Bijlage 1a - Toelichting
Tekst van het document
Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen gemarkeerd)
4.5.3
Soortenbescherming
Bij de quickscan is in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. Op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens is beschreven welke beschermde soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort is ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens is beoordeeld of het voorgenomen plan een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.
28
Vogels Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De huismus is een vogel die broedt in hecht kolonieverband. Het nest wordt voornamelijk gemaakt onder dakpannen, achter regenpijpen en andere openingen, spleten en ruimten in menselijke bebouwing. Volgens de gegevens van SOVON en de NDFF is de huismus als broedvogel in de buurt van het plangebied aanwezig. Gierzwaluwen broeden in ruimtes in bebouwingen als dakpannen, nisjes en andere donkere holle ruimtes zoals ventilatieschachten. De bebouwing in het plangebied is voorzien van een plat dak en de gevel sluit nauw aan met het dak. Hiermee is de bebouwing grotendeels ongeschikt als nestlocatie. Echter zijn de ventilatieopeningen aan de westzijde van de bebouwing geschikte holle ruimtes voor de gierzwaluw om te broeden, waarmee negatieve gevolgen voor deze soort in het plangebied niet op voorhand zijn uit te sluiten. De beplanting rond de parkeergelegenheden kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Conclusie Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus of gierzwaluw in het plangebied aanwezig zijn, dient een nadere (camera)inspectie uitgevoerd te worden aan de ventilatieroosters aan de westzijde, op aanwezigheid van nestmateriaal. Aan de hand daarvan kan besloten worden of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Onder ‘Aanvullend ecologisch onderzoek’ wordt ingegaan op het nader onderzoek dat inmiddels heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, franjestaart, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. De bebouwing in het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren aan de westzijde, noordzijde en oostzijde van het pand. Het gehele complex is daardoor geschikt als verblijfplaats voor de gewone- en ruige dwergvleermuis.
Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en paarverblijf. Bij de sloop van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten. In het appartementencomplex ten zuiden van het plangebied bevinden zich eveneens geschikte openingen die toegang bieden tot de spouwmuur. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, mogelijk hinder van de ingreep op het plangebied. 29
Het plangebied zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft bomenlanen in de woonwijken en langs de wegen nabij het plangebied. Conclusie Er dient vervolgonderzoek uitgevoerd worden om aanwezigheid van vleermuizen te kunnen uitsluiten en de mogelijke functie van het gebouw in kaart te brengen. Onder ‘Aanvullend ecologisch onderzoek’ wordt ingegaan op het nader onderzoek dat inmiddels heeft plaatsgevonden. Overige zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter en eekhoorn. Tijdens het veldbezoek is in het te slopen pand gezocht naar sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of voortplantingsplaats door de steenmarter. Deze zijn niet aangetroffen.
Gelet op het ontbreken ervan in combinatie met de huidige activiteit die nog in het pand aanwezig is (supermarkt en kringloopwinkel), kan worden gesteld dat het plangebied niet in gebruik is door de steenmarter. Het plangebied vormt beperkt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Het plangebied vormt beperkt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren doordat het plangebied voornamelijk bestaat uit verharding. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen niet aangetast. Voor de incidenteel voorkomende dieren in bijvoorbeeld de haag rond de parkeerplaatsen geldt de zorgplicht. Conclusie Ten aanzien van de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke te doen om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Reptielen, amfibieën en vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van het plangebied de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: ringslang en levendbarende hagedis. In het plangebied is geen geschikt habitat, in de vorm van geschikte schuilmogelijkheden, aanwezig voor reptielen. De waarnemingen van de streng beschermde ringslang en levendbarende hagedis, hebben naar verwachting betrekking op het nabij gelegen natuurgebied de Oostelijke Vechtplassen en zijn uit te sluiten in de bebouwde kom van Kortenhoef.
30
Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom het plangebied in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen in het plangebied ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën in het plangebied uitgesloten. Het plangebied vormt ook weinig geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De werkzaamheden vinden plaats op een verhard terrein (parkeerplaats) waar ook een haag aanwezig is. Dit vormt geen geschikt habitat voor amfibieën. Hiermee zijn negatieve effecten voor amfibieën als gevolg van de ingreep uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Ongewervelden Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen het plangebied geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn in het plangebied uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten in het plangebied aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied. Vaatplanten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en aangeplant groen langs een parkeerterrein is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand in het plangebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Aanvullend ecologisch onderzoek In 2022 zijn door Econsultancy de vereiste aanvullende onderzoeken uitgevoerd.
De rapportage hiervan is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Met behulp van een endoscoop zijn de ventilatieopeningen geïnspecteerd op de geschiktheid als nestlocatie voor de huismus en gierzwaluw. Uit de inspectie is gebleken dat er geen nestmateriaal aanwezig was en ongeschikt is als nestlocatie voor beide soorten. Gezien deze bevindingen kan geconcludeerd worden dat het gebouw ongeschikt is als nestlocatie voor de huismus en gierzwaluw. 31
Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de periode half april tot oktober in totaal vijf veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avond- en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatie is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie januari 2021) uitgevoerd. In het voorjaar en de zomer van 2022 is door middel van drie veldbezoeken onderzocht of de bebouwing een functie heeft als zomer- of kraamverblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn daarbij geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen, waarmee is vastgesteld dat er geen zomer- of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. In het najaar van 2022 is door middel van twee veldbezoeken onderzocht of de bebouwing gebruikt wordt als paar- of baltsverblijf voor vleermuizen. Er zijn geen baltsende vleermuizen waargenomen. Geconcludeerd kan worden dat de bebouwing ook niet in gebruik is door vleermuizen als paarverblijfplaats. Conclusie Gelet op het ontbreken van beschermde functies voor de huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen in de te slopen bebouwing, kan gesteld worden dat er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn en dat er geen sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming omtrent deze soorten. 4.6
Geluid
4.6.1
Wet- en regelgeving
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) is aangegeven hoe breed de geluidzone (het onderzoeksgebied) langs wegen is. Deze breedte hangt af van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk dan wel buitenstedelijk gebied ligt. Voor de in de omgeving van het woningbouwplan gelegen wegen geldt (aangezien het wegen zijn met één/twee rijstroken binnen de bebouwde kom) een zone van 200 meter. De Wgh stelt geen eisen ten aanzien van 30 km/uur-wegen.
De gemeentelijke overheid is in een aantal situaties bevoegd van deze waarde van 48 dB af te wijken en een hogere grenswaarde vast te stellen. De maximum grenswaarde van 53 dB is van toepassing indien sprake is van een buitenstedelijk gebied of van een auto(snel)weg; de maximum grenswaarde van 63 dB geldt indien sprake is van een binnenstedelijk gebied. In de onderhavige situatie is sprake van binnenstedelijk gebied en geldt derhalve de maximum grenswaarde van 63 dB. Door Peutz is een onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage daarvan d.d. 26 mei 2023 is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd.
32
4.6.2
Situatie plangebied
De beoogde woningen zijn gelegen in de (geluid)zone van de Kerklaan. Dit betreft een 50 km/uurweg. In het kader van een goed woon- en leefklimaat dienen 30 km/uur-wegen eveneens meegenomen te worden in akoestisch onderzoek. In voorliggende situatie is sprake van een aantal 30 km/uur-wegen op korte afstand van het plangebied. Dit betreft de Hoflaan en de Curtevenneweg. Overige 30 km/uur-wegen zijn op een dusdanige afstand gesitueerd dat deze een verwaarloosbare invloed hebben op de optredende geluidsbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling Het akoestisch onderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd: •
•
Er treden ten gevolge van wegverkeer over de Kerklaan ter plaatse van de gevels van de nieuwe woningen geluidbelastingen op tot ten hoogste 57 dB. Aangezien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden, dienen hogere waarden te worden aangevraagd. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over de Hoflaan overschrijdt de waarde van 48 dB. Aangezien voor deze weg (vanwege de maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur) formeel geen toetsing aan grenswaarden hoeft plaats te vinden, hoeft hiervoor geen hogere waarden te worden aangevraagd.
Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai, industrielawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.
4.6.3
Conclusie
Aangezien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden, dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Voordat het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kan verlenen, dient daarom eerst te worden onderzocht of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. In de voorliggende situatie zijn de mogelijkheden voor stedenbouwkundige, bron- en overdrachtsmaatregelen beperkt. Maatregelen aan de woningen kunnen daarmee als meest kansrijk worden aangemerkt. Opgemerkt wordt dat de beoogde woningen wat betreft het binnenniveau uiteraard zullen voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012. Hiermee zal een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau worden gewaarborgd. Daarnaast kent het merendeel van de woningen een zijde welke gesitueerd is aan het geluidluwe binnengebied. Voor de bestaande woningen aan de Hoflaan bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 61 dB (zonder aftrek).
Een relatief hoge gecumuleerde geluidbelasting op een dergelijke locatie nabij een winkelcentrum is niet ongebruikelijk. Daarnaast is de achtergevel van de woningen gelegen in een rustig binnengebied, waarmee sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen aan de Hoflaan.
33
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Wet- en regelgeving
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) opgenomen.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, behoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De grenswaarde voor het NIBM betreft een jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 onder de 1,2 μg/mg/m3 . Artikel 2 van het Besluit NIBM geeft, in samenhang met bijlage 3A en 3B van de Regeling niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen (Regeling NIBM), aan dat de te verwachten toename van de jaargemiddelde concentratie PM10 en NO2< 1,2 μg/mg/m3 (3% van de grenswaarde) bedraagt indien het aantal woningen < 3.000 bedraagt bij minimaal twee ontsluitingswegen en < 1.500 bij één ontsluitingsweg. De beoogde ontwikkeling betreft minder dan 1.500/3.000 woningen en kan aldus als NIBM worden beschouwd. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, en vanwege het feit dat eveneens sprake is van de uitbreiding van een supermarkt, wordt in de voorliggende notitie op kwantitatieve wijze ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit en vice versa.
Door Peutz is een notitie inzake luchtkwaliteit opgesteld. Deze notitie van 28 oktober 2021 is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.
4.7.2
Situatie plangebied
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van de Albert Heijn en de realisatie van woningen naast en bovenop deze supermarkt. Ui het verkeersonderzoek blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling circa 655 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Aangezien sprake is van een supermarkt en woningen zullen dit in hoofdzaak personenwagens betreffen. Er is echter tevens sprake van vrachtverkeer als gevolg van bezorgdiensten en de bevoorrading van de supermarkt. In voorliggende situatie is vanuit een worst case benadering uitgegaan van 2% vrachtverkeer.
34
Voor de plannen kan met behulp van de zogenaamde NIBM-tool eenvoudig worden berekend of de bijdrage van (het verkeer van en naar) het plan als NIBM kan worden aangemerkt (dat wil zeggen dat het minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt, dus minder dan 1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. De uitsnede op de volgende pagina toont de resultaten van deze berekening.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van NO2, PM10, PM2,5 inzichtelijk gemaakt. Ter plaatse van het plangebied is in 2020 (conform de NSL2 -monitoringstool) sprake van een concentratie van 16,0 μg/mg/m3 voor NO2, 17,7 μg/mg/m3 voor PM10 en 10,7 μg/mg/m3 voor PM2,5. In 2030 wordt conform de NSLmonitoringstool een concentratie van 10,7 μg/mg/m3 voor NO2, 15,5 μg/mg/m3 voor PM10 en 8,7 μg/mg/m3 voor PM2,5 geprognosticeerd. Ter plaatse van het plangebied wordt aldus ruimschoots aan de geldende grenswaarden conform de Wet milieubeheer voldaan. De beoogde ontwikkeling zal ook niet tot een overschrijding van deze waarden leiden.
4.6.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt niet-betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wet- en regelgeving
Bij de invloed van de externe veiligheid binnen het bestemmingsplan wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico's door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het 35
groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is in het Besluit externe veiligheid transportroutes geregeld (Bevt).
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn.
4.8.2
Situatie plangebied
Op de risicokaart van de provincie Noord-Holland worden, in samenwerking met gemeenten, het Rijk en andere partijen, de gegevens van risicovolle inrichtingen onder bevoegd gezag van de gemeenten en het Rijk opgenomen. Daarnaast worden op de kaart kwetsbare objecten aangegeven (zoals scholen en ziekenhuizen). Uit de risicokaart (zie de afbeelding hieronder) blijkt dat de locatie niet in de invloedssfeer ligt van risicobronnen.
36
Externe veiligheid met in rood een indicatie van het plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)
4.8.3
Conclusie
Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het plan.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
4.9.1
Wet- en regelgeving
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand. Het onderhavige plangebied is volgens de VNG-systematiek te typeren als een gemengd gebied. In het plangebied is een winkelcentrum met bovenwoningen aanwezig . In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere milieubelastende activiteiten aanwezig.
Omdat supermarkten volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) zijn aangemerkt als type Bbedrijven gelden geluidvoorschriften. Omdat sprake is van de bouw van nieuwe woningen boven een supermarkt moet worden getoetst aan deze geluidvoorschriften. Door Peutz is daarom een akoestisch onderzoek in relatie tot de supermarkt uitgevoerd. De rapportage daarvan d.d. 26 mei 2023 is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd.
4.9.2
Situatie plangebied
De in- en uitgang van de Albert Heijn blijft gesitueerd in de zuidgevel van de supermarkt. Het laden en lossen van goederen voor Albert Heijn zal in de nieuwe situatie plaatsvinden in een gesloten expeditie gelegen aan de noordwestzijde van de supermarkt. De vrachtwagens rijden aan de noordwestzijde over het parkeerterrein van en naar de inpandige expeditie. De parkeerterreinen zijn gelegen aan de west- en noordzijde van de supermarkt. De parkeerterreinen worden tevens gebruikt voor de overige winkels van de Meenthof (waaronder nog een andere supermarkt). Voor wat betreft het geluid naar de omgeving zijn de volgende activiteiten en installaties relevant: • • •
bevoorrading supermarkt; technische installaties op het dak van de nieuw te bouwen woningen; rijden van personenwagens op de openbare weg en op het parkeerterrein; 37
• •
rijden van winkelwagens van en naar het parkeerterrein; rijden van vrachtwagens op de openbare weg.
Het rijden van personenwagens van, naar en op de parkeerterreinen alsmede het rijden van de winkelwagens op het parkeerterrein en het winkelgebied vindt plaats op de openbare weg. Dit geldt tevens voor het rijden van de vrachtwagens voor de aan- en afvoer van de goederen. Het geluid ten gevolge van deze activiteiten valt niet onder het regime van het Activiteitenbesluit. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende: •
•
•
De optredende geluidniveaus ten gevolge van de technische installaties voldoen ter plaatse van de gevel van de bestaande en nieuwe woningen aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Om binnen de aanpandige woningen te voldoen aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit zijn installaties trillinggeïsoleerd opgesteld en koelleidingen trillinggeïsoleerd bevestigd aan de bouwkundige constructie. Het equivalente geluidniveau ten gevolge van de activiteiten op de openbare weg en het openbare parkeerterrein ten gevolge van de supermarkt bedraagt ter plaatse van de gevel van de nieuw te realiseren appartementen hoogste 56 dB(A) in de dagperiode en 53 dB(A) in de avondperiode. Hiermee wordt voldaan aan de maximale grenswaarden van 65 dB(A) in de dagperiode en 60 dB(A) in de avondperiode conform de VROM-circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer'. Conform de VROM-circulaire dient het binnenniveau in deze woning ten hoogste 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode te bedragen. De benodigde geluidwering van de gevel is ten hoogste 23 dB(A). Hiermee is bij het ontwerp van de gevel van de woningen rekening worden gehouden.
De optredende maximale geluidniveaus ten gevolge van het rijden van de vrachtwagens, winkelwagens, personenwagens en dichtslaan van portieren (activiteiten op de openbare weg) zijn overeenkomstig vele vergelijkbare praktijksituaties met woningen, die gelegen zijn boven winkels en supermarkten. De afstand tussen deze activiteiten en de nieuw te realiseren woningen is overeenkomstig de afstand tussen deze activiteiten en de bestaande woningen. Voor de nieuwe appartementen is bij het ontwerp van de gevel van de woningen rekening gehouden met een verhoogde geluidwering van de gevel, zodat binnen de woningen sprake is van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Voor bestaande appartementen/woningen geldt dat de geluidwering van de gevels voldoende is om binnen de woningen te kunnen spreken van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.
4.9.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het onderzoek is, met het hanteren van de omschreven uitgangspunten en de toegepaste maatregelen voor aanpandige woningen, sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.10
M.e.r.-beoordeling
4.10.1 Wet- en regelgeving
38
De nationale m.e.r.-regelgeving is een uitvloeisel van een tweetal Europese richtlijnen: de m.e.r.richtlijn en de smb-richtlijn (Strategische milieubeoordeling). De implementatie van deze Europese richtlijnen is aan te treffen in: • •
paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 en paragraaf 14.2 van de Wet milieubeheer; het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.).
Deze wetgeving tezamen bepaalt of voor een project of plan een MER (Milieueffectrapport) moet worden opgesteld. Daarbij is het allereerst van belang te kijken of in de betreffende ontwikkeling een activiteit is opgenomen als genoemd in de bijlage van het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat er voor categorieën uit bijlage C direct sprake is van een m.e.r.plicht, wanneer de activiteiten de genoemde drempelwaarden overstijgen. Bij projecten met een programma boven de drempelwaarden in bijlage D moet eerst beoordeeld worden of er een m.e.r. noodzakelijk is. Dat geldt ook voor projecten die vallen onder een categorie in bijlage D, met een programma onder de drempelwaarde, al is de omvang en opbouw van een dergelijke beoordeling bij die laatste gevallen vormvrij.
4.10.2 Conclusie Het plan betreft de sloop van een voormalige multifunctioneel centrum De Dobber met een omvang van 569 m². Slechts een gedeelte van deze oppervlakte wordt opnieuw bebouwd, zijnde 450 m². Daarnaast wordt de bestaande bebouwing van het winkelcentrum aan de Hoflaan uitgebreid met circa 400 m². In totaal worden 23 appartementen toegevoegd. Gelet op de aard en omvang van het project, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. Bovendien is er als gevolg van de functies die mogelijk worden gemaakt met voorliggende bestemmingsplan geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit blijkt uit de verrichte onderzoeken waarvan de resultaten in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of een MER is niet nodig.
39
5.
Juridische vormgeving
5.1
Algemeen
Het bestemmingsplan ‘Meenthof 1e fase’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van de uitbreiding van een supermarkt en van het bouwen van bovenwoningen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is deels aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Kernen Ankeveen, Kortenhoef en NieuwLoosdrecht’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn (hoofd)gebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels.
Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • • •
De anti-dubbeltelbepaling; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; 40
• •
Algemene afwijkingsregels; Overige regels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
Beschrijving per bestemming
5.3.1
Detailhandel
De bestemming ‘Detailhandel’ is toegekend aan het grootste deel van de planlocatie. Naast detailhandel zijn ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ ook woningen op de verdieping(en) toegestaan. Er is een bouwvlak met maximale bouwhoogtes aangegeven. Ook is het toegestaan om onder voorwaarden in een woning een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Er zijn diverse bouwregels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.3.2
Verkeer - Verblijfsgebied
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor verblijfsgebied ten dienste van de aangrenzende bestemmingen, parkeervoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, fietsenstaling en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Er zijn bouwregels opgenomen waarin staat vermeld dat bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde mogen worden gebouwd en bepaalde specifiek genoemde bouwwerken ten dienste van deze bestemming. 5.3.3
Wonen
De bestemming ‘Wonen’ is toegekend aan een klein deel van het plangebied. Naast wonen is het toegestaan om, onder voorwaarden, een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Ter plaatse van de aanduidingen ‘detailhandel’ is tevens detailhandel toegestaan. Teneinde te kunnen sturen op de gebruiksmogelijkheden onder de woningen aan de Hoflaan is gewerkt met twee afzonderlijke aanduiding. Voor de laad- en losruimte is een derde aanduiding opgenomen. Binnen de regels van de bestemming zijn diverse bouwregels opgenomen voor het oprichten van bebouwing. 5.3.4
Waarde- Archeologie - 5
De aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden beschermd via de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’. Op grond van deze dubbelbestemming is het voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk eerst een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Indien is
41
aangetoond dat de te verrichten activiteiten de archeologische waarden niet zullen schaden kan worden gebouwd.
42
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan wordt gerealiseerd door de initiatiefnemer. Eventuele planschade wordt niet verwacht. Er wordt een realisatieovereenkomst gesloten tussen de gemeente Wijdemeren en de initiatiefnemer waarin naast planschade ook de realisering van de sociale woningen en de overdracht van grond wordt geregeld. Derhalve hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggende plan betreft een bestemmingsplan ten behoeve van de uitbreiding van winkelcentrum Meenthof en de ontwikkeling van 23 woningen. Bestemmingsplannen worden opgesteld conform de uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de termijn voor inzage in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen en op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Omgevingsdialoog Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is een omgevingsdialoog gevoerd. Op 13 juni 2022 is door de gemeente Wijdemeren een eerste bijeenkomst georganiseerd over de beoogde uitbreiding van het winkelcentrum en de herinrichting van de openbare ruimte. Op deze avond zijn de wensen van omwonenden en belanghebbenden opgehaald. In oktober 2022 heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden waarin is aangegeven wat met de wensen uit de eerste bijeenkomst is gedaan. Op 9 maart 2023 is ten slotte een inloopbijeenkomst georganiseerd door de gemeente en de initiatiefnemer.
Ter afsluiting is aangegeven dat zoveel mogelijk wensen en aangedragen aandachtspunten worden verwerkt in het bestemmingsplan en de verdere uitvoering van het plan. De verslagen zijn als een samengestelde bijlage opgenomen. Vooroverleg Het concept ontwerpbestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden aan de betrokken overheidsdiensten en instanties. De provincie Noord-Holland, TenneT, Gasunie en Ministerie van Infrastructuur en Milieu hebben geen opmerkingen. De brandweer heeft een positief advies gegeven. Waternet heeft gevraagd om de toelichting in overeenstemming te brengen met de watertoets, maar heeft verder geen opmerkingen.
43