CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Goede onderbouwing van de Fysieke Leefomgeving

gemeenteraad 1 juli 2026, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Bindend advies Buitenplanse aanpassing Rading 1 (Het raadsvoorstel is aangenomen met 14 stemmen voor en 4 stemmen tegen.)12.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5

Artikel 8.74b lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving.

31 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a lid 1 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Door deze bepaling dwingt de wetgever initiatiefnemers om de emissie van stikstof zoveel mogelijk te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18 lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10 lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt1. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen2.

NNN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, gericht op de bescherming, instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: - de aanwezige dier- en plantensoorten; - typen natuurlijke habitats; - leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Afdeling 7.3 Bkl bevat instructieregels voor de Omgevingsverordening die de provincie verplichten tot: - het aanwijzen van NNN-gebieden3; - het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden in deze gebieden 4; en, - het stellen van regels (over regels in omgevingsplannen en projectbesluiten), in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden5. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Soortenbescherming is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten. Een flora- en fauna-activiteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’6. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde soorten.

Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt beschermde soorten of habitats voorkomen. Dit gebeurt door middel van een Quickscan. Als blijkt dat er mogelijk beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Door middel van het vervolgonderzoek moet duidelijk worden waar welke soorten voorkomen, of er sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties (voortplantings- of vaste rust- en/of verblijfplaatsen) en moeten de effecten van het voornemen in beeld worden gebracht. Hierbij dient te worden bezien of er een verbodsbepaling wordt overtreden door de betreffende ingreep.

1

Artikel 7.19a lid 2 Besluit bouwwerken leefomgeving.

2

Artikel 7.5 lid 4 Besluit bouwwerken leefomgeving.

3

Artikel 7.6 Besluit kwaliteit leefomgeving.

4

Artikel 7.7 Besluit kwaliteit leefomgeving.

5

Artikel 7.8 Besluit kwaliteit leefomgeving.

6

Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.

32 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

Op basis van art. 5.1 lid 2 onder g Ow is een flora- en fauna-activiteit vergunningplichtig voor zover deze als dusdanig is aangewezen op basis van hoofdstuk 11 van het Bal. Hoewel de betreffende artikelen en kaders afhankelijk zijn van de specifieke soorten die betrokken zijn bij de betreffende activiteit, komt het toetsingskader voor alle soorten op hoofdlijnen grotendeels overeen. Om een omgevingsvergunning te verkrijgen dient op hoofdlijnen te worden voldaan aan drie criteria: a er bestaan geen andere bevredigende oplossingen dan de betrokken activiteit; b de activiteit is nodig in het kader van een van de in de wet genoemde redenen (bijvoorbeeld de volksgezondheid of openbare veiligheid); c de activiteit leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding. Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de flora- en fauna-activiteit. Iemand die weet of kan weten dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, moet: a alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, c als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd1.

Wat deze plicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.27 lid 2 Bal. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is onderdeel van de Omgevingswet. Houtopstanden worden in de Omgevingswet gedefinieerd als een ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend’2. De regels uit de Omgevingswet gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Onder vellen wordt verstaan het ‘rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben’3. Op grond van artikel 11.126 Bal is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Bij vellen hoort tevens een herbeplantingsplicht4. Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. De gemeente kan ook regels stellen over houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap, als het andere doelen dient dan de doelen uit de Omgevingswet. Bijvoorbeeld ten behoeve van behoud van cultureel erfgoed of veiligheid of als er geen rijksregels over zijn, zoals het aanplanten van houtopstanden zonder dat daarvoor een houtopstand is geveld.

1

Artikel 11.27 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving.

2

Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.

3

Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.

4

Artikel 11.129 Besluit activiteiten leefomgeving.

33 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

4.7.2

Resultaten

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Oostelijke Vechtplassen (VR) ligt ongeveer 900 m ten westen van de projectlocatie, zie afbeelding 4.8. Op de afbeelding is ook te zien dat een kleine 14 km ten noordoosten van de projectlocatie ook een Natura 2000-gebied gesitueerd is; Eemmeer en Gooimeer Zuidoever (VR). Een kleine 15 km ten westen ligt ook Natura 2000-gebied Botshol (HR) en op 19 km afstand ook de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (VR+HR).

Afbeelding 4.8 Natura 2000-gebieden nabij projectlocatie

Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie te berekenen is uitgegaan twee CV-installaties van elk 672 kW en van conservatieve verkeerscijfers, namelijk voor een opvang van 150 asielzoekers. Uit de berekening blijkt geen stikstofdepositie toename ten gevolge van de aanleg- en gebruiksfase. De berekening en onderbouwende notitie rondom stikstof zijn later bij de aanvraag toegevoegd. Natuur Netwerk Nederland De projectlocatie is aan de noord-, oost- en zuidkant omgeven door NNN-gebieden, maar ligt niet in een NNN-gebied, zie afbeelding 4.9. Het NNN heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het gebouw niet direct grenst aan het NNN-gebied, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Bovendien betreft het projectvoornemen enkel het in gebruik nemen van bestaande bebouwing en kan aantasting van het NNN-gebied (door geluid, licht en trillingen) uitgesloten worden.

34 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

Afbeelding 4.9 NNN-gebieden nabij projectlocatie

Houtopstanden De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling betreft een ontwikkeling in bestaande bebouwing. Er worden geen bestaande bomen of houtopstanden gekapt. Soortenbescherming De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie behelst enkel het gebruiken van bestaande bebouwing (het gemeentehuis), waarbij er geen aanpassingen aan de huidige bebouwing en het terrein worden voorzien. Mogelijk aanwezige soorten worden met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie daardoor niet verstoord, gedood of verwond.

4.7.3

Conclusie

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling geen wijziging betreft aan bestaande bebouwing, buitenterrein en/of het kappen van bestaande bomen, vormen de aspecten soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Daarnaast zijn eventuele significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het aspect natuur vormt geen belemmering in het kader van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.

4.8

Bodem

Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Deze paragraaf beschrijft hoe het project rekening houdt met de bodemkwaliteit.

35 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

4.8.1

Toetsingskader

Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden. In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie.

Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerk voorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22; Bal); - regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); - maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5); - regels over bescherming van bodem in verband met het opslaan van gevaarlijke stoffen in bovengrondse opslagtanks (paragraaf 4.94 en paragraaf 5.4.2 Bal). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en waterbodemkwaliteit.

4.8.2

Resultaten

De voorgenomen ontwikkeling betreft een tijdelijke opvanglocatie in bestaande bebouwing waarbij geen grondroerende activiteiten plaatsvinden.

4.8.3

Conclusie

Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. De tijdelijke opvanglocatie voorziet niet in grondroerende activiteiten.

36 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1

Toetsingskader

Om te kunnen garanderen dat de ontwikkeling geen mogelijke archeologische monumenten aantast, dient onderzocht te worden of er archeologische monumenten in de bodem aanwezig zijn. De gemeente kan lokale regels hierover stellen (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). In beginsel moet de gemeente bodemroerende projecten die kleiner zijn dan 100 m 2 vrijstellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). In het omgevingsplan kan de gemeente echter een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Dit gebeurt in de regel wanneer er een substantiële verwachting is dat er sporen gevonden kunnen worden, of juist niet.

4.9.2

Resultaten

Op de projectlocatie ligt de dubbelbestemming ‘waarde - archeologie - 5’ (bestemmingsplan Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht (d.d. 27 september 2012) van de gemeente Wijdemeren). Echter, betreft de voorgenomen ontwikkeling een tijdelijke opvanglocatie waarbij geen grondroerende activiteiten plaatsvinden. De archeologische waarden worden niet aangetast. Het gebouw is geen gemeentelijk, provinciaal, of rijksmonument en is ook niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht of ander cultuurhistorisch waardevolle gebied.

4.9.3

Conclusie

Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ levert geen belemmering op voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. De tijdelijke opvang voorziet niet in grondroerende activiteiten en het pand is niet monumentaal beschermd.

4.10

Weging van het waterbelang

Deze paragraaf beschrijft hoe de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling rekening houdt met de effecten op de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit, met als doel het voorkomen van schade door overstromingen, droogte of vervuiling en het waarborgen van duurzaam gebruik van waterbronnen.

4.10.1 Toetsingskader Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen de waterbelangen en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De weging van het waterbelang vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. De wet- en regelgeving relevant voor de voorgenomen ontwikkeling komen uit het Bal (paragraaf 4.44) en de waterschapsverordening van waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

37 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

4.10.2 Resultaten De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. De bestaande verharding op het terrein blijft ongewijzigd en er vinden geen werkzaamheden of aanpassingen plaats die van invloed zijn op de afvoer, infiltratie, berging of ontwatering van hemelwater. Het terrein is in de huidige situatie grotendeels verhard en ook het watersysteem, het maaiveld, de terreininrichting en de aanwezige bebouwing blijven ongewijzigd. Daarmee is geen sprake van een wijziging van de bestaande waterhuishoudkundige omstandigheden. Op de projectlocatie zijn geen waterstaatswerken of overige beheerobjecten van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht aanwezig. De relevante wet- en regelgeving van het waterschap is daarom niet van toepassing.

4.10.3 Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen effect op de waterhuishouding en vormt daarmee geen belemmering voor het voornemen. Voor het aspect ‘weging van het waterbelang’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Duurzaamheid en gezondheid

Om duurzaamheid te waarborgen, wordt gebruikgemaakt van bestaande bebouwing. Daarnaast is, met het oog op de gezondheid van de asielzoekers, getoetst aan verschillende aspecten, waaronder geluid, luchtkwaliteit en omgevingsveiligheid. De thema’s duurzaamheid en gezondheid vormen daarmee geen belemmering voor de realisatie van de tijdelijke opvanglocatie.

4.12

Sociale veiligheid

Naast een aantrekkelijke fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Veiligheid speelt bij de opvang van asielzoekers een nog grotere rol dan bij andere ontwikkelingen, omdat men zich sneller onveilig voelt rondom deze doelgroep. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: - informeel toezicht op de openbare ruimte; - persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; - het imago van het (totale) gebied.

4.12.1 Resultaten Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere de volgende zes maatregelen: - 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie. Er zijn op elk moment minimaal twee beveiligers aanwezig; - 7 dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie, waarvan altijd minimaal 2 met BHV-certificering: · in de eerste maand van 8.30 uur tot 22.00 uur. Hierna wordt afgeschaald naar behoefte en mogelijkheden; - opstellen en handhaven van een locatie specifiek veiligheidsplan; - huisregels hanteren en toezien op naleving; - eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken;

38 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

-

dagbesteding verzorgen (de jongeren zijn leerplichtig en gaan naar school); informeren over gedragsregels in Nederland; wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie; deelname aan structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen; 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden.

Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie. Met bovenstaande maatregelen wordt de (sociale) veiligheid voldoende gewaarborgd. Daarbij wordt expliciet vermeld dat het om een tijdelijke ontwikkeling gaat.

4.12.2 Conclusie Het COA treft een pakket aan maatregelen om de sociale veiligheid in de omgeving van de planlocatie te waarborgen en heeft hierover afstemming met de gemeente Wijdemeren. Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke noodopvanglocatie.

39 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

5 UITVOERBAARHEID 5.1

Participatie

De gemeente Wijdemeren nam het besluit over de noodopvanglocatie in korte tijd en koos ervoor om via een gedoogbeschikking medewerking te verlenen aan de opvang van asielzoekers in het gemeentehuis aan de Rading in Loosdrecht. Hierdoor organiseerde de gemeente voorafgaand aan de locatiekeuze geen formele inspraakprocedure. De gemeente organiseerde inloopbijeenkomsten en nodigde betrokkenen hiervoor per brief uit. Op zaterdag 18 april en maandag 20 april jl. organiseerde de gemeente telkens twee inloopbijeenkomsten voor direct omwonenden. Tijdens deze bijeenkomsten gingen inwoners in gesprek met vertegenwoordigers van het COA, de gemeente Wijdemeren, de politie en handhaving. De gemeente stelde geen officieel verslag van deze bijeenkomsten op, maar verwerkte veelgenoemde zorgen en signalen van inwoners wel in het leefbaarheids- en veiligheidsplan. De gemeente richtte de participatie daarmee vooral op het bespreken van zorgen over leefbaarheid en veiligheid, en minder op medebeslissing over de opvanglocatie zelf. Naar aanleiding van de gesprekken nam de gemeente verschillende aanvullende maatregelen op in het veiligheidsplan. Zo organiseerde zij 24/7 beveiliging, cameratoezicht, aanvullende inzet van boa’s en particuliere beveiliging en een meldstructuur voor omwonenden. Daarnaast sprak de gemeente af dat meldingen binnen 48 uur inhoudelijk zouden worden opgevolgd.

Tijdens de bijeenkomsten konden inwoners zich ook aanmelden voor een klankbordgroep van het COA. Deze klankbordgroep zou van start gaan zodra de opvanglocatie in gebruik werd genomen en functioneren als structureel overlegmoment tussen omwonenden, de gemeente, de politie en het COA. Via deze groep konden inwoners signalen, zorgen en verbeterpunten blijven aandragen. Daarnaast zette de gemeente wijkverbinders en buurtcoördinatoren in om gedurende de opvangperiode contact te onderhouden met inwoners en signalen uit de omgeving op te halen. De maatschappelijke onrust rondom de opvanglocatie leidde uiteindelijk tot wijzigingen in het oorspronkelijke plan. Na protesten en incidenten besloot de gemeente het aantal opvangplaatsen te verlagen van 110 naar maximaal 70 personen en de opening van de opvanglocatie uit te stellen. Voor het veiligheidsplan en andere belangrijke documenten wordt verwezen naar de website van de gemeente Wijdemeren.

5.2

Handhaving

De omgevingsvergunning voor afwijken van het omgevingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Wijdemeren vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

40 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.

5.3

Financiën

COA huurt het pand voor de periode van de opvangduur, en is gedurende deze periode verantwoordelijk voor onderhoud en beheer. Het COA voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van het Rijk en wordt ook als zodanig gefinancierd voor het realiseren van (nood)opvang.

41 | 41

Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17057995/1