Bijlage 01 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
In de huidige situatie zijn ter plaatse van de projectlocatie woningen, een recreatiewoning en drie woonboten gesitueerd. Het betreft planologisch gezien één woonboot voor permanente bewoning en twee recreatieve woonboten. Het plan heeft met name ten doel om de haven te revitaliseren. Die vier nieuwe woonboten betreffen geen nieuw geluidsgevoelige object. Een ligplaats voor woonschepen is wel aangewezen als geluidgevoelig terrein. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting ter plaatse van de beoogde nieuwe woonboten beschouwd. Zoals beschreven bedraagt de geluidsbelasting ter plaatse van de projectlocatie en bestaande woningen tussen de 46 – 50 dB (goed) en 51 – 55 dB (redelijk). De nieuwe woonboten zijn in de nieuwe situatie verder van de weg gesitueerd en bevinden zich binnen het gebied waar sprake is van een geluidsbelasting tussen de 46-50 dB (goed) enminder dan 45 dB (zeer goed). Hieruit volgt dat dat ter plaatse van de vier woonboten sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 26
4.7
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de revitalisatie van de Loosdrechtse haven. De bestaande bebouwing wordt wat betreft bouw- en goothoogte vergroot en de vier woonboten c.q. recreatiewoningen worden gesloopt en krijgen een nieuwe positie in de haven. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 25 mei 2021). Tabel 2 Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 182104 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
14,167
16,831
10,146
2030
9,411
14,681
8,202
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 27
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
4.8
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van het voorgenomen initiatief is door Van der Goes & Groot een quickscan flora en fauna uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage is als bijlage toegevoegd. in De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Soortenbescherming De projectlocatie is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 28
het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Daarnaast kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Binnen de projectlocatie kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen. Het betreft de huismus en/of gierzwaluw. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn wordt hiertoe ecologisch vervolgonderzoek naar voorplantingsplaatsen en rustplaatsen uitgevoerd. Tevens kunnen binnen de projectlocatie verblijvende vleermuizen voorkomen. Gebiedsbescherming De projectlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie hiertoe onderstaand figuur). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Zoals reeds beschreven in het provinciaal beleid is de locatie gelegen binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap “Vechtstreek Zuid” op grond van de Omgevingsverordening.
Aangezien voorliggend initiatief onder het overgangsrecht valt zijn de regels uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening van toepassing en is de locatie daarmee niet gelegen binnen het hiervoor genoemd gebied. De projectlocatie ligt naast het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke vechtplassen’. Figuur 11 Uitsnede natura2000.nl.
Per 1 juli is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. De Wet wijzigt de Wet natuurbescherming middels de toevoeging van een aantal artikelen. Belangrijke onderdelen van de Wet zijn een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en een vrijstelling voor de bouwsector. Het gevolg van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voor de bouwsector is dat per 1 juli een gedeeltelijke vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht geldt. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. De aanlegfase hoeft dus niet meer meegenomen te worden in de stikstofdepositieberekening. Voor de gebruiksfase is dit nog wel het geval.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 29
Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Zoals reeds beschreven voorziet het initiatief in de revitalisatie van de haven. Er dient een planologische procedure doorlopen te worden aangezien de maximale bouw- en goothoogte van een aantal gebouwen verhoogd wordt. De extra bouw- en goothoogte voor de loodsen is benodigd voor een efficiëntere winterstalling en een betere benutting van de loodsen voor de verkoop en reparatie van (grotere) boten. Dit resulteert niet in extra m2 bvo noch in een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de bestaande recreatiewoning, het woonschip en twee woonschepen met recreatieve bestemming geldt dat er vier woonschepen beoogd worden voor permanent gebruik. Zodoende is sprake van een planologische gebruikswijziging. Echter, zowel de recreatiewoning als de twee woonschepen met recreatieve bestemming worden al jarenlang feitelijk permanent bewoond .
Gelet hierop geldt dat er ten opzichte van de huidige bestaande situatie geen sprake is van een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal als gevolg van de het wijzigen van het gebruik voor deze 3 nieuwe woonboten. Geconcludeerd kan worden dat er geen wijzigingen plaats vinden die resulteren in een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er zijn derhalve ook geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Hierdoor treedt er dus als gevolg van het planvoornemen geen stikstofdepositie op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
4.9
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Wijdemeren is vastgelegd in de "Beleidsregel parkeernormen van de gemeente Wijdemeren", zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders op 31 maart 2015. De projectlocatie aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk is op grond van het vigerend parkeerbeleid gelegen binnen het landelijk gebied. Voor de functie wonen zijn hiervoor de volgende normen vastgelegd:
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 30
Tabel 3. Parkeernormen wonen (Beleidsregels parkeernormen 2015) Categorie Norm
Eenheid
Eengezinswoning
2,6
Per woning
Tussen/hoekwoning van een rij
2,4
Per woning
Appartement, etage, koop
2,3
Per woning
Appartement, etage, sociale huur
2,0
Per woning
Aanleunwoning, zorgwoning, serivceflat
1,4
Per woning
Kamerverhuur
0,8
Per woning
Voor de functies horeca, jachthaven en bungalowpark (huisjescomplex/ woonboten) geldt: Tabel 4. Parkeernormen horeca, jachthaven en bungalowpark (Beleidsregels parkeernormen 2015). Categorie Norm Eenheid Cafe(taria)/ bar
8,0
100 m2 bvo
Restaurant
16,0
100 m2 bvo
Jachthaven
2,0
Per 3 ligplaatsen
Recreatieverblijf
1,0
Per verblijf
In de huidige situatie bevindt zich binnen de projectlocatie drie woningen, een winkel, opslagruimte, werkplaats, bistro café, één recreatiewoning, een woonschip en twee recreatieve woonschepen. In de bestaande situatie zijn in de jachthaven 215 ligplaatsen aanwezig. Er zijn ten behoeve van de hiervoor genoemde bestemmingen 52 parkeerplaatsen aanwezig. Ingevolge de beleidsregel parkeernormen dient een woonboot gelijk te worden gesteld met een eengezinswoning. Onder recreatieverblijf wordt een recreatiewoning alsook recreactiewoonboot verstaan. Tabel 5. Parkeerbehoefte bestaande situatie.
Categorie
Norm o.b.v. beleid
Aantal
Behoefte
Eengezinswoning + woonboot welke gelijk gesteld wordt aan eengezinswoning
2,6
4 (3+1)
10,4
Woonboten (recreatief)
1,0
3
3
Jachthaven
2,0 per 3 ligplaatsen
215
143,3
Werkplaats
1,3 per 100m2 bvo
405 m2
5,3
(Arbeidsextensief bedrijf)
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 31
Winkel en boothuis 900 m2 (o.b.v. BAG viewer) (arbeidsextensief bedrijf)
1,3 per 100m2 bvo
964 m2
12,5
Bistro en opslag
9,0 per 100 m2 bvo
957 m2
86,1
(Cafetaria, bar) Totaal
261
Op basis van de bestaande situatie kennen de functies ter plaatse van de projectlocatie een parkeerbehoefte van: 261. . In de huidige situatie zijn 52 autoparkeerplaatsen aanwezig binnen de projectlocatie en dit aantal blijkt ruim voldoende te zijn voor de reële parkeervraag. In de Beleidsregels parkeernormen gemeente Wijdemeren (2015) is opgenomen dat bij functiewijzigingen bij de berekening van de parkeereis rekening gehouden wordt met de parkeervraag van de bestaande legale situatie (rechtens verkregen niveau). Dit betekent dat eerst de parkeereis van de meest recente legale functies wordt bepaald. Deze parkeerbehoefte mag vervolgens afgetrokken worden van de parkeereis van de nieuwe functie zodat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog moet worden gerealiseerd. Als de parkeereis van de oude functie hoger is dan de nieuwe situatie dan hoeven deze parkeerplaatsen niet te worden opgeheven. Ten opzichte van de bestaande situatie blijven de niet-woonfuncties, zoals deze aanwezig zijn in de huidige situatie ongewijzigd (voor wat betreft bruto vloeroppervlakte). Deze bebouwing wordt gerevitaliseerd en neemt enkel in bouw- en goothoogte toe. De extra bouw- en goothoogte dient ten behoeve van een efficiëntere stalling van schepen gedurende de winterperiode en een betere benutting van de loodsen ten behoeve van de verkoop en reparatie.
De bestaande woonboot, recreatiewoning en twee woonschepen met recreatieve bestemming worden vervangen door 4 woonboten. De parkeerbehoefte ten opzichte van de bestaande planologische situatie neemt derhalve met 5 toe (nieuwe (4 * 2,6) – oud (2,6 + 3 * 1)). Nu zowel de recreatiewoning als de twee recreatieve woonboten permanent worden bewoond, wijzit de behoefte ten opzichte van de feitelijke situatie niet. Het vorenstaande laat onverlet dat het plan voorziet in de realisatie van 7 nieuwe parkeerplaatsen, waardoor het totaal aantal parkeerplaatsen 59 autoparkeerplaatsen bedraagt.. Gelet op het vorenstaande wordt op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt . Ten behoeve van het plan zijn derhalve voldoende autoparkeerplaatsen aanwezig zijn. Ontsluiting en verkeersgeneratie De projectlocatie is gelegen aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk. Deze weg loopt in oostelijke richting naar het centrum van Nieuw – Loosdrecht. Vervolgens ontsluit deze weg op de Oud – Loosdrechtsedijk. In zuidelijke richting ontsluit deze weg op de Herenweg naar het centrum van Breukeleveen en de Nieuwerweg. Zoals reeds beschreven voorziet het initiatief in de revitalisatie van de haven. Er dient een planologische procedure doorlopen te worden aangezien de maximale bouw- en goothoogte van de gebouwen verhoogd wordt.
Tevens krijgen de vier woonboten (planologisch bestemd als: recreatiewoningen, woonboot permanente bewoningen en twee voor recreatieve doeleinden) een andere ligging in de haven. Het feitelijk gebruik van deze vier woonboten wijzigt ten opzichte van de nieuwe situatie niet. Aangezien de bestaande functies feitelijk niet gewijzigd of uitgebreid worden (in bruto vloeroppervlakte) is geen sprake van extra verkeersgeneratie als gevolg van het initiatief.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 32
4.10
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het waterschap Amstel Gooi en Vecht. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de legger van het waterschap. Hieruit blijkt dat de gehele projectlocatie (los van het natte deel) verhard is. Als gevolg van het plan wordt ten opzichte van de huidige situatie meer groen toegevoegd. Er vindt geen toename van het aantal vierkante meter aan verhard oppervlakte plaats en derhalve is watercompensatie niet aan de orde. Figuur 12 Uitsnede legger waterschap.
Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Beschermde gebieden In de nabijheid van de projectlocatie is geen beschermingszone of waterkering gelegen.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 33
4.11
VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling betreft de revitalisatie van de Loosdrechtse haven. De bestaande bebouwing wordt voor wat betreft bouw- en goothoogte vergroot. De vier woonboten c.q. recreatiewoningen krijgen een andere ligging in de haven. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 34
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer voor eigen rekening en risico uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn derhalve geheel voor rekening van initiatiefnemer. Initiatiefnemer is bereid om een planschade overeenkomst te sluiten voor eventuele planschade. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen. De beoogde revitalisering van de jachthaven verbetert daarnaast de exploitatiemogelijkheden en er is een grote behoefte aan de mogelijkheden die de jachthaven biedt.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 35
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om de projectlocatie gelegen aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk 216a t/m 222 te revitaliseren. De bestaande functies, bestaande uit wonen, nautische bedrijvigheid en horeca blijven ongewijzigd. De aanwezige bedrijfshallen c.q. loodsen worden gerevitaliseerd en voor wat betreft bouw- en goothoogte vergroot. De vier woonboten c.q. recreatiewoningen worden gesloopt en krijgen een nieuwe positie in de haven. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.
Pagina | 36