CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting Hinderdam 2

gemeenteraad 2 november 2023, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerp-bestemmingsplan Hinderdam 2(Het raadsvoorstel is zonder stemming aangenomen)14.204 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In dit geval zijn de woningen aan te merken als een milieugevoelig object. Het betreft echter uitsluitend een planologische toevoeging van een wooneenheid. Ten aanzien van de bestaande woning in het projectgebied wordt opgemerkt dat het beschermingsniveau van deze woning niet wijzigt door de voorgenomen ontwikkeling. Nadere toetsing in het kader van ‘milieuzonering’ kan hiervoor achterewege blijven. In de omgeving van het projectgebied zijn op basis van het geldende planologisch regime grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Dit zijn bijvoorbeeld melk-/rundveehouderij- en akkerbouwbedrijven. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. In het geval van veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veehouderijbedrijven bepalend. In paragraaf 5.6 wordt nader op het aspect ‘geur’ ingegaan. Voor veehouderijen geldt, het aspect 'geur' buiten beschouwing latend, een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'.

Hierna zijn de onderlinge afstanden (gemeten van de uiterste mogelijke situering van de (agrarische) bedrijfsgebouwen en de uiterste situering van de compensatiewoning in het projectgebied) van de omliggende bedrijven weergegeven: 1. 2.

Klompweg 74: circa 160 meter; Klompweg 78: circa 290 meter.

Overige toegestane agrarische bedrijven liggen op grotere afstand. Gezien het vorenstaande wordt voor wat betreft de in de omgeving aanwezige milieubelastende functies in alle gevallen voldaan aan de genoemde richtafstanden (zonder toetsing aan het aspect geur). Geconcludeerd wordt in alle gevallen aan de richtafstanden wordt voldaan. Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied (o.b.v. maximale planologische mogelijkheden). Omgekeerd worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden belemmerd, aangezien in alle gevallen wordt voldaan aan de richtafstanden en het beschermingsniveau van de om te zetten bedrijfswoning niet wijzigt.

4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

23

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

4.6.2

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.3

Situatie projectgebied

In dit geval gaat het concreet om twee melkveebedrijven aan de Klompweg 74 en Klompweg 78. Dit betreffen beide grondgebonden veehouderijen, waarvoor vaste afstanden gelden, echter op basis van het bestemmingsplan is een intensieve veehouderij tot 1.000 m 2 toegestaan. Echter liggen er op kortere afstand woonpercelen waardoor het niet aannemelijk is dat er een intensieve veehouderij zal worden gestart aangezien deze woonpercelen al maatgevend zijn. Zoals in paragraaf 5.5 ‘milieuzonering’ is aangegeven bedraagt de afstand tot de uiterste situering van de dichtstbijzijnde woning in projectgebied circa 160 meter, waarmee wordt voldaan aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Omgekeerd worden de agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

24

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp 5.6.4

Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 520 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: de Oostelijke Vechtplassen. Het initiatief voorziet uitsluitend in een planologische woningsplitsing. In de bestaande situatie wordt het woonperceel al door twee huishoudens bewoont waardoor er feitelijk niets veranderd waardoor met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgegaan van geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden.

4.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet binnen de concreet begrensde NNN. De concreet begrensde NNN ligt op circa 12 meter afstand. Gezien het feit dat er sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.7.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

25

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp In het voorliggende geval betreft de ontwikkeling een planologische splitsing van het woonperceel. Eventuele fysieke ingrepen vinden er niet plaats. Daarbij vinden de beoogde ontwikkelingen vindt plaats op een perceel wat jarenlang wordt gebruikt als tuin. De huidige inrichting en het beheer maken het plangebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Door de het intensieve gebruik van de gronden op het perceel is er een lage ecologische waarde aanwezig. Voor de in de toekomst te slopen bijgebouwen is geen biotoopverlies of slechts beperkte tijdelijke verstoring (indirect biotoopverlies). Invloeden die leiden tot een verminderde geschiktheid van het plangebied als bijvoorbeeld foerageergebied zijn niet ontheffingsplichtig, tenzij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook de vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten niet langer kunnen functioneren. Door eventuele toekomstige sloopwerkzaamheden, de grondbewerking en de nieuwbouw, zullen eventueel aanwezige soorten slechts beperkt negatieve effecten ondervinden van de ingreep. Voor de meeste soorten is dit tijdelijk van aard. In de toekomst zal het plangebied grotendeels weer geschikt zijn als leefgebied. Er zijn een tweetal voorwaarden altijd van toepassing: •

In het broedseizoen van vogels (half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is geen vrijstelling te verkrijgen voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren.

•

Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moet de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o

voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken;

o

het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;

o

het slopen en rooien starten buiten het voorplantingseizoen en het winter(slaap)seizoen, zodat het plangebied ongeschikt is voor dieren.

Initiatiefnemer zal rekening houden met deze voorwaarden.

4.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

26

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp 4.8.1.2 Situatie plangebied In de raadsvergadering van 29 september 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het plangebied is met de rode omlijning aangegeven.

Afbeelding 4.2: Uitsnede Beleidskaart Archeologie (Bron: Gemeente Wijdemeren)

Op basis van de archeologische beleidskaart geldt ter plaatse van het plangebied dat bij plannen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm rekening dient te worden gehouden met archeologische resten. In het kader van voorliggend initiatief vinden geen bodemingrepen plaats. Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de bestaande woningen reeds geroerd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

27

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevindt zich, op basis van de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland, nabij het plangebied geen rijksmonument. Daarbij heeft de ontwikkeling geen nadelige gevolgen op monumenten. Het plangebied is wel gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de stelling van Amsterdam. Hiervoor geldt dat de kernkwaliteiten van het gebied in stand moeten worden gehouden. Openheid is de voornaamste kernkwaliteit ter hoogte van het plangebied. Met de sloop van de bijgebouwen achter de woningen ontstaat meer openheid. Daarnaast worden er geen nieuwe bouwwerken gerealiseerd waardoor de openheid eerder versterkt wordt dan dat er afbreuk aan wordt gedaan. De bestaande woonboerderij met zomerhuis is aan te merken als karakteristiek. Echter de voorgenomen ontwikkeling betreft enkel een planologische wijziging. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats aan het zomerhuis of woonboerderij. De bebouwing die zal worden verwijderd rondom de woonboerderij en zomerhuis hebben geen cultuurhistorische waarde.

4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek nodig is. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • • •

Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

28

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

4.9.2

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 520 meter van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.7.2 van deze toelichting is vermeld is naar verwachting geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de planologische splitsing van een woonboerderij met zomerhuis in Nederhorst den Berg. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

29

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat deze ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

30

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 (vastgesteld 8 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid en waterkwaliteit. Maar ook het Programma Noordzee en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen naar hun regionale (water)plannen.

5.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; 2. voorkomen van grote economische schade; 3. voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen.

5.1.4

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Het Waterbeheerprogramma Amstel, Gooi en Vecht (AGV) 2022-2027 is op 10 maart 2022 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap. In het Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

31

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •

Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid.

Ook is er sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur AGV 2019 van kracht die meer geënt is op de aankomende Omgevingswet en ruimte biedt aan maatwerk. De uitgangspunten zijn grotendeels hetzelfde gebleven met voorgaande keur, veranderingen zijn vooral in details en met maatwerk.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2

Watertoetsproces

Het plangebied is gelegen langs een waterkering met vastgestelde zones waarbinnen beperkingen gelden. Ten aanzien van de waterkering is het in ieder geval belangrijk dat werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering verbonden zijn aan een watervergunning (vergunning op basis van de Keur AGV 2019). Dit geldt bijvoorbeeld voor graafwerkzaamheden en het aanbrengen van werken zoals damwanden. Voor sommige kleinschalige (bouw)werken geldt geen vergunningsplicht vanuit het Keur, maar gelden algemene regels. Deze staan in het Keurbesluit AGV 2019. Bijvoorbeeld het plaatsen van een afrastering/hekwerk. De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische wijzigen. De bestaande bebouwing aan de Hinderdam 2 wordt gesplitst in twee wooneenheden. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Daarnaast is in de huidige situatie al sprake van twee wooneenheden. Er zullen dan ook verder geen aanpassingen nodig zijn voor vuilwater afvoer. Het regenwater wordt op het perceel geïnfiltreerd. Rekening houdend met de adviezen van het waterschap bestaat geen bezwaar tegen de ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

32

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp 5.2.3

Conclusie

Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

33

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

6.2.2

Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

34

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp 6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • •

6.2.4

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksregels en onder welke voorwaarden bepaalde gebruiken zijn toegestaan; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: regels omtrent werken of werkzaamheden die niet zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn regels opgenomen omtrent de gevallen waarbij bouwgrenzen mogen worden overschreden. Tevens is hierin opgenomen dat voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming de bestaande maten als maximum of respectievelijk minimum mogen worden gehanteerd en herbouwd.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel wordt het voorzien in de parkeerbehoefte geborgd.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 12) In dit artikel worden de geldende wettelijke regelingen van toepassing.

6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

35

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Wonen -2 (Artikel 3) De gronden waarop de woonboerderij en zomerhuis staan zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen -2’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Ook zijn paardenbakken toegestaan, indien deze ten dienste staan van een hobbymatige activiteit. Daarnaast zijn de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, erven, parkeervoorzieningen, tuinen en erftoegangswegen toegestaan.

Het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid, in voorliggend geval zal dit ‘2’ worden, tevens mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 9 meter en de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter, danwel de bestaande hoogte indien deze meer bedraagt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de landschapsmaatregelen en sloopopgave uit het ruimtelijk kwaliteitsplan juridisch zijn geborgd. Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden (Artikel 4) De gronden rondom de woningen, en daarmee dus ook grotendeels de gronden waar in de huidige situatie de verrommeling op het achtererf gesitueerd is, zijn bestemd voor ‘Agrarische met Waarden – Natuur- en landschapswaarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: de uitoefening van een bestaand agrarisch bedrijf in de vorm van veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij; het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de in dit gebied voorkomende landschappelijke en natuurlijke waarden, onder meer in de vorm van de voor het gebied kenmerkende openheid en de voor het veenweidelandschap kenmerkende flora en fauna; fiets- en wandelpaden; waterhuishoudkundige voorzieningen; extensieve dagrecreatie en bijbehorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en erftoegangswegen.

Waarde – Archeologie – 3 (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op gronden met deze dubbelbestemmingen mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter. Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 3' geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 40 cm. Waterstaat – Waterkering (Artikel 6) De voor ‘Waterstaat – Waterkering’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het in stand houden en het onderhoud van de waterkering en secundair voor de overige op de verbeelding aangewezen bestemmingen. De maximale bouwhoogte op gronden met deze dubbelbestemming is 3 meter.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

36

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, via een anterieure overeenkomst, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

37

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

HOOFDSTUK 8

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit wijzigingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2

Provincie Noord Holland

Het bestemmingsplan is ter vooroverleg gestuurd naar de provincie Noord Holland.

8.1.3

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Het bestemmingsplan wordt ter vooroverleg gestuurd naar het waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

8.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het voornemen is besproken met de nabijgelegen buren van de Hinderdam 2. In bijlage 3 van deze toelichting is een geanonimiseerd verslag van de reactie bijgevoegd. De buren hebben positief gereageerd op het voornemen.

8.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het bestemmingsplan zes weken ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

38

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

BIJLAGEN

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

39

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

Bijlage 1

Ruimtelijk kwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

40

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

41

Bestemmingsplan Nederhorst den Berg, Hinderdam 2 Ontwerp

Bijlage 3

Geanonimiseerd participatieverslag

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13225586/1