Bijlage 02 ROB Cannenburgerpark Ankeveen
Tekst van het document
Geluid Plus Adviseurs heeft een akoestisch onderzoek (projectnr. 21.358, 18 oktober 2021) uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai voor deze herontwikkeling. De gezoneerde wegen betreffen de Herenweg en de Noordereinde. In het onderzoek zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de wegen meegenomen die een maximum snelheidsregime van 30 km/u kennen, ondanks dat er geen wettelijke zone geldt voor deze wegen. Dat gaat om de Koninginneweg, Cannenburgerweg en gedeeltelijk de Herenweg en Noordereinde. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat ter plekke van het appartementengebouw (zie figuur 4.4, blok D) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Herenweg (50 km/u). De hoogste geluidbelasting bedraagt 61 dB. Er wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB voor binnenstedelijk gebied. De hoogste geluidbelasting op dit appartementengebouw ten gevolge van de Herenweg (30 km/u) voldoet met 46 dB wel aan de voorkeursgrenswaarde. De hoogste geluidbelasting ten gevolge van Noordereinde (50 km/u) ter plaatse de twee-onderéén-kap (blok A) bedraagt 44 dB, waarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Als gevolg van Noordereinde (30 km/u) bedraagt de hoogste geluidbelasting 40 dB en blijft dus ook onder de voorkeursgrenswaarde.
De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Cannenburgerweg (30 km/u) ter plekke van de twee-onder-één-kapwoningen (blok A), bedraagt 52 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hier met 4 dB overschreden. Er is geen sprake van een onaanvaardbare situatie. Ter plaatse van blok D bedraagt de hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Koninginneweg (30 km/u) 41 dB en daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De genoemde hoogste waarden voor de geluidbelasting zijn inclusief de aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wet geluidhinder.
Figuur 4.4 nieuwe situering woningen/appartementen (bron: Building Design Architectuur)
30
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
De bron- en overdrachtsmaatregelen voor het wegverkeerslawaai afkomstig van de Herenweg zijn niet doelmatig of stuiten op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren en zijn voor deze situatie niet aan de orde. Voor 30 km-wegen zijn geen hogere waarden aan de orde en is nader onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen niet nodig. In hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek is dit nader toegelicht. Bronmaatregelen Herenweg Door het toepassen van een geluidreducerend wegdek kan een lagere geluidbelasting van 3 – 4 dB worden bereikt. Deze reductie is onvoldoende om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Het verlagen van de maximum snelheid naar 30 km/u levert een geluidreductie op van 4 dB. Dat is onvoldoende om binnen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB te vallen. Overdrachtsmaatregelen Herenweg Indien bronmaatregelen niet haalbaar c.q. voldoende zijn, is het treffen van overdrachtsmaatregelen aan de Herenweg zoals een geluidscherm of een geluidwal het volgende wat dient te worden bekeken. Vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt is het plaatsen van een geluidscherm niet realiseerbaar, omdat de woningen direct aan de weg zijn gesitueerd. Tevens zou het scherm een minimale hoogte van 7,5 meter moeten hebben. Dit is praktisch niet uitvoerbaar danwel inpasbaar in de omgeving. Daarnaast wegen de kosten niet op tegen het te bereiken resultaat.
Een andere mogelijkheid is het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger. Echter gezien de bestaande omliggende bebouwing en de geringe ruimte op de kavel is het niet mogelijk om de afstand tot de weg zodanig te vergroten dat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het nemen van maatregelen in de overdracht stuiten op stedenbouwkundige en verkeerskundige bezwaren en niet het gewenste doel hebben. Verzocht wordt om hogere grenswaarden te verlenen voor geluidbelastingen voor de 5 appartementen in gebouw D ten gevolge van de Herenweg. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van alle wegen samen bedraagt 66 dB (exclusief aftrek van 5 dB ex art. 110g Wgh). Voor deze dienen aanvullende berekeningen te worden uitgevoerd ten aanzien van geluidwerende (bouwkundige) voorzieningen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voordat de tweede fase van de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Conclusie Indien de gevraagde hogere grenswaarden worden verleend, levert het aspect geluid geen belemmeringen op voor deze herontwikkeling van een garagebedrijf ten behoeve van woningen.
4.4
Bodem
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit te inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Toets Milieutechniek ZVS Eemnes BV heeft een verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend asbest in bodemonderzoek uitgevoerd (projectnr. BO18313, 7 maart 2019) conform NEN5740 en NEN 5707 en NTA5755.
31
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Conclusies en aanbevelingen Asbest De onderzoekslocatie is grotendeels verhard met klinkers, stelcon of beton (bebouwing). Op de zuidelijke helft van de locatie is in de grond bijmenging aan puin, sintels, kolengruis of resten ijzer aangetroffen. Deze grond is onderzocht op asbest en blijkt daar niet mee verontreinigd. De hypothese ‘onverdacht’ is hiermee bevestigd. Op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is bijmenging met baksteenpuin waargenomen. Eenduidige bijmenging van baksteenpuin wordt niet als asbestverdacht beschouwd en derhalve is dit deel van de locatie niet conform de NEN 5707 onderzocht Restverontreiniging met minerale olie Op voorhand was bekend dat na een bodemsanering omstreeks 1997 onder de bebouwing, ter plaatse van kantoor/winkel en garage/werkplaats, een restverontreiniging met minerale olie van 164 m³ grond is achtergebleven. In een beschikking op het saneringsresultaat is destijds gesteld dat de verontreiniging zich weliswaar niet verspreid doch dat deze dient te worden verwijderd als de bebouwing wordt gesloopt. De omvang van de restverontreiniging is niet geactualiseerd. Deze wordt geacht nog aanwezig te zijn. Hiermee dient bij sloop en ontwikkeling rekening te worden gehouden. Verontreinigingen op de locatie Lokaal is elders op de locatie een zwakke oliegeur in de grond (boring 300) opgemerkt.
Zowel grond als grondwater ter plaatse zijn licht met minerale olie verontreinigd. De herkomst van deze verontreiniging is niet bekend. Middels een aanvullend onderzoek dient te worden vastgesteld of sprake is van een lokale en enkel lichte verontreiniging. Verder zijn in het grondwater lichte verontreinigingen met barium aangetroffen. Van barium is bekend dat deze vaker in deze mate in het grondwater voorkomt. Verder komen op de onderzoekslocatie de volgende verontreinigingen voor: - ter hoogte van boring 104 is de bovengrond sterk verontreinigd met koper en zink; - ter hoogte van boring 109 is de bovengrond sterk verontreinigd met PCB, koper en lood; - ter hoogte van boring 113 is de bovengrond sterk verontreinigd met lood. De verontreinigingen hebben geen overlap met elkaar. Hoewel de omvang van deze verontreinigingen niet exact zijn bepaald, is het reëel mogelijk dat sprake is van ernstige gevallen van grondverontreiniging. Omdat het hier vermoedelijk historische verontreinigingen betreft, hoeven deze bij gelijkblijvend gebruik vermoedelijk niet met spoed te worden gesaneerd. Naast deze drie verontreinigingen is de grond tevens heterogeen matig verontreinigd met de metalen zink en lood. De hypothese ‘heterogeen verdacht’ is hiermee bevestigd.
Mocht de locatie worden ontwikkeld tot wonen dan dient rekening te worden gehouden met de heterogene aanwezigheid van deze verontreinigingen. Door het voorkomen van matig tot sterk verhoogde gehalten voldoet de grond niet aan de bestemming ‘wonen’. Bij ontwikkeling van het perceel dient rekening te worden gehouden met grondverbetering, hierbij zijn diverse grondstromen te onderscheiden. In het onderzoek is geen rekening gehouden met een voormalige drugslab op een deel van het perceel. De kwaliteit van de bodem als gevolg van de activiteiten hiervan, zijn in het onderhavige onderzoek uitgesloten. Er is opdracht gegeven om specifiek onderzoek te doen naar de bodemkwaliteit als gevolg van dit voormalige drugslab. Conclusie De grond zal verbeterd moeten worden voordat deze voor woningbouw gebruikt kan worden.
32
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.5 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
Figuur 4.5: risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie van de risicokaart blijkt dat op circa 180 meter ten zuiden van het plangebied een aardgasontvangststation van de Nederlandse Gasunie is gelegen. Dit station kent een risicocontour van 25 meter. Het station is verbonden met een buisleiding, gelegen ten westen van het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
33
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.6
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Toets In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Omdat de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd zullen de verkeersbewegingen eerder afnemen.
Figuur 4.6: NIBM-tool worst-case berekening toename verkeer (bron: Infomil)
Er is voor de ontwikkeling een ‘wordt case scenario’ in het kader van de Regeling NIBM gedaan. Met deze tool kan uitgesloten worden dat voorgenomen ontwikkeling boven de grenswaarde uitkomt. Bovenstaande afbeelding weergeeft de uitkomst van de berekening. Hierbij wordt
34
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
uitgegaan van het maximaal aantal verkeersbewegingen per etmaal van 201. Geconcludeerd kan worden dat in een worst-case scenario de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Nader onderzoek is derhalve niet nodig.
4.7
Natuurwaarden
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Het plangebied behoort niet tot het Natura2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland, maar behoort wel tot bijzonder provinciaal landschap. Op de navolgende afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
4.7.1 Quickscan natuurwaardenonderzoek Natuurbank Overijssel te Aalten heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (projectnummer 3425, d.d. 29-6-2021) vanwege de voorgenomen herontwikkeling. Via dit onderzoek worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld gebracht. Het plangebied is onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vast rust- en voorplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura en Natuurnetwerk Nederland. Conclusie Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied, maar behoort wel tot bijzonder provinciaal landschap. In figuur 4.7 is de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.7: Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
35
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Noord-Holland. Ook wordt de herontwikkeling van het plangebied niet als strijdige activiteit in het kader van de bescherming van bijzonder provinciaal landschap beschouwd. Gelet op de toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, als gevolg van het bewonen van de nieuwe woningen, niet op voorhand uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren. In paragraaf 3.7.2 wordt ingegaan op de stikstofberekening. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdieren het plangebied als foerageergebied, bezetten vleermuizen er een verblijfplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.
Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Er nestelen ieder jaar vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd, maar er nestelen mogelijk ook vogels in het plangebied waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, zoals huismus. Om de functie van de bebouwing voor de huismus vast te kunnen stellen dient nog één aanvullend bezoek aan het plangebied uitgevoerd te worden. Alle bezette vogelnesten zijn beschermd. Werkzaamheden met negatieve effecten voor vogelnesten, moeten daarom buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Er is opdracht gegeven voor het nader vleermuizenonderzoek. Dit zal in voorjaar 2022 gereed zijn. Tijdens dit onderzoek zal eveneens het aanvullende onderzoek voor de huismus worden uitgevoerd.
4.7.2 Stikstofberekening Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden.
36
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door het verkeer op een aan te leggen weg. Initiatiefnemer heeft Ad Fontem gevraagd om de effecten van deze emissies op het kwetsbare Natura2000-gebied te onderzoeken. Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2020. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2022, omdat uitgegaan wordt dat de woningen uiterlijk dan pas bewoond kunnen worden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de gebruiksfase van de beoogde situatie. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase van de woningen bedraagt 7,44 kg/j.
De totale NH3emissie bedraagt <1,0 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt als gevolg van het gebruik van de woningen en appartementen (verkeersbewegingen) binnen het plangebied, is door de uitvoering van de AERIUS berekening aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2020 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch
37
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Wijdemeren heeft in 2011 de Beleidsnotitie archeologie vastgesteld. Onderdeel van deze beleidsnota is de beleidskaart Archeologie. Op deze beleidskaart is de gemeente ingedeeld in verschillende gebieden waarvoor geldt wanneer archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen. De archeologiekaart is verwerkt in de bestemmingsplannen. Het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Archeologie 3’ (zie hoofdstuk 1.4). De gemeentelijke eis is om bij grondwerkzaamheden vanaf 500 m² en met een diepte van 40 m een archeologisch inventariserend onderzoek uit te laten voeren. Met het plan is er sprake van nieuwe bebouwing die groter is dan 500 ma waarbij de bodem dieper dan 40 cm zal worden verstoord. Voor de locatie is een archeologisch bureauonderzoek (conform BRL4002) en een verkennend booronderzoek (conform BRL4003) uitgevoerd voor deze herontwikkeling door Hamaland Advies (projectnummer 21393, d.d. 14-9-2021). Uit deze onderzoeken komt het volgende naar voren.
Bureauonderzoek Het bureauonderzoek toont aan dat voor het plangebied een hoge verwachting geldt voor archeologische vindplaatsen uit de periode Paleolithicum-Bronstijd en Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. De periode IJzertijd tot Vroege Middeleeuwen hebben een lage verwachting, doordat het plangebied in deze periode in een uitgestrekt veengebied lag. De periode van de Tweede Wereldoorlog heeft een zeer lage verwachting door de aanwezig bebouwing in die periode. Er is in het plangebied dekzand aanwezig dat door veenontginningen in de 17e en 18e eeuw opnieuw aan de oppervlakte is komen te liggen. Mogelijk dat het dekzand afgedekt is met een antropogene ophoging uit de 19e en 20e eeuw van 1,0 tot 1,5 meter dikte. Door bebouwing en de inrichting van het terrein is de bodem in het plangebied naar verwachting tot een diepte tussen de 0,50-0,80 m-mv verstoord. De woningbouwontwikkeling zal een nog onbekende bodemverstoring teweegbrengen. Doorgaans betreft het ingrepen die de bodem tot een diepte van 0,50 à 2,00 m-mv verstoren door de aanleg van riolering, kabels en leidingen en funderingen.
Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied dieper gaan dan de bestaande verstoring, is een verkennend booronderzoek noodzakelijk om de intactheid van de bodem en de bodemopbouw vast te stellen. Buiten dit onderzoeksgebied ligt het te handhaven gebouw Cannenburg 1-3, dat een gemeentelijke monument is. Voorafgaand aan het booronderzoek is conform de BRL 4003 een Plan van Aanpak opgesteld. Booronderzoek Uit de resultaten van het booronderzoek is gebleken dat de bodemopbouw binnen het plangebied tamelijk uniform is. Onder een verharding met betonklinkers en stelconplaten bevindt zich een pakket ophoogzand met (gebroken) puin en kiezels die op een diepte variërend van 35 cm-mv in boring 2 tot 130 cm in boring 3 over gaat in een menglaag (A/C-horizont) van bruingrijs gevlekt veraard veen en venig zand met brokken grijs fijn zand en baksteenpuin. Onder de menglaag bevindt zich met uitzondering van boring 1 een dunne laag zwart veraard veen (C1-horizont). Het veraarde veenpakket heeft een dikte variërend van 30 cm in boring 4 tot 40 cm in boring 5 en gaat scherp over in de basis van het bodemprofiel die bestaat uit fijn dekzand. In boring 5 is onder het
38
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
veraarde veenpakket een intact pakket Hollandveen aangetroffen dat op 230 cm-mv overgaat in dekzand. Dit is de enige boring waar nog een intact bodemprofiel aanwezig is onder de subrecente ophoging. In boring 1 is op onder de subrecente ophoging op een diepte van 90 cm-mv een B/C-horizont aangetroffen van roodbruin gevlekt fijn zand met bruine humeuze brokjes zand die op een diepte van 110 cm-mv overgaat in geel fijn dekzand. Conclusie/advies Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. De oorspronkelijke bodemopbouw in het plangebied is als gevolg van de aanleg van het bedrijventerrein in de 20e eeuw grotendeels verstoord geraakt. In de top van het onderliggende dekzand zijn geen ‘vuile lagen’ met archeologische indicatoren aanwezig of bodemvorming als gevolg van menselijk handelen in het verleden aangetroffen. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen behoudenwaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan, wordt nihil geacht. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. In de structuurvisie van de gemeente Wijdemeren benadrukt de gemeente het behoudt van de cultuurhistorische waarden van het landschap in de gemeente. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een belangrijk aspect hierin. In artikel 20 van de Provinciale Verordening worden de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Amsterdam en de Beemster benoemd als erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden. In artikel 21 van de PRV wordt gesteld dat voor deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden in het bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze gebieden.
Dit betekent volgens artikel 22 dat een bestemmingsplan uitsluitend mag voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken. Niet toegestaan zijn projecten die de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden “De Stelling van Amsterdam” of de “Nieuwe Hollandse Waterlinie”, aantasten of doen verdwijnen. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocaties of glastuinbouwlocaties dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject. Onderhavig plan is niet gelegen in een direct systeemonderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Ter plekke zijn geen kenmerken van de waterlinie herkenbaar aanwezig. Het saneren van een bedrijfslocatie en het realiseren van woningbouw tast op geen enkele wijze de bijzondere waarden van de waterlinie aan. Daarnaast wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het monumentale pand aan de Herenweg 115. Dit voormalige bedrijfspand blijft buiten de herontwikkeling. De cultuurhistorische waarden van dit pand blijven intact. Nabij het plangebied bevindt zich aan de oostzijde het beschermd stads- en dorpsgezicht ’sGraveland. De westgrens van het beschermde gebied ligt tussen de Cannenburgerweg en de ’s Gravenlandsche vaart.
39
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Het unieke karakter van ’s Graveland met de concentratie van buitenplaatsen binnen het 17 e eeuwse plan van aanleg en de bijzondere ruimtelijke relatie tussen dorpsbebouwing en buitenplaatsen, vormt de achtergrond van de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht. Het herontwikkelen van het plangebied omvat de sloop van het garagebedrijf en het realiseren van woningen. Het monumentale pand op de hoek van de Herenweg / Cannenburgerweg blijft staan. Deze ligt ten westen en nabij het beschermde stads- en dorpsgezicht. Iets verderop zijn aan de Cannenburgerweg twee-onder-één-kapwoningen gepland. Deze woningen krijgen een lage goot en een bouwhoogte van maximaal 10,50 m. Dit is een hoogte die passend is in het straatbeeld. De andere woningen die in het plangebied worden gerealiseerd, liggen verder van de weg af en komen qua hoogte niet boven de hoogte van de bestaande gebouwen/woningen uit. Het voorgenomen plan doet daarom geen afbreuk aan het beschermde stads- en dorpsgezicht ’s Graveland.
4.9
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.
Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan
40
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Beleid Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vechtstreek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft de zorg voor het regionale watersysteem. Het waterschap streeft op een duurzame en kosteneffectieve wijze naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering. Het Waterbeheerplan 2016-2021, vastgesteld op 8 oktober 2015, bouwt voort op het plan voor de periode 2010-2015 en houdt tegelijk rekening met nieuwe ontwikkelingen.
Voor de komende periode heeft het AGV per thema een aantal wensbeelden voor 2030 genoemd, te weten: 1. Waterveiligheid: Bij waterveiligheid gaat het over bescherming tegen overstroming vanuit buitenwater of boezemstelsels. Insteek van het AGV is een waterrobuuste inrichting van de omgeving. Wanneer de veiligheid in het gedrang dreigt te komen houdt het AGV rekening met economische, landschappelijke en natuurwaarden. Voor de primaire waterkeringen heeft het Rijk het vereiste veiligheidsniveau opnieuw bepaald. In 2050 moeten alle primaire keringen aan de normen voldoen. 2. Voldoende water: Voldoende water gaat over de inrichting en het beheer van het watersysteem, zodanig dat het optimaal functioneert. Doel voor 2021 is dat er sprake is van een robuust watersysteem die de functies van gebieden faciliteren, en wateroverlast en watertekort voorkomen. Er is voldoende water beschikbaar voor vitale functies, nu en in de toekomst. 3. Schoon water: Schoon water betekent voor het waterschap een goede waterkwaliteit, zowel chemisch als ecologisch. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn hierbij leidend. Maatregelen liggen op waterzuivering, samenwerking met de agrarische sector en het toekennen van een extra beschermde status aan innamepunten voor drinkwater.
Het AGV wil zorgen dat al het water in het beheergebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie: voor veeteelt en akkerbouw, als grondstof voor drinkwater, voor recreatie en visserij, als proceswater en voor de natuur. Het doel is dat inwoners en bezoekers het water in het gebied ervaren als een verrijking van de omgeving. 4. Waterketen: Binnen de waterketen zorgt het waterschap voor het transporteren en zuiveren van stedelijk afvalwater. Om te zorgen dat het gezuiverde water blijft voldoen aan de lozingseisen werkt het waterschap in de planperiode aan het onderhouden, vernieuwen en optimaliseren van de zuiveringsinstallaties en -processen. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is de microverontreinigingen zoals microplastics en medicijnresten. Het waterschap richt zich ook op het terugwinnen van grondstoffen en energie uit afvalwater. Tevens wil het waterschap innoveren en nieuwe technologische mogelijkheden doelmatig toepassen in de praktijk. Verder heeft het AGV als doel om in 2020 klimaatneutraal te zijn. Hiervoor worden extra maatregelen genomen. 5. Op en om het water: Het waterschap vindt het belangrijk dat inwoners en bezoekers van het gebied volop kunnen genieten van water, als onlosmakelijk onderdeel van het landschap. Het AGV heeft als doel voor 2030 in een groot deel van het beheersgebied de integrale uitvoerder te zijn van alle watertaken.
In de komende planperiode wordt nagegaan of het wenselijk en haalbaar is om vaarwegbeheer en nautisch beheer tot zelfstandige taken van het waterschap te maken. Keur en uitvoeringsregels
41
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Op grond van de Waterwet is AGV als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De Keur kent een flink aantal bepalingen die bedoeld zijn om het goed functioneren van de waterkeringen te beschermen. Ook de bepalingen die betrekking hebben op het beschermen van de aan- en afvoer van water zijn van belang om droge voeten te houden én van betekenis in tijden van waterschaarste. Maar ook de bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem neemt een belangrijke plaats in. Het hoogheemraadschap streeft een goede ecologische toestand na van de watersystemen in zijn beheergebied, conform de Europese Kaderrichtlijn Water en conform nationaal en provinciaal beleid. Een goede ecologische toestand betekent dat water, oever en waterbodem voldoende leefmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld water wil lozen, moet een watervergunning aanvragen bij AGV. Vergunningaanvragen worden getoetst aan beleidsregels. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Toets Waterkering In het geldende bestemmingsplan ligt op een deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. De navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht opgenomen. Aan de overzijde van de Cannenburgerweg en de Herenweg bevinden zich primaire watergangen. Bij nieuwe plannen dient het belang van de waterkering niet onevenredig te worden geschaad. Op of in de waterkering mag uitsluitend in de primaire bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Met een afwijking kan hiervan worden afgeweken indien de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en na positief advies van de beheerder van de waterkering.
42
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Figuur 4.7: legger Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (bron: waternet)
Met het plan wordt bestaande bebouwing gesloopt en ter plaatse nieuwbouw gepleegd. Een klein deel van de nieuwbouw vindt plaats binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Het betreft een deel van het bouwblok ten behoeve van de twee-onder-één-kapper (circa 5 meter) aan de noordoostzijde. Dit zorgt echter niet dat het waterkerend vermogen van de waterkering wordt beperkt. Er worden geen gronden afgegraven of opgehoogd. Er vinden geen activiteiten plaats die de waterkering kan schaden. Er is afstemming geweest met Waternet over de plannen in relatie tot de bestaande waterkering. Daaruit blijkt dat, gezien de afstand en de maximale diepte van de funderingen, voor de tweeonder-één-kapper de vaste fundering ongeveer 35 cm hoger moet komen dan eerst gepland (op 0,12 meter NAP). Voor bouwwerken op meer dan 10,50 meter afstand van de referentielijn is een vaste fundering op NAP -0,45 meter (of ondieper) in elk geval toegestaan. Riolering Langs het plangebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het nieuwbouwplan zal hier op worden aangesloten. Hemelwaterafvoer Het verhard oppervlak binnen het plangebied zal in de toekomst aanzienlijk afnemen. Momenteel is het gehele plangebied verhard en of bebouwd en is er een verhard oppervlak van 4526 m². In de nieuwe situatie ontstaat er een verhard oppervlak van 3629 m².
Daarmee ontstaan er meer mogelijkheden voor hemelwater om te infiltreren in de ondergrond. Dit is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de bestaande situatie.
43
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Openbare ruimte De openbare ruimte binnen het plangebied blijft particulier gebied, dat zal niet worden overgedragen aan de gemeente. Dit deel van het plangebied zal straks in eigendom zijn en beheerd worden door de toekomstige bewoners/eigenaars. Waterhuishoudkundig plan is in uitvoering, daarover is momenteel overleg met de gemeente. De uitkomsten en het plan volgen z.s.m.
4.11
Verkeer en parkeren
Indien een ruimtelijk plan voorziet in de toevoeging van verkeersaantrekkende functies dienen de gevolgen voor de verkeer- en parkeersituatie te worden beoordeeld. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De parkeernormen zijn gebaseerd op het gemeentelijk parkeerbeleid. Verkeer In de huidige situatie kan het garagebedrijf worden geclassificeerd worden als arbeidsintensief en bezoekersextensief. Het totale bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt circa 2.350 m². Per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte geldt op basis van de CROW uitgave een verkeersgeneratie van 10,9. De totale verkeersgeneratie in de huidige situatie komt in een wordt case scenario daarmee uit op 256 verkeersbewegingen per etmaal. In de voorgenomen situatie komt het totaal aantal verkeersbewegingen volgens de CROW uitgave in een worst case scenario neer op een totaal van circa 201 verkeersbewegingen per etmaal. Dat is als volgt opgebouwd:
Figuur 4.8 Berekening verkeersbewegingen (bron: Ad Fontem gebaseerd op CROWuitgave)
Het totaal aantal verkeersgeneraties per etmaal zal in de voorgenomen situatie niet toenemen. De wijze van ontsluiten via de Cannenburgerweg en de Herenweg blijft daarmee adequaat. Er is geen aanpassing van de bestaande infrastructuur noodzakelijk. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘verkeer’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavig plan. Parkeren Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de 'Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Wijdemeren', zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders op 31 maart 2015. Uitganspunt van de beleidsregel is dat elke initiatiefnemer van een bouwplan zelf verantwoordelijk is voor het oplossen van zijn eigen parkeerbehoefte en dat die parkeerbehoefte zo veel mogelijk op eigen terrein moet worden opgelost. Het toepassen van de parkeernormen heeft daarmee een positieve invloed op de bereikbaarheid, leefbaarheid en de economische ontwikkeling van de gemeente.
44
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
In de beleidsregels zijn parkeernormen voor verschillende woningtypen voor de kern en het landelijk gebied opgenomen. In de beleidsregels is het plangebied in eerste instantie aangewezen als landelijk gebied. Echter maakt het plangebied onderdeel uit van een aaneengesloten gebied met bebouwing met diverse stedelijke functies, zoals ook in paragraaf 3.1.2 is beschreven. Verkeerskundig is er ook sprake van de bebouwde kom met een snelheidsregime van 30 en/of 50 kilometer per uur. In het buitengebied geldt een snelheidsregime van 60 kilometer per uur. Daar komt bij dat het gebied rondom het plangebied bereikbaar is met een busverbinding. Geconcludeerd kan worden dat er ter plaatse sprake is van stedelijke gebied.
Figuur 4.9: uit Beleidsregel parkeernormen wonen gemeente Wijdemeren (bron: gemeente Wijdemeren)
Het woningbouwprogramma bestaat uit het realiseren van 11 rijwoningen in de koopsector, 5 appartementen in de koopsector en 14 appartementen in de sociale koop en een twee-onder-éénkapper. Via een motie die de gemeenteraad van Wijdemeren op 11 maart 2021 heeft vastgesteld, is bepaald dat de parkeernorm voor sociale/betaalbare koop (tot € 200.000) gelijk wordt getrokken met ‘appartement, etage, sociale huur’, te weten een parkeernorm van 1,2. De twee-onder-kap-woningen hebben parkeerruimte op eigen terrein. Woningen 11 rijwoningen 5 appartementen 14 appartementen (sociaal) 2-1-kapper Totaal
Norm 2,4 2,3 1.2
Totaal 26.4 11,5 16,8
2,4
4,8 59,5
Figuur 4.10: Berekening parkeerplaatsen (bron: Ad Fontem)
Daarmee bedraagt de parkeerbehoefte afgerond 60 parkeerplaatsen. Zoals in hoofdstuk 2 beschreven worden op eigen terrein 60 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er kan worden voldaan aan de parkeernorm.
45
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
Verkeerskundig advies Het bureau Roelofs heeft een verkeerskundig advies gegeven over de planontwikkeling Cannenburgerpark Ankeveen (projectnr. 61021213, 29 oktober 2021). Deze is als bijlage toegevoegd. In deze notitie is geconcludeerd dat: Het voorgenomen verkavelingsplan volstaat in de parkeerbehoefte van het planvoornemen; De voorgenomen ontwikkeling ken een verkeersgeneratie van ongeveer 197 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag en de voormalige situatie ongeveer 256 verkeersbewegingen. Dat betekent een afname van 59 verkeersbewegingen. De toekomstige verkeersproductie van het plangebied is planologisch mogelijk. Het plangebied kent goede ontsluitingsmogelijkheden met de Herenweg richting het westen en oosten (richting het Noordereinde) en de Cannenburgerweg richting het zuiden/oosten (richting Noordereinde) voor gemotoriseerd verkeer. Dit geldt ook voor de ontsluitingsmogelijkheden voor fietsers en voetgangers. Het plangebied is in de basis goed bereikbaar, waarbij een aansluiting voor fietsers aan de westzijde van het plangebied op het fietspad langs de Herenweg van belang is. Op basis van de verkeerstoename en weginrichting zijn op het omliggende wegennet en binnen het plangebied geen onaanvaardbare verkeersveiligheidsrisico’s, daarbij wel een advies voor het toepassen van enkele voorzieningen.
Geconcludeerd kan worden dat verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor het realiseren van de voorgenomen herontwikkeling Cannenburgerpark.
4.12
Duurzaamheid
Het plan is een herontwikkeling van bedrijfslocatie waarbij er kansen liggen voor duurzaamheidsmaatregelen. De herontwikkeling van deze locatie waarbij een bedrijfslocatie verdwijnt en woningen worden gerealiseerd, betekent een betere leefomgeving voor de omliggende woningen. Energietransitie Uiteraard moet worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. De nieuwe woningen zijn energiezuinig en worden gasloos gebouwd. De woningen/appartementen zullen worden van voorzien van zonnepanelen op de daken. Circulair bouwen en duurzame bouwmaterialen hebben de aandacht. Er wordt onderzocht of collectieve verwarming mogelijk is voor de herontwikkeling. Mobiliteit Binnen het plangebied zullen een of meer laadpalen komen. Het aantal en de plek van de laadpaal/laadpalen wordt nog uitgewerkt. Klimaatadaptatie Duurzaam waterbeheer betekent wateroverlast zoveel mogelijk voorkomen. Ook het opvangen van regenwater waarbij het water wordt vastgehouden en geïnfiltreerd in de grond in plaats van af te voeren via het rioolstelsel. Het hemelwater zal worden opgevangen op eigen terrein, dus binnen het plangebied en zal voldoen aan de gemeentelijke eisen. Deze herontwikkeling betekent eveneens minder verhard oppervlak (afname van circa 1200 m²) omdat er groen en tuinen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Tevens worden de parkeerplaatsen tussen de woningen voorzien van halfverharding.
Ook de parkeerplaatsen langs de vaart zullen bestaan uit halfverharding. Dat heeft positieve gevolgen voor klimaatadaptie.
46
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het project is een particulier initiatief. De uitvoering van het plan is voor eigen rekening en risico van de initiatiefnemer. De procedurele kosten voor de gemeente worden gedekt uit de leges. Het risico op planschade wordt, gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling, nihil geacht. Met het plan wordt een milieuhinderlijk bedrijf uit een woonomgeving verwijderd. De nieuwe functie (wonen) is meer passend binnen het karakter van de woonomgeving. Eventuele planschade is wel voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt hiertoe een planschadeovereenkomst afgesloten.
47
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
6
Conclusie
Zoals reeds is benoemd dient een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft aangetoond dat, na de benodigde grondverbetering, de milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor het initiatief om een bedrijfslocatie aan de Herenweg/Cannenburgerweg in Ankeveen te transformeren naar wonen. Uit de onderbouwing blijkt dat er geen onevenredige negatieve milieueffecten worden veroorzaakt voor de omgeving. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
48
Ruimtelijke onderbouwing – Cannenburgerpark, Ankeveen
BIJLAGEN -
Verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend asbest in bodemonderzoek (Milieutechniek ZVS Eemnes BV, d.d. 7-3-2019); Quickscan natuurwaardenonderzoek (Natuurbank Overijssel, Aalten d.d. 29-6-2021); AERIUS-berekening (Ad Fontem, d.d. 28 oktober 2021); Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Geluid Plus adviseurs, 18-10-2021); Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek archeologie (Hamaland Advies, d.d. 14-92021). Verkeersonderzoek (Roelofs, d.d. 2 december 2021)
49