Bijlage 1 Goede onderbouwing van de Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
Noodopvang Loosdrecht Goede onderbouwing van de Fysieke Leefomgeving
Centraal Orgaan opvang asielzoekers 5 juni 2026
Project Opdrachtgever
Noodopvang Loosdrecht Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Classificatie W+B
Goede onderbouwing van de Fysieke Leefomgeving Definitief 04 5 juni 2026 153110/26-008.610 Projectgerelateerd
Projectcode
153110
Document Status Datum Referentie
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 233 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Toetsing aan het Omgevingsplan
7
1.3
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
8
1.4
Procedure buitenplanse omgevingsplanactiviteit
9
1.5
Leeswijzer
9
2
BESCHRIJVING PROJECTVOORNEMEN
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
11
3
BELEIDSKADER
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4
13 14 14 15
3.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Nota Ruimte Instructieregels Rijk (Amvb’s) Ladder voor duurzame verstedelijking
Provinciaal beleid
15
3.2.1
15
Omgevingsvisie provincie Noord Holland
3.3
Gemeentelijk beleid
16
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
17
4.1
Mer-beoordelingsplicht
17
4.1.1 4.1.2
Resultaten Conclusie
17 18
Verkeer en parkeren
18
4.2.1 4.2.2
18 20
4.2
4.3
Resultaten Conclusie
Luchtkwaliteit
20
4.3.1 4.3.2 4.3.3
20 21 24
Toetsingskader Resultaten Conclusie
4.4
Geluid 4.4.1 4.4.2 4.4.3
4.5
4.6
4.7
4.8
4.10
Toetsingskader Resultaten Conclusie
24 24 25
Omgevingsveiligheid
25
4.5.1 4.5.2 4.5.3
26 27 27
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Activiteiten en milieuzonering
27
4.6.1 4.6.2 4.6.3
28 29 29
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Flora en fauna
30
4.7.1 4.7.2 4.7.3
30 34 35
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Bodem 4.8.1 4.8.2 4.8.3
4.9
24
35 Toetsingskader Resultaten Conclusie
36 36 36
Archeologie en cultuurhistorie
37
4.9.1 4.9.2 4.9.3
37 37 37
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Weging van het waterbelang
37
4.10.1 4.10.2 4.10.3
Toetsingskader Resultaten Conclusie
37 38 38
4.11
Duurzaamheid en gezondheid
38
4.12
Sociale veiligheid
38
4.12.1 4.12.2
38 39
Resultaten Conclusie
5
UITVOERBAARHEID
40
5.1
Participatie
40
5.2
Handhaving
40
5.3
Financiën
41
Laatste pagina
41
Bijlage(n) -
Aantal pagina's
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. Hiervoor worden onder andere tijdelijke opvanglocaties ingericht. Het bestaande opvangnetwerk heeft momenteel onvoldoende capaciteit. Dit leidt tot overvolle situaties, met name in Ter Apel, waar regelmatig sprake is van een tekort aan opvangplekken. Door tijdig tijdelijke locaties te openen, kunnen humane opvang en veiligheid voor zowel bewoners als medewerkers beter worden gewaarborgd. COA is voornemens aan Rading 1 te Loosdrecht (Nieuw-Loosdrecht) een tijdelijke opvanglocatie te realiseren. Het betreft het leegstaande gedeelte van het gemeentehuis van de gemeente Wijdemeren. Het gemeentehuis staat sinds begin 2026 gedeeltelijk leeg als gevolg van een ambtelijke fusie met de gemeente Hilversum. Vanaf 1 januari 2027 wordt de gemeente Wijdemeren onderdeel van de gemeente Hilversum. COA beoogt het leegstaande deel van het gemeentehuis vanaf 11 mei 2026 tot uiterlijk 1 november 2026 (6 maanden) in te zetten voor de opvang van maximaal 70 alleenstaande asielzoekers. De gemeente Wijdemeren geeft op haar website een nadere toelichting over de nut en noodzaak van de tijdelijke opvanglocatie. Op afbeelding 1.1 wordt de projectlocatie weergegeven.
6 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Afbeelding 1.1 Projectlocatie COA Loosdrecht
Het voorgenomen gebruik past niet binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestemmingsplan ‘Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht’ (d.d. 27 september 2012). Om deze reden dient een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd te worden. Hiervoor dient te worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie (ETFAL) middels een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving (goflo). De toetsingsvereisten hiervan zijn dat het tijdelijke projectvoornemen voldoet aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en waterschapsverordening, en voorziet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavige rapport bevat deze onderbouwing.
1.2
Toetsing aan het Omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de gemeentelijke bestemmingsplannen van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wro en de Wabo naar de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet spreken we niet meer van bestemmingen, maar van activiteiten en functies. Het afwijken van het omgevingsplan valt nu onder de noemer van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit - BOPA. De projectlocatie is volledig gelegen binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestemmingsplan ‘Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht’ (d.d. 27 september 2012). Op de projectlocatie liggen de volgende bestemmingingsvlakken: - ‘Waarde-Archeologie-5’; - ‘Maatschappelijk’. Afbeelding 1.2 toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.
7 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan ‘Kernen Ankeveen, Kortenhoef en Nieuw-Loosdrecht’ (d.d. 27 september 2012)
De aanduiding ‘Waarde - Archeologie - 5’ bevat geen relevante bepalingen, daar het enkel om een ontwikkeling in bestaande bebouwing gaat. Het gebruik van de locatie als tijdelijke opvang van asielzoekers past niet binnen de aanduiding ‘Maatschappelijk’. De bestemming maatschappelijk is onder andere bestemd voor maatschappelijke voorzieningen (artikel 10.1 onder a). Op grond van artikel 1.51 van de regels uit het bestemmingsplan ziet dit op: educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, sporteducatieve en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Een tijdelijke opvang voor asielzoekers valt niet onder maatschappelijke voorzieningen. Tevens biedt het bestemmingsplan geen binnenplanse wijzigings- of afwijkingsmogelijkheden om de opvang planologisch mogelijk te maken. Om deze reden dient een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd te worden.
1.3
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, dient een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) conform artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet te worden aangevraagd. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van deze regels kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning voor een BOPA slechts verlenen: - met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving); - als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b (niet provinciaal of nationaal belang). Dit rapport bevat de onderbouwing dat met het voornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De initiatiefnemer maakt daarnaast aantoonbaar dat wordt voldaan aan het nationale, provinciale en gemeentelijke beleid.
8 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
1.4
Procedure buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Voor de omgevingsvergunning voor een BOPA geldt in principe de reguliere procedure met een beslistermijn van acht weken met een mogelijkheid van verlenging met zes weken. Na de beslistermijn volgt een bezwaartermijn van zes weken en eventueel beroepstermijn van zes weken. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In sommige gevallen geldt voor de omgevingsvergunning voor de BOPA de uitgebreide procedure (afdeling 16.3 Omgevingswet en artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit): - als dit is aangewezen in de Omgevingswet en/of het Omgevingsbesluit; - op verzoek van de aanvrager (artikel 16.65, lid 1, onder b, Omgevingswet); - als het bevoegd gezag deze van toepassing verklaart (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet). Verwacht wordt dat voor deze ontwikkeling kan worden volstaan met een reguliere procedure.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke functiewijziging aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling toegelicht.
9 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
2 BESCHRIJVING PROJECTVOORNEMEN In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Eerst wordt de huidige situatie op de projectlocatie beschreven, waarna de toekomstige situatie in beeld wordt gebracht.
2.1
Huidige situatie
De projectlocatie bevindt zich in Loosdrecht, geografisch gelegen ten zuidwesten van Hilversum en ten noorden van Utrecht. De locatie is gesitueerd aan de Rading 1 en betreft het gemeentehuis van de gemeente Wijdemeren. Ten noordwesten van het terrein ligt een sportveld. Aan de noord- en zuidwestzijde wordt de locatie omgeven door een woonwijk, terwijl zich aan de oostzijde het Loosdrechtse Bos bevindt, zie afbeelding 2.1.
Afbeelding 2.1 Ligging projectlocatie
Op afbeelding 2.2 is de kadastrale situatie van de projectlocatie weergegeven. Het perceel is kadastraal aangeduid met LDT00-C-7171. Niet het hele kadastrale perceel wordt in gebruik genomen.
10 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Afbeelding 2.2 Kadastrale situatie
2.2
Toekomstige situatie
In het leegstaande deel van het gemeentehuis wordt tijdelijk een kleinschalige noodopvang gerealiseerd waar maximaal 70 alleenstaande asielzoekers worden opgevangen voor een periode van circa zes maanden (tot 1 november 2026). Deze noodopvang wordt ingericht op de eerste verdieping, terwijl de begane grond in gebruik blijft voor gemeentelijke functies. Zo blijven onder andere raadsvergaderingen, het college van burgemeester en wethouders en de afdeling burgerzaken gewoon op deze locatie actief. Voor de opvang wordt een aparte ingang gerealiseerd. In tegenstelling tot reguliere opvanglocaties zijn bij kleinschalige opvanglocaties, ondersteunende diensten niet aanwezig; Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) en VluchtelingenWerk Nederland (VWN). De bewoners van de opvang hebben ook buitenruimte tot hun beschikking. De indeling van de buitenruimte is afgebeeld op afbeelding 2.3. De sanitaire voorzieningen zijn buiten gesitueerd. Op de plek van de douches in afbeelding 2.3 staan eveneens de toiletten.
11 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Afbeelding 2.3 Locatie indeling
Vlekkenplan
12 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling het relevante ruimtelijke beleid vanuit het Rijk, de provincie Noord Holland en de gemeente Wijdemeren beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het geldende beleid en of het plan hiermee in overeenstemming is. Begonnen wordt met het Rijksbeleid, welke wordt opgevolgd door het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: a. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; c. sterke en gezonde steden en regio’s; d. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1 combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2 kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3 afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang In de NOVI wordt genoemd dat het wenselijk is om ruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Het tijdelijke gebruik van het leegstaande deel van het gemeentehuis draagt bij aan deze wens. De voorgenomen tijdelijke functiewijziging sluit daarmee aan bij het rijksbeleid zoals vastgelegd in de NOVI.
13 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
3.1.2
Nota Ruimte
Het kabinet heeft in september 2025 ingestemd met de Ontwerp-Nota Ruimte. De Nota Ruimte vervang op termijn de NOVI en hanteert het motto 'elke regio telt'. In de Nota Ruimte zijn drie principes leidend: 1 ruimte zoveel mogelijk meervoudig benutten; 2 aansluiten bij unieke kenmerken van regio's; 3 problemen niet doorschuiven naar toekomstige generaties. De (ontwerp-)Nota Ruimte ordent de verschillende beleidskeuzes binnen vier samenhangende thema's: 1 wonen, werken en bereikbaarheid; 2 economie en energie; 3 landbouw en natuur; 4 water en bodem. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang In de NOVI wordt genoemd dat het wenselijk is om ruimte zoveel mogelijk meervoudig te benutten. Het tijdelijke gebruik van het leegstaande deel van het gemeentehuis draagt bij aan deze wens. De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie sluit daarmee aan bij het rijksbeleid zoals vastgelegd in de (ontwerp) Nota Ruimte.
3.1.3
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: - de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; - de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); - de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Het Bkl bevat instructieregels over het beschermen en waarborgen van, onder andere, de volgende aspecten: veiligheid, waterbelangen, gezondheid en milieu (waaronder buitenlucht, geluid, geur, bodemkwaliteit en trillingen), landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, behoud van ruimte voor toekomstige functies, staat en werking van infrastructuur en de toegankelijkheid van openbare buitenruimte voor personen. Per instructieregel is het toepassingsbereik bepaald.
Daardoor kan het zijn dat een thema waarvoor het Bkl instructieregels bevat, niet geldt voor een specifieke activiteit. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie raakt geen van de aspecten die beschreven zijn in het de instructieregels (zie hoofdstuk 4). De instructieregels hebben dan ook geen consequenties voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
14 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. Er is geen sprake van een nieuw of groter beslag op de ruimte, omdat het een bestaand pand betreft dat tijdelijk een andere functie krijgt. Daarom wordt gesteld dat de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie geen nieuw stedelijk ontwikkelingsproject omvat. De voorgenomen tijdelijke opvang geeft daarmee geen aanleiding tot het doorlopen van de laddertoets.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Noord Holland
De Omgevingsvisie van de provincie Noord-Holland (NH2050) is vastgesteld in 2018 en bevat een aantal ontwikkelprincipes en randvoorwaarden. Het gaat om de volgende vijf bewegingen: 1 dynamisch schiereiland - hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd; 2 metropool in ontwikkeling - hierin beschrijven we hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem vergroten we de agglomeratiekracht; 3 sterke kernen, sterke regio’s - deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden; 4 nieuwe energie - in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie; 5 natuurlijk en vitaal landelijke omgeving - deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang De Omgevingsvisie van de provincie Noord-Holland is op een abstract niveau geformuleerd, waarmee er op voorhand geen directe belemmeringen hieruit volgen. Voor de voorgenomen tijdelijke opvang kan worden geconcludeerd dat deze niet strijdig is met de provinciale omgevingsvisie.
3.2.2
Provinciale omgevingsverordening
De belangrijkste onderwerpen uit de omgevingsvisie van de provincie Noord-Holland zijn verankerd in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland. De Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking op de leefomgeving hebben, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de Waterverordeningen.
15 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang Aangezien de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Noord-Holland is de voorgenomen ontwikkeling ook in lijn met omgevingsverordening provincie Noord-Holland. Dit komt doordat de belangrijkste onderwerpen uit de omgevingsvisie verankerd zijn in de omgevingsverordening. De locatie kent gelden de volgende gebiedsaanwijzingen: datacenters uitgesloten. Hier mogen geen datacenters gerealiseerd worden. Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; grondwaterbeschermingsgebied. Hier zijn regels opgenomen met het oog op de bescherming van waterwinning. Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum. Hier zijn regels opgenomen over het werkingsgebied van het luchthavengebied. Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; Natura 2000-bufferzone. Hier zijn regels opgenomen over Natura 2000-activiteiten. Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; ontgrondingen. Hier zijn regels opgenomen over ontgrondingen. Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling; regionale verdringingsreeks Amstel Gooi en Vecht. Hier zijn regels opgenomen die in werking treden als er een onmiddellijk of dreigend watertekort is.
Deze regels zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De gebiedsaanwijzingen ter plaatse van de projectlocatie en daarmee de Omgevingsverordening vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
De Omgevingsvisie Wijdemeren 2040 is op 16 september 2021 door de gemeenteraad van Wijdemeren vastgesteld. Op basis van de visie op Wijdemeren in 2040 en de diverse trends en ontwikkelingen die op onze gemeente afkomen zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd. Drie verhaallijnen die ingaan op de uitdagingen die voorliggen en de bijbehorende ambities. De drie kernopgaven zijn: 1 vitale en gezonde leefomgeving: behoud en versterking van de woon- en leefkwaliteit in de kernen en linten; 2 ruimte voor ondernemerschap en bereikbaarheid: het vergroten van het verdienvermogen door ruimte te bieden aan (nieuwe) economische activiteiten en te investeren in bereikbaarheid; 3 waardevol landschap: vormgeven van natuurbehoud, landschapsbeheer en vergroting van de biodiversiteit. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvang De Omgevingsvisie van de gemeente Wijdemeren is op een abstract niveau geformuleerd, waarmee er op voorhand geen directe belemmeringen hieruit volgen. Wel heeft de gemeente al eerder de intentie uitgesproken om een opvanglocatie voor asielzoekers te realiseren. De voorgenomen tijdelijke opvang kan daarmee als in lijn met het gemeentelijk beleid worden beschouwd.
16 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van deze BOPA aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan sectorale wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - mer-beoordelingsplicht; - verkeer en parkeren; - luchtkwaliteit; - geluid; - omgevingsveiligheid; - activiteiten en milieuzonering; - flora en fauna (inclusief stikstofdepositie); - bodem; - archeologie en cultuurhistorie; - weging van het waterbelang; - duurzaamheid en gezondheid; - sociale veiligheid.
4.1
Mer-beoordelingsplicht
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is het toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.14.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of en wanneer de activiteit mer-beoordelingsplichtig is, staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geven hier een nadere onderbouwing van.
4.1.1
Resultaten
Het opvangen van asielzoekers staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter is uit jurisprudentie gebleken dat in specifieke gevallen het opvangen van asielzoekers gezien kan worden als een ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ (conform J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit). Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang, de omvang van het aantal bewoners en effecten op de omgeving.
17 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Gelet op de geringe omvang en opvangduur van 6 maanden is het verdedigbaar het projectvoornemen niet aan te wijzen als ‘stedelijke ontwikkelingsproject’. De effecten op de omgeving zijn tevens zeer tijdelijk, gering en niet onomkeerbaar. Hierdoor bestaat geen verplichting tot het uitvoeren van een mer-beoordeling.
4.1.2
Conclusie
Er geldt voor de voorgenomen ontwikkeling geen verplichting tot het uitvoeren van een mer-beoordeling.
4.2
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie op de verkeersgeneratie en het parkeren besproken. Eerst komt aan bod wat het effect is op de verkeersgeneratie en de ontsluiting van het terrein. Daarna worden de parkeerbehoefte en -capaciteit behandeld.
4.2.1
Resultaten
Verkeersaantrekkende werking Voorheen was dit het gemeentehuis van de gemeente Wijdemeren, met al haar medewerkers en haar loketfunctie. Vandaag de dag dient dit gebouw weliswaar nog steeds dezelfde functie, maar is het overgrote deel van de ambtenaren bij het Stadskantoor in Hilversum ondergebracht. Het gemeentehuis heeft hierdoor een lagere verkeersaantrekkende werking gekregen, waardoor het aantal geparkeerde auto’s als het aantal vervoersbewegingen richting het gemeentehuis al sterk is afgenomen. De opvang van asielzoekers trekt nog minder verkeer aan. Bewoners van een opvanglocatie beschikken doorgaans niet over een auto en verplaatsen zich hoofdzakelijk met de fiets, lopend of met het openbaar vervoer. Naast het personeel en aanvoer van goederen en ondersteunende diensten worden geen andere verkeersbewegingen verwacht. Voor de beoogde opvanglocatie is de verwachte verkeersgeneratie ingeschat. In tabel 4.1 wordt het maximaal te verwachten aantal voertuigen per jaar voor de tijdelijke opvanglocatie weergegeven. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen+Bos die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de verkeersgeneratie van opvanglocaties van het COA met 150 opvangplekken. Er is gerekend met 150 opvangplekken, omdat dit ondergrens van de rekentool betreft.
Bij elke opvanglocatie is er namelijk een minimaal aantal verkeersbewegingen vanwege bevoorradingen door leveranciers en ondersteunende diensten. Aangezien het in dit geval een opvanglocatie voor 70 personen betreft, vallen de verkeerscijfers in werkelijkheid lager uit. De rekentool wordt geregeld herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan door het COA, zodat de inschatting van de verwachte verkeersgeneratie altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak worst-case zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een onderschatting van de verkeersgeneratie.
18 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Tabel 4.1 Verkeersaantrekkende werking Loosdrecht
Voertuigen per dag
Bewegingen per dag
licht
4.151
8.302
middel
1.973
3.946
zwaar
191
382
totaal per jaar
6.315
12.630
totaal per dag
18
36
Ontsluiting van het terrein De ontsluiting van het terrein voor auto’s, fietsers en voetgangers verloopt via de Rading. Zowel auto- als fietsverkeer kan vanaf de projectlocatie in zuidelijke richting afslaan om de Rading te blijven volgen, of in noordelijke richting via de rotonde rijden. Automobilisten kunnen afslaan richting de Molenmeent en de Loosdrechtseweg, of de Rading blijven volgen. De Rading en de omliggende wegen zijn gebiedsontsluitingswegen met een sterke verkeersrelatie. Dit zijn wegen met een hoge wegcapaciteit, waar duizenden voertuigen per etmaal rijden. Voor fietsers en voetgangers bestaat daarnaast de mogelijkheid om gebruik te maken van de Van Ghentlaan. In afbeelding 4.1 zijn de verschillende verkeersroutes weergegeven; de wegen die toegankelijk zijn voor zowel automobilisten als fietsers en voetgangers zijn paars gemarkeerd, wegen uitsluitend voor gemotoriseerd verkeer zijn geel aangegeven en routes enkel bestemd voor fietsers en voetgangers zijn blauw weergegeven. De blauw gemarkeerde route is vanaf deze zijde afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Langs de geel gemarkeerde wegen zijn geen aparte voet- of fietspaden aanwezig en zouden fietsers en voetgangers de weg delen met de automobilisten.
Afbeelding 4.1 Ontsluiting van het terrein
19 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Verder is het terrein goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Direct buiten het terrein van het gemeentehuis bevindt zich de bushalte ‘Nieuw Loosdrecht, gemeentehuis. Vanaf deze halte rijdt iedere twintig minuten buslijn 104 tussen Hilversum en Nieuw-Loosdrecht. Daarnaast rijdt eenmaal per uur buslijn 121 tussen Mijdrecht en Hilversum. Daarnaast is Station Hilversum te voet binnen ongeveer een uur en per fiets binnen circa vijftien minuten bereikbaar. Vanaf dit station vertrekken diverse treinverbindingen richting onder andere Almere, Amersfoort Schothorst, Amsterdam Centraal, Utrecht Centraal en Deventer. Parkeren Uit de rekentool van Witteveen+Bos blijkt dat voor een opvanglocatie met capaciteit voor 150 personen maximaal 18 parkeerplaatsen benodigd zijn (zie tabel 4.1). Bij de rekenmethode van Goudappel wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van 7 tot maximaal 14 benodigde parkeerplaatsen. Afhankelijk van de nog te realiseren fietsenstalling worden er 20 tot 24 parkeerplaatsen beschikbaar gesteld. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar wordt gesteld voor de medewerkers van het COA en andere ondersteunende diensten.
4.2.2
Conclusie
Uit de meest recentelijk uitgevoerde verkeerstellingen (2024) blijkt dat de capaciteit van de omliggende gebiedsontsluitingswegen voldoende is om de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te kunnen vangen. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar worden gesteld om de parkeerbehoefte voor de medewerkers van het COA en andere ondersteunde diensten op te vangen. Hierdoor geeft afdeling Verkeer een positief advies af.
4.3
Luchtkwaliteit
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen voor bepaalde activiteiten opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit. In deze paragraaf wordt behandeld op welke wijze bij het project rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
4.3.1
Toetsingskader
De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht (luchtkwaliteit) staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde Rijksomgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2.5) maatgevend zijn. De maximum waarden staan in tabel 4.2. Voor de volgende activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden: - in en nabij aandachtsgebieden moet er getoetst en gemonitord worden aan de Rijksomgevingswaarden van NO2 en PM10, met uitzondering van activiteiten of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De aandachtsgebieden staan aangegeven in artikel 5.51, tweede lid, Bkl; - bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; - bij het toelaten van een activiteit of project in een omgevingsplan; - bij specifieke projecten of activiteiten, te weten bij: · de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 m; · een wijziging van een tunnel daarbij de lengte met minimaal 100 m toeneemt; · de aanleg van een auto(snel)weg.
20 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan minimaal één van de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (toename concentratie NO2 en PM10 mag dan niet hoger zijn dan 1,2 µg/m3 conform artikel 5.53 en 5.54 Bkl).
Tabel 4.2 Rijksomgevingswaarden voor luchtverontreinigende stoffen Stof
Criterium
NO2
jaargemiddelde concentratie uurgemiddelde concentratie (mag maximaal 18 x per jaar worden overschreden)
PM10
jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie (mag maximaal 35 x per jaar worden overschreden)
PM2,5
jaargemiddelde concentratie
*
Komt overeen met een jaargemiddelde concentratie van ongeveer 82,2 µg/m3.
**
Komt overeen met een jaargemiddelde concentratie van ongeveer 31,6 µg/m3.
4.3.2
Rijksomgevingswaarden 40 (µg/m3 200 (µg/m3 * 40 (µg/m3 50(µg/m3 ** 25 (µg/m3
Resultaten
Zoals in paragraaf 4.2 beschreven beschikken de tijdelijke bewoners niet over een auto, dus verkeer komt alleen van personeel van het COA en ondersteunende diensten en leveranciers. Bewoners verplaatsen zich voornamelijk lopend, met de fiets en met het openbaar vervoer. Naast personeel en aanvoer van goederen worden geen andere verkeersbewegingen verwacht. Dit resulteert in 18 extra voertuigbewegingen per dag, waarbij het aandeel vrachtverkeer 34,3 % bedraagt1. Afbeelding 4.2 laat zien dat uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is.
Afbeelding 4.2 NIBM-tool
1
Gebaseerd op een opvanglocatie voor 150 asielzoekers.
21 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de jaargemiddelde achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie. In afbeeldingen 4.3, 4.4 en 4.5 is de projectlocatie aangeduid met een rode contour. De grenswaardes zijn opgenomen in tabel 4.1. De achtergrondconcentraties voor NO2 heeft op de projectlocatie als hoogste waarde 9,83 microgram per m3 voor het kantoorpand. Voor PM10 is de hoogste waarde 14,80 microgram per m3 en voor PM2,5 is de hoogste waarde 8,52 microgram per m3. Dit is allemaal onder de rijksomgevingswaarden. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Afbeelding 4.3 Concentratie NO2, 2024 meest actuele jaargemiddelde (bron: Atlas Leefomgeving, geraadpleegd op 5 mei 2026)
22 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Afbeelding 4.4 Concentratie PM10, 2024 meest actuele jaargemiddelde (bron: Atlas Leefomgeving, geraadpleegd 5 mei 2026)
Afbeelding 4.5 Concentratie PM2,5, 2024 meest actuele jaargemiddelde (bron: Atlas Leefomgeving, geraadpleegd 5 mei 2026)
23 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
4.3.3
Conclusie
Er worden geen belemmeringen gezien voor luchtkwaliteit. De extra verkeersbewegingen leiden niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en de achtergrondconcentratiewaarde voldoen aan de Rijksomgevingswaarden. Hierdoor is er vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4
Geluid
Deze paragraaf beschrijft of en zo ja in hoeverre het project leidt tot negatieve effecten door geluidhinder. Enerzijds wordt beoordeeld of de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op geluidsgevoelige objecten, zoals woningen en scholen. Anderzijds mag het project zelf geen ontoelaatbare hinder ondervinden van omliggende geluidsbronnen.
4.4.1
Toetsingskader
Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en onderliggende besluiten en regelingen. Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat bevat de regels over geluid door een activiteit op of in een geluidsgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Artikel 22.57 van de Bruidsschat zijn de waarden bepaald, met daarin onderscheidt in: - activiteiten anders dan door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.2); - geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.4). In afdeling 3.5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De Omgevingswet maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluid productieplafond als omgevingswaarde en bronnen met basisgeluidemissie.
Het is aan het bevoegd gezag om het geluidsniveau van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beoordelen conform artikel 3.20 van het Bkl. Het Rijk stelt voor een aantal aangewezen geluidsgevoelige gebouwen en stiltegebieden specifieke regels op. Voor geluidgevoelige functies zoals wonen, onderwijs of zorg is artikel 3.20 van het Bkl bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming op basis van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
4.4.2
Resultaten
Om een indicatie te verkrijgen van de geluidbelasting vanwege omliggende wegen is de geluidskaart ‘Geluid in Nederland’ van Atlas Leefomgeving geraadpleegd, zie afbeelding 4.6. Hieruit volgt indicatief dat de geluidbelasting op de projectlocatie varieert van circa 53 dB aan de zuidoostzijde tot circa 65 dB aan de noordzijde van het terrein. De geluidbelasting wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de gemeentelijke wegen de Rading en de Loosdrechtseweg (wegverkeerlawaai). Op basis van de Methode Miedema varieert de akoestische kwaliteit van redelijk tot tamelijk slecht, waarbij overwegend sprake is van een matige milieukwaliteit.
24 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Een tijdelijke opvanglocatie is niet aan te merken als geluidsgevoelige functie in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De wettelijke instructieregels voor wegverkeerslawaai, waaronder de standaardwaarde van 53 dB Lden en de grenswaarde van 70 dB Lden voor gemeentelijke wegen, zijn daarom niet rechtstreeks van toepassing. Deze waarden zijn uitsluitend als referentiekader betrokken bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Uit de indicatieve geluidbelasting blijkt dat de standaardwaarde plaatselijk wordt overschreden, maar de grenswaarde niet. Gelet op het feit dat sprake is van een niet-geluidsgevoelige functie, de geluidbelasting past binnen een bestaand verkeersbelast gebied en het initiatief bovendien zeer tijdelijk van aard is, wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse als aanvaardbaar beschouwd. Het aspect geluid vormt daarmee geen planologische belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Afbeelding 4.6 Geluidsbelasting op projectlocatie
4.4.3
Conclusie
Het projectvoornemen is geen geluidsgevoelige bestemming en leidt zelf ook niet tot een toename van de geluidsbelasting in de omgeving. Hierdoor is er vanuit het aspect geluid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Omgevingsveiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen vrij kunnen komen. Deze paragraaf beschrijft hoe het project rekening houdt met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden.
25 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
4.5.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risico's en waarborgen van veiligheid in de leefomgeving. Het beleid is een belangrijk onderdeel van ruimtelijke ordening en houdt rekening met de veiligheid van mensen in relatie tot potentiële risico’s, zoals industriële activiteiten, transport van gevaarlijke stoffen en natuur- en milieugevaren. Twee belangrijke begrippen in het omgevingsveiligheidsbeleid zijn het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: 1 de bescherming van personen middels het borgen van voldoende afstand tussen risico-ontvangers (zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare objecten/gebouwen) en risicobronnen; 2 het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar. Dit betekent dat (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet binnen de PR 10-6 contour van een activiteit gerealiseerd mogen worden.
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is de PR 10-6 contour een standaardwaarde, wat inhoudt dat deze gebouwen en locaties niet gerealiseerd mogen worden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken. Kwetsbare gebouwen en locaties kenmerken zich door een aanwezigheid van grote groep mensen of verminderd zelfredzame personen. De definitie is te vinden in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn drie typen aandachtsgebieden, namelijk brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Uitgangspunt van het nieuwe beleid aangaande externe veiligheid is om zo min mogelijk te rekenen, maar met behulp van aandachtsgebieden wel zo inzichtelijk en helder mogelijk te maken tot waar de impact van een incident kan reiken voor mensen in gebouwen. In alle gevallen is een afweging in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van belang. Een belangrijk doel van aandachtsgebieden is om gemeenten bij nieuwbouwplannen rekening te laten houden met ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Als een gemeente bijvoorbeeld nieuwe woningen in een aandachtsgebied toestaat, bepaalt zij of aanvullende beschermende maatregelen nodig zijn, zoals het versterken van gebouwen of het informeren van inwoners over schuilmogelijkheden. Gemeenten moeten bij nieuwbouw in een gifwolkaandachtsgebied tenminste in de eerste 1.500 m bepalen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. Voorschriftengebieden Voor de brand- en explosieaandachtsgebied kunnen voorschriftengebieden aangewezen worden. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken zolang er geen zeer kwetsbare gebouwen in het aandachtsgebied liggen of toegestaan zijn. De verplichting om voorschriftengebieden aan te wijzen geldt voor locaties waar zeer kwetsbare gebouwen aanwezig of toegelaten zijn in aandachtsgebieden. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met verschillende soorten kwetsbaarheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen (zie bijlage VI Bkl): - zeer kwetsbare gebouwen; - kwetsbare gebouwen en locaties; - beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt bepaald door de functie en de zelfredzaamheid van deze personen.
26 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Omgevingsplan Door de aanwijzing van voorschriftengebieden in het omgevingsplan kunnen aanvullende bouwkundige eisen worden gesteld vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (§ 4.2.14 Bbl).
4.5.2
Resultaten
Op afbeelding 4.7 is te zien dat de projectlocatie niet geclassificeerd is als (beperkt) kwetsbaar gebouw en niet in een aandachtsgebied ligt. Ten noordoosten van de projectlocatie is een buisleiding gelegen met bijbehorende brandaandachtsgebieden. Verder grenzen geen activiteiten met gevaarlijke stoffen aan de projectlocatie. Tevens voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in het realiseren van een nieuwe risicobron of andere veiligheidsrisico’s op de omgeving.
Afbeelding 4.7 Omgevingsveiligheid in de omgeving van de projectlocatie
4.5.3
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
4.6
Activiteiten en milieuzonering
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat de functies in een gebied onderling in balans zijn en geen hinder ten opzichte van elkaar veroorzaken. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
27 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Deze paragraaf beschrijft in het project rekening is gehouden de toelating van de nieuwe activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn.
4.6.1
Toetsingskader
Voor geluid en voor geur worden in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024 1’ drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of geschikt is voor functiemenging: 1 een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur 2; 2 een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel van Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009); 3 door het uitvoeren van gericht onderzoek. De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ is gericht op de volgende soorten gebieden: bedrijventerreinen; andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerrein); woongebieden. De handreiking is niet van toepassing op de volgende gebieden en situaties: industrieterreinen; milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied; milieuthema’s die al op een andere wijze zijn geregeld; een aantal ‘zware’ activiteiten die niet direct toegelaten kunnen worden. Geluid- en geurregels uit het omgevingsplan In het omgevingsplan staan regels voor ‘geluid door een activiteit op of in geluidsgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit’ en voor ‘voor geurhinder door activiteiten op locaties waar geurgevoelige gebouwen worden toegestaan’.
Deze regels in het omgevingsplan hebben een zo algemeen mogelijk werking: ze voorzien in een (gebiedsgerichte) standaardwaarden en -regels voor geluid en geur. Deze waarden en regels gelden standaard op de gevels van milieugevoelige gebouwen en de grens van locaties voor woonschepen of woonwagens. Ze zijn van toepassing op de toegelaten geluid- en geurveroorzakende activiteiten binnen de gemeente. Aanvullende regeling uit de handreiking De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ betreft een aanvulling op de standaardregeling uit het omgevingsplan. Op grond van de artikelen 5.69 en 5.93 Bkl toegestaan om de gebruiksruimte voor geluid en geur op kortere afstand te begrenzen. Dat betekent dat een geluid- of geurwaarde niet uitsluitend ter plaatse van de milieugevoelige activiteit hoeft te gelden, maar dat het ook is toegestaan die waarde te laten gelden op een locatie tussen de bron en de ontvanger in. Hiermee maakt het Bkl het dus mogelijk om te voorkomen dat een milieuhinderlijke activiteit een onevenredig grote gebruiksruimte voor geluid en geur inneemt als die activiteit geen milieugevoelige functies in de nabijheid heeft.
1
Door de invoering van de Omgevingswet kunnen de ‘VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009’ en ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’ uit 2019 niet meer worden gebruikt vanwege het oude wettelijk kader waarop deze waren gebaseerd (Wro resp. Chw).
2
Ook andere milieuaspecten dan geluid en geur, zoals omgevingsveiligheid, trillingen en stofhinder, kunnen in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend zijn. Deze aspecten lenen zich, anders dan geluid en geur, niet goed om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. In algemene zin geldt dat wanneer een activiteit een andere vorm van milieubelasting dan geluid- en geurhinder met zich meebrengt, aan de hand van de specifieke regelgeving moet worden bepaald of de activiteit op de gewenste locatie inpasbaar is.
28 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Het basisprincipe van de aanvullende regeling uit de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ is: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per activiteit beschikbaar kan zijn. Deze inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee voor geur. De ligging van de zones is afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. De binnen de zones toegelaten geluid- en geurbelastingen per activiteit gelden op een vaste afstand van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Dit is anders dan bij de standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan, die gelden op de gevels van milieugevoelige gebouwen en de grens van locaties voor woonschepen of woonwagens. De aanvullende regels op basis van de handreiking maken het mogelijk om de gebruiksruimte voor geluid en geur voor activiteiten op een bedrijventerrein of ander werkterrein evenwichtig te begrenzen. Een begrensde gebruiksruimte voor geluid en geur geeft exploitanten van activiteiten helderheid over hun eigen gebruiksruimte. Het biedt ook duidelijkheid over waar het wel of niet mogelijk is om nieuwe milieugevoelige activiteiten rondom een bedrijventerrein te realiseren. Ook dat sluit aan bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6.2
Resultaten
Planologische situatie Voor het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ is op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan geen specifieke milieucategorie toegewezen. Een tijdelijke opvanglocatie heeft tevens geen specifieke milieucategorie toegewezen vanuit de VNG-handreiking, echter past deze qua aard en gebruik binnen een maatschappelijke functie. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de tijdelijke opvanglocatie qua aard en gebruik binnen de huidige categorie/milieuruimte valt. Functies in de directe omgeving In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen milieubelastende activiteiten aanwezig of bedrijven/activiteiten met een hoge milieucategorie. Direct tegenover het pand zijn voornamelijk woningen aanwezig en een bedrijfsgebouw waar milieucategorie 2 geldt. In een gemengd gebied geldt bij een milieucategorie 2 een richtafstand van 10 m. De tijdelijke opvanglocatie is niet gelegen binnen de richtafstand van een bedrijf of activiteiten en hiermee vormt deze geen belemmering. Vice versa vormt de komst van de tijdelijke opvanglocatie geen belemmering voor de verworven milieurechten van de omliggende bedrijven en activiteiten. Woon- en leefklimaat Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt mede bepaald door de toetsing van de milieuaspecten luchtkwaliteit, geluid en omgevingsveiligheid.
In eerdere paragrafen is onderbouwd dat er ten aanzien van luchtkwaliteit, geluid en omgevingsveiligheid geen belemmeringen zijn voor de tijdelijke opvanglocatie. Er treden geen cumulatieve effecten op of effecten die onaanvaardbaar zijn voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de cumulatie van deze milieuaspecten kan geconcludeerd worden dat het tijdelijke voornemen voorziet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar wordt geacht.
4.6.3
Conclusie
Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
29 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
4.7
Flora en fauna
In deze paragraaf wordt ingegaan hoe rekening wordt gehouden met het aspect natuur bij de voorgenomen ontwikkeling op de projectlocatie. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermende soorten en -gebieden. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt beschermde soorten of habitats voorkomen. Als blijkt dat mogelijk beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Door middel van het vervolgonderzoek moet duidelijk worden waar welke soorten voorkomen, of er sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties (voortplantings- of vaste rust- en/of verblijfsplaatsen) en moeten de effecten van het voornemen in beeld worden gebracht. Hierbij dient te worden bezien of er een verbodsbepaling wordt overtreden door de betreffende ingreep.
4.7.1
Toetsingskader
Gebiedsbescherming Onder de Omgevingswet maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. De instrumenten zien toe op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en aangewezen bijzondere natuurgebieden, landschappen en parken (artikel 2.44 Ow). Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Door middel van Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve onder andere de begrenzing van het gebied, opgenomen voor welke habitattypen en soorten het gebied is aangewezen en welke doelen hiervoor gelden. Op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e van de Omgevingswet (Ow) is een omgevingsvergunning vereist voor een ‘Natura 2000-activiteit’.
Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’1. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de formulering zijn activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied niet vergunningplichtig. Daarnaast benoemt hoofdstuk 11 van het Bal enkele gevallen die een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden (bijvoorbeeld in een omgevingsverordening, ministeriële regeling of programma). Op grond van artikel 8.74b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit een passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen (zoals extern salderen).
1
Bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet.
30 | 41
Witteveen+Bos | 153110/26-008.610 | Definitief 04
Als de vereiste zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten niet is verkregen, dan kan op grond van artikel 8.74b lid 2 Bkl een omgevingsvergunning alleen nog worden verleend, als: a. er geen alternatieve oplossingen zijn; b. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en, c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de Natura 2000-activiteit. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd1. Wat deze zorgplicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.6 lid 2 Bal.
Stikstofdepositie Voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 2 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moeten worden in de vergunningverlening. Stikstof moet worden meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen, omdat een te hoge stikstofneerslag schadelijk is voor natuurgebieden en de biodiversiteit kan aantasten. Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied3. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn.
In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals interne of externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten4; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen5.
1
Artikel 11.6 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving.
2
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
3
Artikel 5.1 Omgevingswet.
4
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.