CConstaterende datWijdemeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01 Ruimtelijke onderbouwing

gemeenteraad 9 februari 2022, gemeente WijdemerenBij agendapunt: Ontwerp-verklaring van geen Bedenkingen Nieuw-Loosdrechtsedijk 218 (13V/6T Aangenomen)12.361 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur

Nieuw - Loosdrechtsedijk 216 t/m 222 1.1 20389 21 oktober 2021 T.J. de Baare BSc LL.B.

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

Inleiding Projectbeschrijving

4 5

2.1 2.2 2.3

Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan

5 6 7

3

Ruimtelijk beleid

12

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

12 14 17

4

Omgevingsaspecten

21

Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 bodem 4.5 externe veiligheid 4.6 geluid 4.7 luchtkwaliteit 4.8 natuur 4.9 verkeer en parkeren 4.10 Water 4.11 Vormvrije) m.e.r-beoordeling

21 22 23 24 25 26 27 28 30 33 34

Beschrijving uitvoerbaarheid

35

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35 35

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

36

Bijlagen

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 3

1

INLEIDING In opdracht van De Loosdrechtse Haven B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste herontwikkeling c.q. revitalisatie van de Loosdrechtse haven gelegen aan de Nieuw - Loosdrechtsedijk 216a – 222 te Loosdrecht. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 4

2

PROJECTBESCHRIJVING

2.1

PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Nieuw - Loosdrechtsedijk 216a t/m 222 te Loosdrecht. De locatie is kadastraal bekend onder nummer 1403, sectie F van de kadastrale gemeente Loosdrecht. In oostelijke richting loopt de Nieuw - Loosdrechtsedijk naar Nieuw-Loosdrecht in de gemeente Wijdemeren. In westelijke richting loopt deze weg in de richting van buurtschap Muyeveld, eveneens gelegen in de gemeente Wijdemeren. De Loosdrechtse Plassen zijn gelegen ten noorden van de projectlocatie. De projectlocatie wordt globaal gezien omsloten door:    

Breukelveensche- en Stille Plas (ten zuiden); Loenderveense Plas (ten noordwesten); Vuntus (ten noorden); Wijde Blik (ten noorden).

Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking).

In de huidige situatie bevinden zich binnen de projectlocatie drie woningen, een winkel, opslagruimte, werkplaats, bistro café, één recreatiewoning, een woonschip en twee recreatieve woonschepen. De haven in het noordelijk deel van de projectlocatie biedt in de huidige situatie ruimte aan 215 ligplaatsen. Onderstaand figuur betreft een weergave van de bestaande situatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 5

Figuur 2. Bestaande situatie.

2.2

PROJECTPLAN Het initiatief beoogt de herontwikkeling c.q. revitalisatie van de projectlocatie waarmee met name de havenfunctie en nautische activiteiten van de locatie versterkt wordt. De aanwezige functies zoals deze in de huidige situatie aanwezig zijn, waaronder wonen, recreatie, opslag en nautische bedrijvigheid blijven ongewijzigd. In het westelijk deel van de projectlocatie wordt nautische retail & leisure beoogd. De bestaande loods wordt ten opzichte van de huidige situatie in bouwhoogte vergroot. Hierdoor ontstaat een efficiëntere winterstalling. Het verhogen van de maximale bouw- en goothoogte resulteert niet in extra m2 bvo. Aan de noordzijde blijft de aanwezige horeca en het aanwezige terras gehandhaafd. Op de locaties Nieuw – Loosdrechtsedijk 216a en 220 blijft de bestaande woonfunctie en bebouwing ongewijzigd. Aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk 218 wordt tevens nautische retail en leisure beoogd. De recreatiewoning en de drie woonschepen die in de huidige situatie parallel aan deze loods zijn gelegen worden in noordelijke richting verplaatst. De positionering hiervan wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde bouw- en goothoogte van de vier woonboten bedraagt 3,5 meter. De werkplaats en woning in het oostelijk deel blijven ten opzichte van de bestaande situatie qua functie ongewijzigd.

De bestaande bouw- en goothoogte (van de werkplaats) wordt echter wel verhoogd naar respectievelijk 6 en 9 meter evenals de loodsen. De woning ter plaatse blijft ongewijzigd. Binnen de projectlocatie wordt in totaal voorzien in 59 autoparkeerplaatsen. Onderstaand figuur betreft een weergave van de beoogde situatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 6

Figuur 3. Schets toekomstige situatie.

2.3

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied vigeert het bestemmingsplan “Tussen de Dijken”. Dit plan is op 20 december 2012 vastgesteld door de gemeenteraad van Wijdemeren. Daarnaast zijn de bestemmingsplannen “Correctieve herziening bestemmingsplan Tussen de Dijken” van 22-01-2015 en 21-01-2016 van kracht. Tot slot heeft in 2020 het ontwerpbestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Wijdemeren 2019” ter inzage gelegen. Dit laatste bestemmingsplan is nog niet vastgesteld. De projectlocatie heeft ingevolge het bestemmingsplan “Tussen de Dijken” voor het leeuwendeel de bestemming ‘Recreatie - Jachthaven’, met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ er gelden meerdere bouwvlakken en de volgende functieaanduidingen:    

‘specifieke vorm van wonen – woonschepenligplaats 1’; ‘specifieke vorm van wonen – woonschepenligplaats 2’; ‘recreatiewoning’ ‘opslag’

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 7

Op onderstaand figuur zijn de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – woonschepenligplaats 1 en 2’ en recreatiewoning weergegeven. Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron:QGIS, eigen bewerking).

Binnen de projectlocatie bevindt zich tevens een tweetal woonbestemmingen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Binnen beide woonbestemmingen zijn maximaal twee wooneenheden toegestaan. De bouw- en goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte. Onderstaand figuur bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan ““Tussen de Dijken”. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven. Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigenbewerking).

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 8

Artikel 8 ‘Recreatie – Jachthaven’ De voor ‘Recreatie - Jachthaven’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p. q. r. s. t. u.

een jachthaven; de bedrijfvoering van watersportbedrijven; botenloodsen voor herstel en berging van pleziervaartuigen; water; het bedrijfsmatig exploiteren van een ondergeschikt horecabedrijf als onderdeel van de jachthaven, in categorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Horeca-activiteiten, met uitzondering van een hotel; het bedrijfsmatig exploiteren van standplaatsen voor kampeermiddelen als onderdeel van een jachthavenbedrijf tijdens het kampeerseizoen als nevenactiviteit; het bedrijfsmatig exploiteren van ligplaatsen voor woonschepen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag': botenopslag; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 1': een ligplaats voor woonschepen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 2: een ligplaats voor recreatiewoonschepen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': ten hoogste 1 bedrijfswoning ten dienste van de jachthaven of een watersportbedrijf; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': voor recreatiewoningen of stacaravans; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwen van houten schepen': het bouwen van houten schepen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca': horeca-activiteiten tot en met categorie 2 van de Staat van Horecaactiviteiten, opgenomen in

bijlage 1 van deze regels; steigers en golfbrekers; ontsluitingswegen; een zeilschool; watersport; watersportgerelateerde detailhandel; ondergeschikte dienstverlening en kantoren; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen.

8.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels. 8.2.1 Gebouwen a. b. c. d. e. f.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,50 meter; de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 6 meter; de oppervlakte van een bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, mag niet meer bedragen dan 190 m²; de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6 meter; de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8 meter.

8.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen a. b. c. d.

aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van tenminste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning; de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag per bedrijfswoning niet meer dan 50 m² bedragen; de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 3 meter; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 5 meter.

8.2.3 Recreatiewoningen en stacaravans a.

in afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.1 mag de goot- en bouwhoogte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 3 meter respectievelijk 4,5 meter;

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 9

b.

de oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte.

8.5 Specifieke gebruiksregels a.

b.

Als gebruik in strijd met de bestemming, geldt in ieder geval het gebruik van de in lid 8.1 bedoelde gronden voor: 1. opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden, behoudens gronden ter plaatse van de aanduiding 'opslag'; 2. permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning', 'specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 1'; 3. paardenbakken; Ter plaatse van de ligplaatsen als bedoeld in lid 8.1 gelden de volgende regels: 1. de lengte van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 20 meter; 2. de breedte van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 6 meter; 3. de goothoogte van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 4 meter, gemeten vanaf de waterpeil; 4. de bouwhoogte van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 4,5 meter, gemeten vanaf de waterpeil; 5. de inhoud van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 400 m3.

Artikel 15 ‘Wonen’ De voor ‘Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd – imkerij': een imkerij; ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie – 3.2’: uitsluitend bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van bestaande bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 3 van deze regels; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, erven, parkeervoorzieningen, tuinen en erftoegangswegen.

Artikel 17 ‘Waarde - Archeologie 4’ 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) – tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 17.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.

c.

op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 17.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overhandigd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; het bepaalde in dit lid onder b1 en b2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken; 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 10

2. 3.

een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.3.1 Verbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden over een groter oppervlak dan 2.500 m² en, voor zover sprake is van grondwerkzaamheden, met een diepte groter dan 40 cm uit te voeren: a. b. c. d. e.

het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

Toets aan bestemmingsplan Het voorgenomen initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De beoogde maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 6 en 9 meter, zoals beoogd voor de gebouwen overschrijdt de maximaal toegestane hoogtes van 4,50 en 6 meter zoals is toegestaan in de geldende bouwvlakken. In de huidige situatie is sprake van een woonboot, twee recreatiewoonboten en een recreatiewoning welke parallel zijn gelegen aan de loods aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk 218. De bouw- en goothoogte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 3 meter respectievelijk 4,5 meter. De oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte. De lengte van een woonschip of recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan 20 meter en de breedte niet meer dan 6 meter. De goothoogte van een woonschip of recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 4 meter, gemeten vanaf het waterpeil. De bouwhoogte van een woonschip of recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 4,5 meter gemeten vanaf waterpeil. De inhoud van een woonschip of recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 400 m3. Permanente bewoning is alleen toegestaan ter plaatsevan de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – woonschepenligplaats 1’.

De maximale bouw- en goothoogte van de beoogde vier woonboten bedraagt in de nieuwe situatie 3,5 meter (gemeten vanaf waterpeil) waardoor geconcludeerd kan worden dat de maximaal toegestane bouw- (4,5 m) en goothoogte voor een woonschip (4 m) niet wordt overschreden. De woonboten zijn 6 bij 20 meter en derhalve worden dat de maximale breedte en lengte van woonschepen die ingevolge het bestemmingsplan “Tussen de Dijken” reeds zijn toegestaan, niet overschreden. De maximale inhoud van een woonschip 400 m3, wordt als gevolg van het initiatief eveneens niet overschreden aangezien de vier woonboten een inhoud hebben van maximaal 400 m3. Het totaal aantal m2 per woonboot bedraagt 120. De vier beoogde woonboten worden in de toekomstige situatie echter buiten de bestaande functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – woonscheepligplaats 1’, ‘specifieke vorm van wonen – woonscheepligplaats 2’ en ‘recreatiewoning’ beoogd. Zodoende wijzigt zowel de positie alsook het gebruik voor de recreatiewoning en woonboten met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – woonscheepligplaats 2’. Om de genoemde strijdigheden met het bestemmingsplan “Tussen de Dijken” weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.

De binnenplanse afwijkingsmogelijkheden bieden voor wat betreft het voorgenomen initiatief geen soelaas.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 11

3

RUIMTELIJK BELEID

3.1

RIJKSBELEID 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 6. Uitsnede NOVI.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 12

9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet.

De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de uitwerking van prioriteit 3 (Sterke en gezonde steden en regio’s) volgt onder andere dat sprake dient te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling en dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag. Daarnaast is één van de beleidskeuzes (beleidskeuze 3.3.) onder prioriteit 3: “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast.

Het woningaanbod in de regio’s sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”. Als gevolg van het plan neemt het aantal woningen binnen de projectlocatie niet toe. Verder worden in de NOVI onder andere de nationale belangen “Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” (4) en “Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte” (5) benoemd.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 13

In onderhavig plan wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) gehandhaafd blijft, zie hiervoor hoofdstuk 4. 3.1.1.2 Conclusie Verder worden geen van de 21 nationale belangen geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Op grond van het Barro is de projectlocatie gelegen binnen het gebied aangewezen als ‘de Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Voor ieder erfgoed van uitzonderlijke universele waarde zijn kernkwaliteiten in hoofdlijnen beschreven. In de provinciale verordening zijn de kernkwaliteiten uitgewerkt en geobjectiveerd (zie hiertoe navolgende paragraaf 3.2.2).

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling Het voorgenomen initiatief betreft de revitalisatie van de projectlocatie. Het aantal woningen of bedrijfsmatige/ nautische-functies neemt als gevolg van het initiatief niet toe. Het feitelijk gebruik van de aanwezige recreatiewoning evenals de twee als recreatieve woonschepen bestemde woonboten wijzigt niet. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft zodoende niet doorlopen te worden. De relevante onderwerpen uit het Bro worden verder in hoofdstuk 4 van voorliggende rapportage behandeld.

3.2

PROVINCIAAL BELEID 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 en Omgevingsverordening NH2020 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 14

generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Op grond van artikel 12.2 (Lopende procedures) van de Omgevingsverordening NH2020 geldt dat het oude recht van toepassing blijft tot een besluit onherroepelijk wordt, als voor de inwerkingtreding van de betreffende bepaling van de Omgevingsverordening NH2020 een aanvraag om het besluit is ingediend en het besluit binnen 2 jaar daarna is genomen. In casu geldt dat de aanvraag voor het besluit vóór de inwerkingtreding van 17 november 2020 van de Omgevingsverordening NH2020 is ingediend. Derhalve dient getoetst te worden aan de regels uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Op grond van artikel 5a van de PRV kan een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Op grond van artikel 5c (Kleinschalige ontwikkeling) geldt dat een bestemmingsplan een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk maakt binnen een bestaand bouwblok dat al voorzien in een stedelijke functie. Het aantal burgerwoningen mag hierbij niet toenemen. In afwijking hiervan is bebouwing buiten het bestaande bouwblok mogelijk mits het bebouwd oppervlak niet wordt vergroot.

Ook geldt dat een bestemmingsplan kan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied ter plaatse van een bestemmingsvlak, dat reeds voorziet in een stedelijke functie, naar een woonfunctie voor maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

de omzetting naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet;

b. aan maximaal 2500 m² van het oorspronkelijke bestemmingsvlak dat voorzag in de stedelijke functie wordt de woonbestemming toegekend; c.

de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden, en; d een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt.

Een kleinschalige ontwikkeling betreft verstedelijking die zodanig beperkt van omvang is dat deze niet Ladderplichtig is. Bestaand stedelijk gebied betreft het gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h van het Besluit ruimtelijke ordening. In dit besluit wordt onder bestaand stedelijk gebied het volgende verstaan: 

bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 15

Het landelijk gebied, zoals gedefinieerd in de PRV betreft het gebied, niet zijnde bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de projectlocatie aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 216a – 222 gelegen is binnen het bestaand stedelijk gebied. Ter plaatse zijn woningen, bedrijfsbestemming, recreatievoorzieningen en infrastructurele voorzieningen gesitueerd. De directe omgeving langs de Nieuw Loosdrechtsedijk bestaat tevens uit dergelijke functies ten behoeve van wonen, horeca, bedrijvigheid en recreatie. Op grond van de kaart bij de PRV wordt bovenstaande bevestigd. Nieuwe Hollandse Waterlinie De projectlocatie is op grond van de PRV niet gelegen binnen een gebied dat aangewezen is als aardkundige waarden, ecologie, bufferzones, landbouwclusters of 20 Ke-contouren Schiphol. De projectlocatie is wel gelegen binnen het UNESCO gebied ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Figuur 7. Uitsnede kaart 5 UNESCO (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen dergelijke gebieden geldt dat in het bestemmingsplan regels moeten worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van de uitzonderlijke universele waarde, zoals omschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Verder mag een bestemmingsplan in dit gebied uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Als gevolg van het initiatief wordt hoofdzakelijk de bestaande bebouwing in bouwhoogte vergroot. De vier bestaande woon/recreatieboten worden qua positionering ten opzichte van de bestaande situatie gewijzigd. Het feitelijk gebruik hiervan wijzigt niet, maar de omvang daarentegen wel. Door de havenfunctie te versterken evenals de bestaande nautische bedrijvigheid wordt de openheid en omgeving van het gebied versterkt. De bestaande functies zoals deze in de bestaande situatie aanwezig zijn, wijzigen niet. Er is slecht sprake van een beperkte toename toegestane bouw- en goothoogte. 3.2.2.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief dient getoetst te worden aan de regels uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening op grond van het geldend overgangsrecht uit de Omgevingsverordening NH2020.

De aanvraag tot het besluit is vóór de inwerkingtreding op 17 november 2020 gediend. Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 16

Op basis van de PRV geldt dat de locatie gelegen is binnen het bestaand stedelijk gebied. Het planvindt plaats binnen het BSG en is daarmee in overeenstemming met de regels uit de PRV.

3.3

GEMEENTELIJK BELEID 3.3.1 Structuurvisie Wijdemeren De Structuurvisie, vastgesteld op 19 juli 2012, is de samenhangende visie van de gemeente Wijdemeren op haar gehele grondgebied. Het gaat daarbij zowel om de visie op stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten, op kwaliteiten die bijvoorbeeld te maken hebben met water, cultuurhistorie, natuur, milieu en verkeer en vervoer, als om de visie op economie, wonen en recreatie. In het algemeen is het landschap verdicht door de toename van bebouwing en beplanting. Aan de randen van de plassen is er meer begroeiing bij gekomen. De linten zijn verdicht en vanuit de linten zijn kernen ontstaan zoals NieuwLoosdrecht, Kortenhoef en Nederhorst den Berg. De linten, van waaruit het veen ooit is ontgonnen, zijn de ruggengraat van het veengebied. Ze vormen samen met de ontginningsgrenzen een samenhangend geheel, en vertellen het verhaal van de ontginning van de wildernis in de Middeleeuwen. De gemeente heeft als uitgangspunt voor de structuurvisie geformuleerd: ‘een beperkte ontwikkeling met behoud van het goede’. De gemeente hecht sterk aan het belang van openheid en landschappelijke kwaliteit. 3.3.3.1 Relatie tot ontwikkeling Het bebouwingslint langs de Nieuw-Loosdrechtsedijk behoort tot het bestaand stedelijk gebied. In de huidige situatie is de locatie reeds bebouwd.

Het betreft een opslag, bistro met terras, wonen, een winkel, boothuis en aan de oostzijde nog een werkplaats met woning, zoals op onderstaand figuur aangeduid. Parallel aan de winkel en het boothuis is een recreatiewoning en drie woonschepen gelegen. Figuur 8. Bestaande situatie.

In de structuurvisie is ten aanzien van de ontwikkellocatie het volgende opgenomen:

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 17

Aan de Nieuw Loosdrechtsedijk in de Boomhoek, bevindt zich een belangrijke verblijfsrecreatieve concentratie van toeristische/recreatieve bedrijven die bezig zijn met een kwaliteitslag. Deze bedrijven hebben te kennen gegeven dat zij willen innoveren en investeren in hun bedrijven. Waar mogelijk verdient ook de inrichting van de openbare ruimte meer aandacht. Gedacht wordt aan hoogwaardige bestratingsmaterialen, mooie banken, beplanting, verlichting en niet in het oog springende aangelegde parkeerplaatsen. Zo kan een veilige publieke ruimte ontstaan waarbij de aanwezige recreatieparken, bootverhuur, horeca en veerboot bereikt kunnen worden zonder gebruik te hoeven maken van de auto. Het plan leidt ertoe dat sprake is van een ruimtelijke- en kwalitatieve impuls van de locatie. Er zal sprake zijn van een revitalisatie van de bestaande bebouwing. Het verhogen van de bouw- en goothoogte is gewenst voor het specifieke gebruik van de loodsen, waaronder een efficiëntere stalling van boten in de winterperiode, het kunnen onderhouden van (grote) boten en de verkoop van boten. Het gebruik van de loodsen kan zodoende worden geoptimaliseerd. Door een optimaal gebruik van de bestaande ruimte wordt er meer openheid gecreëerd.

Ook wordt de openbare ruimte opnieuw op een hoogwaardig niveau ingericht door onder andere toepassing van hoogwaardige bestratingsmaterialen, verlichting en niet in het oog springende aangelegde parkeerplaatsen. 3.3.3.2 Conclusie De beoogde ontwikkelingen biedt de kans op een kwaliteitsimpuls in het gebied. Het plan is qua aard en omvang van dien aard dat deze langdurig deze kwaliteitsimpuls kan waarborgen. Daarnaast geldt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen, maar direct aangrenzend aan Natuurnetwerk Nederland (NNN) Dit betreft een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. Het vormt de basis voor het Nederlandse natuurbeleid. De NNN levert, samen met het Natura 2000-netwerk, een bijdrage aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Nederland. Nagenoeg de gehele gemeente Wijdemeren is onderdeel geworden van de NNN en dit gebied wordt planologisch beschermd. Gebieden binnen de NNN mogen in principe niet worden aangetast door de ontwikkeling van bijvoorbeeld woningen, infrastructuur of andere ingrepen. Gebeurt dit (onder voorwaarden) toch, dan moeten de negatieve effecten worden tegengegaan of gecompenseerd. Zoals gesteld is de projectlocatie niet binnen deze zone gelegen, maar direct aangrenzend (zie hiertoe onderstaand figuur). Figuur 9. NNN.

De natuurwaarden worden zodoende ook niet aangetast. Het plan levert gezien de revitalisatie een kwaliteitsimpuls aan de directe omgeving van het gebied.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 18

3.3.2 Welstandsnota 2013 Het hoofddoel van de nota is het inzicht verlenen in het welstandsbeleid. Een welstandstoets is (wettelijk) verplicht bij bouwaanvragen en wordt verricht door een (welstands)commissie. Deze heeft het recht een bouwplan – op basis van welstandscriteria – af te wijzen. In de welstandsnota staan de relevante randvoorwaarden en uitgangspunten voor het welstandsbeleid. In het plangebied is het volgende welstandsbeleid van toepassing. Het plangebied wordt gekenmerkt door de vele variatie langs de plassenlinten. Op grond van de Welstandsnota 2013 van de gemeente Wijdemeren is de projectlocatie gelegen binnen het gebied waar het ‘bijzonder regiem – land’ van kracht is. Figuur 10. Uitsnede Welstandsnota.

3.3.2.1 Relatie tot ontwikkeling Bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal het plan aan het geldend welstandsbeleid getoetst worden. De Welstandsnota 2013 vormt planologisch geen belemmering voor het plan dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden. 3.3.2.2 Conclusie De Welstandsnota 2013 vormt geen belemmering voor het initiatief.

3.3.3 Woonvisie Wijdemeren 2016 – 2020 De voorgaande woonvisie van Wijdemeren dateerde uit 2005 en sinds die tijd is er veel veranderd op de woningmarkt en in het woonbeleid. In 2016 is de Woonvisie Wijdemeren 2016 – 2020 vastgesteld. Deze lokale woonvisie staat niet op zich, maar moet in samenhang worden gezien met de, eveneens recent geactualiseerde, regionale woonvisie Gooi en Vechtstreek 2016-2030. Samen vormen deze woonvisies het volkshuisvestingsbeleid voor de komende jaren. De belangrijkste doelstelling van het lokale woonbeleid, zoals het in deze woonvisie is verwoord, is om de woningvoorraad, nu en in de toekomst, zo goed mogelijk af te stemmen op de woonwensen van de inwoners van Wijdemeren. Daarnaast verdient de leefbaarheid van de kleine kernen in onze gemeente bijzondere en blijvende aandacht.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 19

De woonagenda bevat drie belangrijke woonthema’s voor de periode 2016-2020. Deze woonthema’s zullen de komende jaren, naast de doelstellingen uit de Regionale Woonvisie Gooi en Vechttreek 2016-2020, speerpunt zijn voor het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Wijdemeren: 1. Leefbare kleine kernen 2. Diverse woningvoorraad met kwaliteit 3. Strategische inzet van nieuwbouw Bij nieuwe woningbouwplannen streeft de gemeente naar minimaal 1/3 betaalbare woningen (huur tot € 710; koop tot € 180.000 prijspeil 2016) en 2/5 deel gestapelde bouw. 3.3.3.1 Relatie tot ontwikkeling Voorliggend plan voorziet niet in nieuwe woningen ten opzichte van de bestaande situatie. 3.3.3.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met de gemeentelijke woonvisie.

3.3.4 Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen Het Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen is door 21 verschillende partijen, waaronder provincie NoordHolland en gemeente Wijdemeren, ondertekend. In het Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen (december 2017) onderkennen 21 partijen dat het versterken van de grote verscheidenheid aan kwaliteiten onmiskenbaar kansen biedt om tot een waardevermeerdering te komen, op economisch, sociaal (o.a. leefbaarheid) en ecologisch gebied. Doelstellingen van het Gebiedsakkoord zijn: 1. Het ontwikkelen en versterken van de Oostelijke Vechtplassen als ‘vrijetijdslandschap’ zodat bewoners en bezoekers de unieke kwaliteiten (historisch landschap, natuur, cultuur, water) van het gebied volop kunnen beleven. 2. Het versterken van de ecologische waarden van het gebied zodat een aaneengesloten robuust netwerk van natuurgebieden ontstaat met potenties voor de ontwikkeling van topnatuur. Hiertoe wordt het natuur- en waterbeleid van de overheid versneld uitgevoerd, de financiering hiervan zeker gesteld en worden – waar nodig – aanvullende maatregelen genomen die de natuurwaarden verhogen en robuust beheer waarborgen. Deze aanvullende maatregelen zijn tevens nodig als compensatie voor het mogelijk maken van recreatieve maatregelen en activiteiten. 3.

Het in gang zetten van een transformatie van de recreatiesector waarbij de sector groeit naar een sterke economische sector die in staat is de diversiteit in het recreatief aanbod te vergroten. Het integreren van natuur en recreatie op gebiedsniveau en bedrijfsniveau is een van de speerpunten van het Gebiedsakkoord. Daarbij wordt ingezet op het stimuleren van recreatiebedrijven om het beheer van natuur en landschap te integreren in hun bedrijfsmodel (natuur en landschapsbeleving als onderdeel van het bedrijfsconcept en een deel van de inkomsten en/of arbeid gaat naar het in stand houden van natuur en landschap). 3.3.4.1 Relatie tot ontwikkeling Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voldoet aan het gebiedsakkoord. De variant geeft een kwaliteitsimpuls in de recreatiesector aangezien er sprake zal zijn van een revitalisatie van het havengebied en de nautische functies als gevolg van het plan versterkt worden. Zowel de haven en de nautische bedrijvigheid/ horeca dragen bij aan de economische sector in het gebied. Natuur en landschapsbeleving hebben hierbij een nadrukkelijke plek gekregen in de uitwerking van het plan.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 20

4

OMGEVINGSASPECTEN LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: 

Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Ter plaatse zijn woningen, bedrijfsbestemming, recreatievoorzieningen en infrastructurele voorzieningen gesitueerd. De directe omgeving langs de Nieuw-Loosdrechtsedijk bestaat tevens uit dergelijke functies ten behoeve van wonen, horeca, bedrijvigheid en recreatie. Op grond van de kaart bij de PRV wordt bovenstaande bevestigd. De voorgenomen ontwikkeling die met voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden voorziet met name op een revitalisatie van de aanwezige gebouwen in de haven. De bestaande gebouwen, onder andere in gebruik voor wonen en als nautische bedrijvigheid zullen qua gebruik ongewijzigd blijven. Het aantal woningen neemt derhalve als gevolg van het plan niet toe. Wel is sprake van drie nieuwe woonboten (ter vervangen van twee recreatiewoonboten en een recreatiewoning). Geletop het beperkte aantal (3) nieuwe

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 21

woonboten, is van een stedelijke ontwikkeing geen sprake. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft zodoende niet doorlopen te worden. Wel dient de nut en noodzaak aan het initiatief aangetoond te worden. In de huidige situatie bevindt zich ter plaatse een haven in combinatie met nautische bedrijvigheid, horeca en wonen. Voorliggend plan betreft de revitalisatie van de projectlocatie, waarmee een kwaliteitsimpuls gegeven wordt aan zowel de haven als het gebied. Nagenoeg alle beschikbare ligplaatsen in de haven worden reeds verhuurd. Door de gebouwen in bouwhoogte te verhogen komen deze in lijn met omliggende bebouwing en wordt de bebouwing tevens verduurzaamd. Het verhogen van de bouw- en goothoogte resulteert tevens is een efficiënte stalling van boten in de winter en het beter kunnen benutten van de loodsen ten behoeve van de reparatie en verkoop van boten. De bestaande bebouwing en reeds aanwezige functies, waaronder horeca, voorziet in de behoefte van dagjesmensen welke naar de haven komen alsmede de bezoekers van omliggende recreatie en ontspannings-locaties.

4.2

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. De gemeente Wijdemeren heeft een Beleidskaart Archeologie opgesteld (vastgesteld 29-9-2011) die als uitgangspunt geldt bij alle activiteiten waarbij mogelijke archeologische waarden in het geding zijn. Door middel van regimes geeft het gemeentebestuur aan welk niveau van het archeologiebeleid in een bepaald gebied als redelijk kan worden beschouwd.

Relatie tot ontwikkeling Archeologie De projectlocatie kent op grond van het vigerende bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming. Door Bureau voor Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder integraal opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage toegevoegd. In het plangebied bevinden zich twee potentiële archeologische niveaus. Het diepe niveau betreft de top van het dekzand dat tussen -1,5 en -2,25 m NAP ligt, ongeveer 1,2 m onder maaiveld of dieper. In dit niveau kunnen archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met Vroeg Neolithicum (jagers, verzamelaars en eerste boeren) aanwezig zijn. In het veen dat hierop heeft gelegen kunnen archeologische resten gerelateerd aan de ontginning van het gebied aanwezig zijn (Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd). Dit niveau is echter grotendeels verstoord. Aanbevolen wordt om graafwerkzaamheden dieper dan -1,5 m NAP te vermijden en zo bodemverstoringen tot in het diepe archeologische niveau te vermijden. Als diepere graafwerkzaamheden zijn voorzien, dan wordt aanbevolen om eerst nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Het bovenste archeologische niveau is naar verwachting al zozeer vergraven dat hiermee geen rekening gehouden hoeft te worden. Cultuurhistorie Binnen de projectlocatie zijn geen cultuurhistorische waarden noch monumenten gelegen.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 22

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.3

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven’ en ‘Wonen’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend tevens ‘Recreatie – Jachthaven’, ‘Wonen’ alsmede ‘Horeca’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. Ten oosten van de projectlocatie, aan de Nieuw – Loosdrechtsedijk 214 is een woning gelegen. Deze woning is in de huidige situatie op circa 11 meter gelegen ten opzichte van de reeds aanwezige nautische bedrijvigheid aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 218-222. Als gevolg van het plan blijft deze functie hier ongewijzigd en kan geconcludeerd worden dat deze woning geen belemmering vormt voor het beoogd plan.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 23

De afstand tussen de bestaande twee-onder-een-kapwoning gelegen aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 222 en 220 ten opzichte van de bestaande bedraagt zowel ten oosten als ten westen 13 meter. De afstand en de bestaande functies als gevolg van het plan blijven ongewijzigd en derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het beoogd initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.4

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is in november en december 2020 en in maart 2021 is door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend- en aanvullend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 216-222 te Loosdrecht. De rapportage d.d. 21 april 2021 (kenmerk 200825/dg/sh) is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. De dikte van de asfaltverhardingen is gemiddeld 9,6 cm. In een tweetal asfaltkernen zijn PAK-indicaties waargenomen die duiden op teerhoudend asfalt (0,0~10 mm). Analytisch zijn in de laag 30~110 mm geen gehalten aan PAK aangetoond boven de norm voor warm hergebruik (75 mg/kg d.s.). Zintuiglijk zijn in de bovengrond zwakke tot sterke bijmengingen aan puin waargenomen. In diverse monsterpunten is een volledige puinlaag waargenomen, vanaf 0,1 tot maximaal 0,4 m-mv. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem, ter plaatse van verdachte deellocaties, geen oliecomponenten waargenomen.

In de bodem/puin is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op de locatie zijn sterk verhoogde gehalten aan PAK en asbest aangetoond. De aangetoonde sterke verontreinigingen met PAK en asbest in de vaste bodem zijn globaal ingekaderd en betreffen gevallen van ernstige bodemverontreiniging, welke naar verwachting veroorzaakt zijn voor 1987. De omvang van de verontreinigingen met PAK en asbest in de vaste bodem, met gehalten > I-waarden, bedraagt > 25 m3. De provincie Noord Holland is het bevoegd gezag. Bij de beoogde bouwwerkzaamheden zullen de aangetoonde verontreinigingen met PAK en asbest, op een natuurlijk moment, onder milieukundige begeleiding worden verwijderd. Voor de verwijdering wordt voorafgaand een BUS-melding ingediend bij het bevoegd gezag.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 24

4.5

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen zijn waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. Evenmin zijn er routes of buisleidingen in de nabijheid gelegen waarover/ door gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Figuur 10 Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl )

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20389.01.

Pagina | 25

4.6

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Op basis van de beschikbare openbare geluidskaarten blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de projectlocatie en bestaande woningen tussen de 46 – 50 dB (goed) en 51 – 55 dB (redelijk) is gelegen. Figuur 11 Uitsnede atlasleefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11008899/1