Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Kastanjelaan
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
27
Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidszone. 4.6.2
Onderzoek
De locatie is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plan binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Meerhoekweg, Kastanjelaan, Meidoornlaan, Vreelandseweg en N523. Hiertoe is door Aelmans op 18 mei 2022 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de zoneplichtige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan. Derhalve wordt het verlenen van een hogere waarde conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk geacht 4.6.3
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek komt voort dat er geen overschrijding van grens- en voorkeurswaarden plaatsvindt op de gevels van de nieuwe woningen en dat er eveneens kan worden aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat binnen kan worden gegarandeerd. 4.7 4.7.1
Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
28
gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Kastanjelaan met voornamelijk woonfuncties, worden gekarakteriseerd als rustige woonwijk. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype
Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Een woning betreft een gevoelige functie zodat de herbouw getoetst dient te worden aan bestemmingen in de omgeving die hier wellicht beperkingen van kunnen ondervinden. De dichtstbijzijnd gelegen bestemmingen in dit kader zijn de horecabestemming aan de Vreelandseweg 42 (Café Die2) en de aan de overzijde van de Vecht (Nigtevechtseweg 186-190) gelegen recreatieve functies. De horecabestemming (cat. 1) dient op een afstand van tenminste 10 meter gelegen te zijn van de nieuwe woningen, hieraan wordt voldaan aangezien de dichtstbijzijnde woning zich op zo’n 40 meter bevindt. De recreatieve functies aan de overzijde van de Vecht (cat. 2) dienen zich op ten minste 30 meter van de planlocatie te bevinden. Hieraan wordt eveneens voldaan aangezien de afstand zo’n 110 meter bedraagt.
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
29
Andersom is een woning geen overlastgevende functie en zal de ontwikkeling dus geen overlast of hinder opleveren voor haar directe omgeving. 4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt bouw van de woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8 4.8.1
Externe veiligheid Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
•
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
•
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
30
grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
31
reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2
Beoordeling
Een woning betreft een kwetsbaar object, zodat de herbouw getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving. 4.8.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan de Kastanjelaan in Nederhorst den Berg.
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
32
4.9
Kabels en leidingen
Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘Kern Nederhorst den Berg’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden. 4.10 Water 4.10.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.
De watertoets is uitgevoerd door Buro BOOT en is als bijlage 10 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. 4.10.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.
Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
33
Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.10.3
Beoordeling
Vanuit het waterschap geldt dat bij een toename van meer dan 1.000 m² in stedelijk gebied watercompensatie gerealiseerd dient te worden. Hierbij dient het wateroppervlak minimaal 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak te bedragen. Binnen het plangebied is de toename van verharding 355 m², wat betekent dat watercompensatie niet noodzakelijk is. Daarnaast ligt het plangebied voor een deel in de beschermingszone van een waterkering. Dit betekent dat zonder vergunning bepaalde werkzaamheden niet uitgevoerd mogen worden. Hieronder valt onder andere graven of ophogen van de grond, aanleggen van kabels en leidingen en aanbrengen of verwijderen van bouwwerken. 4.10.4
Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief. 4.11 Duurzaamheid 4.11.1
Duurzame leefomgeving
Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. 4.11.2
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. 4.11.3
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
34
gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •
de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie;
•
de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.
4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. Ineen vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.12.2
Vormvrij m.e.r.-beoordeling
Kenmerken: In de gewenste situatie worden de bestaande woningen gesloopt en op ongeveer dezelfde locatie in een ietwat aangepaste vorm herbouwd. Locatie: Het plangebied is gelegen aan de Kastanjelaan te Nederhorst den Berg. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Nederhorst den Berg. Het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebied of NNN gebied zijnde de Oostelijke Vechtplassen op zo’n 500 meter afstand. Effecten: Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In de ruimtelijke onderbouwing worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor deze omgevingsvergunning is het dan ook niet noodzakelijk een formele m.e.r.procedure te doorlopen. 4.12.3
Conclusie
Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
35
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
36
5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Er is door gemeente en initiatiefnemer een getekend kostenverhaal aanwezig waarin is opgenomen dat een anterieure overeenkomst zal worden gesloten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2
Participatie
Om tot een maatschappelijk gedragen plan te komen is er door de initiatiefnemer een uitvoerig participatieproces opgezet. Hiermee is gestart in het najaar van 2019 door het voeren van verkennende gesprekken samen met de gemeente om te bepalen hoe de eerste informatieavond vormgegeven moest worden. Deze heeft op 29 oktober 2019 plaatsgevonden en van daaruit is een traject doorlopen met daarin de initiatiefnemer, de gemeente en de gevormde klankbordgroep als partijen. Deze partijen hebben diverse overlegmomenten met elkaar gehad om verschillende zaken af te stemmen zoals het kennismaken met de aannemer, de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en overleg met omwonenden. Er zijn vervolgens op advies een aantal aanpassingen uitgevoerd aan het plan waarmee er nu een plan ligt dat gedragen wordt door de omgeving en voorziet in een passende ontwikkeling op de planlocatie. Het participatietraject is op in het voorjaar van 2023 afgerond waarbij de omgeving middels een infobulletin is geïnformeerd over het verdere verloop van project en procedure. Het complete verslag van het participatieproces is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. 5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan. Het ontwerpbesluit heeft van … tot … ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode … zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben wel/niet geleid tot een herziening van het besluit.
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
37
6 Eindconclusie Voorliggend initiatief waarbij de bestaande bebouwing aan de Kastanjelaan in Nederhorst den Berg wordt gesloopt en volgens moderne en duurzame principes wordt herbouwd in een aangepaste vorm, voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk of de provincie Noord Holland. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Wijdemeren en voorziet het initiatief in 24 toekomstbestendige woningen in verschillende segmenten, waarmee het een bijdrage levert aan de woonopgave van de gemeente Wijdemeren.
Ruimtelijke onderbouwing – Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
38
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
Quickscan Wnb Kastanjelaan Nederhorst den Berg
Quickscan Wnb Kastanjelaan Nederhorst den Berg
Titel
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
Uitvoering
Bureau Bleijerveld
Opdrachtgever
Buro Boot Plesmanstraat 5 3900 AM Veenendaal
Datum
28 januari 2022
Status
1e versie
8451 KB Oudeschoot mob 06-40559568 mobleijerveld@gmail.com
www.ruimtevooradvies.nl
Schoterlandseweg 53
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding & doel 1.2 Methoden 1.3 Plangebied 1.4 Ingreep
1 1 2 2 4
2
Beschermde gebieden 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden 2.2 Effecten beschermde gebieden
5 5 5
3
NDFF-gegevens
6
4
Beschermde soorten 4.1 Planten 4.2 Zoogdieren 4.3 Vleermuizen 4.4 Vogels 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Ongewervelden 4.9 Samenvatting
7 7 7 7 7 8 8 8 8 9
5
Conclusies 5.1 Beschermde gebieden 5.2 Beschermde soorten
10 10 10
Bronnen Bijlage I. Wettelijk kader en beleidsbeleid
11
1 1.1 Aanleiding & doel
Inleiding
Woningcorporatie De Alliantie heeft het voornemen bestaat om de woningen aan de Kastanjelaan in Nederhorst den Berg te slopen ten behoeve van nieuwbouw. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb, 2017) en de provinciale structuurvisie/verordening (Nederlands Natuurnetwerk).
Figuur 1. Globale ligging plangebied (rood).
Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van de quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet Natuurbescherming of omgevingsverordening. Een quickscan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied op basis van beschikbare gegevens, een terreinbezoek en ecologische kennis. De quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
1
1.2 Methoden
Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van beschermde gebieden in de regio. Daarvoor zijn de gegevens van de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Voor de ligging van beschermde gebieden is gebruik gemaakt van de digitale atlas van provincie Noord-Holland. Op 10 juni 2021 is het plangebied bezocht. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen. Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).
1.3 Plangebied
Het plangebied wordt gevormd door de Kastanjelaan in Nederhorst den Berg. Het gaat om een korte dwarsstraat binnen de bebouwde kom van het dorp met een blok rijtjeswoningen aan de noordzijde en twee korte blokken rijtjeswoningen aan de zuidzijde. Het gaat om reguliere woningen uit de jaren vijftig met drie bouwlagen, gemetselde gevels en een zadeldak met pannen. In 2015 zijn de woningen gerenoveerd. De tuinen zijn betrekkelijk klein behalve de achtertuinen van de blokken aan de zuidkant van de straat. De tuinen hebben overwegend een open karakter met weinig opgaande begroeiing, oudere bomen ontbreken. In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor en het enige water in de omgeving wordt gevormd door het riviertje de Vecht die zestig meter westelijker stroomt. De omgeving van het plangebied heeft een vergelijkbare inrichting met een stedelijk karakter.
Figuur 2. Luchtfoto plangebied met plangrens (rood).
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
2
Figuur 3. Voorzijde van de woningen aan de noordkant van de straat.
Figuur 4. Achterzijde van de woningen aan de noordkant van de straat.
Figuur 5. Voorzijde van de woningen aan de zuidkant van de straat.
Figuur 6. Achterzijde van de woningen aan de zuidkant van de straat.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
3
1.4 Ingreep
Op dezelfde locatie worden twee woonblokken herbouwd. Het gaat om een rijtje reguliere eengezinswoningen aan de zuidzijde en een appartementencomplex aan de noordzijde. Beide blokken worden drie bouwlagen hoog. De huidige bebouwing wordt gesloopt. In het onderzoek is ervan uitgegaan dat alle opgaande begroeiing op de erven verdwijnt.
Figuur 7. Toekomstige terreinindeling in oostelijke richting gezien.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
4
2 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden
Beschermde gebieden
Het plangebied is geen onderdeel van beschermde natuurgebieden. Ten noorden en noordoosten van Nederhorst liggen beschermde gebieden met de status Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. De afstand van het plangebied tot dit Natura 2000-gebied bedraagt minimaal 500 meter. De Vecht die ten westen van het plangebied stroomt heeft de status van ecologische verbindingszone. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 60 meter.
Figuur 8. Ligging plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden.
2.2 Effecten beschermde gebieden
Het plan heeft geen directe gevolgen voor de beschermde natuurgebieden in de zin van oppervlakte- of habitatverlies. Vanwege de grote afstand tussen de gebieden, de aard van het project en de onveranderde bestemming zijn negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten. Een beoordeling in het kader van stikstofwetgeving valt buiten het kader van dit onderzoek maar is mogelijk wel vereist voor de aanvraag van een vergunning of ontheffing.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
5
3
NDFF-gegevens
In de Nationale Databank Flora en Fauna zijn in de afgelopen tien jaar geen waarnemingen van beschermde soorten uit het plangebied bekend. In de directe omgeving zijn verschillende waarnemingen van dwergvleermuizen gedaan, met name van ruige dwergvleermuis. Aan de oever van de Vecht is eenmaal wezel of hermelijn waargenomen. Van de overige soortgroepen zijn geen relevante waarnemingen gedaan.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
6
4
Beschermde soorten
4.1 Planten
De groene ruimte in het plangebied bestaat geheel uit tuinen. Hierin kwamen de gebruikelijke algemene tuinonkruiden voor zoals madeliefje, stinkende gouwe, brede weegbree en paardenbloem. Er zijn geen bedreigde of beschermde soorten gevonden en gelet op het beheer en gebruik is het voorkomen van beschermde soorten uit te sluiten.
4.2 Zoogdieren
Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van de mol zijn in meer of mindere mate beschermd. In het plangebied zijn geen zoogdieren aangetroffen. Op grond van het open en gecultiveerde karakter van de locatie en het intensieve gebruik zijn alleen algemene, kleine zoogdieren te verwachten, met name huisspitsmuis en gewone bosmuis. Het enige beschermde zoogdier dat in stedelijke omgeving in woningen kan verblijven is steenmarter. De woningen zijn hoog en in 2015 gerenoveerd waarbij de dakranden zijn verdicht zodat de gebouwen moeilijk toegankelijk zijn. Er zijn tijdens het terreinbezoek geen sporen van gebruik gevonden en uit gesprekken met bewoners bleek dat er geen aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van steenmarter. Op grond hiervan is geconcludeerd dat deze soort niet in het plangebied verblijft.
4.3 Vleermuizen
Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in de Wnb volgens het regime van de Europese Habitatrichtlijn. Van dergelijke soorten is het functionele leefgebied jaarrond beschermd. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. In het plangebied komen geen oudere bomen voor die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats. De woningen in het plangebied bestaan uit reguliere bouw met metselwerk, een spouw en een pannendak op grond waarvan kan worden verondersteld dat zij potentieel geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Vanwege de renovatie in 2015 waarbij ook energetische maatregelen zijn genomen zoals spouwisolatie, is het aannemelijk dat de gebouwen minder geschikt zijn geworden. Met name vanwege het pannendak hebben de woningen potentie voor onder meer dwergvleermuizen en laatvlieger. Vanwege de openheid van het plangebied, het stedelijke karakter en de structuurrijke omgeving is een essentiële rol van het plangebied in vlieg- en foerageerroutes uit te sluiten.
4.4 Vogels
Alle inheemse broedvogels zijn beschermd in de Wnb volgens het regime van de Europese Vogelrichtlijn. De Wnb maakt onderscheid tussen vogels zonder en met vaste broedplaatsen. Van vogels zonder vaste broedplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met een vaste broedplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd. In het plangebied zijn broedvogels zonder vaste nestplaats te verwachten die onder dakpannen broeden zoals spreeuw en kauw. In de opgaande begroeiing kunnen algemene tuinvogels tot broeden komen zoals merel, roodborst en winterkoning. Wat de soorten met vaste nestplaatsen betreft is de locatie kenmerkend voor soorten van het stedelijk gebied zijnde huismus en gierzwaluw. Beide soorten waren in het gebied aanwezig. Van huismus zijn nestplaatsen vastgesteld, van
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
7
gierzwaluw zijn tijdens het terreinbezoek geen aanwijzingen gevonden die duidden op nestplaatsen binnen het plangebied. 4.5 Amfibieën
Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. Het plangebied bestaat uit open tuinen in stedelijke gebied zonder geschikt oppervlaktewater in de omgeving. Op grond hiervan zijn hoogstens algemene soorten van tuinvijvers te verwachten zoals gewone pad en bruine kikker.
4.6 Reptielen
Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. Het plangebied bestaat open tuinen in stedelijk gebied. Dit vormt geen geschikt leefgebied voor reptielen. Een belang van het plangebied als leefgebied voor reptielen wordt uitgesloten.
4.7 Vissen
In en rond het plangebied komt geen oppervlaktewater voor. Een negatief effect op beschermde soorten vissen is uitgesloten.
4.8 Ongewervelden
De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Het plangebied komt voor geen van de beschermde soorten overeen met hun habitat. Deze soortgroep is daarom in zijn geheel uit te sluiten.
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
8
4.9 Samenvatting
In het plangebied zijn algemene soorten amfibieën en kleine zoogdieren te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. In opgaande begroeiing en onder het dak kunnen broedsels van vogels zonder vaste nestplaats voorkomen. Onder het dak is de aanwezigheid van vaste nestplaatsen van huismus vastgesteld en verder zijn vaste nestplaatsen van gierzwaluw niet uit te sluiten. De woningen zijn in potentie geschikt als verblijfplaats van vleermuizen waaronder laatvlieger. Tabel 1: Beschermde soorten die binnen de planlocatie worden verwacht op basis van bestaande gegevens en het veldbezoek. SOORTGROEP
TOELICHTING
BESCHERMDE SOORTEN GEEN
Planten
WNB
HR
VR
X
Zoogdieren
Algemene soorten
Vrijstelling
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Potentieel
Vleermuizen
Foerageergebied
Niet essentieel
Vleermuizen
Vliegroutes
Broedvogels
Zonder vaste nestplaats
Broedvogels
Met vaste nestplaats
X Waarschijnlijk Huismus en potentieel gierzwaluw
Amfibieën
Algemene soorten
X
Reptielen
X
Vissen
X
Ongewervelden
X
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
9
5
Conclusies
5.1 Beschermde gebieden
Het plangebied is geen onderdeel van beschermde natuurgebieden Vanwege de grote afstand tussen de gebieden, de aard van het project en de onveranderde bestemming zijn negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten. Een toetsing van het plan aan stikstofwetgeving is geen onderdeel van dit onderzoek maar mogelijk is dit wel vereist voor de aanvraag van een vergunning of ontheffing.
5.2 Beschermde soorten
Zoogdieren en amfibieën (nationale soorten Wnb, art. 3.10) Door de ingrepen kan verstoring en sterfte van algemene soorten optreden. Voor de te verwachten soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Vleermuizen (Wnb-Habitatrichtlijn, art. 3.5) Door de sloop kunnen verblijfplaatsen verloren gaan en verstoring en sterfte van dieren optreden. Dit is verboden volgens de Wnb. Daarom dient nader onderzoek plaats te vinden naar de eventuele functies van de gebouwen voor vleermuizen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode van 15 mei tot 30 september. Broedvogels zonder vaste nestplaatsen (Wnb-Vogelrichtlijn, art. 3.1) Bij het rooien van begroeiing en de sloop kan tijdens het broedseizoen sterfte en verstoring van broedsels optreden. Dit is verboden volgens de Wnb. Daarom dienen eventuele ingrepen hier buiten het broedseizoen plaats te vinden tenzij maatregelen genomen zijn om de vestiging van broedvogels te voorkomen. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Broedvogels met vaste nestplaatsen (Wnb-Vogelrichtlijn. art. 3.1) In het plangebied is tijdens een eerste ronde vastgesteld dat vaste nestplaatsen van huismus voorkomen.
Verder kunnen nestplaatsen van gierzwaluw aanwezig zijn. Daarom dient nader onderzoek plaats te vinden naar de eventuele functies van de gebouwen voor huismus en gierzwaluw. Tabel 2. Maatregelen en vervolgacties n.a.v. quickscan Soortgroep
Soort
Maatregel/vervolgactie
Planten
Alle
¾
Vleermuizen
Alle
Aanvullend onderzoek in de periode 15 mei – 30 sep
Zoogdieren
Alle
¾
Vogels zonder vaste
Alle
Rooien en slopen buiten de periode 1 mrt – 1 sep
Vogels met vaste verblijfplaats
Huismus/gierzwaluw
Nader onderzoek in de periode 15 mrt – 15 mei
Amfibieën
Alle
¾
Reptielen
Alle
¾
Vissen
Alle
¾
Ongewervelden
Alle
¾
verblijfplaats
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
10
Bronnen
1. www.ndff.nl 2. www.noord-holland.nl 3. www.synbiosis.alterra.nl
Quickscan Wnb, Kastanjelaan Nederhorst den Berg
11
Bijlage I
Wettelijk kader en beleidskader
De toets is gericht op de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden. De bescherming is in de wet geregeld middels de Wet natuurbescherming. De gebiedsbescherming die voortkomt uit het beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de provinciale structuurvisies en verordeningen (NNN/EHS) neemt een aparte positie in. Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) verenigt of vervangt verschillende wetten en verdragen op het gebied van bos- en natuurbescherming, te weten: • • • •
Voormalige Flora- en Faunawet Europese Vogelrichtlijn Europese Habitatrichtlijn, Verdrag van Bonn en Verdrag van Bern Voormalige Boswet
Activiteiten mogen niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: • •
•
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geen voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
De Wnb kent verschillende beschermingsregimes voor nationaal beschermde soorten, Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten. Elk van deze drie beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten en belangen voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de verbodsbepalingen die relevant zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en dergelijke. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.1 lid 2 Art 3.5 lid 4 Het is verboden opzettelijk nesten, Het is verboden de rustplaatsen en eieren van vogels voortplantingsplaat- sen of te vernielen of te beschadigen, of rustplaatsen van dieren te nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen. Art 3.1 lid 3 Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en Het is verboden eieren van
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Niet van toepassing
deze onder zich te hebben.
dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing. Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Niet van toepassing.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vrijstelling In sommige gevallen geldt voor een handeling die gevolgen heeft voor een soort een vrijstelling. Vormen van vrijstellingen zijn het toepassen van een gedragscode, een programmatische aanpak, een provinciale verordening en een ministeriele regeling. Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leef- omgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. Bevoegd gezag De provincie waarin een handeling plaatsvindt is in principe verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wnb. In een aantal gevallen is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland namens het Rijk verantwoordelijk. Het gaat om zaken van nationaal of provincie-overschrijdend belang, zoals Rijkswegen, -wateren en militaire activiteiten. Rode lijst
Een Rode Lijst bevat een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de minister van EZ. Rode lijsten hebben geen juridische status. Als een soort op de lijst komt, is deze niet automatisch beschermd. Daarvoor moet de soort worden aangewezen onder de Wnb. De Rode lijsten helpen daarbij. Deze lijsten worden ook gebruikt om te toetsen of de beleidsdoelen over biodiversiteit worden gehaald (www.rijksoverheid.nl).
NNN/EHS
Het Nationale Natuurnetwerk (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) is een netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De EHS is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij EHS geen sprake is van externe werking. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Zij wijzen in hun structuurvisie of verordening de gebieden aan die onder het NNN vallen. In of in de nabijheid van een NNN-gebied geldt het 'nee, tenzij'-principe: nieuwe plannen of projecten zijn niet toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële)waarden en kenmerken van het NNN-gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De planologische bescherming van het NNN vindt plaats in op basis van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen bestemmingsplannen.
NOTITIE Betreft
Onderzoek vaste rust- en verblijfplaatsen Kastanjelaan Nederhorst den Berg
Adres:
Schoterlandseweg 53 8451 KB Oudeschoot
Contact:
tel web mail
06-40559568 www.ruimtevooradvies.nl bleijerveld@ruimtevooradvies.nl
KvK Bank
09135673 NL45 TRIO 0338 4853 84
Datum
28-09-2021 1e versie Behandeld door
Dhr. Marc Bleijerveld Ter attentie van
Dhr. R. van der Stok (Buro Boot/De Alliantie)
Inleiding Woningcorporatie De Alliantie heeft het voornemen bestaat om de woningen aan de Kastanjelaan in Nederhorst den Berg te slopen ten behoeve van nieuwbouw. In dit verband is in 2021 een onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn in onderhavige notitie uitgewerkt.
Figuur 1. Nederhorst den Berg met plangrens (rood).
Het onderzoek is uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus en het provinciale kennisdocument van huismus en gierzwaluw (2017). Het gebouw is onderzocht met vier personen. Er is gebruikgemaakt van een kijker, een batdetector (Pettersson D 240X/Anabat Walkabout) en een warmtebeeldcamera. In het onderzoek is rekening gehouden met de potentiele geschiktheid van het gebouw voor laatvlieger.
1-4
Details onderzoek vaste rust- en verblijfplaatsen Kastanjelaan Nederhorst den Berg Datum
Soort
Aandachtspunt tijden
Temp. Wind
weertype
10-06-2021
Huismus
Nestplaats
07:30-09:30
19ºC
1 Bft
Onbewolkt
20-06-2021
Huismus
Nestplaats
07:00-09:00
16ºC
0 Bft
Bewolkt, droog
04-07-2021
Huismus
Nestplaats
06:20-08:20
17ºC
0 Bft
Bewolkt, droog
10-06-2021
Gierzwaluw
Nestplaats
20:00-22:00
16ºC
3 Bft
Bewolkt, droog
20-06-2021
Gierzwaluw
Nestplaats
20:00-22:00
18ºC
2 Bft
Licht bewolkt, droog
07-07-2021
Gierzwaluw
Nestplaats
20:00-22:00
19ºC
0 Bft
Bewolkt, droog
20-06-2021
Vleermuizen
Zomer/kraam
22:00-00:00
17ºC
2 Bft
Licht bewolkt, droog
04-07-2021
Vleermuizen
Zomer/kraam
03:20-05:20
17ºC
0 Bft
Bewolkt, droog
07-07-2021
Vleermuizen
Zomer/kraam
22:00-00:00
18ºC
0 Bft
Bewolkt, droog
23-08-2021
Vleermuizen
Paar/winter
23:00-01:00
15ºC
2 Bft
Onbewolkt
13-09-2021
Vleermuizen
Paar/winter
22:00-00:00
15ºC
0 Bft
Onbewolkt
Resultaten voorjaarsonderzoek vleermuizen In het voorjaar zijn vier soorten waargenomen namelijk gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. De activiteit van vleermuizen in en rond het plangebied was laag.
Op 20 juni werd de eerste gewone dwergvleermuis pas om 22:43 waargenomen. Daarna zijn af en toe passerende dieren waargenomen. In het tuinencomplex ten zuiden van de bebouwing foerageerden enkele dieren enige tijd, met name achter Kastanjelaan 2-6. In de ochtend van 4 juli zijn weinig gewone dwergvleermuizen waargenomen. Rond invliegtijd was er geringe trek door het plangebied. Bij de achtergevel van Kastanjelaan 4 werd kortstondig gezwermd maar dit individu vloog vervolgens door in zuidelijke richting. Het beeld van 7 juli was vergelijkbaar met dat van 20 juni. De presentie van gewone dwergvleermuis was laag. De eerste waarneming werd gedaan om 22:35 achter het blok van Kastanjelaan 2-6. Deze dieren kwamen hoogstwaarschijnlijk uit de woningen ten westen van het plangebied (Vreelandseweg 21-27). Tijdens het voorjaarsonderzoek waren er geen indicaties voor verblijfplaatsen binnen het plangebied. Ruige dwergvleermuis is op alle drie de bezoekdata enkele malen waargenomen. De eerste waarnemingen werden pas in het tweede uur gedaan. In alle gevallen ging het om passerende dieren. Tijdens het voorjaarsonderzoek waren er geen indicaties voor verblijfplaatsen binnen het plangebied. Laatvlieger is alleen tijdens de avondbezoeken waargenomen. Het ging om maximaal twee waarnemingen per bezoek en de eerste waarneming werd pas om 22:40 gedaan.
In alle gevallen ging het om dieren die het plangebied vanuit het zuiden passeerden. Tijdens het voorjaarsonderzoek waren er geen indicaties voor verblijfplaatsen binnen het plangebied. Rosse vleermuis is op alle bezoekdata waargenomen. Tijdens de avondbezoeken werden regelmatig hoog overvliegende dieren gezien op wisselende tijden. De vroegste waarneming is om 22:20 gedaan. Tijdens het ochtendbezoek op 4 juli kwamen rond invliegtijd tientallen dieren overvliegen richting het westen. Dit ging door tot tegen zonsopgang. Hoogstwaarschijnlijk bevond zich ten westen van het dorp een kraamkolonie van deze soort. Tijdens het voorjaarsonderzoek waren er geen indicaties voor verblijfplaatsen binnen het plangebied.
2-4
Resultaten najaarsonderzoek vleermuizen De presentie van vleermuizen tijdens het najaarsonderzoek was laag maar hoger dan in het voorjaar. Er waren regelmatig passerende gewone en ruige dwergvleermuizen te horen. In en in de directe omgeving is één baltsroute vastgesteld. Deze liep door het tuinencomplex ten zuiden van de Kastanjelaan. De vermoedelijke locatie van het paarverblijf bevond zich in de woningen van de Vreelandseweg 21-27. Van ruige dwergvleermuis is een paarverblijf van ruige dwergvleermuis vastgesteld bij Kastanjelaan 8. Het verblijf bevond zich onder de dakrand van de kopgevel. Een tweede paarverblijf was aanwezig bij Vreelandseweg 17, buiten het plangebied.
Figuur 2. Relevante resultaten van het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen.
Resultaten gierzwaluwonderzoek In de buurt was gierzwaluw prominent aanwezig. Met name ten oosten van het plangebied waren verschillende groepen laag boven de bebouwing aanwezig waarbij scheervluchten te zien waren. Rond de Prunuslaan broedden gierzwaluwen in faunavoorzieningen voor gierzwaluw. In de Kastanjelaan was regelmatig een kleine groep aanwezig die door de straat scheerde. Deze vluchten hadden betrekking op nestplaatsen bij Meidoornlaan 9 – ten oosten van het plangebied - en Vreelandseweg 21-27. In de Kastanjelaan zijn geen in- of uitvliegende dieren waargenomen of nestgeluiden gehoord. Resultaten huismusonderzoek In de buurt was huismus prominent aanwezig. Met name in de Esdoornlaan ten zuiden van het plangebied waren veel huismussen aanwezig. Hier waren ook verschillende zangposten te zien. In het plangebied was de aanwezigheid van huismus lager. De meeste waarnemingen hadden betrekking op foeragerende vogels uit de omgeving. Op drie locaties zijn nestplaatsen vastgesteld. Het ging om Kastanjelaan nr. 1 (bij schoorsteen), nr. 9/11 (dakrand voor) en nr. 6 (hoek dakrand achter).
3-4
Conclusies Uit het onderzoek is gebleken dat in de Kastanjelaan één paarverblijf van een ruige dwergvleermuis voorkomt en drie nestplaatsen van huismus. Er zijn geen functies voor andere soorten vleermuizen of gierzwaluw vastgesteld.
Door de sloop kan verstoring en sterfte van ruige dwergvleermuizen optreden. Tevens verdwijnt door de sloop een verblijfplaats. De genoemde effecten zijn ontheffingsplichtig wat de Wet natuurbescherming betreft. Een ontheffingsaanvraag dient vergezeld te gaan van een mitigatieplan waarin uiteen wordt gezet hoe de negatieve effecten op vleermuizen worden voorkomen en hoe de verblijfplaats op lange termijn behouden blijft. Door de renovatie gaan drie nestplaatsen van huismus verloren en afhankelijk van de periode van uitvoering kan verstoring van broedsels en sterfte optreden. Dit is verboden volgens de Wet natuurbescherming en is een ontheffing vereist voor de sloop. Een ontheffingsaanvraag dient vergezeld te gaan van een mitigatieplan waarin uiteen wordt gezet hoe de negatieve effecten op huismus worden voorkomen en hoe de verblijfplaats op lange termijn behouden blijft.
4-4
NOTITIE Betreft
Tijdelijke faunavoorzieningen Kastanjelaan Nederhorst Den Berg
Datum
09-11-2021 1e versie
Adres:
Schoterlandseweg 53 8451 KB Oudeschoot
Contact:
tel web mail
06-40559568 www.ruimtevooradvies.nl bleijerveld@ruimtevooradvies.nl
KvK Bank
09135673 NL45 TRIO 0338 4853 84
Behandeld door
Dhr. Marc Bleijerveld
Ter attentie van
Dhr. R. van der Stok (Buro Boot)
1. Locatie tijdelijke voorzieningen
1-3
2-3
2. Type voorzieningen
4x Vivara pro VK MP 05
6x Vivara pro NK DI 01
3-3
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Kastanjelaan te Nederhorst den Berg
Rapportnummer:
M222401.001/JME
Naam opdrachtgever:
BOOT de heer T. Derks
Adres opdrachtgever:
Postbus 509 3900 AM VEENENDAAL
Uitgevoerd door:
J.R.M. Meijers
Contactpersoon:
J.R.M. Meijers
Datum:
18 mei 2022
Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
KvK 14091320 BTW NL8170.53.189.B.01 Bankrekening 11.52.94.244 BIC RABONL2U IBAN NL06 RABO 0115 2942 44
Vestigingen te Voerendaal, Baexem en Vught Kerkstraat 2 T 0475 459 260 info@aelmans.com www.aelmans.com
Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 1
2
De Wet geluidhinder en het plangebied ............................................................... 3 2.1 Industrielawaai ....................................................................................................................... 3 2.2 Spoorweglawaai ..................................................................................................................... 3 2.3 Wegverkeerslawaai ................................................................................................................ 3 2.4 Dove gevels............................................................................................................................. 5 2.5 Cumulatie Wet geluidhinder .................................................................................................. 5 2.6 Goede ruimtelijke ordening.................................................................................................... 5 2.7 Bouwbesluit ............................................................................................................................ 6 2.8 Gemeentelijk geluidbeleid...................................................................................................... 6 2.9 Van toepassing op de huidige situatie.................................................................................... 6
3
Uitgangspunten................................................................................................... 7 3.1 Gebruikte wegverkeersgegevens ........................................................................................... 7 3.2 Toegepaste correcties ............................................................................................................ 9 3.3 Omgevingskenmerken ............................................................................................................ 9 3.4 Waarneempunten en -hoogten.............................................................................................. 9
4
Resultaten......................................................................................................... 10 4.1 Resultaten wegverkeer ......................................................................................................... 10 4.2 Resultaten cumulatie............................................................................................................ 11 4.3 Karakteristieke geluidwering van de gevel ........................................................................... 11 4.4 Etmaalintensiteit en bepaling gevelbelasting....................................................................... 12
5
Conclusie .......................................................................................................... 13 5.1 Wet geluidhinder .................................................................................................................. 13 5.2 Cumulatie ............................................................................................................................. 13 5.3 Karakteristieke geluidwering van de gevel ........................................................................... 14
6
Bijlagen ............................................................................................................. 15
M222401.001/JME
1 Inleiding Opdrachtgever, de heer T. Derks van BOOT, is bezig met het project om bestaande woningen te vervangen door appartementen en eengezinswoningen op de locatie Kastanjelaan te Nederhorst den Berg. Om dit te kunnen realiseren wordt een bestemmingsplan opgesteld. Onderdeel hiervan is het opstellen van een akoestisch onderzoek. Namens opdrachtgever is dit onderzoek door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV uitgevoerd. In dit rapport is de geluidbelasting op de gevel (gevelbelasting) berekend ten gevolge van het omliggende wegennet voor het jaar 2022 + 10 jaar na realisatie en getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Tevens is voor deze “Nieuwe situatie” bepaald wat de cumulatieve geluidbelasting ter hoogte van het nieuwbouwproject is, zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. De berekeningen van de gevelbelasting zijn uitgevoerd met behulp van Standaard Rekenmethode II volgens het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. De geluidwering van de gevel van het te realiseren geluidgevoelige object is niet berekend. Deze zal, indien nodig, deel uitmaken van een vervolgonderzoek. Figuur 1 (luchtfoto) geeft de ligging van de te onderzoeken planlocatie weer.