bijlage 3 - ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Tevens heeft de
25
Brandweer Gooi en Vechtstreek in het kader van de uitspraak een reactie op de voorgenomen ontwikkeling gegeven. Deze reactie is meegenomen in de beoordeling betreft externe veiligheid. Ten westen van het plangebied bevindt zich de gasflessenopslag Van Reenen gas- en lastechniek. De planlocatie is gelegen op een afstand van ongeveer 220 meter van de opslag. Gezien de afstand en de activiteiten die plaatsvinden vormt de gasflessenopslag geen risico voor de beoogde ontwikkeling. Immers is de planlocatie niet gelegen binnen het PR10-6 contour of de aandachtsgebieden van de inrichting. De planlocatie is tevens gelegen in de nabijheid van het Vliegveld Hilversum. Voor het vliegveld Hilversum geldt het Luchthavenbesluit (22 september 2014) welke is afgegeven door de Provincie Noord Holland. In de bijlage bij het besluit staan in de bijlagen B, C en E respectievelijk de ligging van de banen. De brandweer is tot de conclusie gekomen dat er geen contouren van het vliegveld over het plangebied heen liggen voor wat betreft veiligheid. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
26
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vechtstreek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft de zorg voor het regionale watersysteem. Het waterschap streeft op een duurzame en kosteneffectieve wijze naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering. Het Waterbeheerplan 2016-2021, vastgesteld op 8 oktober 2015, bouwt voort op het plan voor de periode 2010-2015 en houdt tegelijk rekening met nieuwe ontwikkelingen. Voor de komende periode heeft het AGV per thema een aantal wensbeelden voor 2030 genoemd, te weten: 1.
2.
3.
4.
5.
Waterveiligheid: Bij waterveiligheid gaat het over bescherming tegen overstroming vanuit buitenwater of boezemstelsels. Insteek van het AGV is een waterrobuuste inrichting van de omgeving. Wanneer de veiligheid in het gedrang dreigt te komen houdt het AGV rekening met economische, landschappelijke en natuurwaarden. Voor de primaire waterkeringen heeft het Rijk het vereiste veiligheidsniveau opnieuw bepaald. In 2050 moeten alle primaire keringen aan de normen voldoen. Voldoende water: Voldoende water gaat over de inrichting en het beheer van het watersysteem, zodanig dat het optimaal functioneert. Doel voor 2021 is dat er sprake is van een robuust watersysteem die de functies van gebieden faciliteren, en wateroverlast en watertekort voorkomen. Er is voldoende water beschikbaar voor vitale functies, nu en in de toekomst. Schoon water: Schoon water betekent voor het waterschap een goede waterkwaliteit, zowel chemisch als ecologisch. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn hierbij leidend. Maatregelen liggen op waterzuivering, samenwerking met de agrarische sector en het toekennen van een extra beschermde status aan innamepunten voor drinkwater. Het AGV wil zorgen dat al het water in het beheergebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie: voor veeteelt en akkerbouw, als grondstof voor drinkwater, voor recreatie en visserij, als proceswater en voor de natuur.
Het doel is dat inwoners en bezoekers het water in het gebied ervaren als een verrijking van de omgeving. Waterketen: Binnen de waterketen zorgt het waterschap voor het transporteren en zuiveren van stedelijk afvalwater. Om te zorgen dat het gezuiverde water blijft voldoen aan de lozingseisen werkt het waterschap in de planperiode aan het onderhouden, vernieuwen en optimaliseren van de zuiveringsinstallaties en -processen. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is de microverontreinigingen zoals microplastics en medicijnresten. Het waterschap richt zich ook op het terugwinnen van grondstoffen en energie uit afvalwater. Tevens wil het waterschap innoveren en nieuwe technologische mogelijkheden doelmatig toepassen in de praktijk. Verder heeft het AGV als doel om in 2020 klimaatneutraal te zijn. Hiervoor worden extra maatregelen genomen. Op en om het water: Het waterschap vindt het belangrijk dat inwoners en bezoekers van het gebied volop kunnen genieten van water, als onlosmakelijk onderdeel van het landschap. Het AGV heeft als doel voor 2030 in een groot deel van het beheersgebied de integrale uitvoerder te zijn van alle watertaken. In de komende planperiode wordt nagegaan of het wenselijk en haalbaar is om vaarwegbeheer en nautisch beheer tot zelfstandige taken van het waterschap te maken.
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is AGV als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De Keur kent een flink aantal bepalingen die bedoeld zijn om het goed functioneren van de waterkeringen te beschermen. Ook de bepalingen die betrekking hebben op het beschermen van de aan- en afvoer van water zijn van belang om droge voeten te houden én van betekenis in tijden van waterschaarste. Maar ook de bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem neemt een belangrijke plaats in. Het hoogheemraadschap streeft een goede ecologische toestand na van de watersystemen in zijn beheergebied, conform de Europese Kaderrichtlijn Water en conform nationaal en provinciaal beleid. Een
27
goede ecologische toestand betekent dat water, oever en waterbodem voldoende leefmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld water wil lozen, moet een watervergunning aanvragen bij AGV. Vergunningaanvragen worden getoetst aan beleidsregels. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen er geen wijzigingen met betrekking tot het watersysteem optreden. Het plan gaat slechts gepaard met een geringe toename van het verhard oppervlak. Derhalve is een toename van de versnelde afvoer van hemelwater niet te verwachten en is compensatie als gevolg van de realisatie van extra verhard oppervlak niet aan de orde.
Gezien het voorgaande is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het lokale watersysteem. De waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid in de omgeving blijft gewaarborgd. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden of het project mogelijk invloed heeft op beschermde soorten en of gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Met het voorliggende initiatief wordt geen bebouwing gesloopt. Daarnaast heeft het voorgenomen plan slechts betrekking op het omzetten van kweekgronden naar een kampeerterrein, waardoor er gesteld kan worden dat het initiatief niet leidt tot aantasting van mogelijke schuil- en verblijfplaatsen van beschermde soorten. Er worden immers geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt. Een quickscan flora en fauna kan daarom achterwege blijven.
28
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden. Wel heeft de in de toekomstige situatie vrijkomende stikstofdepositie mogelijk een effect op omliggende Natura 2000gebieden. Om dit inzichtelijk te maken is voor de beoogde ontwikkeling een AERIUS-berekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 16 april 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx-emissie van 0,6 kg/j en een NH3-emissie van 32,0 g/j. Daarmee hebben de emissies tijdens de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor Natura 2000-gebieden. Derhalve is er met de beoogde ontwikkeling geen sprake van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het naastgelegen Natura 2000-gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voortkomen voor het initiatief.
4.5 Cultureel erfgoed 4.5.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Loosdrecht landelijk gebied noordoost – 2012’. Hierbinnen is plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'.
Voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm -Mv. Voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden groter dan 2.500 m² en dieper dan 3 m -Mv. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' wordt met het voorgenomen plan een bestaand sanitairgebouw uitgebreid met ca. 80 m². Verder vinden er geen bodemingrepen dieper dan 0,40 m onder het bestaande maaiveld plaats. Om die reden is er geen archeologisch onderzoek vereist. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect archeologie. 4.5.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek
29
Het voorgenomen plan heeft geen negatief effect heeft op de cultuurhistorische waarden van het gebied. In de omgeving zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen ontbreken.
4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt Planspecifiek Conform CROW-publicatie 381 bedraagt de verkeersgeneratie van een camping (kampeerterrein) in het buitengebied 0,4 voertuigbewegingen per standplaats per etmaal. Uitgaande van 45 standplaatsen en 2 trekkershutten bedraagt de verkeersgeneratie van de camping in de toekomstige situatie 19,0 voertuigbewegingen per etmaal. Ten opzichte van de huidige situatie betreft dit een toename van 10,0 voertuigbewegingen per etmaal.
Deze toename treedt alleen op in de periode van mei tot september, wanneer de camping geopend is. Gezien de beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen is de verwachting dat de capaciteit van de omliggende verkeersstructuur voldoende is om de beperkte toename van de verkeersgeneratie te verwerken. Het plangebied wordt, net als in de bestaande situatie, ontsloten via een toegangsweg tussen de woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105 en 107. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect verkeer. 4.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken.
Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de 'Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Wijdemeren', zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders op 31 maart 2015. Voor de beoogde uitbreiding van het kampeerterrein met 25 standplaatsen en een trekkershut volgt uit de parkeernormen van de gemeente Wijdemeren dat per standplaats 1,25 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. De parkeernorm van 1,25 parkeerplaatsen per standplaats is gebaseerd op landelijk onderzoek van het CROW, en hierin zitten zowel de campinggasten als
30
bezoekers verwerkt. De gemeente Wijdemeren heeft reeds aangegeven parkeren door de campinggasten op hun eigen standplaats toe te staan. Hierbij heeft de gemeente wel aangegeven dat een standplaats minimaal een oppervlakte van 70 – 75 m² moet hebben, omdat deze anders te klein is om een auto te parkeren. Met deze eis is rekening gehouden in het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De navolgende tabel toont de toekomstige parkeeropgave. Functie
Norm
Camperplaatsen
1,25
Tentplaats zonder auto Tentplaats met auto 70 m² Pipowagen met auto Trekkershutten
1,25 1,25 1,25 1,25
pp/standpl. incl. bezoekers pp/standpl. incl. bezoekers pp/standpl. incl. bezoekers pp/standpl. incl. bezoekers pp/standpl. incl. bezoekers Subtotaal
Aantal standplaatsen
Totaal
6
7,50
Bij de tent 6
15
18,75
0
22
27,50
22
2
2,50
2
2
2,50
2
47
58,75
32
In de toekomstige situatie betreft de gehele parkeeropgave, afgerond 59 parkeerplaatsen. Hiervan worden er in totaal 32 bij de standplaats gerealiseerd. Derhalve dienen er 27 parkeerplaatsen elders op het perceel te worden gerealiseerd. Binnen het plangebied zijn in de toekomstige situatie 34 parkeerplaatsen aanwezig, wat blijkt uit de situatietekening (zie toelichting paragraaf 2.2). Daarmee is sprake van een overschot van 7 parkeerplaatsen. Hier is bewust voor gekozen, omdat op deze manier zowel op het voorterrein als direct naast het kampeerterrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Er kan geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect parkeren.
31
5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de vergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de initiatiefnemer gerealiseerd. De kosten in verband met de procedure en de aanvraag omgevingsvergunning zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Het project wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Algemeen Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. 5.2.2 Participatie De initiatiefnemers hebben de direct omwonenden middels een brief op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling en hebben tevens een participatieavond georganiseerd. De reacties zijn opgenomen in een participatieverslag (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Hieruit blijkt dat het plan over het algemeen goed is ontvangen. Echter heeft de bewoner van de Nieuw-Loosdrechtsedijk 107 bezwaar geuit tegen de verkeerstoename dat langs het betreffende perceel komt. Momenteel is er al een hoge haag tussen de ontsluiting van de camping en het perceel aanwezig.
Mocht de bewoner in de toekomstige situatie desondanks overlast ervaren zijn initiatiefnemers bereid aanvullende afschermende maatregelen te treffen.
32