CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Onderbouwing BOPA Nootweg 16-20 Loosdrecht

gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Vaststellen Stedenbouwkundige visie Nootweg Nieuw-Loosdrecht en bindend advies voor omgevingsvergunning Nootweg 16-2014.967 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

7.3

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Het

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

pagina 30 van 47

Projectspecifiek Het projectgebied is gelegen binnen de geluidszone van de Nootweg (30 km/u zone). Het planvoornemen bestaat uit het toevoegen van een appartementengebouw inclusief commerciële functie in de plint. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit de geluidkaart van de Atlas Leefomgeving, navolgend weergegeven, blijkt dat de standaardwaarde van de geluidsbelasting door wegverkeer (50 dB) niet overschreden wordt.

Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect wegverkeerslawaai. De Atlas Leefomgeving biedt ook de mogelijkheid om het geluid van meerdere bronnen te beschouwen. Op onderstaande uitsnede is te zien dat er op de locatie een verwachte geluidbelasting van maximaal 56 dB te verwachten is. Dit is voldoende om het aspect geluid (inclusief omgevingsgeluid) als voldoende te beoordelen. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat het bestaande parkeerterrein voor zover bekend in de omgeving akoestisch gezien niet leidt tot onevenredige problemen.

pagina 31 van 47

7.4

Activiteiten en milieuzonering

Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1.1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben. Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gepubliceerd. De handreiking vervangt de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In de nieuwe handreiking blijven de basisprincipes van functiescheiding (waar nodig) en inwaartse zonering in stand. Hiervoor wordt echter niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten. De nieuwe handreiking gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels van het omgevingsplan op te nemen. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee voor geur.

De ligging van de zones is afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. Daarnaast zijn verschillende milieucategorieën waaronder gevaar en stof verwijderd uit de handreiking, omdat deze milieuthema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd zijn.

Projectspecifiek Met onderhavige ontwikkeling wordt een gebouw met een woon- en commerciële functie mogelijk gemaakt. Woningen worden in het kader van activiteiten en milieuzonering gezien als een milieugevoelige functie. Hierdoor moet enerzijds worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende milieubelastende activiteiten niet belemmert in de uitvoering van activiteiten en anderzijds of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen. Ten behoeve van een goede inpasbaarheid van activiteiten wordt gebruikgemaakt van een transponeringstabel van de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024, waarbij ten opzichte van de

pagina 32 van 47

oude VNG-tabel uit 2009 de kolommen gevaar en stof zijn verwijderd en bij de kolommen geluid en geur de richtafstanden zijn omgezet van richtafstanden naar mate van functiemenging. De tabel vormt samen met een indicatieve lijst voor activiteiten met een inschatting voor geluid en geur een hulpmiddel om een inschatting te maken of een bepaalde activiteit past binnen de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur in het omgevingsplan. Voor onderhavige ontwikkeling wordt, gelet op de ligging van onderhavige locatie in het centrum van NieuwLoosdrecht met onder meer woningen en bedrijfsactiviteiten, uitgegaan van functiemenging. Hierdoor geldt er voor de planlocatie een lager beschermingsniveau. Direct ten oosten van het projectgebied bevindt zich een bakkerij. Verder bevinden zich aan de overzijde van de Nootweg verschillende detailhandel voorzieningen, en zijn er op korte afstand van de planlocatie een aannemer, enkele opslaglocaties, een autobedrijf en een woonwinkel aanwezig. De relevante functies worden in deze paragraaf nader beschouwd. Adres

Functie

Zones geluid (VNG)

Zones geur (VNG)

Afstand tot projectgebied

Nootweg 22

Bakker

1

1

0m

Nootweg 30A

Aannemer

FM

FM

15 m

Nootweg 35A

Kapper

FM

FM

11 m

Nootweg 36

Woonwinkel

FM

FM

11 m

Nootweg 36A

Autobedrijf/garage

1

FM

95 m

Nootweg 37

Makelaar

FM

FM

11 m

Nootweg 43a

Cadeauwinkel

FM

FM

11 m

Nootweg 45

Supermarkt

FM

FM

35 m

Nootweg 47

Warenhuis

FM

FM

40 m

Nootweg 51

Fietsenwinkel

FM

FM

45 m

Nootweg 53A

Restaurant

FM

FM

50 m

Nootweg 53B

Drogisterij

FM

FM

50 m

Uit de voorgaande tabel blijkt dat enkel voor de bakkerij (Nootweg 22) en het autobedrijf (Nootweg 36) zwaardere zoneringen worden gehanteerd dan functiemenging. Voor de bakker geldt voor de zones geluid en geur de basiswaarde van 50 m, en voor het autobedrijf voor de zone geluid de basiswaarde van 50 m (voor geur is sprake van functiemenging). Wat betreft de bakkerij is het projectgebied binnen de afstand van 50 m gelegen. In de huidige en toekomstige situatie is er geen sprake van enige hinder veroorzakende activiteiten aan de zijde van de projectlocatie. Voor een bakker is doorgaans de installatie vanwege de ovens het meest relevant. Deze bevinden zich niet aan de zijde van de toekomstige woningen. Dit is tevens te zien in de onderstaande afbeelding (bron: Google Maps).

pagina 33 van 47

Het planvoornemen beschikt op de begane grond over een commerciële functie die grenst aan de bakkerij. Daarvoor geldt de richtafstand niet. Tevens is vanaf de verdieping sprake van een gesloten gevel en voldoet het nieuwe gebouw aan de bouwvoorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast zijn er rondom de bakkerij reeds woonfuncties gelegen. Daarmee kan worden aangenomen dat, mede gelet op het gemengde karakter van het gebied, de naastgelegen (bedrijfs)activiteiten niet worden gehinderd in hun (bedrijfs)uitvoering. Daardoor kan tevens worden gesteld dat de functies goed samengaan en er geen belemmeringen zullen optreden voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.5

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

pagina 34 van 47

Projectspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Tevens wordt de ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) per definitie aangemerkt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het projectgebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2022 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het projectgebied bedragen respectievelijk 17,0 μg/m³ PM10, 9,2 μg/m³ PM2,5 en 11,8 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.6

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Projectspecifiek Archeologie De gronden zijn in het bestemmingsplan ‘Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht’ voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 5’. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m onder maaiveld en een oppervlakte groter dan 2.500 m2, er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Dit is bij de onderhavige planontwikkeling niet het geval. De totale perceeloppervlakte bedraagt immers minder dan de grenswaarde. Cultuurhistorie Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Ook zijn er geen (Rijks)monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle elementen in de directe nabijheid van het

pagina 35 van 47

projectgebied aanwezig. Wel is de bouwaanduiding ‘karakteristiek’ van toepassing op de drie bestaande hoofdgebouwen van het projectgebied. Hierdoor is conform artikel 27.3 ‘Beeldbepalende bebouwing’ een verandering van deze bebouwing niet toegestaan zonder een omgevingsvergunning. Het beoogde plan wordt dan ook afgestemd met de gemeente. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Wel is een vergunning van de gemeente nodig voor het slopen van de woningen die de aanduiding ‘karakteristiek’ hebben.

7.7

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Projectspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op een planologische functiewijziging waarbij voor een gedeelte van de gronden sprake zal zijn van een gevoeliger bodemgebruik. Een gedeelte van de gronden beschikt immers over een detailhandelsbestemming, terwijl dit in de toekomstige situatie (gedeeltelijk) wordt gebruikt voor wonen. Bovendien vinden er bodemingrepen plaats ten gunste van de ontwikkeling, waardoor een bodemonderzoek is uitgevoerd (Grondslag, d.d. 6 december 2024, zie bijlage 4). Uit de resultaten blijkt dat er lokaal, aan de oostelijke plangrens, een sterke verhoging aan zink is aangetoond, waardoor tevens direct een aanvullend onderzoek is uitgevoerd. Hier blijkt dat de omvang van het zink dusdanig beperkt is (ca. 10 m3) dat er geen sprake is van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit (>25 m3). Hierdoor geldt er geen saneringsplicht. Mochten er graafwerkzaamheden plaatsvinden die wél boven de toelaatbare bodemkwaliteit uitkomen dan geldt er (alsnog) een saneringsplicht en een meldingsplicht richting het bevoegd gezag. Verder is er zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen op de planlocatie. Derhalve vormen de onderzoeksresultaten geen belemmeringen voor het beoogde gebruik van wonen.

pagina 36 van 47

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

7.8

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10 -6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico.

'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen

pagina 37 van 47

en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Projectspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het projectgebied risicovolle activiteiten, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Risicokaart, projectgebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).

Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart komt naar voren dat de meest dichtstbijzijnde buisleiding op ca. 1.200 m afstand in oostelijke richting is gelegen (Gasunie). Het projectgebied ligt buiten de risicoafstanden van deze leidingen, waarmee deze buisleidingen geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 38 van 47

Risicovolle activiteiten Op ca. 180 m afstand in zuidoostelijke richting is het zwembad ‘Walderveenbad’ aanwezig, waar chloor wordt opgeslagen en daarmee sprake is van restcategorie. Ook is op ca. 410 m afstand in zuidoostelijke richting het aannemersbedrijf ‘Pembroek BV’ aanwezig, waarbij eveneens sprake is van restcategorie. Verder is op ca. 920 m afstand in zuidwestelijke richting het gasbedrijf ‘Van Reenen BV’ aanwezig, waar gas verpakt en in tanks wordt opgeslagen. De beoogde ontwikkeling is op voldoende afstand gelegen van deze risicovolle activiteiten. Transport gevaarlijke stoffen In de nabije omgeving van het projectgebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De meest dichtstbijzijnde route waarover conform het Basisnet transport plaatsvindt, zoals aangegeven op de Atlas Leefomgeving, betreft de spoorlijn tussen Hilversum en Utrecht, op ca. 3,1 km afstand in oostelijke richting van het projectgebied. Het projectgebied bevindt zich daarmee buiten de aandachtsgebieden van deze transportroute. Conclusie Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

7.9

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

pagina 39 van 47

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Projectspecifiek In het kader van de herontwikkeling van het perceel is een quickscan natuur uitgevoerd (Blom Ecologie, 2025-0314, d.d. 14 maart 2025, zie bijlage 4). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschouwd. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op ca. 1,7 km afstand in westelijke richting van het projectgebied, te weten Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Een significant effect op dit gebied valt, gelet op de relatief korte afstand, niet uit te sluiten. Derhalve is middels de AERIUS Calculator een berekening van de stikstofdepositie gemaakt (Buro SRO, d.d. 4 november 2025, zie bijlage 5). Hieruit blijkt dat het plan geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j met zich meebrengt. Er is dan ook geen vergunning Natura 2000-activiteit vereist. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling voorziet onder meer in het verwijderen van de bestaande bebouwing. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten voor vleermuizen, huismus, gierzwaluw, bunzing en steenmarter niet uitgesloten kunnen worden. Daarom is voor deze soorten een aanvullend onderzoek uitgevoerd (Econu, SRO 2510-3, d.d. 3 november 2025, zie bijlage 6). Tijdens de onderzoeken zijn drie paar- en/of zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen.

De aanwezigheid van overige beschermde soorten is met dit onderzoek verworpen. Voor het wegnemen van de verblijfplaatsen wordt een vergunning flora en fauna-activiteit aangevraagd. Houtopstanden Uit de quickscan blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingrepen niet leiden tot overtreding van de wettelijke verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Wel dient ten behoeve van de ontwikkeling een beeldbepalende

pagina 40 van 47

paardenkastanje gekapt te worden. Deze boom heeft conform de Groene kaart (zuid) bij de Bomenverordening van de gemeente Wijdemeren geen beschermde status. Desalniettemin is in 2021 een Bomen Effect Analyse voor deze boom uitgevoerd (HDV, d.d. 10 september 2021, zie bijlage 7). Op basis van de conditiebeoordeling blijkt dat de conditie van de boom verminderd is en deze licht is aangetast door de kastanjebloedingsziekte. Daarnaast zijn er ingerotte snoeiwonden aanwezig. De toekomstverwachting van de boom is ingeschat op ca. 10-15 jaar. Gelet hierop bestaan er geen bezwaren tegen het verwijderen van de boom. Aangezien de locatie is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap uit het omgevingsplan geldt er geen herplantplicht. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt voor wat betreft de gewone dwergvleermuis tot overtreding van verbodsbepalingen soortenbescherming. Derhalve zal een vergunning flora en fauna-activiteit worden aangevraagd.

7.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

pagina 41 van 47

Beleid waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) In het ‘Waterbeheerprogramma waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027’ is aangegeven welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Samen met de inwoners van het beheergebied, collega overheden, bedrijven en andere belanghebbenden werkt het waterschap aan een toekomstbestendig waterbeheer in het beheergebied. Op die wijze biedt het waterschap een goede bescherming tegen overstromingen, is het beter in staat om water vast te houden voor perioden van schaarste en kunnen alle functies in het gebied het gehele jaar van voldoende en schoon water worden voorzien. Het waterschap heeft eigen regels voor het water en de dijken. Deze regels zijn weergegeven in de Waterschapschapsverordening. Het gaat daarbij onder meer om de taken van het waterschap en wanneer een vergunning moet worden aangevraagd of er iets gemeld moet worden. Tevens zijn hierin regels opgenomen voor het oppompen van grondwater en het lozen van bepaalde stoffen in oppervlaktewater. Water- en rioleringsprogramma 2023-2027 Gemeente Wijdemeren Het Water- en rioleringsprogramma 2023-2027 van Wijdemeren waarborgt wettelijke zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater door klimaatbestendig beheer en tijdige vervanging van de infrastructuur.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt een strikte voorkeursvolgorde, waarbij schoon hemelwater lokaal moet worden vastgehouden, geïnfiltreerd of vertraagd afgevoerd in plaats van afgevoerd naar de riolering. Nieuwe initiatieven moeten bijdragen aan een robuust, duurzaam watersysteem en de financiële houdbaarheid van het beheer.

Projectspecifiek Watercompensatie Met de voorgenomen ontwikkeling worden aanpassingen gedaan aan het projectgebied. Het totale perceel kent een omvang van circa 2.312 m2 en is vrijwel volledig verhard. De nieuwe situatie voorziet in nieuwe gebouwen en een andere terreininrichting, waarbij er per saldo meer ruimte is voor onverharde oppervlakte. Omdat er geen sprake is van het verwijderen van bestaand oppervlaktewater. Op grond van de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht geldt dan ook geen compensatie-eis en is geen vergunning vereist. Waterafvoer Het afvalwater zal worden afgevoerd via de bestaande riolering. De riolering kan de extra afvoer aan. Indien noodzakelijk kan dit bij de omgevingsvergunning technische bouwactiviteit worden toegevoegd. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. De gemeente Wijdemeren beschrijft in hun Nota klimaatadaptatie 2020-2030 een vereiste waterberging van 40 mm per m² verhard oppervlak. Op grond van deze eis is een verkennende berekening (globale oppervlaktes) van de vereiste waterberging gemaakt met de rekentool van Groenblauwe Netwerken (zie bijlage 8). Uitgangspunt is dat een deel van de verharding uitgevoerd wordt als halfverharding en de bergingen voorzien worden van groene daken. Er resteert dan een bergingseis van ca. 63,5 m³.

Dit kan opgelost worden door bijvoorbeeld 127 m² aan infiltratiekratten met een diepte van 50 cm te plaatsen. In de nadere uitwerking zullen de concrete maatregelen en werking van het watersysteem verder uitgewerkt worden. In ieder geval kan op het perceel voldaan worden aan de bergingseis van de gemeente Wijdemeren.

pagina 42 van 47

Oppervlaktewater In de nieuwe situatie worden er geen watergangen gedempt en ook geen nieuwe oppervlaktewateren gecreëerd. Waterkeringen Op basis van de leggerkaart van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) blijkt dat er in het projectgebied en in de directe omgeving ervan geen beschermingszones van waterkeringen aanwezig zijn. Er is dan ook geen vergunning conform de waterschapsverordening vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat onderhavig plan geen negatieve gevolgen heeft voor het watersysteem.

7.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

pagina 43 van 47

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Projectspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1.

Er wordt slechts één nieuw appartementengebouw toegevoegd in de plaats van bestaande bebouwing.

2.

Het gaat om percelen waar reeds (gedeeltelijk) woonfuncties zijn toegestaan, en een gebied waar reeds stedelijke functies te vinden zijn.

3.

Het nieuwe gebouw voldoet aan de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

pagina 44 van 47

8

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is art. 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Projectspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

pagina 45 van 47

9

Conclusie

Met het planvoornemen worden woon- en detailhandelsfuncties toegevoegd aan een locatie waar deze reeds zijn toegestaan. De ontwikkeling is stedenbouwkundig passend. Naar aanleiding van participatie is ervoor gekozen het gebouw te voorzien van 4 bouwlagen, wat ook beter past in de stedenbouwkundige context. Doordat het beoogde woonprogramma een bijdrage van 26 woningen aan het woningaanbod doet is het in lijn met het regionale en gemeentelijke woonbeleid. De parkeervraag die dit grotere programma met zich meebrengt is op te lossen op eigen terrein. Ook de verkeersgeneratie die het met zich meebrengt is goed op te vangen. Voor de sloop van de bestaande gebouwen is het wel nodig om vergunning flora en fauna-activiteit te verkrijgen, gelet op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis. Tevens is door de aanduiding ‘karakteristiek’, naast een reguliere sloopvergunning, een vergunning van de gemeente nodig ten behoeve van de sloop van de betreffende panden. Daarnaast is ingegaan op de relevante aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving en het milieu. Hieruit zijn verder geen belemmeringen voortgekomen. Geconcludeerd kan worden dat, vanwege de bijdrage die het plan doet aan het woningaanbod, de verduurzaming en het straatbeeld, de toedeling van functies aan de locatie (ETFAL) evenwichtig is.

pagina 46 van 47

pagina 47 van 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16911360/2