Bijlage 2. Aanvraag omgevingsvergunning jachthaven t.h.v. boegspriet 7, inclusief bijlagen
Tekst van het document
Aanvraag omgevingsvergunning jachthaven ter hoogte van Boegspriet 7 incl. bijlagen
In dit bestand zijn opgenomen a.
aanvraagformulier publiceerbaar
b.
kadastrale situatie
c.
plattegronden en doorsneden
d.
ruimtelijke onderbouwing
e.
toelichting op AERIUS-berekening
f.
AERIUS-berekening gebruiksfase
g.
materialisatie haven
243/ap07
30
28
213/TRAF
8,55
2,16
7,60
4
32
23,0
Diamantkop
0,85
34
237/ap01-237/ap10
Inkeping 20mm
+0,10
36
213a 4
100 7-9
NAP-0,05
170
Vellingkanten over 1,0m
80
75 125
207/01-207/08
400
300
38
13
2
170
Klemgording 200x60mm Damwandplank 60mm, l=6500mm
Klemgording 200x60mm
sp eg Bo
Schoor 100x100mm, l=6500mm, hoh 2m
rie t7 40
17
-1,05
0x
38
-1,05
0m
17 m
8 l= ov
,b
36
en
34
tN
n ka
2s
t. (1
AP
0x3 ,
, -0
6)
10
32
3
16
17
5
19
6
7
20
8
21
9
22
3s
3s
2s
1x3 ,8 1x4 ) ,0) 31 32
11
12
25
13
26
14
27
4s
t. (9
t. (1
30
5,53
29
t. (1
24
t. (1 0x3 ,
8)
1s
10
23
1x3
,9)
lfsla
15
25
28
x3,
4s
t. (1
33
0x3
34
g
27
4
18
30 Go
16,8
2
0
t. (8 x3)
1
t. (1
29
13 s
,8)
35
1s
4)
t. (8
t. (8
19
23
3s
x3)
21
x3)
36
Bodem ca.-2,90
SITUATIE
3
6,20
15,2
16,13
20,46
SCHAAL: 1:1000
1 (db)
WW e Bo
1
ca.-7,90
-6,15
ACHTERPALEN VOOR-, ZIJ- EN BOVENAANZICHT
GOLFKERING
SCHAAL: 1:20
SCHAAL: 1:20
gs iet
pr 7
0m 17 0x 17 8m
1,20 Kabelgoot Dekplank 150x32mm Gording 80x150mm Gording 50x165mm
k en ov
,b NA 10
0,
P-
2
16
3
17
4
18
5
19
20
t. (1
1x3
,9)
7
5,5 3
t. (1
8
21
30
,8)
22
9
23
10
24
11
12
25
31
x3, 4)
4s
t. (1
32
26
33
0x3
34
,8) 35
Kesp 2x 150x50mm Paal 150x150mm l=6m hoh 3,5m
Schoor 150x50mm
Damwandplank 60mm l=6500mm
Damwandplank 60mm l=6500mm
Schoor 100x100mm l=6500mm hoh 2m
Schoor 100x100mm l=6500mm hoh 2m
-1,05
Schoor 150x50mm
-1,05
Damwandplank 60mm l=6500mm
t. (8
x3)
15
Bodem ca.-2,90
-6,65
Bodem ca.-2,90
-6,65
-6,65
28 STEIGER 1,2M BREED
STEIGER 1,5M BREED
STEIGER 1,5M BREED ZONDER GOLFKERING
SCHAAL: 1:20
SCHAAL: 1:20
SCHAAL: 1:20
x3)
36
Legenda Steiger 1,5m breed
Steiger met golfkering 1,5m breed
Steiger met golfkering 1,2m breed, 42,0m2, in ander bestemmingsplan
15,
Velperweg 13 6824 BC Arnhem Postbus 257 6800 AG Arnhem T +31 26 3537720 F +31 26 3537727 E info@boiten.net I www.boiten.net
Projekt:
23 6,2
0
Omschrijving: Golfkering, 8,0m2, in ander bestemmingsplan
16,13 20,46
Opdrachtgever: Tekeningnr.:
SITUATIE SCHAAL: 1:250
-0,50
3s
t. (8
1s
14
27
t. (9
,8)
,0)
13
4s
1x3
1x4
Kesp 2x 150x50mm Paal 150x150mm l=6m hoh 3,5m
Bodem ca.-2,90 Bodem ca.-2,90
0x3
1s
t. (1
3)
3s
t. (1
2s
(8x
Dekplank 150x32mm Gording 80x150mm Gording 50x165mm
(lv)
6
3s
29
st.
-1,05
Kabelgoot
-0,50
Dekplank 150x32mm Gording 80x150mm Gording 50x165mm
80
1
Kabelgoot
1,50
16,
13
1,50
-0,50
Schoor 150x50mm
-0,20 Klemgording 200x60mm
0,30
Kesp 2x 150x50mm Paal 150x150mm l=6m hoh 3,5m
t an
,6)
-0,05
-0,20 Klemgording 200x60mm
0x3
WR
Afdekplank 150x32mm
-0,20
l=
2s t. (1
-0,05
Afdekplank 150x32mm
Getekend:
Gezien:
Formaat:
Schaal:
omgevingsvergunning
Haven op het perceel naast Boegspriet 7 in Loosdrecht Gemeente Wijdemeren
Planstatus:
definitief
Plan identificatie:
NL.IMRO.1696.X-co01
Datum:
24/8/2021
Contactpersoon Buro SRO:
J. van Nuland | L. Toppen
Kenmerk Buro SRO:
SR210153
Opdrachtgever:
R. W. van der Wurf
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planomschrijving ..................................................................................................................................... 8 3 Beleidskaders ........................................................................................................................................ 10 4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 11 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 11 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 12 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 17 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 19 4.5 Archeologie .......................................................................................................................................................
20 4.6 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 20
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 21 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 21 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 21
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voornemen is om grenzend aan het perceel horende bij de Boegspriet 7 in Loosdrecht een haven met ligplaatsen voor boten te realiseren. Het gaat om in totaal 40 ligplaatsen voor verhuur en verkoop van pleziervaartuigen. Ten behoeve van de haven zullen een aanlegsteiger en een golfbreker worden gerealiseerd. Voorliggende ruimtelijke motivatie heeft betrekking op de realisatie van een deel van deze aanlegsteiger en de golfbreker. Ter plaatse van de planlocatie geldt grotendeels het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' (vastgesteld op 26 februari 2009), waarbinnen de gronden zijn voorzien van de bestemming 'Water bij wonen' en de aanduiding 'ligplaatsenverhuur toegestaan'. Hierbinnen zijn maximaal 40 ligplaatsen voor boten toegestaan. Aan de hand hiervan kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht'. Echter is een klein deel van het plangebied gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013' (vastgesteld op 7 juli 2016), waarbinnen de planlocatie is voorzien van de bestemming 'Water'. Doordat binnen de bestemming 'Water' geen aanlegsteigers ten behoeve van ligplaatsen voor boten zijn toegestaan is beoogde ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013'.
Om medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief zal van het geldend bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013' moeten worden afgeweken. De beoogde aanlegsteigers en golfkering hebben een oppervlakte van niet meer dan 50 m² en zijn niet hoger dan 10 m waardoor medewerking voor de beoogde aanlegsteigers en golfkering mogelijk is op basis van Bijlage II, artikel 4 lid 3 van het Bor. Voorliggende ruimtelijke motivatie heeft betrekking op het deel van het plangebied dat is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013' en is opgesteld om, met een omgevingsvergunning in afwijking van het geldende bestemmingsplan, de beoogde ontwikkeling van een deel van een aanlegsteiger en een golfbreker voor ligplaatsen voor boten juridisch-planologisch mogelijk te maken
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied grenst aan het perceel horende bij de Boegspriet 7 in Loosdrecht. Loosdrecht maakt onderdeel uit van gemeente Wijdemeren. Aan de noordkant van de planlocatie is het nieuwe centrum van Loosdrecht, de Porseleinhaven, gelegen. Aan de oost- westkant van de planlocatie zijn met name ligplaatsen voor boten en woningen gelegen. De planlocatie is gelegen te midden van de Loosdrechtse plassen. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Loosdrecht, sectie G, perceelnummer 3982 en heeft een oppervlakte van ca. 4.525 m². Het plangebied is afgebakend langs het deel van het kadastrale perceel dat is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013', met een oppervlakte van ca. 495 m². De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ (vastgesteld op 7 juli 2016) hebben de gronden op de planlocatie de bestemming ‘Water’. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ .
Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' en 'Plassengebied Loosdrecht 2013', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Met het voorgenomen plan wordt ten behoeve van maximaal 40 ligplaatsen voor boten een uitbreiding van een aanlegsteiger van ca. 42 m² en een golfbreker van ca. 8 m² gerealiseerd. Binnen de bestemming ‘Water’ zijn geen aanlegsteigers of golfbrekers toegestaan, waardoor de beoogde ontwikkeling in strijd is met het geldende bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013'. Een aanlegsteiger en golfbreker is aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, hierdoor kan met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2 Wabo) met toepassing van de ‘kruimellijst’ (bijlage II, artikel 4, lid 3 Bor) afgeweken worden van het bestemmingsplan, mits het bouwwerk, geen gebouw zijnde niet hoger dan 10 m en een oppervlakte van niet meer dan 50 m² betreft. Om deze redenen is een omgevingsvergunning vereist, in welk kader een ruimtelijke motivatie nodig is waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke motivatie voorziet daar in.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Planomschrijving Langs de Oud-Loosdrechtsedijk, in de kern van Oud-Loosdrecht, is het nieuwe dorpscentrum van Loosdrecht, de Porseleinhaven, in aanbouw met woningen, horeca, winkels en andere voorzieningen. De realisatie van dit nieuwe dorpscentrum van Loosdrecht is planologisch-juridisch geregeld in het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht'. Onderdeel van de ontwikkeling van het nieuw dorpscentrum betreft de mogelijkheid om aanlegsteigers te realiseren voor ligplaatsen voor maximaal 40 boten. De realisatie van een haven voor maximaal 40 boten vormt als het ware de afronding van de Porseleinhaven en is als ontwikkeling reeds opgenomen in het nu geldende bestemmingsplan. De initiatiefnemer is voornemens om invulling te geven aan de reeds in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om grenzend aan het perceel horende bij de Boegspriet 7 in Loosdrecht, een haven met ligplaatsen voor boten t.b.v. de watersport te realiseren. Het gaat om in totaal 40 ligplaatsen voor verhuur en verkoop van pleziervaartuigen. Ten behoeve van de haven zullen een aanlegsteiger en een golfbreker worden gerealiseerd. Het kadastrale perceel waarop de aanvraag betrekking heeft valt deels binnen het planologisch regime van het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' en deels binnen het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’.
Enkel binnen het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' is de beoogde ontwikkeling van een aanlegsteiger en een golfbreker ten behoeve van ligplaatsen voor maximaal 40 boten toegestaan. Echter is de omvang van de bestemming 'Water bij wonen' uit het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' niet toereikend waardoor de initiatiefnemer voornemens is om het gehele kadastrale perceel te gebruiken als haven. Hierdoor is het gewenst om voor het deel (circa 500 m2) van het kadastrale perceel dat is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ af te wijken van de mogelijkheden uit het bestemminsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’. Met deze verruiming kan de haven ruimer worden opgezet wat meer 'vaarcomfort' geeft bij en in - en uitvaren van de 40 ligboxen. Middels voorliggende ruimtelijke motivatie wordt het mogelijk gemaakt om in afwijking van het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ het gehele kadastrale perceelnummer 3982 in gebruik te nemen ten behoeve van ligplaatsen voor maximaal 40 boten. Voorliggende ruimtelijke motivatie heeft betrekking op de realisatie van een uitbreiding van de aanlegsteiger en golfbreker binnen het deel van het kadastrale perceelnummer 3982 dat is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’.
Het voornemen is om ter plaatse een aanlegsteiger te realiseren met een oppervlakte van ca. 42,0 m². Aansluitend hierop wordt er een golfbreker gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 8,0 m².
8
De navolgende afbeelding toont de beoogde situatietekening.
Situatietekening (bron: Boiten ingenieurs d.d. 28 mei 2021)
Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Boegspriet en de Oud-Loosdrechterdijk. In het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' is verkeerscapaciteit van de Oud-Loosdrechterdijk reeds in beeld gebracht, rekening houdend met ligplaatsen voor maximaal 40 boten grenzend aan het perceel horende bij de Boegspriet 7. Geconcludeerd wordt dat Oud-Loosdrechterdijk over voldoende capaciteit beschikt. Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de 'Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Wijdemeren', zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders op 31 maart 2015. Voor de realisatie van een haven met 40 ligplaatsen volgt uit de parkeernormen van de gemeente Wijdemeren dat per 3 ligplaatsen 2 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Hierdoor ontstaat er ten behoeve van de realisatie van 40 ligplaatsen voor boten een parkeeropgave van afgerond 27 parkeerplaatsen. Conform het gemeentelijk beleid dient er in eerste instantie voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. De ruimte voor deze parkeerplaatsen is niet aanwezig binnen het plangebied en de stedenbouwkundige opzet van het gebied Porseleinhaven.
Indien er geen parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, zoals in casu sprake van is, kan er, conform de ‘Verordening reserve parkeergelegenheden gemeente Wijdemeren’ onder voorwaarde gebruik gemaakt worden van parkeergelegenheid in de openbare ruimte. Over het gebruik van deze mogelijkheid zijn tussen partijen bindende afspraken gemaakt binnen de beleidsmatige mogelijkheden van de verordening. Met de herinrichting van het parkeerterrein aan de Vuntuslaan is, in capaciteit, rekening gehouden met de realisatie van de 27 parkeerplaatsen.
9
3 Beleidskaders Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de gronden grenzend aan de Boegspriet 7 in Loosdrecht een haven met ligplaatsen voor maximaal 40 boten te realiseren. In het bestemmingsplan 'Dorpscentrum Oud-Loosdrecht' is de realisatie van een haven met ligplaatsen voor maximaal 40 boten reeds getoetst aan het rijks-, regionaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Een deel van het plangebied is echter gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’, waarbinnen de beoogde ontwikkeling niet mogelijk is. Middels voorliggende ruimtelijke motivatie wordt in afwijking van het bestemmingsplan 'Plassengebied Loosdrecht 2013’ de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk gemaakt. Doordat de realisatie van een haven voor ligplaatsen voor maximaal 40 boten reeds is getoetst aan de beleidskaders wordt navolgend enkel op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is namelijk de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 1. 2.
3.
er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Voorafgaand aan toetsing aan de stappen van de ladder moet allereerst gekeken worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als er namelijk geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling hoeft er niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Stedelijke ontwikkeling Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het deel van het plangebied dat is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ heeft een oppervlakte kleiner dan 500 m², namelijk 495 m². Hiermee is geen sprake van een ruimtebeslag groter dan 500 m². Derhalve wordt de beoogde ontwikkeling, gezien de beperkte omvang, niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.
10
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt
11
onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een aanlegsteiger van ca. 42,0 m² en een golfbreker van ca. 8 m² ten behoeve van ligplaatsen voor boten. Met het voorgenomen plan zullen er slechts enkele palen in de bodem worden geplaatst, er vindt in geen geval een bestemmingswijziging plaats naar een strenger bodemgebruik. Waardoor er geen bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Gezien het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh).
De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek In het kader van de Wet geluidhinder maakt het voorgenomen plan geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk. Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het plan.
12
4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de
13
grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen plan kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 13 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Tevens worden de advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden gehaald. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
14
Planspecifiek De omgeving van het plangebied kent een grote mate van functiemenging. Binnen dit deel van Loosdrecht komen veel verschillende functies voor en een flinke mate van bedrijvigheid, veelal watergerelateerd. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de gronden grenzend aan de Boegspriet 7 in Loosdrecht een haven met ligplaatsen voor maximaal 40 boten te realiseren. In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is de ontwikkeling binnen het plangebied aan te merken als het 'jachthaven' (SBI: 932). Dit valt in milieucategorie 3. met een maatgevende richtafstand van 50 m voor het aspect 'geluid'. Omdat het plangebied als een gemengd gebied wordt bestempeld mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd. Er geldt in dit een geval een richtafstand van 30 m. De meest nabijgelegen milieugevoelige bestemming is de burgerwoning gelegen aan Boegspriet 7. De minimale afstand van de beoogde haven tot deze woning is in de huidige planologische situatie slechts 5 m. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 m. Echter maakt het geldend planologisch regime de realisatie van haven reeds mogelijk.
Voorliggende ruimtelijke motivatie heeft betrekking op het deel van de beoogde haven dat is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’. De afstand tot de woning aan de Boegspriet 7 en het deel van de haven dat is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’ betreft ca. 65 m. Geconcludeerd wordt dat het plangebied op voldoende afstand van omliggende gevoelige objecten is beoogd, waarmee het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
15
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang.
Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.
Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
16
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat een haven als beperkt kwetsbaar object wordt gezien. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Daaruit komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven zijn gevestigd en er geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
17
4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vechtstreek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft de zorg voor het regionale watersysteem. Het waterschap streeft op een duurzame en kosteneffectieve wijze naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering. Het Waterbeheerplan 2016-2021, vastgesteld op 8 oktober 2015, bouwt voort op het plan voor de periode 2010-2015 en houdt tegelijk rekening met nieuwe ontwikkelingen. Voor de komende periode heeft het AGV per thema een aantal wensbeelden voor 2030 genoemd, te weten: 1.
2.
3.
4.
5.
Waterveiligheid: Bij waterveiligheid gaat het over bescherming tegen overstroming vanuit buitenwater of boezemstelsels. Insteek van het AGV is een waterrobuuste inrichting van de omgeving. Wanneer de veiligheid in het gedrang dreigt te komen houdt het AGV rekening met economische, landschappelijke en natuurwaarden. Voor de primaire waterkeringen heeft het Rijk het vereiste veiligheidsniveau opnieuw bepaald. In 2050 moeten alle primaire keringen aan de normen voldoen. Voldoende water: Voldoende water gaat over de inrichting en het beheer van het watersysteem, zodanig dat het optimaal functioneert. Doel voor 2021 is dat er sprake is van een robuust watersysteem die de functies van gebieden faciliteren, en wateroverlast en watertekort voorkomen. Er is voldoende water beschikbaar voor vitale functies, nu en in de toekomst. Schoon water: Schoon water betekent voor het waterschap een goede waterkwaliteit, zowel chemisch als ecologisch. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn hierbij leidend. Maatregelen liggen op waterzuivering, samenwerking met de agrarische sector en het toekennen van een extra beschermde status aan innamepunten voor drinkwater. Het AGV wil zorgen dat al het water in het beheergebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie: voor veeteelt en akkerbouw, als grondstof voor drinkwater, voor recreatie en visserij, als proceswater en voor de natuur.
Het doel is dat inwoners en bezoekers het water in het gebied ervaren als een verrijking van de omgeving. Waterketen: Binnen de waterketen zorgt het waterschap voor het transporteren en zuiveren van stedelijk afvalwater. Om te zorgen dat het gezuiverde water blijft voldoen aan de lozingseisen werkt het waterschap in de planperiode aan het onderhouden, vernieuwen en optimaliseren van de zuiveringsinstallaties en -processen. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is de microverontreinigingen zoals microplastics en medicijnresten. Het waterschap richt zich ook op het terugwinnen van grondstoffen en energie uit afvalwater. Tevens wil het waterschap innoveren en nieuwe technologische mogelijkheden doelmatig toepassen in de praktijk. Verder heeft het AGV als doel om in 2020 klimaatneutraal te zijn. Hiervoor worden extra maatregelen genomen. Op en om het water: Het waterschap vindt het belangrijk dat inwoners en bezoekers van het gebied volop kunnen genieten van water, als onlosmakelijk onderdeel van het landschap. Het AGV heeft als doel voor 2030 in een groot deel van het beheersgebied de integrale uitvoerder te zijn van alle watertaken. In de komende planperiode wordt nagegaan of het wenselijk en haalbaar is om vaarwegbeheer en nautisch beheer tot zelfstandige taken van het waterschap te maken.
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is AGV als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De Keur kent een flink aantal bepalingen die bedoeld zijn om het goed functioneren van de waterkeringen te beschermen. Ook de bepalingen die betrekking hebben op het beschermen van de aan- en afvoer van water zijn van belang om droge voeten te houden én van betekenis in tijden van waterschaarste. Maar ook de bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem neemt een belangrijke plaats in. Het hoogheemraadschap streeft een goede ecologische toestand na van de watersystemen in zijn beheergebied, conform de Europese Kaderrichtlijn Water en conform nationaal en provinciaal beleid. Een goede ecologische toestand betekent dat water, oever en waterbodem voldoende leefmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld water wil lozen, moet een watervergunning aanvragen
18
bij AGV. Vergunningaanvragen worden getoetst aan beleidsregels. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen er geen wijzigingen met betrekking tot het watersysteem optreden. Er is geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Derhalve is een toename van de versnelde afvoer van hemelwater niet te verwachten en is compensatie als gevolg van de realisatie van extra verhard oppervlak niet aan de orde. Gezien het voorgaande is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het lokale watersysteem. De waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid in de omgeving blijft gewaarborgd. Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden of het project mogelijk invloed heeft op beschermde soorten en of gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Met het voorliggende initiatief wordt er geen bebouwing gesloopt. Tevens zijn er geen bomen aanwezig binnen het plangebied. Er kan dan ook gesteld worden dat het initiatief niet leidt tot aantasting van mogelijke schuilen verblijfplaatsen van beschermde soorten. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld.
19
In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' bevindt zich op een afstand van ca. 250 m ten oosten van het plangebied. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, 31 mei 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de gebruiks- en bouwfase rekenresultaten hoger dan 0,02 mol/ha/j zijn, echter wordt de KWD niet overschreden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied is binnen het geldende bestemmingsplan ‘Plassengebied Loosdrecht 2013’, vastgesteld door de gemeenteraad op d.d. 7 juli 2016, niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming.
Hierdoor zullen de archeologische waarden geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Door de ligging van het plangebied binnen de begrenzing van de 'Stelling van Amsterdam' en de 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' dient rekening gehouden worden met de kernkwaliteiten van deze werelderfgoederen. Het voorgenomen plan heeft geen onomkombaar negatief effect heeft op de cultuurhistorische waarden van het gebied. Immers de afmeervoorzieningen t.b.v. de 40 ligplaatsen zijn in theorie ook weer teniet te doen.
20
5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Voorliggende omgevingsvergunning maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met deze buitenplanse omgevingsvergunning een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van exploitatiekosten anderszins is verzekerd (op een andere manier geregeld is) en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. Planspecifiek Initiatiefnemer en de gemeente hebben een vaststellingsoveenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt omtrent de kosten. Het bouwplan zoals voorzien is niet aan te merken als een bouwplan zoals bedoeld in de 'Grexwet'. Daarmee is er geen wettelijke verplichting tot kosten verhaal. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor afwijkingen van het bestemmingsplan die vallen onder de kruimelgevallen, geldt onder de Wabo de reguliere procedure (hoofdstuk 4 Awb). Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk. Er is geen terinzagelegging. Wel kunnen de artikelen 4:7 en 4:8 Awb worden toegepast binnen de 8 weken termijn (met eventuele verlenging van 6 weken). Als het bevoegd gezag na 8 weken geen besluit heeft genomen, is de vergunning van rechtswege verleend.
21
Berekening t.b.v. Wet natuurbescherming Haven op het perceel naast Boegspriet 7 in Loosdrecht Gemeente Wijdemeren
1
Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Berekening t.b.v. Wet natuurbescherming ‘haven op het perceel naast Boegspriet 7 in Loosdrecht’ 31 mei 2021 SR210153
Gegevens Buro SRO: Telefoon: E-mail: Internet:
3525 AA te Utrecht 030-2679198 utrecht@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding .......................................................................................................................4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................................... 4
1.2
Projectomschrijving .................................................................................................................... 4
1.3
Wettelijk kader ........................................................................................................................... 4
1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2