijf vastgestelde TVW’s te komen.
6.1 Zeven fasen Wij doorlopen met onze aanpak onderstaande zeven fasen van het Programma Aardgasvrije Wijken.
Expertisecentrum Warmte ondersteunt gemeenten namelijk bij al deze fasen en reikt hiervoor diverse tools aan. In de eerste twee fasen (Verkennen & Plan van Aanpak) is gewerkt aan deze bestuurlijke kadernotitie waarin wordt vastgelegd hoe de TVW’s worden opgesteld. Dit document wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de vijf gemeenteraden. De drie daaropvolgende fasen resulteren in een gezamenlijke Ambtelijke notitie, waarin de volgende elementen komen te staan: Deze notitie bevat de volgende elementen: •
• 1. Fase 1 – Verkennen 2. Fase 2 – Plan van Aanpak 3. Fase 3 – Analyse 4. Fase 4 – Afstemmen 5. Fase 5 – Afwegen 6. Fase 6 – Opstellen 7. Fase 7 - Vaststellen Wij kiezen voor deze fasering om te waarborgen dat de vijf gemeenten zelfstandig aan de slag kunnen na het opstellen van de TVW. Het
• • •
Inleidende omschrijving per gemeente met type woningen/gebouwen, huidige warmtevraag en besparingspotentieel en potentiële warmtebronnen in de omgeving; Een overzicht per gemeente van de voorlopige warmteoplossing van de buurten; Een afwegingskader om de buurtprioritering te bepalen; Een voorkeursvolgorde op basis van het afwegingskader; Een analyse naar bovengemeentelijke kansen.
Voor het vertalen en uitwerken van de bestuurlijke kadernotitie en de ambtelijke notitie tot de vijf gemeentelijke Transitievisies Warmte worden tot slot de fasen Opstellen en Vaststellen uit het stappenplan doorlopen. De regionale inzichten worden op gemeentelijk niveau verder afgewogen tot een definitieve prioritering en vervolgens afgerond tot definitieve TVW’s. Deze TVW’s worden in het derde kwartaal van 2021 vastgesteld door de individuele gemeenteraden.
25
De Transitievisie Warmte is daarmee een document waarin de visie van de gemeenten staat beschreven op de warmtetransitie van alle buurten. Aan de hand van vooraf vastgestelde criteria wordt een tabel opgesteld waarin alle buurten in de vijf gemeenten zijn opgenomen. Daarnaast is een tijdpad opgesteld waarin per buurt duidelijk wordt: • • • • •
Een nadere toelichting op alle fasen is te vinden in Bijlage 1.
Wanneer er gestart wordt met het opstellen van een Uitvoeringsplan met alle betrokken stakeholders; Wanneer dit Uitvoeringsplan gereed moet zijn (en vastgesteld door de Raad); Wanneer de buurt volledig aardgasvrij moet zijn; Inzicht in de voorlopige aardgasvrije variant; Wat de mate van zekerheid is voor de voorlopige aardgasvrije variant.
NB: Zoals in paragraaf 2.3 duidelijk naar voren komt, zal niet iedere gemeente technieken gaan toewijzen aan buurten of (alle) buurten prioriteren. Verder bevat de TVW een richtlijn voor de wijze waarop in buurten wordt gestart met de uitvoering en wordt een aanpak voor het isoleren van gebouwen beschreven. De keuze voor de voorlopige aardgasvrije variant is niet bindend. De definitieve variant wordt pas vastgelegd in het Wijkuitvoeringsplan voor de desbetreffende buurt. Voor alle buurten geldt dat er allereerst werk wordt gemaakt van zoveel mogelijk energiebesparing. De beschikbare warmte moet immers zo goed mogelijk worden verdeeld. Isoleren kent bovendien nog andere voordelen: het levert in veel gevallen op termijn een financieel voordeel op voor de eigenaar en het verbetert het comfort van het gebouw. Uiterlijk in 2026 volgt een nieuwe TVW waar alle buurten opnieuw worden beoordeeld. De buurten die in deze eerste visie na 2026 aan bod komen voor het opstellen van een Uitvoeringsplan, krijgen daarmee wellicht een ander jaartal om opgestart te worden als in de tweede visie hier een wijziging in wordt aangebracht. De eerste twee fasen zijn inmiddels volledig doorlopen.
26
7. Uitgangspunten voor de uitvoering Nadat de Transitievisie Warmte is vastgesteld, gaan de gemeenten aan de slag met de uitvoering voor de buurten in de gemeente. De gemeenten Blaricum, Gooise Meren en Wijdemeren hebben aangegeven in de periode tussen 2022 en 2026 een start te maken met ten minste een zogeheten Wijkuitvoeringsplan. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten beschreven waarop het proces wordt doorlopen om tot deze Wijkuitvoeringsplannen te komen.
7.1 Waarom moeten gemeenten Wijkuitvoeringsplannen schrijven? In het klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeenten de regisseur zijn van de warmtetransitie. Het is dus aan de gemeentelijke organisatie om de transitie naar een klimaatneutrale en aardgasvrije gebouwde omgeving in goede banen te leiden. Dit doet zij door allereerst samen met stakeholders een Transitievisie Warmte op te stellen waarin de visie wordt over de wijze waarop (met de kennis van nu) deze transitie gaat plaatsvinden. Het Klimaatakkoord (2019) voorschrijft dat gemeenten vervolgens per buurt Wijkuitvoeringsplannen op gaan stellen. In het Klimaatakkoord staat hierover opgenomen (pagina 27/28): “De gemeente bepaalt in samenspraak met de betrokken stakeholders de planning van de (stapsgewijze) aanpak richting aardgasvrij en op welke datum daadwerkelijk de toelevering van aardgas wordt beëindigd en legt dit vast in het uitvoeringsplan op wijkniveau. Bij het vaststellen van de termijn worden gemeenten geacht zorgvuldig rekening te houden met in ieder geval voldoende
tijd benodigd voor investeringsplannen van onder andere netbeheerders en gebouweigenaren, waaronder woningcorporaties en relevante instellingen, maar uiterlijk 8 jaar voor de einddatum van het aardgas. Uiterlijk in 2022 wordt – onder andere op basis van ervaringen in het Programma Aardgasvrije Wijken – bepaald of 8 jaar inderdaad de beste termijn is” Dit betekent dat het kader vooralsnog is dat na vaststelling van een Wijkuitvoeringsplan er maximaal 8 jaar de tijd is om de realisatie van de aardgasvrije strategie dusdanig vorm te geven dat de aardgaslevering kan worden beëindigd.
7.2 Wat moet er in een Wijkuitvoeringsplan staan? Samenvattend kan gesteld worden dat daar in ieder geval in moet komen te staan: • De planning waarop de buurt (stapsgewijs) aardgasvrij wordt; • Wanneer de toelevering van aardgas wordt beëindigd; • Welk alternatief voor aardgas wordt gekozen; • Welke concrete fysieke maatregelen daarvoor nodig zijn in de openbare ruimte en in de gebouwen; • Welke investeringen er gedaan moeten worden en door wie; • Welke keuzeruimte er is voor individuele bewoners (bijvoorbeeld om niet mee te gaan in collectieve maatregelen); • Hoe de participatie heeft plaatsgevonden en welke partijen betrokken zijn bij deze planning en keuze voor aardgasvrij alternatief;
27
•
Op welke wijze de keuze is gemaakt om voor deze strategie te gaan (met o.a. motivatie als er niet voor de variant met de laagste maatschappelijke kosten is gekozen).
Omdat het plan impact heeft op vele stakeholders, is het van belang dat het WUP tot stand komt in samenwerking met de relevante stakeholders in de buurt. Naast de aanwezige bewoners en bedrijven, gaat dat bijvoorbeeld ook om de netbeheerder (Liander), het (potentiële) warmtebedrijf, de woningcoöperatie en andere verhuurders, de bouwsector en vertegenwoordigers van de utiliteitsbouw.
7.3 Hoeveel Wijkuitvoeringsplannen moeten er geschreven worden? Om vast te stellen hoeveel WUP’s er in de vijf gemeenten moeten worden geschreven, is allereerst de vraag wat precies bedoeld wordt met een ‘buurt’? Het Klimaatakkoord geeft geen richtlijn hoe groot een buurt precies moet zijn voor het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan. Het is dus aan de gemeenten om vast te stellen wat het geografisch afgebakende gebied is dat onderwerp is van het desbetreffende WUP. Verstandig is om daarbij te kijken naar bijvoorbeeld soortgelijke gebouwen (met vergelijkbare grootten/bouwjaren). Een indeling die gebruikt kan worden, is de wijk- of buurtindeling van het CBS. Deze indeling is voor de vijf gemeenten als volgt:
Aantal wijken
Aantal buurten
Blaricum
1
9
Gooise Meren
6
56
Huizen
13
30
Laren
1
10
Wijdemeren
7
16
Niet altijd zal de indeling van het CBS de juiste indeling zijn voor het kiezen van de WUP’s. Niet voor iedere wijk of buurt zal gelden dat dit een logisch aaneengesloten gebied is om een proces op te starten om tot een alternatieve warmtelevering te komen. Tegelijkertijd bevatten sommige wijken of buurten erg weinig gebouwen en anderen juist weer erg veel. Het adviesbureau Andersson Elffers Felix, dat in opdracht van de Raad voor het Openbaar Bestuur, een doorrekening heeft gemaakt naar de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord, schat vooralsnog in dat voor de WUP uit kan worden gegaan van gemiddeld tussen de 650 en 950 woningen. Dit betekent dat er in totaal het volgende aantal WUP’s moeten worden geschreven:
28
Totaal aantal WUP’s dat moet worden opgestart tussen 2022 en 2040
Aantal WUP’s dat wordt opgestart tussen 2022 en 2026
Blaricum
5 tot 8
1
Gooise Meren
28 tot 41
1 of 2
Huizen
20 tot 29
Keuze volgt later
Laren
6 tot 8
0
Wijdemeren
11 tot 17
1
7.4 Wat is de relatie met de Omgevingsplannen? Het WUP is een onderdeel van het omgevingsplan en het omgevingsplan bevat de juridische sluiting voor het WUP. Het WUP is namelijk een belangrijke bouwsteen voor de onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Het vormt de beleidsmatige basis voor de regels die in het omgevingsplan worden vastgelegd. En andersom is het omgevingsplan het juridische sluitstuk van de beleidskeuzen die in het uitvoeringsplan zijn gemaakt. Het WUP is alleen bindend voor de gemeente zelf. Het omgevingsplan bevat de uitwerking van het uitvoeringsplan in juridische regels, die ook bindend zijn voor bewoners en bedrijven in de gemeente. De relatie tussen een uitvoeringsplan en de wijziging van het omgevingsplan is daarmee vergelijkbaar met de relatie tussen onderzoeken die onder de huidige wetgeving als basis voor een wijziging van een bestemmingsplan worden gebruikt, en het voorstel voor de daarmee samenhangende wijziging van het bestemmingsplan dat aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.