CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 05 Bijlagen 4 en 5 nader ecologisch odnerzoek en parkeeradvies Bloklaan 22

gemeenteraad 9 februari 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: *Na stemming niet behandeld* (14V-5T) Ontwerp-verklaring van geen Bedenkingen Bloklaan 22a15.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nader ecologisch onderzoek, november 2021 (BK bouw- & milieuadvies)

Mees Ruimte & Milieu | 21034.RO.1.1

Pagina | 46

BK Bouw- & Milieuadvies B.V. Daltonstraat 30D Postbus 3064 3301 DB Dordrecht 088 321 25 10 info@bkbouwenmilieuadvies.nl www.bkbouwenmilieuadvies.nl BANK NL45ABNA0586840729 KVK 24459961 BTW NL820721141B01

Nader ecologisch onderzoek Recreatiecentrum Mijnden

Opdrachtgever:

Van der Walle Holding B.V. mevrouw E. Roos Bloklaan 22 A 1231 AZ Loosdrecht

Projectnummer:

203119

Versienummer:

1.0

Plaats, datum:

Nieuwegein, 18 november 2021

Auteur:

S. Lange MSc

Paraaf:

Controleur:

W. Tarbuck/A. de Groot

Paraaf:

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 2 van 41

Inhoudsopgave

pagina Inleiding ............................................................................................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................................................................................. 6 1.2 Wettelijk kader ..................................................................................................................................................................................... 10 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................................................................................... 10 2 Onderzoek marterachtigen ..................................................................................................................................................................... 11 2.1 Onderzoeksmethode marterachtigen ........................................................................................................................................ 11 2.2 Resultaten onderzoek marterachtigen .......................................................................................................................................

12 2.3 Conclusie onderzoek marterachtigen ......................................................................................................................................... 15 2.4 Onderzoeksmethode muizen ......................................................................................................................................................... 16 2.5 Resultaten onderzoek muizen ....................................................................................................................................................... 18 2.6 Conclusie onderzoek muizen ......................................................................................................................................................... 20 3 Onderzoek huismussen ............................................................................................................................................................................22 3.1 Onderzoeksmethode huismussen................................................................................................................................................ 22 3.2 Resultaten onderzoek huismussen ..............................................................................................................................................

23 3.3 Conclusie onderzoek huismussen ................................................................................................................................................ 24 4 Onderzoek vleermuizen ........................................................................................................................................................................... 27 4.1 Onderzoeksmethode vleermuizen ............................................................................................................................................... 27 4.2 Resultaten onderzoek vleermuizen ............................................................................................................................................. 28 4.3 Conclusie onderzoek vleermuizen ............................................................................................................................................... 32 5 Onderzoek grote modderkruiper .........................................................................................................................................................32 5.1 Onderzoeksmethode grote modderkruiper ............................................................................................................................

32 5.2 Resultaten onderzoek grote modderkruiper ........................................................................................................................... 33 5.3 Conclusie onderzoek grote modderkruiper ............................................................................................................................. 33 6 Onderzoek rugstreeppad ........................................................................................................................................................................ 34 6.1 Onderzoeksmethode rugstreeppad ............................................................................................................................................ 34 6.2 Resultaten onderzoek rugstreeppad .......................................................................................................................................... 34 6.3 Conclusie onderzoek rugstreeppad ............................................................................................................................................ 34 7 Onderzoek ringslang .................................................................................................................................................................................

36 7.1 Onderzoeksmethode ringslang ..................................................................................................................................................... 36 7.2 Resultaten onderzoek ringslang ................................................................................................................................................... 36 7.3 Conclusie onderzoek ringslang ..................................................................................................................................................... 37 8 Conclusie en advies .................................................................................................................................................................................... 39 9 Literatuur- en websitelijst ........................................................................................................................................................................ 41 1

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 3 van 41

1

Inleiding

In opdracht van Van der Walle Holding B.V. heeft BK Bouw- & Milieuadvies B.V. in het jaar 2021 (nader) ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht (hierna: het plangebied) (figuur 1). De aanleiding hiervoor is het planvoornemen om het recreatiecentrum te her ontwikkelen. Met deze rapportage worden de onderzoeksresultaten gebruikt om de noodzaak tot ontheffing of vergunning Wet Natuurbescherming te bepalen en worden aanbevelingen gedaan over de te volgen verdere procedure. Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Bloklaan te Loosdrecht en deze weg vormt ook de noordelijke grens van het plangebied. Aan de overzijde van de Bloklaan ligt landgoed Vrederijk met een bosgebied. Ten oosten van het plangebied ligt het Trekpad gevolgd door de Loenderveense Plas. De zuidgrens van het plangebied is de Drecht. Aan de westkant van het plangebied staan nog enkele woningen en ligt de Mijndensedijk met daarnaast de Vecht. Het plangebied is een recreatiecentrum/park met diverse vakantiewoningen (chalets, woonarken) en twee havens gelegen nabij de Loosdrechtse Plassen. Op het terrein zijn tevens diverse andere gebouwen/faciliteiten aanwezig zoals een receptie, restaurant en wasserette. Binnen het plangebied zijn ook diverse speelplaatsen en een natuurbad met ligweide aanwezig. Op het terrein zijn diverse greppels en ondiepe watergangen aanwezig.

Vanuit de havens lopen ook watergangen het binnen plangebied in. Verder zijn er diverse houtwallen, bomen, struiken en struweel aanwezig. Tijdens de quickscan flora en fauna (uitgevoerd door BK bouw- en milieuadvies in juli 2020) zijn diverse zanderige heuvels en open plekken waargenomen, evenals hopen met aarde en puin. Ook zijn er diverse muizenholletjes waargenomen tijdens het nader onderzoek. Indeling plangebied Gezien het plangebied groot is en zeer divers zal in het vervolg van de rapportage gesproken worden over deelgebieden. De verdeling die is aangehouden correspondeert met de deelgebieden uit figuur 2. Deze verdeling is afgeleid uit de plattegrond van het recreatiecentrum zelf. De deelgebieden zijn: • Deelgebied 1: Hazendrecht; • Deelgebied 2: Fazantenveld; • Deelgebied 3: Oost-terrein; • Deelgebied 4: camping; • Deelgebied 5: arkenhavens; • Deelgebied 6: Kleine jachthaven; • Deelgebied 7: Jachthaven en Centrum; • Deelgebied 8: De entree; • Deelgebied 9: Bedrijf en wonen; • Deelgebied 10: De Drecht.

Tijdens het uitvoeren van dit nader onderzoek is gebleken dat in het afgelopen jaar het terrein op bepaalde delen (camping en fazantenveld figuur 2) behoorlijk verruigd is, waarbij de hopen met stenen zijn begroeid met vegetatie. Tevens zijn er in de tussentijd diverse vakantiehuisjes gesloopt waarbij (een deel van) het puin is blijven liggen. Ook deze puinstapels zijn begroeid met vegetatie. Het stuk braakliggend terrein (deel camping) is in de tussentijd ook sterk verruigd.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 4 van 41

figuur 1; plangebied (rode kader) (bron: QGIS).

figuur 2;deelgebieden: Deelgebied 1 (Hazendrecht), Deelgebied 2 (Fazantenveld), Deelgebied 3 (Oost-terrein) Deelgebied 4 (camping), Deelgebied 5 (arkenhavens), Deelgebied 6 (Kleine jachthaven), Deelgebied 7 (Jachthaven en Centrum), Deelgebied 8 (De entree), Deelgebied 9 (Bedrijf en wonen), Deelgebied 10 (De Drecht) (bron: website recreatiecentrum Mijnden).

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 5 van 41

Planvoornemen De herinrichting van het recreatiecentrum zal in fases worden uitgevoerd. Zie figuur 3 voor de concept fasering en het planvoornemen. In fase 1 zullen (deelgebied 4, 6, 7) zal eerst deel L bouwrijp gemaakt worden (fase 1a). Daarna worden er vakantiewoningen gerealiseerd en worden er groenstructuren aangebracht. Dit deel van het plangebied is momenteel in gebruik als aanlegsteiger voor bootjes. Verder liggen er in dit deel braakliggend terrein, ruigtes en een enkele heg met een aantal bomen. Vervolgens zal in fase 1b deel J bouwrijp gemaakt worden. Ook dit deel is vergelijkbaar met deel L qua functie en structuur. In fase 1b wordt de weg die naar de ingang loopt ook meegenomen. In fase 1c zal deel M en N, O en P (het havengebied) bouwrijp gemaakt worden. Om het havengebied te realiseren worden de gebouwen op deze delen gesloopt. Dit betreffen een wasserette, een restaurant en een woning. Op deel M worden appartementen gebouwd. Op deel N komen groepsaccommodaties. In fase 2 (deelgebied 2, 5) worden deel B, C en D bouwrijp gemaakt, waardoor de huidige bebouwing (vakantiehuisjes) gesloopt gaan worden. Vervolgens worden er nieuwe vakantiewoningen gerealiseerd. De aanwezige groenstructuren zullen hierbij ook worden verwijderd, maar worden in de nieuwe situatie weer teruggebracht.

In fase 3 (deelgebied 1 en 8) wordt deel E bouwrijp gemaakt waardoor ook hier de aanwezige bebouwing gesloopt gaat worden. In de nieuwe situatie komen er weer vakantiewoningen terug. De aanwezige groenstructuren zullen hierbij ook worden verwijderd, maar worden in de nieuwe situatie weer teruggebracht. In deel A (fase 2) zal vooralsnog niks gebeuren. De bestemming van dit terrein (opslagloods) is nog niet bekend. figuur 3; planvoornemen (bron: Opdrachtgever).

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 6 van 41

1.1

Aanleiding

In het kader van de herontwikkeling (figuur 3) van het recreatiecentrum, is in 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd op deze locatie. Hieruit blijkt dat de locatie potentieel geschikt is voor en aanwezigheid van diverse beschermde soorten. Bovendien blijkt uit verspreidingsgegevens dat de soorten ook in de omgeving voorkomen. Onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is daarom noodzakelijk. Hieronder wordt kort toegelicht wat de potentie van het plangebied voor de te onderzoeken beschermde soorten is. In figuur 4 staan een aantal foto’s uit de quickscan en nader onderzoek om de geschikte structuren/gebieden aan te geven. figuur 5 is een potentiekaart waarbij de gearceerde vlakken de geschikte gebieden voor de diverse soorten aangeven. Het blauw gearceerde deel is geschikt voor alle te onderzoeken soorten. Dit gebiedt bevalt alle elementen genoemd in tabel 1. Het oranje gearceerde vlak is voornamelijk geschikt voor de rugstreeppad door de goed vergraafbare bodem. Het groen gearceerde deel is ook geschikt voor de ringslang vanwege de watergang met dichte begroeiing langs de kant. In potentie kunnen de huismussen alle groenstructuren verspreid over het gehele plangebied gebruiken. De vleermuizen kunnen ook over het gehele plangebied voorkomen. Het blauw gearceerde vlak heeft de meeste potentie. Evenals het gebied langs de grote watergang.

tabel 1: beschrijving potentie plangebied voor beschermde soorten. Soort

Potentiële functies in plangebied

Leefgebied komt voor in deelgebied

Grondgebonden zoogdieren (marterachtigen)

Leefgebied: aanwezigheid van diverse lijnvormige elementen zoals houtwallen, hagen, bosrand, struweel, bomenrijen, watergangen met groene overs, greppels en rommelhoekjes. Er is ook voldoende dekking aanwezig. Verblijfplaatsen: Diverse stapels puin, vervallen loods. Leefgebied: aanwezigheid van vochtig gebied met sloten, plassen en plekken waar grondwater opwelt. Voldoende dekking langs de oevers met ruige vegetatie. Verblijfplaatsen: aanwezigheid van diverse muizenholletjes in de aarde. Leefgebied: afwisseling van vochtig en droog gebied, overgangszone tussen land en water met riet en kruidenvegetatie. Er is ook voldoende dekking aanwezig in de vorm van diverse hoogtes aan vegetatie. Verblijfplaatsen: aanwezigheid van diverse muizenholletjes in de aarde. Leefgebied: groenblijvende hagen, struweel, waterrijk, zanderige plekken, voldoende beschutting en voldoende voedselaanbod, rommelhoekjes. Verblijfplaatsen: Op het park is alleen de blokhut geschikt als mogelijke nestverblijfplaats. De overige gebouwen zijn niet geschikt (ontbreken openingen) De hagen en struwelen bieden verblijfplaatsen (om te rusten). Leefgebied: aanwezigheid van diverse lijnvormige elementen zoals houtwallen, bomenrijen met struweel, watergangen. Ligging van het plangebied naast water- en bosrijk gebied.

Verblijfplaatsen: vakantiewoningen zijn eenlaags en niet geschikt bevonden door afwezigheid van gaten of speten en andere mogelijke invliegopeningen. Grotere panden, zoals receptie, hebben ook geen geschikte invliegopeningen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen bij de wasserette in 2019/2020 al uitgevoerd (conclusie geen verblijfplaatsen) Aanwezigheid van ondiepe watergangen met een modderlaag en watervegetatie. Waterrijke omgeving, aanwezigheid van diverse puin/zandhopen, zanderige plekken, voldoende dekking door aanwezig struweel.

2, 5 en 8

Grondgebonden zoogdieren (waterspitsmuis)

Grondgebonden zoogdieren (noordse woelmuis)

Huismussen

Vleermuizen

Grote modderkruiper Ringslang

2 en 8

2 en 8

alle

alle

alle 1 (noordoostelijk deel) 2, 5 en 8

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 7 van 41

Rugstreeppad

Aanwezigheid van ondiepe watertjes die op kunnen drogen, zanderige plekken met vergraafbare bodem.

2, 4

figuur 4: impressie plangebied met geschikte structuren voor diverse beschermde soorten. Foto’s zijn gemaakt tijdens de quickscan en tijdens het nader onderzoek.

A. Aanwezigheid van watergang, bomen, lijnvormige elementen (deelgebied 2). Foto: juli 2020.

B. Braakliggend terrein met hoop puin. (deelgebied 2). Foto: juli 2020.

C. Zanderige/puin hopen op terrein (deelgebied 2). Foto: september 2021.

D. Puinhopen op terrein (deelgebied 2). Foto: juli 2020.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 8 van 41

E. Braakliggend terrein met zandhopen en lage vegetatie (deelgebied 2). Foto: juli 2020.

F. Dichtbegroeide watergang (scheiding deelgebied 1 en 2). Foto: juli 2020.

G. Braakliggend terrein (deelgebied 4). Foto: juli 2020.

H. Rommelhoek (deelgebied 5). Foto: juli 2020.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 9 van 41

figuur 5: potentiekaart van het plangebied (rode kader). Het oranje vlak is voornamelijk geschikt voor de rugstreeppad. Het blauwe vlak voor alle te onderzoeken soorten. Het groene vlak is tevens geschikt voor de ringslang. De huismussen en vleermuizen kunnen in het gehele gebied gebruik maken van de groenstructuren.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 10 van 41

1.2

Wettelijk kader

Binnen het plangebied zijn een aantal beschermde soorten te verwachten (tabel 2). De bescherming van deze soorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. In de Wet natuurbescherming zijn meerdere verbodsbepalingen ten behoeve van beschermde soorten. Zo is het verboden om beschermde soorten te doden, vangen, verstoren, verontrusten. Tevens is het verboden om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten te beschadigen of vernielen. Negatieve effecten als gevolg van een projectvoornemen, op individuele soorten zijn daarmee strijdig met de Wet natuurbescherming. Het uitvoeren van het planvoornemen, zonder uitsluitend onderzoek of een ontheffing, moet dan ook worden gezien als een overtreding. Indien er tijdens dit onderzoek beschermde soorten, verblijfplaatsen van beschermde soorten, of essentieel leefgebieden wordt aangetroffen, die aangetast worden of verloren gaan door het planvoornemen, is het aanvragen en verkrijgen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Met voorliggend project is Provincie Noord-Holland het bevoegd gezag. Echter de vergunningverlening en handhaving is uitbesteed aan Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN). Voor vogelsoorten kan op basis van de volgende reden ontheffing worden verleend: • In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid.

Voor habitatrichtlijnsoorten kan op basis van de volgende reden ontheffing worden verleend: • In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voor nationaal beschermde soorten kan op basis van de volgende redenen ontheffing worden verleend: • De redenen die hierboven zijn benoemd voor de habitatrichtlijnsoorten. • In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied. tabel 2; overzicht van de te onderzoeken soorten en hun beschermingsstatus. Soort

Bescherming op basis van

Marterachtigen (boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) Noordse woelmuis Waterspitsmuis Huismussen Vleermuizen Grote modderkruiper Ringslang Rugstreeppad

Nationaal beschermde soorten , Artikel 3.10 van de Wnb. Habitatrichtlijnsoort, Artikel 3.5 van de Wnb. Nationaal beschermde soorten, Artikel 3.10 van de Wnb. Vogelrichtlijnsoort, Artikel 3.1 van de Wnb Habitatrichtlijnsoort, Artikel 3.5 van de Wnb. Nationaal beschermde soorten, Artikel 3.10 van de Wnb. Nationaal beschermde soorten, Artikel 3.10 van de Wnb. Habitatrichtlijnsoort, Artikel 3.5 van de Wnb.

Zorgplicht Naast dat specifieke soorten worden beschermd door middel van de Wet natuurbescherming, is er in deze wet ook een artikel (1.11) opgenomen voor alle inheemse soorten. Voor deze soorten moet de zorgplicht in acht wordt gehouden. De zorgplicht geldt ook voor vrijgestelde soorten. De algemene zorgplicht volgens Wet natuurbescherming houdt in dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel als mogelijk voorkomen dienen te worden. Dit betekent ook dat, indien mogelijk, maatregelen getroffen moeten worden om nadelige effecten voor soorten te voorkomen

1.3

Leeswijzer

In de hoofdstukken 2 t/m 8 zal per onderzochte diersoort het onderzoek worden toegelicht. De hoofdstukken zijn onderverdeeld in drie subhoofdstukken, te beginnen bij toelichting over het onderzoeksprotocol en de uitgevoerde onderzoeksmethode, dan de resultaten van het onderzoek en tot slot de conclusies van het onderzoek.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 11 van 41

In hoofdstuk 9 staat een samenvatting van alle onderzoeksresultaten gevolgd door een advies.

2

Onderzoek marterachtigen

2.1

Onderzoeksmethode marterachtigen

Het onderzoek is gebaseerd op de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (auteur: Bouwens, 2017) van de Zoogdiervereniging. Het doel van het onderzoek naar marterachtigen is om de aanwezigheid en functies van het plangebied voor de soort in kaart te brengen. Voor marterachtigen zijn drie soorten functioneel leefgebied functies te onderscheiden: Foerageergebied: Verbindingsleefgebieden: Rust- en voortplantingsplaatsen:

Gebieden met voldoende dekking om veilig te jagen. Lijnvormige landschapselementen die verschillende leefgebieden met elkaar verbinden. Hier wordt eventueel ook gejaagd Gebieden die bescherming bieden tegen predatoren en kou. Vaak maken ze daarbij gebruik van holen van andere dieren.

Uitvoering De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de mevrouw N. Van Wijngaarden en de heer D. Van der Hulst. De beelden zijn geanalyseerd door mevrouw S. Lange en mevrouw A. De Groot. Allen zijn ecoloog bij BK Bouw- en Milieuadvies en allen ervaren in het uitvoeren van onderzoek naar marterachtigen. Voor dit onderzoek werd gebruik gemaakt van twee wildcamera’s om de aanwezigheid van eventuele marterachtigen te bepalen figuur 6. Met een wildcamera kunnen schuwe en nacht-actieve (zoog-)dieren worden waargenomen. Om de trefkans van een cameraval te vergroten werd er een lokmiddel (sardientjes/eieren) gebruikt. In totaal werd op twee locaties binnen het plangebied geïnventariseerd voor een periode van zes weken. De camera’s werden geplaatst door een ervaren ecoloog. Om de twee weken werd de camera gecontroleerd en werden de batterijen en de geheugenkaart verwisseld. Zie ook tabel 3. Naar aanleiding van de resultaten van de wildcamera is op 1 oktober een extra ronde door het gehele plangebied gelopen. Specifiek voor marterachtigen is het oranje gearceerde gebied in figuur 5 onderzocht op aanwezigheid van een mogelijke verblijfplaats. Hierbij zijn de hopen puin en aarde (voor zover mogelijk) bekeken op gebruikssporen en is gezocht naar sporen (uitwerpselen, muskusgeur, haren, wissels) tussen de hopen puin en vegetatie tabel 3: overzicht veldbezoeken onderzoek met wildcamera.

Veldbezoek

Datum

Doel veldbezoek

1

7 mei 2021

Plaatsing wildcamera’s

4

18 september 2021

Verwijderen wildcamera’s

2 3 5

21 mei 221 3 juni 2021

1 oktober 2021

Verwisselen batterijen en geheugenkaart Verwisselen batterijen en geheugenkaart Zoeken mogelijke verblijfplaats

In figuur 6 is de plaatsing van de wildcamera’s te zien. Er is gekozen voor de inzet van twee camera’s omdat het gebied waar de marterachtigen voor zouden kunnen komen circa 4 á 5 hectare groot is (figuur 5). Op basis van de handreiking zijn derhalve twee camera’s nodig (twee camera’s voor 4-7 hechtere). De locatie van de camera’s is door ecologen ter plekke bepaald, zodanig dat de camera’s zicht hadden op een mogelijke looproute van marterachtigen. Op de locaties waar de camera’s zijn geplaatst is struweel aanwezig en is de mogelijkheid dat de marterachtigen zich vanaf een mogelijke verblijfplaats (bijv. de hopen puin) over het park kunnen verplaatsen.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 12 van 41

figuur 6: plaatsing wild camera’s (rode stip).

2.2

Resultaten onderzoek marterachtigen

Het onderzoek met de wildcamera’s in het veld heeft waarnemingen van diverse soorten opgeleverd, zie figuur 7. De beelden zijn beschikbaar indien nodig. Op de camerabeelden zijn diverse grondgebonden zoogdieren waargenomen, waaronder de steenmarter, welke een beschermde soort is. De steenmarter is in totaal twee nachten vastgelegd op beeld. Gezien de eigenschappen van het plangebied en de aanwezigheid van voldoende prooidieren (o.a. muizen, ratten, mollen en vogels) is het zeer aannemelijk dat de steenmarter een verblijfplaats binnen het plangebied heeft. Steenmarters maken gebruik van holtes in bomen, takkenhopen, dichte struwelen of in panden om te verblijven. Binnen een leefgebied (territorium circa 80-700 hectare) kunnen tevens meerdere van deze schuilplaatsen aanwezig zijn. De steenmarter komt voor in steenachtige biotopen, een parklandschap, bosloze gebieden of in gebieden met kleinschalige landbouw. Van belang is daarbij dat er voldoende foerageergelegenheid is nabij groenstroken, heggen, geriefhoutbosjes of greppels en bermen. Binnen het plangebied liggen diverse hopen met aarde en puin waartussen zeer geschikte openingen zitten waar een steenmarter zou kunnen verblijven (oranje deel figuur 5). Deze hopen met puin zijn ook begroeid met diverse planten waardoor een ruig terrein ontstaat met voldoende beschutting.

Tevens staat er een oude loods die in bouwvallige staat verkeerd en mogelijk geschikt is, zie ook figuur 8. Om een mogelijke verblijfplaats van de steenmarter vast te stellen is een nadere inspectie van het plangebied uitgevoerd (deelgebieden 2, 5 en de loods in deelgebied 5). Tijdens deze veldronde is gezocht naar openingen/holen en sporen (uitwerpselen, muskusgeur) van verblijfplaatsen of een indicatie daarvoor. Het plangebied is op sommige plekken echter zo dichtbegroeid dat het vinden van deze sporen en een mogelijke verblijfplaats niet overal mogelijk was. Er is geen verblijfplaats gevonden tijdens de extra veldronde (afwezigheid sporen). Toch is het zeer aannemelijk dat ergens in de planlocatie naast het jacht en foerageer gebied voor de steenmarter ook een of meerdere verblijfplaatsen zitten. Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 13 van 41

Overige waarnemingen Verder zijn er diverse muizensoorten, ratten, een egel en een mol waargenomen. Onder de diverse muizensoorten die zijn waargenomen, zijn waarschijnlijk ook beschermde en vrijgestelde soorten (bosmuis, dwergmuis, woelmuis spec., spitsmuis spec.) gezien. De opnamen van de muizen waren niet voldoende van kwaliteit om de soorten te determineren. Dit omdat de camera in de nacht beelden in grijstinten maakt en de muizen te ver weg van de camera liepen. Nader onderzoek naar welke muizen deelgebied twee gebruiken is dus benodigd. Tevens zijn diverse vogelsoorten waargenomen. Echter geen beschermde soorten. De meest voorkomende soorten waren merels, lijsters en de heggemus. Tot slot zijn er ook een hond en een kat waargenomen. figuur 7: resultaten wildcamera’s 1 (blauw) en 2 (oranje).

1

33 31

35 30 25

17

7

5

4 1

2

1

2

3

3

2

5 2

1

2

2 Steenmarter

10 5

15

1414

15

Mol

20

Vogel (soort onbekend)

Hond

Vogel (diverse soorten)

Soort onbekend

Rat

Muis (diverse soorten)

Merel

Lijster

Koolmees

Kat

Heggemus

0 Egel

Aantal dagen/nachten waargenomen

2

Soort

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 14 van 41

figuur 8: voorbeeld mogelijke geschikte verblijfplaatsen steenmarter. Foto’s: september 2021.

A. Begroeide hoop met puin.

B. Loods in bouwvallige staat met diverse gaten/openingen.

C. Holte in de hoop met aarde en puin.

D. Begroeide hoop met puin.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 15 van 41

2.3

Conclusie onderzoek marterachtigen

Marterachtigen Gezien de steenmarter in het plangebied aanwezig is, zal habitat van de steenmarter worden verstoord en vernietigd door de geplande werkzaamheden. Namelijk, het terrein dient bouwrijp gemaakt te worden waardoor struweel, bomen en ander groen verdwijnt. Tevens bestaat het voornemen om de havens en watergangen uit te breiden in de richting van de Bloklaan waar de steenmarter op camera is vastgelegd. Hierdoor zal er minder leefruimte komen voor de steenmarter. Mogelijk worden ook verblijfplaatsen van de steenmarter verwijderd omdat de puinhopen worden verwijderd bij de herinrichting van het park. Hieronder staat kort vermeld, per fase, op welke locaties de steenmarter aanwezig is en wat het effect is van de werkzaamheden op de steenmarter. Fase 1 (start Q1 2022): deelgebied 4, 6 en 7. • In de deelgebieden 4, 6 en 7 is geen geschikt habitat voor de steenmarter aanwezig. Er is bovendien ook veel verstoring en bedrijvigheid door het regulier gebruik van de havens. De werkzaamheden in fase 1 kunnen wat betreft de steenmarter wel worden uitgevoerd. Fase 2 (start Q3 2023): deelgebied 2, 5 en grens van deelgebied 8. • De steenmarter is aangetroffen in de noordelijke helft van deelgebied 2. De werkzaamheden daar kunnen daarom niet worden uitgevoerd zonder ontheffing.

• In deelgebied 5 is de steenmarter niet aangetroffen (of sporen daarvan), echter is dit gebied wel geschikt en kan dit behoren tot leefgebied van de steenmarter. • In deelgebied 8 (westelijke heft) is de steenmarter niet aangetroffen (of sporen daarvan). Echter is dit gebied wel geschikt en kan dit behoren tot leefgebied van de steenmarter. De werkzaamheden in fase 2 kunnen wat betreft de steenmarter niet worden uitgevoerd zonder een ontheffing. Fase 3: (start Q4 2022): Deelgebied 1 en 8. • In deelgebied 1 is de steenmarter niet aangetroffen (of sporen daarvan). Het habitat hier is ook niet geschikt. • In deelgebied 8 (zuidelijke heft) is de steenmarter niet aangetroffen (of sporen daarvan). Het habitat hier is ook niet geschikt. De werkzaamheden in fase 3 kunnen wat betreft de steenmarter worden uitgevoerd. Overige grondgebonden zoogdieren Op de beelden van de wildcamera zijn diverse beschermde (hetzij vrijgestelde) soorten waargenomen. Het betreffen diverse muizensoorten en de egel. De egel is een beschermde soort, maar is vrijgesteld in provincie Noord-Holland. Dit betekent dat er geen ontheffing voor deze soort nodig is, maar er dient wel rekening te worden gehouden met de soort en de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor alle inheemse soorten, waaronder de mol die op de beelden van de wildcamera is gezien.

Onder de muizensoorten die wij verwachten zitten mogelijk ook beschermde zoals de noordse woelmuis en de waterspitsmuis (beschermde soorten). Mogelijk zijn er ook vrijgestelde soorten aanwezig zoals de bosmuis, veldmuis, dwergspitsmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis en rosse woelmuis. Daarom is aanvullend een muizenonderzoek uitgevoerd (hoofdstuk 3). Advies De werkzaamheden in deelgebied 1, 2, 5 en westelijke helft deelgebied 8 (werkzaamheden hier vinden plaats in fase 2 en 3) mogen niet worden uitgevoerd zonder ontheffing voor de steenmarter in het kader van de Wet natuurbescherming. De locatie kan niet worden vrijgegeven ten aanzien van de steenmarter. De overige deelgebieden (werkzaamheden hier vinden plaats in fase 1) zijn maar zeer matig geschikt voor de steenmarter. Wij verwachten niet dat de werkzaamheden daar een negatief effect op de marter zullen hebben. Daarom kunnen de werkzaamheden daar, ten aanzien van de marter, wel aanvangen zonder ontheffing. Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 16 van 41

Ten alle tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Onderzoek muizen Ten tijde van de quickscan was het terrein in deelgebied 2 (en deels 5 en 8) dusdanig anders dat nader onderzoek niet benodigd was. Echter in het afgelopen jaar is het terrein verruigt en geschikt geworden voor deze muizen. Omdat uit cameraonderzoek blijkt dat er mogelijk beschermde muizensoorten aanwezig zijn is aanvullend nader onderzoek met inloop vallen uitgevoerd.

2.4

Onderzoeksmethode muizen

Het nader onderzoek naar muizen is gebaseerd op het kennisdocument Noordse woelmuis, Microtus oeconomus arenicola van BIJ12. Het doel van het onderzoek naar muizen is om de aanwezigheid en de functies van het plangebied voor de soort in kaart te brengen. Voor de noordse woelmuis en de waterspitsmuis zijn twee soorten essentieel leefgebied functies te onderscheiden: Voortplantingsgebied/zomerverblijven Winterverblijfplaatsen

Vaak wat nattere gebieden die in de zomerperiode (maart-november) worden gebruikt. Ten opzichte van zomerverblijven wat droger gebied waar de muizen gedurende de winter verblijven. Het winterverblijf kan ook gebruikt worden als voorplantingsplaats.

Uitvoering De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de mevrouw De Groot, mevrouw Lange en de heer D. Van der Hulst, allen ervaren in het uitvoeren van onderzoek naar muizen en bijgestaan door mevrouw Tarbuck. Allen zijn ecoloog bij BK bouw- en milieuadvies. Om de aanwezigheid van de noordse woelmuis en de waterspitsmuis vast te stellen is gebruik gemaakt van inloopvallen. Met het gebruik van inloopvallen kunnen kleine zoogdieren worden gevangen en daarna weer in vrijheid gesteld worden. In totaal 48 Heslinga Life-Traps inloop vallen (twee raaien met elk twaalf stops van twee vallen) geplaatst. Per stop zijn twee vallen geplaatst (figuur 9) waarbij de inloop tegengesteld was om de vangkans te vergroten en te voorkomen dat alleen algemene soorten werden gevangen. De stops waren allen gemarkeerd om de locatie terug te vinden. De afstand tussen de stops was circa vijf tot tien meter. De vallen gevuld met droog hooi en voer (pindakaas, havermout, wortel, appel en meelwormen). Enerzijds dient het voor als lokmiddel en anderzijds als voer om de omstandigheden en overlevingskansen voor de gevangen muizen zoveel mogelijk te optimaliseren. figuur 9: voorbeeld plaatsing vallen in raai 2.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 17 van 41

De plaatsing van de vallen is globaal weergegeven in figuur 10 en zijn gelegen in deelgebied 2. Deze locaties zijn uitgekozen omdat ze nabij dezelfde locaties als wildcamera waar de diverse muizen zijn weergenomen liggen wat de kans vergroot op vangst. Bovendien is deze locatie het meest kansrijk (zie ook potentiekaart in figuur 5) door de oevers met ruige vegetatie. De overige deelgebieden zijn niet geschikt voor de noordse woelmuis of waterspitsmuis. Raai 1 staat op wat hoger terrein en overwegend droog. De vallen liggen tussen halfhoge vegetatie en langs een smalle watergang. Raai 2 staat langs een wat grotere watergang waarbij het gebied wat natter is ten opzichte van raai 2. Ook hier is de vegetatie half hoog tot hoog. Beide locaties zijn moeilijk bereikbaar voor eventuele bezoekers waardoor de kans op menselijke verstoring nihil is. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de meest optimale periode (half augustus – eind oktober), waarin de muizendichtheden het grootste zijn. Bovendien is er in deze periode geen sprake van nachtvorst. Voorafgaand aan het onderzoek stonden de vallen gedurende een weekend open, waarbij het vangmechanisme was geblokkeerd. Dit om de muizen te laten wennen aan de vallen. Na het weekend zijn de vallen op scherp gezet en is het onderzoek gestart. De data zijn weergegeven in tabel 4.

De vallen werden conform protocol tweemaal daags gecontroleerd (om de twaalf uur). Doorgaans wordt voor muizenonderzoek met inloopvallen twee nachten bemonsterd/gecontroleerd. Voor de waterspitsmuis moet gedurende drie nachten worden gecontroleerd. Omdat in het plangebied mogelijk ook de waterspitsmuis voor komt, is gekozen om drie nachten te controleren. Tijdens de controles zijn de dichtgeklapte vallen gecontroleerd op aanwezigheid van muizen door de vallen te legen in een vangzak. Vervolgens is de soort muis bepaald, evenals (zo mogelijk) het geslacht, de leeftijd en andere kenmerken. Ook zijn er van elke vangst foto’s gemaakt zodat determinatie ook op een later tijdstip uitgevoerd kon worden. Voor het vastleggen van de gegevens is gebruik gemaakt van een ‘vallenformulier’ van de Zoogdiervereniging. figuur 10: plaatsing inloopvallen binnen plangebied. Vallen 1 t/m 12 behoren tot raai 1. Vallen 13 t/m 24 behoren tot raai 2. Per stop staan twee inloopvallen.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 18 van 41

tabel 4: overzicht onderzoek Muizen Veldbezoek

Tijdstip

Weersomstandigheden

Temperatuur

Wind

Doel

1-okt 2021

14.00 - 16.00 uur

Regen

Geheel bewolkt

16°C

3 Bft, ZZW

Uitzetten vallen

4-okt 2021

17.30 - 19.00 uur

Droog

Licht bewolkt

14°C

3 Bft, Z

Vallen op scherp zetten

5-okt 2021

7.00 - 8.15 uur

Droog

Half bewolkt

12°C

3 Bft, Z

Controle vallen

5-okt 2021

19.00 - 20.00 uur

Droog

Onbewolkt

14°C

2 Bft, ZW

Controle vallen

6-okt 2021

7.00 -8.15 uur

Regen

Geheel bewolkt

12°C

2 Bft, W

Controle vallen

6-okt 2021

19.00 - 20.00 uur

Droog

Half bewolkt

14°C

2 Bft, WNW

Controle vallen

7-okt 2021

7.00 - 8.15 uur

Droog

Mistig

12°C

1 Bft, ZW

Controle vallen

7-okt 2021

19.00 - 20.00 uur

Droog

Geheel bewolkt

14°C

2 Bft, ZO

Controle vallen

8-okt 2021

7.00 - 8.15 uur

Droog

Mistig

6°C

1 Bft, NO

Controle vallen +vallen weghalen

2.5

Resultaten onderzoek muizen

Het onderzoek met de inloopvallen heeft waarnemingen van diverse muizen soorten opgeleverd (tabel 5 en figuur 11). In totaal zijn tijdens de drie nachten/dagen tien muizen gevangen waarvan zes bosmuizen, drie dwergmuizen en één noordse woelmuis. Tevens is er één Amerikaanse rivierkreeft (niet opgenomen in de tabel) gevangen. De meeste muizen zijn tijdens de nacht gevangen omdat de muizen dan het meest actief zijn. Tijdens het onderzoek is er ook een nest van de dwergmuis gevonden (figuur 12) nabij raai 2. tabel 5: resultaten onderzoek inloopvallen voor muizen. Datum

Controle (ochtend/avond)

Raai

Val nr.

Soort

Geslacht

Leeftijd

5-10-2021

Ochtend

2

22

Noordse woelmuis

Onbekend

Adult

6-10-2021

Ochtend

1

2

Bosmuis

Vrouw

Onbekend

6-10-2021

Ochtend

2

23

Dwergmuis

Man

Onbekend

6-10-2021

Ochtend

2

23

Bosmuis

Man

Onbekend

7-10-2021

Ochtend

1

2

Bosmuis

Onbekend

Onbekend

7-10-2021

Ochtend

1

2

Bosmuis

Onbekend

Onbekend

7-10-2021

Ochtend

1

12

Bosmuis

Onbekend

Onbekend

7-10-2021

Ochtend

2

20

Dwergmuis

Onbekend

Onbekend

7-10-2021

Avond

2

16

Dwergmuis

Onbekend

Onbekend

8-10-2021

Ochtend

2

24

Bosmuis

Onbekend

Onbekend

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 19 van 41

figuur 11: foto's gevangen muizen

A. Noordse woelmuis (5-10-2021)

B. Noordse woelmuis (5-10-2021)

C: Bosmuis (6-10-2021)

D. Bosmuis (7-10-2021)

E. Dwergmuis (6-10-2021)

F. Dwergmuis (7-10-2021)

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 20 van 41

figuur 12: nest Dwergmuis bij raai 2.

2.6

Conclusie onderzoek muizen

Uit het muizenonderzoek blijkt dat er diverse muizensoorten aanwezig zijn binnen het plangebied (bosmuis, dwergmuis en de noordse woelmuis). De dwergmuis en de bosmuis behoren tot de vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Holland. De noordse woelmuis is echter een beschermde soort (habitatrichtlijn). Gezien de grootte van het leefgebied van de Noordse woelmuis (2000 m2) kan ervanuit worden gegaan dat de noordse woelmuis ook een verblijfplaats in het plangebied heeft en het plangebied gebruikt als leefgebied. Ook de dwergmuis en de bosmuis zullen hun verblijf binnen het plangebied hebben en het plangebied gebruiken als leefgebied. Hun territorium is respectievelijk 200-900 m2 en 1800-2250 m2 waarbij de bosmuis tussen de 14 20 meter per nacht aflegt. Bovendien zijn er binnen het plangebied diverse muizenholletjes waargenomen en een dwergmuisnest in de vegetatie. Hieronder staat kort vermeld, per fase, op welke locaties de noordse woelmuis aanwezig is en wat het effect is van de werkzaamheden op de noordse woelmuis. Fase 1 (start Q1 2022): deelgebied 4, 6 en 7. • In de deelgebieden 4, 6 en 7 is de noordse woelmuis niet aanwezig. Het landschap in deze gebieden is ook niet geschikt. De werkzaamheden in fase 1 kunnen wat betreft de noordse woelmuis worden uitgevoerd. Fase 2 (start Q3 2023): deelgebied 2, 5 en westgrens deelgebied 8.

• De noordse woelmuis is aangetroffen in de noordelijke helft van deelgebied 2. De werkzaamheden daar kunnen daarom niet worden uitgevoerd zonder ontheffing. • In deelgebied 5 is de noordse woelmuis niet aangetroffen, echter is de noordelijke helft mogelijk wel geschikt. • In deelgebied 8 (westelijke heft) is de noordse woelmuis niet aangetroffen. Echter is dit gebied mogelijk wel geschikt. De werkzaamheden in fase 2 kunnen wat betreft de noordse woelmuis niet worden uitgevoerd zonder een ontheffing. Fase 3: (start Q4 2022): Deelgebied 1 en 8. • In deelgebied 1 is de noordse woelmuis niet aangetroffen. Het habitat hier is ook niet geschikt. • In deelgebied 8 (zuidelijke heft) is de noordse woelmuis niet aangetroffen. Dit gebied is ook niet geschikt. De werkzaamheden in fase 3 kunnen wat betreft de noordse woelmuis worden uitgevoerd. Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 21 van 41

Advies Deze werkzaamheden in de noordelijke helft van deelgebied 2 (werkzaamheden worden uitgevoerd in fase 2) mogen niet worden uitgevoerd, er is eerst een ontheffing voor de noordse woelmuis in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. De locatie kan niet worden vrijgegeven ten aanzien van de noordse woelmuis. De overige deelgebieden achten wij niet geschikt voor de noordse woelmuis waardoor de werkzaamheden daar geen negatief effect op de noordse woelmuis zullen hebben. Daarom kunnen de werkzaamheden daar, ten aanzien van de noordse woelmuis, wel aanvangen zonder ontheffing. Ten alle tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht voor andere aanwezige soorten.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 22 van 41

3

Onderzoek huismussen

3.1

Onderzoeksmethode huismussen

Het nader onderzoek naar huismussen is gebaseerd op het kennisdocument Huismus, Passer domesticus van BIJ12. Het doel van het onderzoek naar huismussen is om de aanwezigheid en eventuele functies van het plangebied voor de soort in kaart te brengen. Voor huismussen zijn er twee type essentieel leefgebied functies te onderscheiden: Voortplantingsplaatsen: Plaatsen waar de nesten van de huismus aanwezig zijn. Deze kunnen het hele jaar door gebruikt worden. Rustplaatsen: Deze verblijfplaatsen worden vooral ’s winters gebruikt. Daarnaast zijn er een aantal essentiële elementen belangrijk die aanwezig moeten zijn in deze leeggebieden, namelijk kwetterplekken, zandige plekken, foerageerplekken, drinkplaatsen en schuilplekken (opgaand groen). Uitvoering De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de mevrouw N. Van Wijngaarden, de heer D. Van der Hulst. Allen zijn ecoloog bij BK bouw- en milieuadvies en allen ervaren in het uitvoeren van onderzoek naar huismussen. Voor het onderzoek naar huismussen wordt in beeld gebracht waar zich locaties van nesten, rustplaatsen en/of functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden en slaapplaatsen) van de huismus bevinden. Voor het huismusonderzoek is, in de periode van 1 april tot en met 15 mei (meest geschikte periode, zie figuur 2) de projectlocatie tweemaal bezocht om eventueel aanwezige huismussen te inventariseren en tellen.

De bezoeken zijn tijdens goede weersomstandigheden (o.a. geluidsluw) en overdag afgelegd. Om vast te stellen of huismussen in het plangebied een verblijfplaats hebben is op zoek gegaan naar huismussen die nestindicatief gedrag vertoonden, naar (tekenen van) een huismusnest en naar bedelende huismusjongen. Tevens onderzochten wij of het plangebied de essentiële functies voor de huismus (o.a. kwetterplek, drink- en voedselplaatsen en rustplaatsen) biedt. figuur 13: perioden van inventariseren van de huismus (bron: Kennisdocument Huismussen, BIJ12).

In tabel 6 zijn de veldbezoeken weergegeven. Tijdens het onderzoek is het gehele plangebied onderzocht, waarbij systematisch alle delen van westelijke richting naar oostelijke richting zijn onderzocht. Op de locaties waar huismussen werden waargenomen of gehoord is langer gepost om het gedrag van de vogels te observeren en uit te zoeken waar deze verbleven.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 23 van 41

tabel 6: overzicht veldrondes huismusonderzoek Veldbezoek

Tijdstip

Weersomstandigheden

Temperatuur

Wind

Zonsopgang

Zonsondergang

23 april 2021 7 mei 2021

13.00 – 16.00 uur

Droog

Half bewolkt

8 °C

N, 2 Bft.

6.23 uur

20.53 uur

9.00 – 12.00 uur

Droog

Half bewolkt

6 °C

Geen wind

5.56 uur

21.17 uur

3.2

Resultaten onderzoek huismussen

Huismussen waarnemingen veldronde 1 Tijdens het veldonderzoek op 23 april zijn diverse waarnemingen van huismussen gedaan. In het projectgebied zijn diverse broedende huismussen waargenomen. De locaties waar huismussen zijn waargenomen zijn weergegeven in figuur 14 en betreffen bijna alleen maar groenstructuren. In totaal zijn circa 48 huismussen over het gehele plangebied waargenomen (tabel 7). De meeste huismussen zijn waargenomen bij locaties 1, 4, 5, 6 en 7. Hier zijn respectievelijk 8, 6, 6, en 12 huismussen waargenomen. Op locaties 2, 3, 10, 12 en 13 zijn respectievelijk 1, 3, 2, 2 en 2 huismussen waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn diverse nest indicatieve waarnemingen gedaan van huismussen die nestmateriaal en voedsel brachten naar de vermoedelijke nestplaats. Alle vermoedelijke nestplaatsen betreffen groenblijvende haven of dicht struweel (bijv. ligusterhaag, braamstruweel) op locatie 5 en 13 na. In de groenstructuren zijn zingende mannetjes waargenomen die zich zeer territoriaal gedroegen. De nesten zelf zijn niet waargenomen in de groenstructuren, maar gezien het gedrag van de huismussen kunnen wij niet anders concluderen dan dat de huismussen broeden in de groenstructuren (hoewel minder gebruikelijk). Op locatie 5 staat een sanitair gebouw (één bouwlaag hoog) met een pannendak. Onder het dak zijn diverse huismusnesten en resten daarvan waargenomen.

Ook zijn er op deze locatie waarnemingen gedaan van huismussen die nestindicatief gedrag vertoonden. Op locatie 13 zijn ook twee huismussen waargenomen die zingend op het dak van het gebouw zaten. Binnen het plangebied staat nog één gebouw wat geschikt is voor huismusbewoning, namelijk de blokhut nabij locatie 4. Echter zijn hier geen huismussen waargenomen die onder het pannendak nestelden. Huismussen waarnemingen veldronde 2 Tijdens het tweede veldonderzoek op 7 mei 2021 zijn soortgelijke waarnemingen gedaan als tijdens het eerste bezoek in april. Dit bezoek was dan ook een bevestiging van de resultaten tijdens de eerste veldronde. Op locatie 1, 4, 5, 6 en 7 waren de meeste exemplaren waargenomen; respectievelijk 6, 8, 10, 6, en 12 exemplaren. Op locaties 2, 3, 8, 9, 10, 11 en 12 (figuur 14 en tabel 7) zijn respectievelijk 2, 3, 2, 2, 2, 2 en 2 exemplaren gezien. Op locatie 13 zijn tijdens dit veldbezoek geen huismussen waargenomen. Uit observaties van het gedrag van de huismussen blijkt verder dat de huismussen het gehele park gebruiken als foerageergebied en rustplek en daarbij relatief grote afstanden afleggen. Meermaals zijn diverse groepjes huismussen overvliegend waargenomen. Door de huismussen te volgen werd geconstateerd dat de mussen zich tussen diverse groenstructuren (groter dan een straal van 200m) verplaatsen.

Overige waarneming In oktober 2021 is het plangebied voor ander onderzoek nogmaals bezocht. Aldaar is geconstateerd dat de groenstructuren op locaties 6 en 7 (recent) waren verwijderd. Gezien er in de directe omgeving voldoende alternatieve aanwezig zijn, verwachten wij dat de huismussen zijn verplaatst naar andere geschikte locaties.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 24 van 41

figuur 14: overzichtskaart plangebied (rood) met waarnemingen huismussen (blauwe arcering).

tabel 7: overzicht locaties waar huismussen zijn waargenomen en in welke aantallen. Locatie

Aantal huismussen

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Totaal

Veldbezoek 1 8 1 3 6 6 6 12 2 2 2 48

3.3

Te verwachten aantal nestplaatsen Veldbezoek 2 6 2 3 8 10 6 12 2 2 2 2 2 57

4 1 2 4 5 3 6 1 1 1 1 1 30

Conclusie onderzoek huismussen

Het plangebied wordt goed gebruikt door huismussen als verblijfplaats, rustplaats, kwetterplek en foerageergebied. Er is tevens voldoende functioneel leefgebied voor de huismussen aanwezig. Wij schatten dat er een kolonie van 29 paren huismussen binnen het plangebied aanwezig zijn en deze verdeeld broeden op 12 locaties. Volgens het Kennisdocument Huismus van BIJ12 is een dergelijk grote populatie gezond. Een dergelijke kolonie kan zichzelf goed in stand houden omdat er voldoende mogelijkheden zijn tot uitwisseling en daarmee bevordering van broedsucces.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 25 van 41

Op locaties 1 t/m 4, 6 t/m 12 broeden de huismussen in groenstructuren zoals ligusterhagen en braamstruweel. De nesten zijn niet waargenomen omdat de hagen/struweel dusdanig dichtgegroeid zijn. Het gedrag dat de huismussen vertoonde gaf echter aan dat de nesten hier wel aanwezig moeten zijn. Op locatie 5 zijn de huismusnesten te vinden onder de dakpannen van het sanitair gebouw. Op locatie 13 zijn tijdens het tweede veldbezoek geen huismussen meer waargenomen. De afwezigheid van waarnemingen aldaar en het ontbreken van een invliegopening maakt wat wij geen nest van de huismus verwachten in het betreffende gebouw. Aannemelijker is dat de huismussen broeden in de groenstructuur bij locaties 6 en 7. Uit observaties van het gedrag van de huismussen blijkt verder dat de huismussen het gehele park gebruiken als foerageergebied en rustplek en daarbij relatief grote afstanden afleggen. Meermaals zijn diverse groepjes huismussen overvliegend waargenomen. Door de huismussen te volgen werd geconstateerd dat de mussen zich tussen diverse groenstructuren (groter dan een straal van 200m) verplaatsen. Gezien bijna alle panden binnen het plangebied ongeschikt zijn (door ontbreken openingen), maar de omgeving zeer geschikt is constateren wij dat de huismus ervoor heeft gekozen om te gaan broeden in de groenstructuren.

Ten aanzien van de geplande werkzaamheden wordt verwacht dat er overtreding van de Wet natuurbescherming plaats gaat vinden wegens het verwijderen van de nestplaatsen. Tijdens het onderzoek zijn namelijk diverse verblijfplaatsen aangetroffen. Op basis van het aantal waargenomen huismussen kunnen ten minste 30 nestplaatsen verwacht worden. Verwacht wordt dat de nestplaatsen op de locaties 1 t/m 5 verloren gaan door de werkzaamheden. De nestplaatsen op locaties 8 t/m 11 vallen buiten het gebied waar werkzaamheden plaats gaan vinden. Daarom zijn negatieve effecten op deze locaties met huismussen ook uitgesloten. De nestplaatsen op locaties 6 en 7 zijn reeds verloren gegaan. Hieronder staat kort vermeld, per fase, op welke locaties waar huismussen zitten en wat het effect is van de werkzaamheden op de huismus. Fase 1 (start Q1 2022): De werkzaamheden in fase 1 (deelgebied 4, 6 en 7) treffen de huismuslocaties 6, 7 en 12. • Locatie 6: De nestplaatsen alhier zijn reeds verloren gegaan. • Locatie 7: De nestplaatsen alhier zijn reeds verloren gegaan. • Locatie 12: Gezien locatie 12 precies op de grens ligt van de werkzaamheden van fase 1 ligt, verwachten wij niet dat er negatieve effecten ten aanzien van de huismus zullen optreden. Het meest noordoostelijke deel van het terrein zal overigens ook niet worden her-ontwikkeld waardoor negatieve effecten vanuit daar ook zijn uitgesloten.

Het projectgebied van deelfase 1 omvat geen huismusverblijven. Echter daar de huismussen van locatie 12 wel in het gebied kunnen komen waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de huismus. Hierom dient gewerkt te worden volgens een werkprotocol. Fase 2 (start Q3 2023): De werkzaamheden in fase 2 (deelgebied 2, 5 en grens met 8) treft alleen huismuslocatie 1. • Locatie 1: De huismussen die hier zijn waargenomen zaten in een groenstructuur nabij een woonark. Vermoedelijk broeden hier de huismussen hier in de ligusterhaag. De woonarken en het omliggend groen zullen worden verwijderd. Voor het verwijdereden van de groenstructuur in fase 2 is het aanvragen van een ontheffing voor de huismus dus noodzakelijk. Ter compensatie van de verloren verblijfplaatsen dienen ook alternatieve verblijfplaatsen te worden aangebracht (zowel voor tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie). Naderhand dienen ook de groenstructuren weer teruggebracht te worden. Fase 3: (start Q4 2022): De werkzaamheden in fase 3 (deelgebied 1 en 8) treffen de huismuslocaties 2, 3 en 4 en 5. • Locatie 2: De huismussen die hier zijn waargenomen zaten in een groenstructuur tussen twee recreatiewoningen in. Hier zijn ook de verblijfplaatsen aanwezig.

Voor het verwijderen van de groenstructuur is het aanvragen van een ontheffing voor de huismus dus noodzakelijk. Ter compensatie van de verloren verblijfplaatsen Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 26 van 41

dienen ook alternatieve verblijfplaatsen te worden aangebracht (zowel voor tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie). Naderhand dienen ook de groenstructuren weer teruggebracht te worden. • Locatie 3 en 4: De huismussen die hier zijn waargenomen zaten in een groenstructuur die zal verdwijnen. Met het verwijderen van de groenstructuur zullen ook de verblijfplaatsen verdwijnen. • Locatie 5: De huismussen die hier zijn waargenomen nestelden in het sanitair gebouw. Tevens gebruikten de huismussen de naastgelegen groenstructuur intensief waardoor deze mogelijk essentieel is voor de huismus. Voor het verwijderen van de groenstructuur en het sanitair gebouw in fase 3 is het aanvragen van een ontheffing voor de huismus noodzakelijk. Ter compensatie van de verloren verblijfplaatsen dienen ook alternatieve verblijfplaatsen te worden aangebracht (zowel voor tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie). Naderhand dienen ook de groenstructuren weer teruggebracht te worden. Tot slot, op locatie 8 t/m 11 zullen geen werkzaamheden plaatsvinden. Advies Gezien de huismus verblijfplaatsen heeft binnen het plangebied en deze verblijfplaatsen verloren gaan door de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing, voor de huismus noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing voor fase 1 is niet nodig, gezien aldaar geen verblijfplaatsen zijn.

Wel dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de huismus gezien deze over het gehele plangebied voorkomt. Daarom dient gewerkt te worden volgens een werkprotocol. Naast het aanvangen van de ontheffing dienen de nestplaatsen die verloren gaan gecompenseerd te worden met een factor 2 zowel in de realisatiefase als in de eindsituatie. Dit betekend dat op de locaties 1 t/m 5 respectievelijk 8, 2, 4, 8 en 10 alternatieve nestplaatsen gecreëerd moeten worden. Tevens zal er ten alle tijden voldoende functioneel gebied aanwezig moeten blijven. Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan door het faseren van de werkzaamheden zodat ten alle tijden groenstructuren aanwezig blijven.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 27 van 41

4

Onderzoek vleermuizen

4.1

Onderzoeksmethode vleermuizen

Het onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen is gebaseerd op het huidige vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene Bureaus. Het doel van het onderzoek naar vleermuizen is om de aanwezigheid en functies van het plangebied voor de soort in kaart te brengen. Voor vleermuizen zal het onderzoek zich focussen op het aantonen van essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden. Vleermuizen maken ook gebruik van verschillende type verblijfplaatsen, zo kan een verblijfplaats jaarrond worden gebruikt of alleen worden gebruikt als zomer-, winter-, paar- of kraamverblijfplaats. Met de quickscan zijn vleermuisverblijfplaatsen uitgesloten en daarom is hier geen onderzoek naar gedaan. Foerageergebieden: Vliegroutes:

Dit zijn gebieden waar de vleermuis jaagt en zijn voedsel vindt. Vleermuizen gebruiken een netwerk van verblijfplaatsen en foerageergebieden, de routes tussen deze gebieden worden vliegroutes genoemd. Dit zijn veelal lijnvormige elementen waar de vleermuis zich aan kan oriënteren, zoals watergangen, bomenrijen en dijklichamen.

Uitvoering Het onderzoek is uitgevoerd in 2021, volgens het vleermuisprotocol 2021. In tabel 8 zijn de veldbezoeken weergegeven. Het vleermuisonderzoek is met twee ecologen per veldronde uitgevoerd, conform de vereiste dekking van 75% van het vleermuisprotocol 2021. De ecologen hadden elk een batdetector (Petterson D240-X), LED-zaklamp (Fenix TK35UE) en geluidopname apparatuur. Tijdens de tweede veldronde zijn tevens opnames gemaakt met een batlogger. De opnames zijn geanalyseerd met behulp van BatExplorer versie 2.1. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer Van der Hulst, mevrouw Tarbuck en mevrouw Van Wijngaarden, allen ecoloog bij BK bouw- en milieuadvies en allen ervaren in het uitvoeren van onderzoek naar vleermuizen. Er is gekozen om het onderzoek met twee ecologen uit te voeren omdat verwacht werd daarmee de belangrijkste locaties waar werkzaamheden gingen plaatsvinden te kunnen observeren conform de vereiste dekking. Tijdens de veldrondes is gekozen voor een route waarbij de looppaden van het recreatiepark zijn gevolgd. Wanneer er een vleermuis te horen of zien was is langer stilgestaan om het gedrag te observeren. tabel 8: overzicht veldrondes vleermuisonderzoek (foerageergebied en vliegroute). Veldronde

Tijdstip

Weersomstandigheden

Temperatuur

Windkracht

Zonsondergang

Zonsopgang

3 juni 2021

21.45 - 23.45 uur

Droog

Vrijwel geheel bewolkt

20°C

WZW, 2 Bft.

21.55 uur

5.22 uur

4 augustus 2021

21.30 - 23.30 uur

Droog

Half bewolkt

15°C

NNO, 1 Bft.

21.26 uur

6.06 uur

Binnen het plangebied is tijdens de quickscan flora en fauna vastgesteld dat er geen geschikte panden staan voor vleermuisbewoning. In 2019/2020 heeft er ook vleermuisonderzoek plaatsgevonden om de wasserette te controleren op aanwezige vleermuisverblijven (Rapportage bloklaan 22a, Els & Linde B.V.). Ook daarin zijn verblijfplaatsen uitgesloten. Het zoeken naar verblijfplaatsen maakt daarom geen onderdeel uit van dit onderzoek.

Recreatiecentrum Mijnden te Loosdrecht Nader ecologisch onderzoek | 203119 | 18 november 2021

BK Bouw- & Milieuadvies pagina 28 van 41

4.2

Resultaten onderzoek vleermuizen

Waarnemingen veldronde 1 Tijdens de veldronde op 3 juni 2021 zijn diverse waarnemingen gedaan van vleermuizen (figuur 15). In totaal zijn elf waarnemingen van gewone dwergvleermuizen (9 x), ruige dwergvleermuizen (1 x) en eenmaal een vleermuis die niet op naam gebracht konden worden vanwege een te kort opname fragment van de batdetector. Waarnemingen veldronde 2 Tijdens de veldronde op 4 augustus 2021 zijn diverse waarnemingen gedaan van vleermuizen (figuur 15). In totaal zijn zeventien waarnemingen van laatvliegers (7 x), gewone dwergvleermuizen (5 x), rosse vleermuizen (2 x) en driemaal een vleermuis die niet op naam gebracht konden worden vanwege een te kort opname fragment van de batdetector. Tijdens de tweede veldronde zijn tevens opnames gemaakt met een Batlogger. In totaal zijn er 79 opnames van vleermuizen gemaakt (figuur 16). De meeste daarvan waren van de tweekleurige vleermuis (31) en de gewone dwergvleermuis (24). De overige opnames waren van de rosse vleermuis (12) de laatvlieger (4) en de watervleermuis (3). Vermoedelijk zijn de tweekleurige vleermuis en de watervleermuis de soorten die niet direct op naam konden worden gebracht in het veld. Functie foerageergebied en vliegroute Het gros van de waarnemingen betrof vleermuizen die overvlogen. Dit was voornamelijk rond de parkeerplaats naar het zuiden en oosten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11078028/1