bijlage 3 - ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Nieuw-Loosdrechtsedijk 105B, Loosdrecht Gemeente Wijdemeren
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1696.OVNld105b2022-va01
Datum:
2025-05-13
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Oostrom | dhr. L. Toppen
Kenmerk Buro SRO:
SR210510
Opdrachtgever:
Andromeda VOF
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planomschrijving ..................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 20 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 26 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 4.5 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 29 4.6 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 30
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 32 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 32 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 32
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105B in Loosdrecht is een agrarisch bedrijf in de vorm van kwekerij gevestigd, met als nevenactiviteit camping HollandMenCamp. Op dit moment biedt de camping ruimte aan maximaal 20 standplaatsen in de vorm van seizoensgebonden kampeerplaatsen. Daarnaast zijn er enkele ondersteunende voorzieningen aanwezig zoals een toiletgebouw. Op het kampeerterrein worden geen permanente standplaatsen aangeboden. Gezien de toename van het aantal gasten en reserveringsaanvragen wensen de initiatiefnemers het aantal standplaatsen uit te breiden. De beoogde ontwikkeling betreft het vergroten van de oppervlakte van de camping naar 6.000 m² en de uitbreiding van het aantal standplaatsen naar maximaal 45 standplaatsen. Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Loosdrecht landelijk gebied noordoost – 2012’ (vastgesteld op 2 februari 2017) waarbinnen de gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 2’. Binnen deze aanduiding is kleinschalig kamperen toegestaan. De maximaal toegestane oppervlakte voor kleinschalig kamperen is 2.000 m² en het maximaal aantal standplaatsen betreft 20 kampeermiddelen.
Omdat de oppervlakte van de camping wordt vergroot naar 6.000 m² en het aantal standplaatsen wordt uitgebreid naar maximaal 45 standplaatsen is de beoogde ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingsplan. De vergunningsaanvraag moet voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105b te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren. Kadastraal is het plangebied bekend onder kadastrale gemeente Loosdrecht, sectie C, perceelnummers 6199 en 6225. Beide percelen hebben een gezamenlijk oppervlak van ca. 4,5 hectare. De Nieuw-Loosdrechtsedijk vormt de verbindingsweg tussen de kernen Muyenveld, Boomhoek en NieuwLoosdrecht. De Nieuw-Loosdrechtsedijk betreft tevens een belangrijke structuurdrager in het gebied als de centrale weg waaraan lintbebouwing is gesitueerd. In de omgeving van het plangebied is sprake van relatief intensieve bebouwing bestaande uit voornamelijk woningen en een aantal bedrijfspercelen. De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Globale begrenzing plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Loosdrecht landelijk gebied noordoost – 2012’, vastgesteld op 2 februari 2017 door de gemeenteraad van de gemeente Wijdemeren. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van dit bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met de functieaanduidingen 'sierteelt' en 'specifieke vorm van recreatie 2'. In artikel 3.1 van de planregels is bepaald dat per agrarisch bouwvlak als niet-agrarische nevenfunctie kleinschalig kamperen met een maximaal aantal van 20 kampeermiddelen per bedrijf is toegestaan, met dien verstande dat het oppervlak voor de nevenfunctie kleinschalig kamperen maximaal 2.000 m² mag bedragen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 2' is kleinschalig kamperen tevens buiten het bouwvlak toegestaan. Verder geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. De beoogde ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan, aangezien de maximaal toegestane oppervlakte van 2.000 m² en het maximaal aantal kampeermiddelen per bedrijf worden overschreden. Om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient van het geldende bestemmingsplan afgeweken te worden. Op basis van een uitgebreide planologische
6
afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan slechts worden afgegeven indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Planomschrijving 2.1 Huidige situatie Op de planlocatie aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105B is een agrarisch bedrijf gevestigd in de vorm van een kwekerij met als nevenfunctie een kampeerterrein. De gronden zijn bebouwd met een bedrijfswoning en enkele kassen ten behoeve van de kwekerij. De plantage van de kwekerij heeft een omvang van ca. 3 hectare en is gericht op het kweken van coniferen. Het kampeerterrein is gelegen aan de noordoostzijde van de bedrijfswoning, grenzend aan de plantage. Ten behoeve van het kampeerterrein zijn een sanitairgebouw met slechtweervoorziening aanwezig. Het kampeerterrein heeft in de huidige situatie een omvang van ca. 2.000 m² en biedt ruimte aan maximaal 20 standplaatsen in de vorm van seizoensgebonden kampeerplaatsen. Er worden geen permanente standplaatsen aangeboden. De navolgende afbeelding toont een overzichtstekening van de huidige situatie.
Inrichtingstekening huidige situatie (bron: Buro SRO)
De camping is geopend in de periode van mei tot en met september. Na het kampeerseizoen is de camping gesloten. Omdat de standplaatsen niet zijn voorzien van een eigen drinkwateraansluiting, rioolafvoer of stroomaansluiting is het gebruik als permanente standplaats niet mogelijk. De camping wordt ontsloten middels een inrit aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk. Op het bestaande kampeerterrein is een structuur van coniferenhagen aanwezig. Aan de zuidwestzijde is het kampeerterrein voorzien van een afschermende beplantingsstrook met struiken en bomen van voornamelijk streekeigen soorten. Het bestaat hoofdzakelijk uit groenblijvende hulst met wilgen, eiken en laurus. Deze beplantingsstrook biedt beschutting en een vorm van gemoedelijkheid voor de campinggasten. Daarnaast is er sprake van een afschermende werking voor de omgeving. De navolgende afbeelding tonen een impressie van de huidige situatie.
8
Impressie kampeerterrein (bron: eigen foto's)
Op dit moment heeft de camping te maken capaciteitsproblemen, omdat de camping het overgrote deel van het jaar is volgeboekt en het aantal reserveringsaanvragen toeneemt. Derhalve wenst de initiatiefnemer het aantal standplaatsen uit te breiden. De gronden ten behoeve van de uitbreiding liggen direct ten zuidoosten en oosten van het bestaande kampeerterrein. Op dit moment zijn de gronden nog in gebruik als onderdeel van de kwekerij en hebben een oppervlakte van ca. 4.000 m².
2.2 Toekomstige situatie Gezien de toename van het aantal gasten en reserveringsaanvragen is de initiatiefnemer voornemens het bestaande aantal standplaatsen uit te breiden. De beoogde ontwikkeling betreft het vergroten van de oppervlakte van de camping naar 6.000 m² en de uitbreiding van het aantal standplaatsen naar maximaal 45 standplaatsen. Daarnaast zal er een trekkershut worden toegevoegd. De standplaatsen zijn bedoeld voor tenten, caravans en campers. De beoogde uitbreiding sluit aan op het bestaande kampeerterrein en vindt plaats binnen de plantage van de kwekerij. Ten behoeve van de uitbreiding van het aantal standplaatsen zal tevens het sanitairgebouw worden vergroot naar een oppervlakte van ca. 140 m². In lijn met de huidige situatie zal de camping geopend zijn in de periode van mei tot en met september. Na het kampeerseizoen is de camping gesloten. Ook na uitbreiding van het kampeerterrein worden geen permanente standplaatsen aangeboden. De navolgende afbeelding toont de toekomstige situatie. Hierop is tevens weergegeven hoe de beoogde ingrepen landschappelijk worden ingepast (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1 voor een grote versie).
9
Toekomstige situatie en landschappelijke inpassing (bron: Buro SRO)
Landschappelijk inpassingsplan Om de beoogde uitbreiding goed te passen in de omgeving is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Vanaf de Nieuw-Loosdrechtsedijk is de planlocatie nauwelijks zichtbaar. Het kampeerterrein en de kwekerij liggen achter de bebouwing aan de Nieuw Loosdrechtsedijk. De locatie is in de huidige situatie omsloten door een gevarieerde, gesloten houtsingel. bestaande uit zowel struikvormers en boomvormers van diverse soorten (o.a. hulst, els, linde, eik). De variatie in soorten, zowel wintergroen als bladverliezend en zowel boomvormers als heesters, levert een afwisselend beeld op. In het verder open landschap is dit bijzonder. De houtsingel rondom het perceel sluit aan op de houtsingels rondom de zuidelijk gelegen sportvelden. Het geheel is een behoorlijk, aaneengesloten oppervlak. De houtsingels vormen een waardevol leef- en foerageergebied voor diverse soorten. Het kampeerterrein en kwekerij zijn naar binnen gericht en vanuit de omgeving draagt de houtsingel het beeld. In de beoogde situatie zal aan dat gegeven niets veranderen. De combinatie van een kampeerterrein en kwekerij gaan goed samen. Het voornemen om de camping uit te breiden heeft op het landschap niet of nauwelijks invloed. De kwekerij is onderverdeeld in vlakken waar diverse soorten gekweekt worden. De vlakken zijn soms afgeschermd door beplantingsstroken.
Daar waar de uitbreiding van de camping voorzien is, blijft de indeling van de kwekerij in grote mate gehandhaafd en wordt benut om de uitbreiding van de camping te realiseren. Het vormt kamers waar binnen de camping vorm gegeven wordt. Verspreid over het perceel staan enkele grote solitaire bomen of enkele bomen in een rij. De uitbreiding van de camping en aanvullende voorzieningen houden rekening met de bestaande bomen. Verkeer en parkeren In de huidige situatie wordt het kampeerterrein ontsloten op de Nieuw-Loosdrechtsedijk. Het kampeerterrein is gelegen achter de bestaande lintbebouwing. De toegangsweg tot het kampeerterrein ligt tussen de woningen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 107 en 105. Deze toegangsweg zal in de toekomstige situatie behouden blijven.
10
Per standplaats wordt op het grasveld ruimte geboden voor het parkeren van een auto naast de tent. Deze standplaatsen worden niet verhard. Voor bezoekers worden in totaal 6 parkeerplaatsen toegevoegd aan het bestaande parkeerterrein. In toelichting paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op de toekomstige verkeer- en parkeersituatie.
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van belang. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro.
Vanuit het Barro vloeien dan ook geen specifieke randvoorwaarden voort voor onderhavig plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die
12
3.
4.
ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201509359/1/R1, 21 december 2016) blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of de uitbreiding van een kampeerterrein aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling in onderlinge samenhang moet worden bezien in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging, de aard van de voorziene functie, alsmede het planologische beslag dat de voorziene ontwikkeling op de ruimte legt in vergelijking met de voorgaande situatie. Daarnaast is in beginsel sprake van een stedelijke ontwikkeling bij gebouwde vormen van verblijfsrecreatie van een zekere omvang. Ongebouwde verblijfsrecreatie, zoals campings, zijn veelal geen nieuwe stedelijke ontwikkeling tenzij ook hier bebouwing van een zekere omvang mogelijk wordt gemaakt. In het geldende bestemmingsplan is in het plangebied onder andere grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van een kwekerij toegestaan met als nevenactiviteit een kampeerterrein met ten hoogste 20 kampeermiddelen.
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van het aantal standplaatsen naar maximaal 45 standplaatsen en de toevoeging van een trekkershut. De gronden ter plaatse van de beoogde uitbreiding zijn op dit moment in gebruik als onderdeel van de kwekerij en hebben een oppervlakte van ca. 4.000 m². Naast de uitbreiding van het aantal standplaatsen wordt er tevens voorzien in een beperkte toename van bebouwing, doordat het bestaande sanitairgebouw met slechtweervoorziening wordt uitgebreid met ca. 80 m². De functiewijziging van de bestaande kwekerij naar een kampeerterrein met een groen karakter, in samenhang bezien met het feit dat de bouwmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan nauwelijks worden verruimd, is daarmee niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een camping is naar zijn aard immers geen stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro. Desalniettemin zal met het oog op een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan het initiatief moeten worden beschouwd. Behoefte Op 19 juli 2012 is de Structuurvisie Wijdemeren vastgesteld, zie toelichting paragraaf 3.4.1. Hieruit blijkt dat de gemeente het stimuleren van de dagrecreatie, het verbreden van het recreatieve aanbod, het innoveren van de verblijfsrecreatie en het recreatief aantrekkelijker maken van de gemeente als speerpunt heeft.
Verder is in november 2009 de Visie Recreatie & Toerisme vastgesteld, zie toelichting paragraaf 3.4.2. De visie is erop gericht het toeristisch-recreatieve aanbod in de gemeente Wijdemeren aan te laten sluiten bij de marktvraag. De toeristische sector is al jaren van groot belang voor de gemeente Wijdemeren. De 185 vrijetijdsbedrijven die de gemeente rijk is, genereren jaarlijks ruim 80 miljoen euro aan bestedingen en zorgen voor ongeveer 1.000 banen. De bijdrage van het toerisme aan de leefbaarheid in de gemeente is aanzienlijk, ook door het aanbod van recreatieve voorzieningen.
13
Bij onderhavige planontwikkeling is relevant dat initiatiefnemers zich willen onderscheiden in de markt door in te spelen op de behoefte aan een camping die zich richt op mannen. Camping HollandMenCamp is de enige camping in de regio, provincie en omliggende provincies die voorziet in deze specifieke behoefte. Dit blijkt tevens uit de toename van het aantal reserveringsaanvragen en de capaciteitsproblemen waarmee de camping te maken heeft. Er kan gesteld worden dat de uitbreiding van de camping aansluit op zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
14
Daarnaast wordt er met de OmgevingsvisieNH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten en houvast te bieden. Daarvoor wordt een aantal bewegingen voor de toekomst benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector.
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De doelstelling van de provincie Noord-Holland met betrekking tot verblijfsrecreatie richt zich op het bieden van een hoogwaardig recreatieproduct dat aansluit op de huidige en toekomstige marktontwikkelingen. Op dit moment heeft camping HollandMenCamp te maken met capaciteitsproblemen. Met de beoogde uitbreiding van het aantal standplaatsen wordt voorzien in een specifieke behoefte, waarmee het planvoornemen aansluit bij de huidige en toekomstige marktontwikkelingen. De provincie wil in de Gooi en Vechtstreek de toeristisch-recreatieve mogelijkheden benutten. Recreatieve en toeristische ontwikkelingen vereisen een zorgvuldig ontwerp en inpassing in het landschap. Verstening en verdichting van het open landschap moet worden voorkomen. Doordat de beoogde uitbreiding van het kampeerterrein wordt voorzien ter plaatse van de plantage van de kwekerij is er geen sprake van de verdichting van de openheid van het landschap. Dit blijkt tevens uit het opgestelde landschappelijk inpassingsplan, zie toelichting paragraaf 2.2.
Daarnaast stimuleert de provincie Noord-Holland het recreatief medegebruik van agrarische bedrijven, waaraan de beoogde ontwikkeling invulling aangegeven. Bovendien blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.2 dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de voorwaarden uit de provinciale verordening van Noord-Holland. Conclusie Vanuit de Omgevingsvisie NH 2050 komen geen belemmeringen voor realisatie van onderhavig initiatief voort. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Tegelijk met de Structuurvisie is op 21 juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste versie van de PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden. De Provinciale Ruimtelijke Verordening stelt regels en voorwaarden waaraan de inhoud van onder ander (gemeentelijke) bestemmingsplannen moet voldoen. Er zijn regels voor het zowel het gehele provinciale grondgebied als het landelijke gebied, de georegels voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied en regels voor uitsluitend het landelijk gebied. Planspecifiek Zoals beschreven in toelichting paragraaf 3.1.3 wordt het initiatief niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de artikel 5a tot en met 5e kan daarmee achterwege blijven.
Omdat het plan wel gezien kan worden als nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied dient het getoetst te worden aan artikel 15 van de PRV.
15
Artikel 15 1. 2.
3. 4.
Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, indien gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening wordt gehouden met: i. de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; ii. de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b. hierbij worden betrokken: i. de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; ii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; iii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. Gedeputeerde Staten kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) om advies vragen over ontwikkelingen die een grote impact kunnen hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden of indien wordt afgeweken van de ontwikkelprincipes als bedoeld in het tweede lid onder a.
De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (Leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het plangebied is gelegen in het ensemble Vechtstreek. Het ensemble Vechtstreek bestaat uit veenpolderlandschap met een uitgebreid stelsel van plassen, petgaten en legakkers (de Vechtplassen). Het veenpolderlandschap heeft een open karakter en is in gebruik als grasland. Aan de oostzijde van de Vecht heeft de openheid zijn oorsprong in de aanwezigheid van de schoots- en inundatievelden van de Nieuwe Hollandse Waterline. Het onderhavige initiatief heeft geen veranderingen in de fysieke omgeving tot gevolg. Tevens is de uitbreiding van het kampeerterrein voorzien binnen het huidige agrarisch bedrijfsperceel. De gronden zijn op dit moment in gebruik als kwekerij met een groene omzoming. Hierdoor zal er geen afbreuk worden gedaan aan de waarden van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Vechtstreek. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de bepalingen van de PRV.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Visie Recreatie & Toerisme Gooi en Vechtstreek De regionale 'Visie Recreatie & Toerisme Gooi en Vechtstreek' is op 1 maart 2021 vastgesteld. De ambitie van de regio is om het aantal (inter)nationale en regionale bezoekers in de regio te laten toenemen door gericht in te spelen op kansrijke waardevolle bezoekersprofielen. Dit kan door de uitbreiding en versterking van het toeristisch-recreatieve aanbod en door een goede en laagdrempelige bereikbaarheid. Daar wenst de regio de bezoekers langer in de regio te behouden door een ruim en passend aanbod van kleinschalige verblijfsaccommodaties. De regio Gooi en Vecht is aanjager van dit geheel, maar kan dit niet realiseren zonder input en medewerking van de regiogemeenten.
16
Het positioneren van de regio Gooi en Vecht als aantrekkelijk recreatiegebied heeft de volgende doelen: 1. 2.
3.
Economisch: Meer bezoekers die langer blijven, leiden tot meer bestedingen en versterking van de lokale economie. Cultureel-recreatief aanbod: Versterking van het culturele- en recreatieve aanbod voor bewoners. Goede fiets- en wandelpaden, een groot cultureel aanbod en een goed netwerk van vaarwegen is ook in het voordeel van bewoners. Natuurbeleving en gezondheidsaspecten worden hierin meegenomen. Maatschappelijk: Bezoekers en toeristisch-recreatieve voorzieningen leiden tot levendigheid, een leuke sfeer en instandhouding van voorzieningen. Niet alleen bezoekers, maar ook bewoners profiteren hiervan. De regio G&V versterkt daarmee haar aantrekkelijke woonklimaat.
Planspecifiek Doordat HollandMenCamp zich richt op een specifieke doelgroep wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie van de regio om het aantal (inter)nationale en regionale bezoekers te vergroten. Dit leidt tot tot meer bestedingen en versterking van de lokale economie. Vanuit het regionaal beleid komen geen belemmeringen voor realisatie van onderhavig initiatief voort.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Wijdemeren De structuurvisie Wijdemeren is de samenhangende visie van de gemeente en heeft betrekking op haar gehele grondgebied. De structuurvisie gaat in op stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten, maar ook op de kwaliteiten die te maken hebben met water, cultuurhistorie, natuur, milieu, verkeer en vervoer, economie, wonen en recreatie. De bestaande ruimtelijke structuur wordt hoofdzakelijk bepaald door drie verschillende landschapseenheden: de stroomrug van de Vecht, het veenplassengebied en de stuwwal van 't Gooi. De linten zijn de ruggengraat van het veengebied. De Loosdrechtse Plassen zijn veelal van elkaar gescheiden door slechts een enkele overgebleven legakker. De gewenste toekomstige ruimtelijke structuur wordt in de structuurvisie aan de hand van de thema's economie, wonen, infrastructuur, recreatie en landschap toegelicht. Planspecifiek Met de beoogde uitbreiding van het kampeerterrein wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan kwalitatief hoogwaardige verblijfsrecreatieterreinen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de Structuurvisie Wijdemeren. 3.4.2 De kern van Wijdemeren, visie op recreatie en toerisme (2012) Uit de visie blijkt dat Wijdemeren de ideale plek is voor dagrecreatie.
Voornamelijk voor vriendelijk, kleinschalig cultuurtoerisme en voor water- en fietsrecreatie. Dagrecreatie is in de plaats gekomen van verblijfsrecreatie, waarvoor de benodigde voorzieningen binnen de gemeente ontbreken. Enkele uitgangspunten zijn:
• •
het gebied beter bereikbaar moet worden voor fietsers en vaarders; de plassen met elkaar verbonden zouden moeten worden zodat er voor vaarders een groter, interessanter en avontuurlijker vaargebied ontstaat;
• • • •
er weer grote zeilevenementen op de plassen gehouden moeten worden; er in Loosdrecht weer terrassen aan het water moeten komen; het water (de plassen) weer zichtbaar moeten worden; recreatieondernemers de ruimte moeten krijgen om te kunnen ondernemen.
17
Om als recreatiegemeente weer op de kaart te komen, zal de gemeente Wijdemeren haar voorzieningenniveau moet verbeteren en vernieuwen. Planspecifiek Recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie van gemeente Wijdemeren. De gemeente heeft daarom als speerpunt het stimuleren van de dagrecreatie, het verbreden van het recreatieve aanbod, het innoveren van de verblijfsrecreatie en het recreatief aantrekkelijker maken van de gemeente. Met het voorgenomen plan wordt invulling gegeven aan de speerpunt van de gemeente Wijdemeren om verblijfsrecreatie te stimuleren. Daarnaast wordt met de beoogde ontwikkeling (recreatie)ondernemers de ruimte gegeven om te ondernemen. Gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met de visie op recreatie en toerisme.
18
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt
19
onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden waar de uitbreiding voorzien is waren in gebruik als kweekgronden. Omdat hiervoor schone grond gebruikt en benodigd is zijn ter plaatse geen verontreinigingen te verwachten. Daarnaast zijn er ten behoeve van de beoogde uitbreiding van het kampeerterrein geen bodemingrepen benodigd. Er is dan ook geen bodemonderzoek benodigd. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De beoogde verblijfsrecreatie, waar personen recreatief en niet-permanent verblijven, is geen geluidgevoelige functie. Het voorgenomen plan voorziet daarmee niet in het toevoegen van een geluidgevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient desondanks beschouwd te worden of er sprake is van een goed verblijfsklimaat. Gezien de afstand tot de Nieuw-Loosdrechtsedijk en het feit dat de
20
bestaande bebouwing een afschermende werking heeft, is de geluidbelasting op het kampeerterrein hoogstwaarschijnlijk relatief laag en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat wat betreft geluid. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
21
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen plan kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 13 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft betrekking op het uitbreiden van zowel een gevoelige bestemming als een milieubelastende activiteit. Daarom dient enerzijds bepaald te worden of de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering vormt voor een goed woon- en
22
leefklimaat in het plangebied en bedrijven in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Anderzijds moet beoordeeld worden of ter hoogte van gevoelige bestemmingen in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de uitbreiding van het kampeerterrein. Hierbij is gebruikt gemaakt van richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het plangebied is gelegen achter het lint van de Nieuw-Loosdrechtsedijk. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en (agrarische) bedrijven aanwezig. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kan worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar. Kampeerterrein Het voorgenomen plan heeft betrekking op de uitbreiding van het kampeerterrein met bijbehorende functies, die ondergeschikt zijn aan het kampeerterrein. Deze activiteit komt overeen met 'kampeerterreinen, vakantie, e.d. (met keuken)' (SBI 553, 552) uit de VNG-publicatie en is een activiteit van milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstand bedraagt 30 m in gemengd gebied. De maatgevende woning betreft in dit geval de woning aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 105a.
De minimale afstand tot deze woning bedraagt 45 m. Daarmee wordt er voldaan aan de relevante richtafstand en kan ervan uitgegaan worden dat er ter plaatse van (bedrijfs)woningen in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De bestaande bedrijfswoning zal in de toekomstige situatie gelijk aan de bestaande situatie als bedrijfswoning fungeren. Deze bedrijfswoning geniet geen bescherming ten opzichte van het kampeerterrein. Verder blijft de afstand tussen de bedrijfswoning en milieubelastende activiteiten buiten het plangebied gelijk. Daarmee zal geen verslechtering optreden ten opzichte van de bestaande planologische situatie en dient aangenomen te worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden milieubelastende activiteiten in de omgeving als gevolg van de ontwikkeling niet beperkt in hun mogelijkheden. Milieubelastende activiteiten in de omgeving Aan de hand van het geldende bestemmingsplan ‘Loosdrecht landelijk gebied noordoost – 2012’ is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Bedrijf/ activiteit
Adres
SBI 2008
Milieucat.
Verhuurbedrijf van grondverzetmachines
NieuwLoosdrechtsedijk 107 NieuwLoosdrechtsedijk 111 NieuwLoosdrechtsedijk 105c
7732
47912
Internetwinkel
Bouwen aannemingsbedrijf
41, 43
3.1
Richtafstand gemengd gebied (m) 30
Afstand tot het kampeerterrei n(m) 90
2
10
75
50
55
42, 3.2
Uit de tabel blijkt dat er wordt voldaan aan de relevante richtafstanden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat op het beoogde kampeerterrein geborgd en is er geen sprake van een beperking van de (agrarische) bedrijfsvoering op aangrenzende gronden. Vliegveld Hilversum De planlocatie is gelegen in de nabijheid van het vliegveld Hilversum. Een camping is geen geluidsgevoelig object, maar voor een goede ruimtelijke ordening moet wel gekeken worden naar het woon- en leefklimaat ter plekke. De camping valt buiten de 48 db geluidscontour, dus is er sprake van een goed woon- en leefklimaat op het campingterrein. Om een beeld te krijgen van de geluidseffecten ter
23
plaatsen van de planlocatie vanwege het vliegveld is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (A.V. Consulting, d.d. 7 februari 2025, zie bijlage bij toelichting). De uitbreiding van de camping vormt geen belemmering voor omliggende bedrijven of activiteiten zoals het vliegveld Hilversum. Om grond van de geluidsmetingen kan het akoestisch klimaat wordt geëvalueerd op basis van het geluidsklassen beoordelingssysteem uit “methode Miedema”. Volgens deze methode is er op het terrein van HollandsMenCamp sprake van een goed woon- en leefmilieu. Er zijn derhalve geen bezwaren tegen de geplande uitbreiding. De Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft het onderzoek reeds beoordeeld. Samen met de aanvullingen over de grootte van het oppervlak van de camping en de ligging ten opzichte van de 48 dB contour van de luchthaven kunnen zij concluderen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de camping ten aanzien van geluid. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het beoogde kampeerterrein en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Daarnaast vormt de uitbreiding van het kampeerterrein geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving.
Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect milieuzonering en het plan uitvoerbaar is. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het
24
groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken.
Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.