CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Quickscan flora en fauna

gemeenteraad 1 juli 2026, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Afgifte positief bindend advies Rading tussen 56 en 58 (voorheen Dennenlaan, deel 2) (Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen.)11.267 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de natuur betreffen Plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht Opsteller(s): R.G.A. Hagen

Quickscan In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de natuur betreffen Colofon Plangebied

Dennenlaan, Loosdrecht

Opsteller(s)

R.G.A. Hagen

Datum

17-3-2025

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20250063QSv01

Aantal pagina’s

45

Opdrachtgever

Gooi en Omstreken

Contactpersoon

H. van Duuren

Kwaliteitscontrole

J.W.E. Janse

Projectleider

S. Kersten

Wijze van citeren

Hagen, R.G.A., 2025. Quickscan. In het kader van de Omgevingswet en activiteiten die de natuur betreffen. Plangebied: Dennenlaan, Loosdrecht. Kenmerk: ER20250063QSv01. Ecoresult B.V., Hendrik-Ido-Ambacht.

Ecoresult B.V. 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

Hoofdvestiging Hendrik-Ido-Ambacht (postadres) Kringloopweg 22 3343 LR Hendrik-Ido-Ambacht Vestiging Veenendaal Lunet 2-8 3905 NW Veenendaal 2

© copyright Ecoresult B.V. 2025

Ecoresult B.V. is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, de branchevereniging voor ecologisch advies en onderzoek.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

Samenvatting In het kader van de realisatie van nieuwbouw is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied Dennenlaan, Loosdrecht. Door middel van een bureaustudie en veldonderzoek zijn de potenties voor flora en fauna binnen het stelsel Omgevingswet in kaart gebracht. Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten op beschermde gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUS-berekening is noodzakelijk. Daarnaast kunnen negatieve effecten op beschermde soorten niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de volgende soorten, soortgroepen en functies is noodzakelijk: •

Huismus: essentieel leefgebied.

•

Teunisbloempijlstaart: voortplantingsplaatsen en leefgebied.

•

Marterachtigen: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.

•

Hazelworm: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.

In het kader van de specifieke zorgplicht dient er rekening gehouden te worden met algemene broedvogels, zoogdieren, amfibieën, insecten en vaatplanten. Voor deze soortgroepen zijn maatregelen noodzakelijk. Daarnaast is het opstellen van een ecologisch werkprotocol (EWP) noodzakelijk. Om verdere invulling te geven aan de specifieke zorgplicht zijn natuurinclusieve maatregelen van toepassing. Indien bovengenoemde soorten worden aangetroffen en negatieve effecten van de werkzaamheden niet voorkomen kunnen worden is een omgevingsvergunning noodzakelijk voordat met de werkzaamheden kan worden gestart.

3

Inhoudsopgave Samenvatting

3

1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Doel

6

1.3

Onderzoeksmethodiek

6

1.4

Leeswijzer

7

Omschrijving plangebied

9

2.1

Algemeen

9

2.2

Beschrijving

9

2.3

Geplande ingrepen

11

2.3.1

Omschrijving werkzaamheden

11

2.3.2

Methode uitvoering: materieel en werkwijze

11

2.3.3

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode

11

2.3.4

(Ontwerp)tekening

11

2

3

4

5

6

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

12

3.1

Natura 2000

12

3.1.1

Algemeen

12

3.2

Noord-Hollandse Omgevingsverordening

13

3.2.1

NNN, Natuurverbindingen en bijzonder provinciaal landschap

13

Beschermde houtopstanden

14

4.1

Besluit activiteiten leefomgeving

14

4.2

Omgevingsvergunning

14

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

15

5.1

Soorten Vogelrichtlijn

15

5.1.1

Bronnenonderzoek

15

5.1.2

Verkennend veldonderzoek

15

5.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

16

5.2

Soorten Habitatrichtlijn

18

5.2.1

Bronnenonderzoek

18

5.2.2

Verkennend veldonderzoek

18

5.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

20

5.3

Nationaal beschermde soorten

21

5.3.1

Bronnenonderzoek

21

5.3.2

Verkennend veldonderzoek

22

5.3.3

Effectbeoordeling en toetsing

24

5.4

Invasieve exoten

24

Specifieke zorgplichten

25

6.1

Specifieke zorgplicht voor soorten

25

6.1.1

Beschrijving habitat

25

Ecoresult B.V. maart 2025

4

7

6.1.2

Potentieel aanwezige soorten

26

6.1.3

Effect werkzaamheden op mogelijke aanwezige soorten

26

6.1.4

Vervolgstappen specifieke zorgplicht

26

6.2

Specifieke zorgplicht voor houtopstanden

28

Vervolgstappen

29

7.1

Algemeen

29

7.2

Beschermde gebieden

29

7.3

Beschermde soorten

29

7.4

Maatregelen

32

7.5

Onderzoeksperioden

32

7.6

Vergunning

32

8

Conclusies

34

9

Geraadpleegde bronnen

36

9.1

Literatuur

36

9.2

Internet

36

Bijlage 1 - Foto-impressie plangebied

37

Bijlage 2 - Toelichting onderzoekskader stelsel Omgevingswet

40

Omgevingswet

40

Bescherming van gebieden

41

Bescherming van soorten

42

Bescherming van houtopstanden

44

Specifieke zorgplichten

44

Ecoresult B.V. maart 2025

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In opdracht van Gooi en Omstreken heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Dennenlaan, Loosdrecht. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen realisatie van nieuwbouw binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 2). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Een vergunning op basis van wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor noodzakelijk zijn. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn twee jaar geldig aangezien het een bestemmingsplanwijziging betreft.

1.2

Doel Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: •

vergunningplichtige activiteit volgens Besluit activiteit leefomgeving (Bal) voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet (Ow);

•

een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. In het kader van de Omgevingswet (Ow);

•

vergunningplichtige activiteit volgens Besluit activiteit leefomgeving (Bal) voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Omgevingswet (Ow);

•

een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau. In het kader van de Noord-Hollandse Omgevingsverordening;

•

eventuele nadelige gevolgen voor beschermde gebieden, beschermde en bedreigde soorten en houtopstanden in het kader van de specifieke zorgplichten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

1.3

Onderzoeksmethodiek De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie: •

Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 25 februari 2025 door R.G.A. Hagen, ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp – onderzocht.

•

Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 5 zijn gebaseerd op waarnemingen uit

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar: https://www.rvo.nl/onderwerpen/buitenwerken/ecologisch-deskundige 1

Ecoresult B.V. maart 2025

6

de NDFF-database van de afgelopen 5 jaar, tot een afstand van 5 kilometer van het plangebied (zie Figuur 1). Daarnaast zijn, indien beschikbaar, gemeentelijke natuurkaarten geraadpleegd. Op basis van het bronnenonderzoek en het aanwezige habitat was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken. •

Aanvullend hierop is in het kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde en bedreigde soorten tijdens de bureaustudie de NDFF geraadpleegd voor het plangebied en de directe omgeving daarvan. Op basis van de aard en het mogelijke effect van de werkzaamheden kan dit onderzoeksgebied groter worden gemaakt.

•

Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd een actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Figuur 1: Straal (5km) waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode stip geeft het plangebied weer. Kaartbron: OpenStreetMap.

1.4

Leeswijzer In deze rapportage worden allereerst het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en aansluitend de houtopstanden beschreven en beoordeeld. De specifieke zorgplichten per beschermingsregime worden vervolgens behandeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt geadviseerd welke nadere onderzoeken of andere vervolgstappen van toepassing zijn. Afgesloten wordt met een

Ecoresult B.V. maart 2025

7

bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek en een beschrijving van het toetsingskader van de Omgevingswet en de verschillende onderdelen van deze quickscan.

Ecoresult B.V. maart 2025

8

2

Omschrijving plangebied

2.1

Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat een braakliggend terrein tussen de straten Dennenlaan en Rading, binnen de bebouwde kom van Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, provincie NoordHolland (Figuur 2).

Figuur 2: Ligging van plangebied (rode omlijning) voor deze quickscan. Voor regionale ligging van het plangebied, zie kaartinzet rechtsboven. Kaartbron: OpenStreetMap.

2.2

Beschrijving Zie Figuur 3 voor een impressiefoto van het plangebied. In Bijlage 1 - Foto-impressie plangebied voor een uitgebreide visuele weergave. Plangebied •

Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein met delen met sloopafval (puinhopen), enkele bomen en verschillende vaatplantsoorten welke een pioniersvegetatie vormen.

•

De grond is deels verhard door middel van betonplaten. Te midden van het plangebied zit ook een waterafvoer en een put.

•

Bebouwing binnen het plangebied is reeds gesloopt en ten tijde van het veldbezoek daarom afwezig. o

Grenzend aan het plangebied is bebouwing aanwezig in de vorm van loodsen en schuren. De schuur aan de westkant heeft wijkende boeiborden welke toegang geven tot achterliggende ruimtes.

o

In de loods aan de noordgrens van het plangebied zijn openingen in de gevels vastgesteld, daar waar de houten dak betimmering is afgebroken.

•

In het noordoostelijke deel van het plangebied liggen verschillende hopen met puin. Het puin bestaat uit gesloopt gesteente, hout (snoeiafval, takken) en er zijn twee zandhopen. De hopen zijn op sommige plekken meer dan een meter hoog, en er zijn verschillende toegankelijke holtes geconstateerd.

Ecoresult B.V. maart 2025

9

•

Er zijn verschillende bomen aanwezig binnen het plangebied. In geen van de bomen zijn holtes, gaten, kieren, loshangend schors, afgebroken takken of takkennesten aangetroffen. o

In het noorden van het plangebied staat een taxus van ongeveer tien meter hoog. Er zijn in deze boom geen holtes of nesten.

o

Er staat een es en een paar eiken aan de zuidoostelijke grens van het plangebied. De bomen zijn nog niet volwassen. Deze bomen bevatten geen gaten of holtes.

o

In het zuidwesten van het plangebied staan op de grens een aantal volwassen bomen waaronder beuken en een paardenkastanje. De paardenkastanje heeft een dicht struweel groeiend rond de stam.

•

Het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van verschillende vaatplanten welke samen een pioniersvegetatie vormen. Er zijn tijdens het veldbezoek onder andere hoge dichtheden van grote teunisbloem aangetroffen.

•

Het plangebied is onverlicht; straatverlichting is afwezig. Enkel voor de tiny houses ten zuiden van het plangebied, staat straatverlichting.

•

Open water is binnen de grenzen van het plangebied afwezig. Er was tijdens het veldbezoek ook geen indicatie op langdurige aanwezige, langzaam opdrogende poelen.

Nabije omgeving van het plangebied: •

Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Loosdrecht. Ten oosten van het plangebied bevinden zich achter de weg, een bomenkwekerij.

•

Ten zuiden staan tiny houses en rijwoningen.

•

In overige windrichtingen bevinden zich bedrijventerreinen.

Figuur 3: Impressie braakliggend terrein als plangebied Dennenlaan te Loosdrecht. Foto: R.G.A. Hagen | Ecoresult B.V.

Ecoresult B.V. maart 2025

10

Voor een volledige impressie van het plangebied, zie Bijlage 1 - Foto-impressie plangebied.

2.3

Geplande ingrepen

2.3.1

Omschrijving werkzaamheden Het plangebied zal herontwikkeld worden. Dit houdt in ieder geval in: •

Het bouwrijp maken van het plangebied.

•

Het verwijderen en opschonen van het groen binnen het plangebied. Dit betreft ook het kappen van bomen.

•

Realisatie van nieuwbouw: 8 rijwoningen en een appartementengebouw met 21 woningen.

o Daarbij behorende aanleg van infrastructuur.

2.3.2

Methode uitvoering: materieel en werkwijze Per fase start de bouw nadat het (deel)plangebied bouwrijp is gemaakt. Bij het bouwrijp maken (slopen woningen/bergingen, waar nodig verwijderen van bomen, heggen en struiken, grondwerkzaamheden, aanleg bouwwegen). De bouwwerkzaamheden bestaan in hoofdzaak uit: •

Heien paalfundering;

•

bouwen/ monteren casco (wanden, vloeren, gevels, dak); gebruik bouwsteigers, mobiele kranen e.d.;

•

installaties en afbouw;

•

herinrichten openbaar gebied, waaronder straten, fiets- en voetgangersvoorzieningen, parkeerplaatsen, openbaar groen, hagen als afscheiding van privé tuinen met het openbaar gebied; werkzaamheden worden met het nodige (zwaar) materieel uitgevoerd;

•

tijdens de werktijden is de bouwplaats voor zonsopgang en na zonsondergang verlicht met bouwlampen; buiten de werktijden is de bouwplaats na zonsondergang tot voor zonsopgang in het kader van veiligheid spaarzaam verlicht.

2.3.3

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. Het voornemen is de werkzaamheden in 2026 te starten. Een doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage.

2.3.4

(Ontwerp)tekening Een ontwerptekening van de nieuwe situatie is reeds niet beschikbaar.

Ecoresult B.V. maart 2025

11

3

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden Onder de Omgevingswet kunnen gebieden beschermd zijn op landelijk niveau (Natura 2000) en provinciaal niveau (NNN en andere provinciaal beschermde gebieden).

3.1

Natura 2000

3.1.1

Algemeen Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn de Oostelijke Vechtplassen op 0,7 kilometer ten westzuidwesten van het plangebied (zie Figuur 4). Dit gebied heeft stikstofgevoelig habitat.

Figuur 4: Plangebied (blauwe stip) en het nabijgelegen Natura 2000 gebied de Oostelijke Vechtplassen (blauw/groen) en stikstofgevoelig habitat (paars). Bron: AERIUS calculator versie 2024.1.2.

3.1.1.1

Stikstof In de aanlegfase zal er gebruik gemaakt worden van machines die stikstof uitstoten. Ook zal er sprake zijn van bouwverkeer ten bate van dit project. Als gevolg hiervan is stikstofdepositie groter dan 0,005 mol/ha/jr op de nabijgelegen stikstofgevoelig habitat en de daarbij behorende negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere beoordeling van de aanlegfase middels de AERIUS-berekening is noodzakelijk. In de gebruiksfase zal er uitgegaan worden van gasvrije bebouwing (geen stikstofdepositie als gevolg van gasverbranding in het gebouw zelf), maar het gebruik van het plangebied zal wel veranderen (door de woningen is er een verkeersaantrekkende werking). Een nadere beoordeling middels de AERIUS-berekening is noodzakelijk.

Ecoresult B.V. maart 2025

12

3.1.1.2

Overige verstoringsvormen Negatieve effecten als gevolg van andere verstoringsvormen dan stikstofdepositie (zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) zijn uitgesloten wegens de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

3.2

Noord-Hollandse Omgevingsverordening

3.2.1

NNN, Natuurverbindingen en bijzonder provinciaal landschap Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), binnen natuurverbindingen en bijzonder provinciaal landschap (BPL), zie Figuur 5. In de provincie Noord-Holland is een toetsing van externe werking op deze gebieden niet noodzakelijk. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Noord-Hollandse Omgevingsverordening wordt niet overtreden.

Figuur 5: Ligging plangebied (rode omkadering) ten opzichte van in de omgeving aanwezige delen van provinciaal beschermde gebieden: Natuur Netwerk Nederland (lichtgroen), natuurverbindingen (donkergroen, buiten deze kaart) en bijzonder provinciaal landschap (paars) Bron: https://geoapps.noordholland.nl/kaartenportaal/apps/webappviewer/index.html?id=d40b74358f2b49f383113ea8d74362b5

Ecoresult B.V. maart 2025

13

4

Beschermde houtopstanden

4.1

Besluit activiteiten leefomgeving Er worden in dit plangebied bomen gekapt. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom van de gemeente Wijdemeren (zie Figuur 6). Vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom is het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Figuur 6: Het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom (gearceerd) van de gemeente Wijdemeren. Kaartbron: OpenStreetMap.

4.2

Omgevingsvergunning Wellicht is voor het verwijderen van de bomen wel een omgevingsvergunning activiteit kappen van de gemeente nodig. In de bomenverordening van uw gemeente 2 ligt vast voor welke houtopstanden deze vergunning nodig is.

2

https://www.bomenkappenwijzer.nl/wijdemeren#:~:text=Het%20kappen%20van%20bomen%20in%20Wijdemeren%20i s%20niet%20altijd%20toegestaan,het%20broedseizoen%20diverse%20aanvullende%20voorwaarden.

Ecoresult B.V. maart 2025

14

5

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

5.1

Soorten Vogelrichtlijn

5.1.1

Bronnenonderzoek

5.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 1: Waargenomen vogels met jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen in de afgelopen 5 jaar binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied. Bron: NDFF-uitvoerportaal, geraadpleegd op 21-022025. Soort

Beschermingscategorie

Boomvalk

Categorie 4

Buizerd

Categorie 4

Gierzwaluw

Categorie 2

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Havik

Categorie 4

Huismus

Categorie 2

Kerkuil

Categorie 3

Ooievaar

Categorie 3

Ransuil

Categorie 4

Slechtvalk

Categorie 3

Sperwer

Categorie 4

Steenuil

Categorie 1

Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen ook buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rusten verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. Categorie 3: Nesten van vogels (niet-koloniebroeders), die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

5.1.2

Verkennend veldonderzoek

5.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Het plangebied kan dienen als potentieel essentieel functioneel leefgebied van huismus. Het gebied kan gebruikt worden als kwetterplaats, foerageergebied en zandbadplaats. Overige groenstructuren zijn tussen de rijwoningen (waar mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen zitten) en het plangebied slechts in geringe mate aanwezig. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen; bebouwing is afwezig. Er zijn verder geen nestkasten gericht op uilen aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Daarnaast zijn er geen sporen (veren, prooiresten of braakballen) aangetroffen.

Ecoresult B.V. maart 2025

15

Verder ligt het plangebied in een sterk urbane omgeving. Hierdoor worden vaste verblijfplaatsen van steenuil en kerkuil niet verwacht binnen het plangebied. Voor ooievaar is geen geschikt habitat aanwezig. Nestpalen en ooievaarsnesten zijn afwezig binnen het plangebied. Daarnaast is er binnen het plangebied geen geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van natte en vochtige weilanden. Voor slechtvalk is het plangebied ongeschikt, er is geen bebouwing aanwezig. Geschikte nestlocaties van slechtvalk bevinden zich bijna altijd op hoogbouw. Daarnaast is slechtvalk een goed onderzochte soort waar op landelijk niveau de nesten bekend zijn. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van slechtvalk kan op voorhand worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart wordt binnen het plangebied niet verwacht vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties in combinatie met geschikt foerageergebied. Nestplaatsen bevinden zich vaak onder bruggetjes of duikers, sluizen of stuwen nabij dit habitat. Deze elementen ontbreken binnen het plangebied. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen grote bomen of bosschages aanwezig die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen direct rondom het plangebied geen takkennesten waargenomen in bomen.

Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik en sperwer worden uitgesloten. 5.1.2.2

Categorie 5-soorten Het plangebied is geschikt voor categorie 5-soorten, zoals ekster en zwarte kraai. Deze soorten kunnen nesten maken in de bomen en hoge struiken binnen de grenzen van het plangebied.

5.1.2.3

Algemene broedvogels Het plangebied en directe omgeving zijn geschikt als voortplantingsplaats voor algemene broedvogels, zoals groenling, roodborst, houtduif, merel, tjiftjaf Turkse tortel en winterkoning. Algemene vogels kunnen ook tot broeden komen in bijvoorbeeld de bosschages en bomen het plangebied.

5.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

5.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten Potentieel geschikt essentieel leefgebied van huismus zijn in het plangebied aanwezig. De werkzaamheden, waaronder het bouwrijp maken en realiseren van nieuwbouw kan een permanent negatief effect hebben op deze ecologische waarde. Nader onderzoek (Hoofdstuk 7) naar essentieel leefgebied van huismus is noodzakelijk. Hierdoor kan er een vergunningplicht ontstaan (zie Tabel 7) zoals omschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor het uitvoeren van de schadelijke activiteiten, een zogeheten flora- en fauna-activiteit.

Ecoresult B.V. maart 2025

16

Het plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.1.3.2

Categorie 5-soorten Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van categorie 5-soorten als ekster en zwarte kraai. Categorie 5-soorten zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5-soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft lokaal en regionaal algemene vogelsoorten. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Schadelijke effecten op bezette nesten van Categorie 5-soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden zijn te voorkomen door het treffen van maatregelen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord), zie Hoofdstuk 7.

5.1.3.3

Algemene vogels Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied zijn potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels als groenling, roodborst, houtduif, merel, tjiftjaf Turkse tortel en winterkoning. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen door bijvoorbeeld buiten het broedseizoen te werken (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord), zie Hoofdstuk 7. Ook geldt de specifieke zorgplicht voor soorten (art. 11.27 Bal), zie Hoofdstuk 6.

Ecoresult B.V. maart 2025

17

5.2

Soorten Habitatrichtlijn

5.2.1

Bronnenonderzoek

5.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 2: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten in de afgelopen 5 jaar binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied. Bron: NDFF-uitvoerportaal, geraadpleegd op 21-02-2025. Soort

Soortgroep

Baardvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Kleine dwergvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Laatvlieger

Zoogdieren - Vleermuizen

Meervleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Rosse vleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Tweekleurige vleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Watervleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Noordse Woelmuis

Zoogdieren - Overig

Heikikker

Amfibieën

Kamsalamander

Amfibieën

Poelkikker

Amfibieën

Rugstreeppad

Amfibieën

Vroedmeesterpad

Amfibieën

Teunisbloempijlstaart

Nachtvlinders

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

Oostelijke witsnuitlibel

Libellen

Sierlijke witsnuitlibel

Libellen

Gestreepte waterroofkever

Kevers

Groenknolorchis

Vaatplanten

5.2.2

Verkennend veldonderzoek

5.2.2.1

Vleermuizen Gebouwbewonende vleermuizen De bebouwing binnen het plangebied biedt geen potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Bebouwing is afwezig binnen het plangebied, waardoor gebouwbewonende soorten vleermuizen als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis op voorhand kan worden uitgesloten.

Ecoresult B.V. maart 2025

18

Direct naast het plangebied zijn enkele gebouwen wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, namelijk de schuren ten noorden en westen van het plangebied. Boombewonende vleermuizen De bomen in het plangebied zijn ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. De bomen zijn te klein en/of bevatten geen holten, loshangend schors of scheuren welke door deze soorten gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats. Foerageergebied en vliegroute Er zijn binnen het plangebied geen structuren (lijnvormige elementen, bijvoorbeeld een bomenrij) aanwezig die onderdeel kunnen zijn van een potentiële (essentiële) vliegroute3. In de omgeving zijn dit soort structuren wel aanwezig in de vorm van bomenrijen (bijvoorbeeld de bomenrij aan de Rading) die grotere groenstructuren (bijvoorbeeld parken) aan elkaar verbinden. Wat betreft foerageergebied zijn er enkele groenstructuren aanwezig binnen het plangebied waar vleermuizen kunnen foerageren zoals rond de bomen en grote struiken. Echter zijn in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig, zoals de bomenkwekerij ten oosten van het plangebied. Binnen het plangebied is potentieel essentieel foerageergebied afwezig. 5.2.2.2

Overige zoogdieren Aanwezigheid van noordse woelmuis is uitgesloten binnen de grenzen van het plangebied. Deze soort komt voor in natte terreinen en moerasgebieden. Noordse woelmuis heeft de voorkeur voor hoge, grasachtige vegetaties zonder aanwezigheid van struwelen en bomen. Voorbeelden hiervan zijn rietlanden, moerassen, extensief beheerde weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde gebieden. Vanwege het ontbreken van deze leefgebieden binnen het plangebied kan de aanwezigheid van noordse woelmuis worden uitgesloten.

5.2.2.3

Amfibieën Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van rugstreeppad en vroedmeesterpad. Geschikt voortplantingswater en/of zandige ondergrond welke als overwinteringsplaats voor deze soorten kan dienen is afwezig binnen het plangebied. Poelkikker en heikikker hebben de voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren (poelen en vennen) in bos- en heidegebieden op hoge zandgronden of in uiterwaarden. Dit type habitat is in en rondom het plangebied afwezig. Aanwezigheid van kamsalamander is op voorhand uit te sluiten. Deze soort leeft nabij poelen met helder water en een uitbundige aquatische vegetatie. Al deze aspecten van het habitat van deze soort zijn afwezig, binnen en in de directe omgeving van het plangebied.

3 Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute te veel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen.

Ecoresult B.V. maart 2025

19

5.2.2.4

Nachtvlinders Het plangebied biedt potentieel geschikt habitat voor teunisbloempijlstaart. De soort komt voor in open plekken op braakliggende terreinen, bosranden, en halfopen landschappen met warme open plaatsen. Teunisbloempijlstaart maakt gebruik van diverse soorten waardplanten waaronder teunisbloemsoorten, basterdwederiksoorten, grote kattenstaart en (harig)wilgenroosje. Het plangebied voldoet aan de eisen van het habitat van teunisbloempijlstaart door het braakliggende karakter met zonnige delen, en de aanwezigheid van grote teunisbloem (in hoge dichtheden) en basterdwederik.

5.2.2.5

Libellen Het plangebied is ongeschikt voor libellen beschermd onder de habitatrichtlijn als gevlekte witsnuitlibel, oostelijke witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel. De gedeelde noemer van het habitat betreffende deze soorten is de aanwezigheid van ondiep (minder dan één meter), matig voedselrijk, open water in de vorm van meren, poelen of vennen, met een hoge waterkwaliteit en een natuurlijke aquatische- en oeverbegroeiing in voornamelijk veengebieden. Deze habitatkenmerken zijn afwezig binnen en rondom het plangebied waardoor deze soorten op voorhand uitgesloten kunnen worden. Het habitat is wel aanwezig in het nabijgelegen Natura-2000 gebied, de Oostelijke Vechtplassen.

5.2.2.6

Kevers De gestreepte waterroofkever op voorhand uit te sluiten binnen het plangebied, vanwege de afwezigheid van open, helder, water en een dichte aquatische vegetatie.

5.2.2.7

Vaatplanten Groenknolorchis komt voor op zonnige, soms licht beschaduwde, iets open plaatsen (vaak enigszins verstoorde plekken) op vrij natte, voedselarme, zwak zure tot kalkhoudende grond (laagveen, venig zand, venig leem, min of meer humeus zand en stenige grond). Vaak op plekken die in de winter zeer nat zijn (of zelfs onder water kunnen staan). De ondergrond van het plangebied is zanderig (op sommige plekken verhard) maar goed ontwaterd en droog. Hierdoor kan aanwezigheid van groenknolorchis in het plangebied worden uitgesloten.

5.2.3

Effectbeoordeling en toetsing Aanwezigheid van teunisbloempijlstaart binnen het plangebied is op voorhand niet uit te sluiten. Door de werkzaamheden, namelijk het bouwrijp maken van het gebied, kunnen er permanente negatieve effecten optreden op het voortplantingshabitat en leefgebied van teunisbloempijlstaart. Nader onderzoek is noodzakelijk alvorens de werkzaamheden kunnen starten. Indien de soort wordt aangetroffen, is een vergunning in het kader van de omgevingswet noodzakelijk. Het plangebied is voor overige soorten welke beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Ecoresult B.V. maart 2025

20

5.3

Nationaal beschermde soorten

5.3.1

Bronnenonderzoek

5.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Tabel 3: Waargenomen Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 11.2.4 Bal) in de afgelopen 5 jaar binnen een afstand van 5 kilometer van het plangebied. Bron: NDFF-uitvoerportaal, geraadpleegd op 21-02-2025. Provinciale Provinciale Soort Soortgroep Soort Soortgroep vrijstelling vrijstelling Aardmuis Zoogdieren Ja Wezel Zoogdieren Nee Boommarter

Zoogdieren

Nee

Woelrat

Zoogdieren

Ja

Bosmuis

Zoogdieren

Ja

Hazelworm

Reptielen

Nee

Bunzing

Zoogdieren

Nee

Levendbarende hagedis Reptielen

Nee

Das

Zoogdieren

Nee

Ringslang

Reptielen

Nee

Dwergmuis

Zoogdieren

Ja

Alpenwatersalamander

Amfibieën

Nee

Dwergspitsmuis

Zoogdieren

Ja

Bastaardkikker

Amfibieën

Ja

Eekhoorn

Zoogdieren

Nee

Bruine kikker

Amfibieën

Ja

Egel

Zoogdieren

Ja

Gewone pad

Amfibieën

Ja

Gewone bosspitsmuis Zoogdieren

Ja

Kleine watersalamander

Amfibieën

Ja

Haas

Zoogdieren

Ja

Meerkikker

Amfibieën

Ja

Hermelijn

Zoogdieren

Nee

Grote vos

Dagvlinders

Nee

Huisspitsmuis

Zoogdieren

Ja

Grote weerschijnvlinder

Dagvlinders

Nee

Konijn

Zoogdieren

Ja

Kempense heidelibel

Libellen

Nee

Ree

Zoogdieren

Ja

Akkerogentroost

Vaatplanten

Nee

Rosse woelmuis

Zoogdieren

Ja

Dennenorchis

Vaatplanten

Nee

Steenmarter

Zoogdieren

Nee

Kartuizer anjer

Vaatplanten

Nee

Veldmuis

Zoogdieren

Ja

Korensla

Vaatplanten

Nee

Vos

Zoogdieren

Ja

Muurbloem

Vaatplanten

Nee

Waterspitsmuis

Zoogdieren

Nee

Ecoresult B.V. maart 2025

21

5.3.2

Verkennend veldonderzoek

5.3.2.1

Zoogdieren Het plangebied is mogelijk geschikt voor marterachtigen als bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Deze soorten kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied, in de puinhopen verspreid over het braakliggende terrein. Daarnaast kunnen marterachtigen het plangebied gebruiken als functioneel leefgebied, in de vorm van foerageergebied. Het plangebied en de directe omgeving zijn potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in Noord-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreft o.a. egel, konijn en verschillende soorten (spits)muizen. Das is op voorhand uit te sluiten binnen het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen aanwijzingen geconstateerd welke op aanwezigheid van deze soort kan duiden. Zo zijn er geen burchten aanwezig. Verder zijn er geen sporen (pootafdrukken, uitwerpselen, wissels, bundels met nestmateriaal en wroetgaten) waargenomen. Bomen met holten en grote boomnesten zijn afwezig, waardoor aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van boommarter en eekhoorn is uitgesloten. Open water, drassige en moerassige gebieden zijn afwezig binnen het plangebied, waardoor aanwezigheid van waterspitsmuis op voorhand is uit te sluiten.

5.3.2.2

Reptielen Aanwezigheid van hazelworm kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hazelworm komt voor op en aan de randen van heidegebieden, open bos(randen) op en rond de gebieden met pleistocene zandgronden. De soort heeft binnen dit habitat een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Hazelworm kan voorkomen langs wegbermen, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. Deze elementen van het leefgebied van hazelworm zijn aanwezig binnen de grenzen van het plangebied. Daarnaast zijn hazelwormen waargenomen binnen 200 meter van het plangebied. De dichtbij zijnde waarnemingen van deze soort komen van achter de bomenkwekerij ten oosten van het plangebied. Vaste rust- en verblijfplaatsen van ringslang kunnen op voorhand worden uitgesloten. Ringslangen hebben als voorkeurshabitat waterrijke, zonbeschenen gebieden op de overgangen van zandgronden naar veen- en kleigronden, met een structuurrijke oeverbegroeiing. Deze habitattypen

zijn

afwezig

binnen

het

plangebied.

Verder

zijn

broedhopen

die

als

voortplantingsplaats kunnen dienen niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. De levendbarende hagedis komt voor op heide, hoogveen of in open bossen of ruige graslanden. Binnen deze habitats komt de soort voornamelijk voor op de vochtige delen van de terreinen. Dit type habitat is niet aanwezig binnen het plangebied, waardoor levendbarende hagedis kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn de dichtstbijzijnde vindplaatsen van deze soort zijn verder dan 4 kilometer van het plangebied. Door de aanwezigheid van vele ecologische barrières is het

Ecoresult B.V. maart 2025

22

uitgesloten dat levendbarende hagedis binding heeft met het plangebied. Levendbarende hagedis is daarom op voorhand uitgesloten. 5.3.2.3

Amfibieën Het plangebied is door de afwezigheid van open water en/of tijdelijke poelen, enkel geschikt als terrestrisch habitat voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Noord-Holland een vrijstelling geldt, zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Overige beschermde, en niet vrijgestelde amfibieën, zijnde Alpenwatersalamander, zijn uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt habitat. Open water wat als voortplantingswater kan dienen is in het plangebied niet aanwezig. Verder betreffen de waarnemingen van Alpenwatersalamander binnen het zoekgebied van de NDFF (straal van vijf kilometer) enkel uitgezette en ontsnapte dieren; het natuurlijke verspreidingsgebied heeft geen overlap met de locatie van het plangebied.

5.3.2.4

Dagvlinders Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos en grote weerschijnvlinder. Grote vos komt voor in bossen, halfopen landschappen en duingebieden en heeft als waardplanten hoofdzakelijk iep, een variatie van soorten kers, populier en enkele soorten wilgen. De soort plant zich voort rondom de toppen van solitaire bomen en overwintert in grotten en boomholten. Binnen en grenzend aan het plangebied zijn geen waardplanten van de soort aanwezig. Geschikt functioneel leefgebied in de vorm van bosranden, boomgaarden of solitaire bomen met voldoende voedselbeschikbaarheid (boomsappen) zijn afwezig. Overwintering van de soort is uitgesloten wegens het ontbreken van (bereikbare) ondergrondse ruimten en afwezigheid van boomholten. Grote weerschijnvlinder komt veelal voor in oudere, vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen. Waardplanten van de soort zijn boswilg en grauwe wilg, welke niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Geschikt foerageergebied voor grote weerschijnvlinder is afwezig binnen het plangebied.

5.3.2.5

Libellen Kempense heidelibel komt voor bij stilstaande of langzaam stromende, niet te voedselrijke wateren welke (ten dele) niet te diep zijn en daardoor snel kunnen opwarmen. Vanwege het ontbreken van open water binnen het plangebied is voortplantingshabitat van deze soort op voorhand uit te sluiten.

5.3.2.6

Vaatplanten Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor beschermde muurvegetatie (muurbloem) – aanwezig in het plangebied. Door de ligging van het plangebied in urbane omgeving, met algemene verwilderde vegetatie op een ongeschikte bodem voor zeldzame vegetatie en de afwezigheid van akkerreservaten, zijn geschikte groeiplaatsen voor soorten als akkerogentroost, dennenorchis, Kartuizer anjer en korensla in het plangebied daarom niet aanwezig.

Ecoresult B.V. maart 2025

23

5.3.3

Effectbeoordeling en toetsing Het plangebied is mogelijk geschikt voor marterachtigen als bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats en/of functioneel leefgebied. Door de werkzaamheden zoals het bouwrijp maken van het plangebied kunnen marterachtigen worden verstoord, of vaste rust- en verblijfplaatsen permanent worden verwijderd. Nader onderzoek naar marters is noodzakelijk. Wanneer één of meerdere soorten worden aangetroffen is mogelijk een vergunning in het kader van de omgevingswet noodzakelijk. Verder is het plangebied mogelijk geschikt voor hazelworm. Deze soort kan vaste rust- en verblijfplaatsen of een functioneel leefgebied hebben binnen de grenzen van het plangebied. Door de werkzaamheden, zoals het bouwrijp maken van het plangebied kan hazelworm worden verstoord, of verblijfplaatsen en/of leefgebied permanent worden verwijderd. Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van hazelworm is noodzakelijk. Wanneer hazelworm wordt aangetroffen is mogelijk een vergunning in het kader van de omgevingswet noodzakelijk.

Het plangebied is daarnaast geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt, zoals zoogdieren als egel, konijn, en algemene (spits)muizen en amfibieën als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet op voorhand uit te sluiten, maar nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de specifieke zorgplicht, zie Hoofdstuk 6. Voor overige vrijgestelde en niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.4

Invasieve exoten Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten vastgesteld in het plangebied. Uitheemse duizendknopen, Amerikaanse rivierkreeften, reuzenberenklauw en/of andere invasieve exoten zijn niet aanwezig.

Ecoresult B.V. maart 2025

24

6

Specifieke zorgplichten Onder de Omgevingswet kent ieder beschermingsregime (gebieden, soorten en houtopstanden) zijn eigen specifieke zorgplicht. Dit is een uitwerking van de algemene zorgplicht uit art. 1.7 en 1.8 van de Omgevingswet. Dit hoofdstuk toetst uitsluitend op de specifieke zorgplicht voor soorten (art. 11.27 Bal) en voor houtopstanden (art. 11.116 Bal). Een specifieke zorgplicht voor gebieden wordt getoetst in een eventuele voortoets (zie Hoofdstuk 3). Disclaimer: De specifieke zorgplichten zijn een nieuw instrument in de natuurwetgeving bij invoering van de Omgevingswet. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe het bevoegd gezag gaat handhaven op de invulling en uitvoering van specifieke zorgplichten. De toetsing in dit hoofdstuk volgt de stappen uit de wettekst van art. 11.27 Bal. Indien het bevoegd gezag een handreiking publiceert of er jurisprudentie ontstaat over de invulling en uitvoering van specifieke zorgplichten voor natuur zal deze toetsing daarop mogelijk aangepast moeten worden.

6.1

Specifieke zorgplicht voor soorten De specifieke zorgplicht schrijft voor dat; •

burgers, ondernemers en overheden alle activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor van nature in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving achterwege laten.

Onder de zorgplicht vallen álle dier- en planten soorten die in Nederland voorkomen of zouden kunnen voorkomen. Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende categorieën of lijsten 4: •

Alle in het wild levende vogels die in Nederland voorkomen (Vogelrichtlijn).

•

Alle trekvogels die regelmatig voorkomen in Nederland.

•

Alle in het wild voorkomende dier- en plantensoorten die in Nederland voorkomen (Habitatrichtlijn, Nationaal beschermde soorten en rode lijsten).

•

6.1.1

Belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voor in Nederland voorkomende soorten.

Beschrijving habitat Het plangebied betreft een braakliggend terrein aan de rand van de bebouwde kom van Loosdrecht.

Onder de specifiek zorglicht vallen dus ook de soorten die vallen onder de zwaarste beschermingscategorieën betreffende: • Jaarrond beschermde vogelsoorten (waaronder huismus en gierzwaluw). • Habitatrichtlijnsoorten (waaronder alle vleermuizen). • Nationaal beschermde soorten die niet door de desbetreffende provincies zijn vrijgesteld. Onder deze wetten zijn alle vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied beschermd. Deze soorten zijn in het voorgaande hoofdstuk behandeld en worden hierdoor bij dit onderdeel niet nogmaals behandeld. 4

25

6.1.2

Potentieel aanwezige soorten Soort(groepen)5 welke potentieel binding hebben met het plangebied, en diens functies zijn: •

Algemene broedvogels (ekster, groenling, roodborst, houtduif, merel, tjiftjaf Turkse tortel, winterkoning en zwarte kraai): Mogelijke nestplaatsen en functioneel leefgebied.

•

Zoogdieren

(egel

konijn,

algemene

(spits)muizen):

Voortplantingsplaatsen,

overwintering/rustplaatsen en functioneel leefgebied. •

Amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander: overwinteringsplaatsen, landhabitat en algemeen functioneel leefgebied.

•

Insecten (verschillende algemene vlinder- bijen- vliegen- en keversoorten): Voortplantingsen leefgebied.

•

6.1.3

Vaatplanten, welke een pioniersvegetatie vormen: groeiplaatsen.

Effect werkzaamheden op mogelijke aanwezige soorten De werkzaamheden betreffen het realiseren van nieuwbouw, waarbij het plangebied voorafgaande bouwrijp gemaakt wordt. Er wordt groen verwijderd en er vinden graafwerkzaamheden plaats. Hierdoor: •

Is er een negatief effect op algemene broedvogels: Vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied kan permanent worden verwijderd.

•

Is er een negatief effect op zoogdieren: Vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied kan permanent worden verwijderd.

•

Is er een negatief effect op algemene amfibieën: functioneel leefgebied in de vorm van terrestrisch habitat kan permanent worden verwijderd.

•

Is er een negatief effect op insecten: Voortplantings- en leefgebied kan permanent worden verwijderd.

•

6.1.4

Vaatplanten (pioniersvegetatie): groeiplaatsen kunnen permanent worden verwijderd.

Vervolgstappen specifieke zorgplicht Om invulling te geven aan de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: Algemene broedvogels: •

Plan de werkzaamheden zo mogelijk buiten het broedseizoen (het broedseizoen loopt globaal van 1 maart – 1 september).

•

Wanneer het niet mogelijk is de werkzaamheden buiten deze periode te starten, dient een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Bij de vaststelling van actief gebruikte nesten dienen aanvullende maatregelen voor de werkzaamheden opgesteld te worden.

Zoogdieren: •

Egel: o

Het plangebied moet voor de start van de werkzaamheden worden gecontroleerd op vaste rust- en verblijfplaatsen (overwintering en voortplantingsplaatsen) van egel.

5

NDFF-uitvoerportaal, Buffer 200 meter rond het plangebied en ecologisch deskundig oordeel

Ecoresult B.V. maart 2025

26

o

Egels hebben een wettelijke beschermingsstatus. Op geen enkele opzettelijke manier mogen egels verwond of gedood worden.

o

Als er tijdens de werkzaamheden egels worden aangetroffen, dienen deze voorzichtig verplaatst te worden naar vergelijkbaar habitat in de nabije omgeving.

•

(spits)muizen: o

Alle (spits)muizen hebben een wettelijke beschermingsstatus. Deze soorten mogen op geen enkele opzettelijke manier worden verwond of gedood.

o

Voer de werkzaamheden (bouwrijp maken en/of graafwerkzaamheden) in één doorgaande richting uit. Dit geeft (spits)muizen de kans voor de werkzaamheden uit te vluchten.

o

Bij het aantreffen van (spits)muizen tijdens de werkzaamheden, dienen de werkzaamheden gestopt te worden zodat de dieren op eigen kracht het werkterrein kunnen verlaten. Indien noodzakelijk, kunnen (spits)muizen voorzichtig worden verplaatst naar vergelijkbaar leefgebied in de nabije omgeving.

•

Konijn: o

Voorafgaande de werkzaamheden dient er een controle uitgevoerd te worden naar vaste rust- en verblijfplaatsen van konijn. Indien deze worden aangetroffen gelden aanvullende maatregelen.

o

Konijnen hebben een wettelijke beschermingsstatus. Op geen enkele opzettelijke manier mogen konijnen verwond of gedood worden.

Amfibieën: •

Alle amfibieën hebben een wettelijke beschermingsstatus. Deze soorten mogen op geen enkele opzettelijke manier worden verwond of gedood.

•

Indien er een amfibie wordt aangetroffen, verplaats deze voorzichtig naar vergelijkbaar geschikt habitat buiten het plangebied.

Insecten: •

Voor de invulling van de specifieke zorgplicht voor insecten wordt verwezen naar het onderstaande deel over vaatplanten. Wanneer de vegetatie op een goede manier wordt teruggebracht binnen de nieuwe situatie, zijn de ecologische randvoorwaarden van insecten gewaarborgd.

Vaatplanten (pioniersvegetatie): •

Probeer delen met kruidenrijke vegetaties een plek te geven in het ontwerp van de nieuwe situatie.

•

Laat bij voorkeur de ruimtes ingericht als algemeen groen braak liggen, zodat op een natuurlijke manier de vegetatie weer terug kan groeien.

•

Gebruik in tuinen hierbij enkel inheemse soorten en boots de oorspronkelijke situatie na.

•

Laat bij bomenkap delen van de stam liggen binnen het gebied. Deze vervullen een zeer waardevolle functie als habitat voor vele insecten, korstmossen en schimmels. De stammen kunnen als aanvulling dienen bij het aanbrengen van delen met algemeen groen.

Ecoresult B.V. maart 2025

27

Daarnaast dienen voor de herinrichting van het plangebied en de realisatie van nieuwbouw, natuurinclusieve maatregelen toegepast worden om de bestaande natuurwaardes, welke vallen onder de zorgplicht, te herstellen. Deze dienen uitgewerkt te worden in een nader op te stellen rapport. Het doel van deze maatregel is om het huidige soortenbestand weer te herstellen na de maatregelen en eventueel de natuurlijke situatie te verbeteren. Al deze maatregelen en eventuele passende maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.

6.2

Specifieke zorgplicht voor houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen wettelijk beschermde houtopstanden aanwezig. De specifieke zorgplicht voor houtopstanden is daarom niet van toepassing.

Ecoresult B.V. maart 2025

28

7

Vervolgstappen

7.1

Algemeen In voorliggend hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de op basis van de effectbeoordelingen benodigde nader onderzoeken en mogelijk verdere vervolgstappen.

7.2

Beschermde gebieden In Tabel 4 is in een overzicht te vinden of en indien van toepassing welke vervolgstappen er genomen dienen te worden met betrekking tot beschermde gebieden. Tabel 4: Tabel met verwachte effecten van de ontwikkeling op beschermde gebieden en de te nemen vervolgstappen. Afstand tot Nader Mitigerende Type Negatief effect Vergunning plangebied onderzoek maatregelen Natura 2000 0,7 km* Mogelijk Ja Nader te Nader te bepalen bepalen Natuurnetwerk Nederland >0m Nee Nee Nee Nee Natuurverbindingen

7.3

>0m

Nee

Nee

Nee

Nee

Belangrijk provinciaal >0m landschap Beschermde houtopstanden N.V.T.

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Beschermde soorten In Tabel 5 is een overzicht te vinden of en indien van toepassing welke vervolgstappen er genomen dienen te worden met betrekking tot beschermde soorten.

Ecoresult B.V. maart 2025

29

Vogelrichtlijn

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Huismus

Ja

Potentieel essentieel functioneel leefgebied

Overige soorten jaarrond Nee N.v.t beschermd nest Ekster en zwarte kraai Ja Vaste rust- en verblijfplaats

Vogels met nietjaarrond beschermde nesten (Categorie-5) Algemene vogels Diverse soorten Habitatrichtlijn

Ja

Vaste rust- en verblijfplaats

Mogelijk Ja, door middel van 2 bezoeken in de periode Mogelijk Mogelijk 1 april – 15 mei, of 3 bezoeken tussen 10 maart en 20 juni, waarvan minimaal één bezoek in de optimale periode. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. N.v.t N.v.t N.v.t N.v.t Mogelijk Nee

Nee

Mogelijk Nee

Nee

Ja, Algemene bescherming vogels**

Ja, Algemene bescherming vogels ** N.v.t Ja, Aanvullende maatregelen voor nabije omgeving plangebied. N.v.t. Ja, Aanvullende maatregelen voor nabije omgeving plangebied. Mogelijk Mogelijk

Vleermuizen (gebouwbewonend)

Diverse soorten

Nee N.v.t

Nee, mits N.v.t

Vleermuizen (boombewonend)

Diverse soorten

Nee N.v.t.

Nee, mits N.v.t.

Overig

Teunisbloempijlstaart

Ja

Overige soorten

Nee N.v.t

Mogelijk Ja, middels 3 veldbezoeken naar rupsen waarvan 2 in de laatste weken van juli (rupsen op waardplanten) met minstens 10 dagen tussen het eerste en tweede bezoek, en 1 bezoek in de eerste week van augustus (migrerende rupsen) N.v.t N.v.t N.v.t

Voortplantingshabitat en foerageergebied

(Mitigerende) maatregelen (aantal)

Vergunning nodig

Nader onderzoek****

Negatief effect*

Functie

Geschikt/ aanwezig

Soort

Soortgroep

Beschermingsregime

Tabel 5: Mogelijk aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied, de verwachte functies en te nemen vervolgstappen.

N.v.t

30

Nationaal beschermd

Niet vrijgesteld

Steenmarter, hermelijn, Ja wezel en bunzing.

Hazelworm

Overige soorten Vrijgesteld

Invasieve exoten

Vaste rust- en verblijfplaats enMogelijk Dit kan onderzocht worden door gedurende 8 Mogelijk Mogelijk essentieel leefgebied weken in de periode juni – half november meerdere cameravallen te plaatsen. Deze camera’s dienen op strategische plekken geplaatst te worden op basis van habitat, wissels en sporen. Deze onderzoeksmethodiek is gebaseerd op de onderzoeksrichtlijnen van het kennisdocument Kleine marterachtigen. Ja Vaste rust- en verblijfplaats enMogelijk Ja, middels onderzoek m.b.v. platen leggen, Mogelijk Mogelijk essentieel leefgebied aangevuld met een algemene inspectie van het potentieel leefgebied, in de periode 1 juni tot 1 september. De platen worden tijdens het eerste bezoek neergelegd, vervolgens worden er 3 bezoeken gedaan, met minstens 20 dagen tussen de bezoeken. Nee N.v.t N.v.t N.v.t N.v.t N.v.t

Diverse soortgroepen: Ja Vaste rust- en verblijfplaats, Mogelijk Mogelijk Zoogdieren en amfibieën Essentieel leefgebied Overige soorten Nee N.v.t N.v.t N.v.t Nee N.v.t

N.v.t

N.v.t

Nee N.v.t

Ja, specifieke zorgplicht*** N.v.t

N.v.t

N.v.t

Specifieke Diverse soortgroepen: Diverse soorten Ja Voortplantingsplaatsen, vaste Mogelijk Mogelijk Nee Ja, specifieke zorgplicht soorten algemene broedvogels, rust en verblijfplaatsen en/of zorgplicht*** (buiten Vrl, Hrl en zoogdieren, amfibieën, leefgebied nationaal insecten en vaatplanten beschermde soorten) *Een negatief effect is bepaald op basis van de aanwezige potenties en de getoetste criteria uit Bijlage 2 - Toelichting onderzoekskader. ** Algemene bescherming vogels: Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met broedvogels. Schadelijke effecten op in gebruik zijnde nesten van vogels zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 1 september). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen in gebruik zijnde nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Bij aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten dienen in samenspraak met een deskundig ecoloog de mogelijkheden bekeken te worden. Eventuele verwijdering van beplanting vindt plaats buiten de broedperiode van de aanwezige soorten (die globaal loopt van 1 maart tot 1 september). Zie ook hieronder bij specifieke zorgplicht voor soorten.

*** Specifieke zorgplicht voor soorten: de zorgplicht dient altijd in acht genomen te worden. Zie voor de beoordeling van de specifieke zorgplicht Hoofdstuk 6 en Bijlage 2 - Toelichting onderzoekskader stelsel Omgevingswet. ****De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen die het bevoegd gezag hieraan stelt (Kennisdocumenten en Vleermuisprotocol 2024).

Ecoresult B.V. maart 2025

31

7.4

Maatregelen Voor het uitvoeren van de werkzaamheden binnen het plangebied moet een ecologisch werkprotocol (EWP) worden opgezet. Een EWP kan van toepassing zijn binnen het vergunningstraject, alsmede voorgaande de werkzaamheden, afhankelijk van de te onderzoeken soort. Dit omvat een losstaand rapport waarin aanvullende maatregelen om mogelijk aanwezige beschermde ecologische waarden te ontzien. Indien het onmogelijk is de aanvullende maatregelen m.b.t. de werkzaamheden uit te voeren kan nader onderzoek en een mogelijke vergunning in het kader van de omgevingswet voor verschillende soorten of soortgroepen noodzakelijk zijn.

7.5

Onderzoeksperioden In Tabel 6 is een overzicht te vinden van de perioden waarin nader onderzoek mag plaatsvinden. Ook zijn het aantal veldbezoeken aangegeven (in de praktijk kunnen veldbezoeken van verschillende soorten mogelijk gecombineerd worden).

December

November

Oktober

September

Augustus

Juli

Juni

Mei

April

Maart

Soort

Februari

Januari

Tabel 6: De onderzoeksperioden voor het benodigde nader onderzoek. De cijfers in de tabel geven het aantal benodigde bezoeken weer.

AERIUS Berekening Huismus

2

Teunisbloempijlstaart Marteronderzoek Hazelworm

3

8 weken 4

Berekening/rapportage Essentieel leefgebied Nachtvlinderonderzoek Marteronderzoek Reptielenonderzoek

7.6

Vergunning Een omgevingsvergunning is noodzakelijk in de volgende gevallen: •

Indien er een bijdrage in stikstofdepositie wordt vastgesteld (omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit).

•

Wanneer er vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van huismus, teunisbloempijlstaart, marterachtigen en/of hazelworm aanwezig zijn en deze functies door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien (omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit).

De initiatiefnemer dient in het bezit te zijn van omgevingsvergunning voordat met vergunningplichtige activiteiten kan worden gestart. Ook dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van tijdelijke voorzieningen.

32

De doorlooptijd van de stikstofvergunning is op dit moment onbekend. U komt alleen in aanmerking voor een vergunning als uw project voldoet aan 1 of meer voorwaarden 6: •

Door uw activiteit zal de stikstofdepositie lager zijn of gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie.

•

Als uw activiteit zorgt voor een toename van de stikstofdepositie, neemt u ook maatregelen waardoor de stikstofdepositie omlaag gaat. Belangrijk is dat de totale stikstofdepositie uiteindelijk lager is dan in de huidige situatie.

•

U maakt gebruik van extern salderen: overhevelen van een toestemming voor stikstofuitstoot van een stoppend bedrijf naar uw project. De toestemming geldt voor maximaal 70% van de stikstofuitstoot van het stoppende bedrijf.

•

Uit een ecologische toets blijkt dat de stikstofuitstoot van uw activiteit niet leidt tot aantasting van een Natura 2000-gebied.

•

Uw activiteit kent een groot maatschappelijk belang en voldoet aan de ADC-toets: o

(A) geen alternatieven.

o

(D) dwingende noodzaak.

o

(C) voldoende compenserende maatregelen.

De doorlooptijd van de vergunningsaanvraag is 8 weken met een mogelijke verlengingstermijn van 6 weken (maar hier wordt in de praktijk vaak van afgeweken). Een vergunningsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: •

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

•

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving.

Dit

kan

worden

voorkomen

door

het

treffen

van

voldoende

mitigerende/compenserende maatregelen.

6

https://www.noord-holland.nl/Loket/Producten_en_Diensten/Producten_op_alfabet/S/Stikstofdepositie_melden

Ecoresult B.V. maart 2025

33

8

Conclusies In opdracht van Gooi en Omstreken heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Dennenlaan, Loosdrecht. De aanleiding voor dit verzoek betreft de realisatie van nieuwbouw binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Uit voorliggende quickscan is gebleken dat: •

Gebiedsbescherming o

Besluit activiteiten leefomgeving ▪

Een bijdrage van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase en gebruiksfase van dit project niet op voorhand is uit te sluiten.

▪

Overige effecten (geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

o

Omgevingsverordening Noord-Holland ▪

Effecten

op

beschermde

gebieden

onder

de

Noord-Hollandse

Omgevingsverordening kunnen op voorhand worden uitgesloten. •

Houtopstanden o

Het onderdeel Houtopstanden van de Omgevingswet wordt door deze ontwikkeling niet overtreden.

•

Beschermde soorten o

Negatieve effecten op de volgende beschermde soorten en functies zijn niet op voorhand uit te sluiten: ▪

Huismus: essentieel functioneel leefgebied.

▪

Teunisbloempijlstaart: Voortplantings- en leefgebied.

▪

Marterachtigen (Bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel): vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17033307/1