Bijlage 01 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
37
de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO 2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Bijdrage van ontwikkeling is 'niet in betekende mate' Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 150 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen zoals vastgelegd in het Besluit NIBM. Van een dergelijke ontwikkeling is op voorhand al bekend dat die 'Niet In Betekenende Mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het is daarom vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden en ander onderzoek is niet noodzakelijk. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie gegeven van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nslmonitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
Figuur 4.4 Uitsnede NSL Monitoring De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Dammerweg (N523). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen: 15.6 µg/m3 voor NO2, 17,3 µg/m3 voor PM10 en 10.4 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van de ontwikkeling het geval zijn. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Rho adviseurs voor leefruimte
38
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. In bijlage 6 is een uitgebreide mobiliteitstoets opgenomen. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregel parkeernormen, gemeente Wijdemeren 2015). Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor kernen en landelijk gebied. De projectlocatie zal onderdeel uitmaken van de kern Nederhorst Den Berg, daarom worden de parkeernormen van dat gebiedstype (kern) gehanteerd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). Daarbij geldt hetzelfde uitgangspunt als bij de parkeerbehoefte. Onderzoek Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend met kencijfers van het CROW (publicatie 381). In de bestaande situatie is de projectlocatie een veenweidelandschap dat geen verkeer aantrekt. De toekomstige woningbouwontwikkeling heeft wel een verkeersaantrekkende werking.
De verkeersgeneratie wordt berekend voor het beoogde programma van circa 150 woningen van het woningtype. Daarbij wordt er een mix van grondgebonden woningen en appartementen gerealiseerd, in verschillende verschijningsvormen. Tabel 1 in bijlage 6 toont de berekening van de verkeersgeneratie van het beoogde woonprogramma. Daarbij is gebruik gemaakt van het CROW kencijfer voor woonmilieutypes uit tabel A5. Gezien het inwonersaantal van Nederhorst den Berg (< 10.000 inwoners) wordt het kencijfer voor Landelijk gebied 'centrum-dorps' aangehouden. Parkeren Parkeerbehoefte In de Beleidsregel parkeernormen 2015 van de gemeente Wijdemeren zijn onder andere specifieke parkeernormen voor diverse woningtypes opgenomen. Daarbij wordt in de parkeernorm onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen. Het projectgebied ligt volgens de beleidsregel in het landelijk gebied. Daarbij horen hogere parkeernormen dan bebouwde kom. Echter, gezien de aard van het gebied en de ligging, direct aansluitend aan woongebieden, is het reëel om de parkeernormen voor de bebouwde kom aan te houden. Afwijking van de parkeernormen voor het landelijk gebied is dan ook op basis van onderstaande argumenten aanvaardbaar: Hoewel het projectgebied buiten de komgrens van de kern Nederhorst den Berg ligt, is er geen sprake van een landelijke ligging.
De locatie maakt na planontwikkeling deel uit van de bebouwde kom van Nederhorst den Berg. Het is dus niet reëel te veronderstellen dat de toekomstige bewoners een ander autobezit zullen hebben dan de bewoners van de kern. De bereikbaarheid van de locatie per openbaar vervoer is niet anders dan de bereikbaarheid binnen de kern. De dichtsbijgelegen openbaar vervoerhalte ligt aan de Dammerweg op circa 250 m van het projectgebied. Daarmee is de bereikbaarheid zelfs beter dan sommige delen van de bebouwde kom.
Rho adviseurs voor leefruimte
39
Het plan voorziet in de realisatie van 150 woningen van verschillende woningtypes. Daarbij worden 18 appartementen gerealiseerd, 52 rijwoningen en 80 overige grondgebonden woningen. De Beleidsregel parkeernormen geeft voor eengezinswoningen een parkeernorm van 1,6 per woning. Voor rijwoningen (tussen/hoek) geldt een parkeernorm van 1,4 per woning en voor appartementen geldt een norm van 1,3 per woning. De totale parkeerbehoefte bedraagt 221 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Binnen het projectgebied worden 276 parkeerplaatsen gerealiseerd. 66 parkeerplaatsen bevinden zich op eigen terrein van woningen. 34 parkeerplaatsen bevinden zich inpandig bij de appartementen. In parkeerkoffers verspreid over het projectgebied worden nog eens 120 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zal er langs de interne ontsluitingswegen plaats zijn voor 56 parkeerplaatsen. Er worden in het nieuwe woongebied ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. Conclusie De ontsluiting van het projectgebied is goed. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling leidt niet tot knelpunten op het omliggende wegennet. Er is is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
4.6
Geluid
Toetsingskader Het plan voorziet in de realisatie van 150 nieuwe woningen. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen aangewezen als geluidgevoelige objecten. Een deel van de te realiseren woningen ligt binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde Dammerweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van enkele 30 km/uur wegen. In bijlage 3 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai toegevoegd. Hieruit blijkt dat voor de 30 km/uur weg Paulus Potterstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de binnenplanse 30 km/uur wegen geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 3 dB overschrijdt. Echter er kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde wegen Dammerweg en Reeweg geldt dat de geluidbelasting enkel op de gevels van de vrijstaande woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 2 en 6 dB overschrijdt. Voor de overige woningen geldt dat er geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden.
Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Conclusie Uit het bijgevoegde akoestisch onderzoek blijkt enkel dat bij de vrijstaande woning de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De overschrijdingen gaan om maximaal 2 en 6 dB. Er worden geen onoverkomelijke knelpunten verwacht. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat eventuele bron- of overdrachtsmaatregelen niet doeltreffend of wenselijk zijn. Derhalve wordt verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.
Rho adviseurs voor leefruimte
40
4.7
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 -6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
41
Onderzoek Volgens de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de omgeving van het projectgebied enkele risicobronnen gelegen (figuur 4.5).
Figuur 4.5: Risicovolle bronnen rondom, projectgebiedpaars weergegeven (bron: risicokaart.nl) Risicovolle inrichtingen Ten noorden van het projectgebied is LPG tankstation De Haan gevestigd. De PR 10-6 contour rondom het LPG vulpunt ligt op 25 meter. Het invloedsgebied strekt tot 150 meter. De ontwikkeling vindt plaats op circa 420 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied. Ten westen van de ontwikkeling is sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen in een bovengrondse tank. De PR 10-6 contour rondom de tank ligt op 12 meter. Het invloedsgebied strekt tot 235 meter. De ontwikkeling vindt plaats op 950 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied. Transport over water Op een afstand van circa 1,3 kilometer ten westen van de ontwikkeling loopt de binnenvaartroute Corridor Amsterdam-Rijn. Uit de Regeling Basisnet blijkt dat de PR 10-6 contour niet buiten de vaarroute ligt. Op basis van maatgevende stof GF3 reikt het invloedsgebied tot 90 meter. Het projectgebiedligt op circa 1.500 meter van de vaarroute. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied. Transport door buisleiding Ruim 1.700 meter ten westen van het plangebied, loopt het tracé van een aardgastransportleiding. De leiding heeft een uitwendige diameter van 324 mm (12,7 inch) en een maximale werkdruk van 66 bar (6620 kPa).
De PR 10-6 contour aan weerszijden van deze leiding komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter. Op basis van diameter en werkdruk reikt het invloedsgebied (1%letaliteitgrens) van deze leiding tot 170 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied. Conclusie Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle bronnen in de omgeving. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
42
4.8
Kabels en leidingen
Met 'planologisch relevant' worden de belangrijkste verbindingen bedoeld die in het bestemmingsplan vastgelegd moeten worden. Binnen het projectgebieden in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, kabels, hoogspanningsverbindingen, straalpaden of radarverstoringsgebieden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.9
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevondeonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimen. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuz nsie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. Onderzoek De aanwezige bedrijven langs de Reeweg mogen niet onevenredig in hun bedrijfsbelangen worden beperkt door de komst van nieuwe woningen.
Volgens het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg” zijn de gronden op Reeweg 5 aangewezen voor openbare nutsvoorzieningen. Deze behoren tot de milieucategorie 1 waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. De nieuwe woningen komen op circa 55 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Op Reeweg 3 bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toelaatbaar waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. De nieuwe woningen komen op circa 35 meter, waarmee niet wordt voldaan aan de richtafstand. Direct naast deze bedrijfslocatie zijn echter al woningen op korte afstand (8 meter) gelegen waarmee in de bedrijfsvoering rekening wordt gehouden. Aangezien hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal dat ook ter plaatse van de ontwikkelingslocatie het geval zijn. Conclusie Het aspect milieuhinder vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
43
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Besluit ruimtelijke ordening Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen het aspect cultuurhistorie expliciet moeten meewegen. Het besluit regelt dat de effecten van een initiatief op cultuurhistorische waarden in een gebied inzichtelijk worden gemaakt en ruimtelijk worden afgewogen. Eventuele waarden kunnen, door middel van specifieke regels, worden vastgelegd in het plan. Gemeentelijk archeologiebeleid In 2011 is het archeologiebeleid voor de gemeente Wijdemeren vastgesteld. Dit beleid geeft, zowel voor de burger als voor de gemeentelijke organisatie, meer helderheid over hoe de gemeente omgaat met de zorg voor het archeologische erfgoed binnen het grondgebied van Wijdemeren. Het beleid bestaat uit een notitie en een kaart met toelichting.
Voor een juiste regeling van de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen is in het kader van deze nota een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief uitgevoerd. Daarbij is onderzocht welke archeologische waarden reeds bekend zijn en welke waarden verwacht kunnen worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met een eigen vrijstellingsgrens die aangeeft wanneer de initiatiefnemer is vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Bij het vaststellen van de vrijstellingsgrens is rekening gehouden met de aard van het bodemarchief. De verschillende vrijstellingsgrenzen zijn weergegeven op de Archeologische Beleidskaart, zodat voor een ieder in één oogopslag duidelijk is aan welke archeologische voorwaarden moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44
De toegepaste archeologieregimes zijn: Categorie Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde
Rekening houden met archeologie bij alle grondroerende werkzaamheden, hieronder valt ook het rijksmonument omdat bij grondingrepen bij het rijk een monumentenvergunning moet worden aangevraagd. plannen van 50 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden maaiveld. plannen van 100 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 35 cm beneden maaiveld. plannen van 500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld. plannen van 2500 m2 en groter en grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Geen regime
Zoals op figuur 4.6 te zien is geldt voor het projectgebied met 2.500 m2 en dieper dan 40 cm.
een vrijstellingsgrens voor plannen tot en
Figuur 4.6 Uitsnede archeologische beleidskaart Toetsing Archeologie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 12. Hieruit blijkt dat er in het plangebied drie potentiële archeologische niveaus zijn. Van die drie niveaus heeft alleen de top van het dekzand een hoge archeologische verwachting. Op basis van de diepte van de top van het dekzand kan het advies voor het plangebied worden verdeeld in drie zones (bijlage 7 van het archeologisch onderzoek).
Zone 1: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2,0 m –mv (-3,5 m NAP). Uitzondering hierop betreffen de twee duinen die in zone 1 aanwezig zijn. Voor de twee duinen is
Rho adviseurs voor leefruimte
45
het advies voor vervolgonderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 0,5 m –mv (2,0 m NAP). Zone 2: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2,3 m –mv (-3,8 m NAP). Zone 3: rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 2,7 m –mv (-4,2 m NAP).
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Wel is relevant dat het projectgebied een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied betreft. Hierdoor is toetsing aan de provinciale Leidraad Cultuurhistorie noodzakelijk conform artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Daarnaast ligt het projectgebied binnen 2 UNESCO Werelderfdoedgebieden. Derhalve dient getoetst te worden aan artikel 22 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In bijlage 11 is het initiatief getoetst aan de genoemde provinciale regels. Uit het onderzoek komt naar voren dat een deel van de openheid van het landschap wordt beperkt maar dit wordt niet significant geacht. Door de rechte lijnen die aansluiten op de verkavelingsstructuur van het polderlandschap wordt een zorgvuldige inpassing van de nieuwe woonwijk geborgd. Het plan houdt dus goed rekening met de bestaande kwaliteiten en ontwikkelprincipes van het Ensemble Vechtstreek en voldoet daarmee aan de ruimtelijke kwaliteitseisen die de provincie Noord-Holland daaraan stelt. Anderzijds voldoet het plan aan de regels om af te mogen wijken voor het realiseren van dorpsontwikkelingen in de 2 UNESCO Werelderfgoed gebieden. De ontwikkeling is van groot belang om de vitaliteit van de kern Nederhorst den Berg veilig te stellen.
Daarnaast zijn er geen reële alternatieven en leidt het plan niet tot wezenlijke aantasting van de Werelderfgoederen. De ontwikkeling Nederhorst den Berg Noord voldoet aan de regels voor cultuurhistorie. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de planologische procedure van dit project. Wel wordt voor bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen een proefsleuvenen kanterend booronderzoek geadviseerd.
4.11
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Rho adviseurs voor leefruimte
46
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt circa 240 meter ten oosten van het projectgebieden betreft 'Oostelijke Vechtplassen'. Dit is tevens het dichtstbijzijnde natuurgebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.7).
Rho adviseurs voor leefruimte
47
Figuur 4.7 Ligging projectgebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Noord-Holland) De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling en de verkeersgeneratie kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Deze is in de bijlagen toegevoegd (Bijlage 10). Uit beide berekeningen (aanlegfase en gebruiksfase) blijkt dat er geen sprake is van een toename die hoger is dan 0,00 mol N/ha/jr op het Natura 2000-gebied. Het project is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door onderzoeksbureau Els & Linde B.V. een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 2. Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat kleine marters voor de locatie niet zijn uit te sluiten. Een afdoend onderzoek naar de marters wordt geadviseerd. De eventuele aanwezigheid van de marters hoeft geen belemmering te zijn voor de ontwikkeling. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is nodig als een effect op deze soorten niet is te vermijden. Conclusie De woningbouwontwikkeling van Nederhorst den Berg Noord heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.
Om negatieve effecten op beschermde soorten uit te sluiten dient er nog nader onderzoek plaats te vinden naar het voorkomen van marters.
Rho adviseurs voor leefruimte
48
Rho adviseurs voor leefruimte
49
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer heeft ter onderbouwing van de economische uitvoerbaarheid een exploitatieopzet gemaakt. In deze exploitatieopzet is rekening gehouden met de te verwachte kosten, zoals onderzoekskosten, plankosten, de benodigde grond- en sloopwerken voor bouw- en woonrijpmaken, tegemoetkoming in planschade, aanleg van groenvoorzieningen, infrastructuur en water en de bouwkosten. De opbrengsten betreffen de uitgifte van de gronden (woonkavels). Deze exploitatieopzet is sluitend. De ontwikkeling is hiermee economisch uitvoerbaar Kostenverhaal De omgevingsvergunning waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, leidt tot de planologische mogelijkheid om nieuwe woningen te bouwen. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening betekent dit dat de gemeente verplicht is een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal van de door de gemeente te maken kosten anderszins is voorzien.
Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien tussen de grondeigenaar en de gemeente een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt afgesloten. Dit heeft volgens de wetgever ook de voorkeur. Voor deze paragraaf is ervan uitgegaan dat een dergelijke overeenkomst wordt afgesloten. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet nodig. In deze overeenkomst wordt ingegaan op het kostenverhaal (plankosten) en de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van eventuele planschadeclaims. Deze overeenkomst wordt getekend voordat de omgevingsvergunning wordt verleend.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Participatie Om aan participatie invulling te geven, zijn door de initiatiefnemer de volgende stappen gezet: 1. Er is een informatiekrant gemaakt met hierin informatie over het plan en de context. Zo kon men deelgenoot worden van het plan en/of zich voorbereiden op enquête en/of online bijeenkomst. 2. Deze informatiekrant is huis aan huis verspreid onder alle inwoners van Wijdemeren (oplage van zo’n 10.000 kranten).
Rho adviseurs voor leefruimte
50
3. 4. 5.
In de informatiekrant is een link opgenomen naar een enquête, waarin vragen zijn gesteld over de belangrijkste kenmerken van het plan. Aan de enquête hebben 178 respondenten deelgenomen. Via een advertentie in de lokale media is opgeroepen tot het invullen van de enquête en deelname aan een online bijeenkomst. Een online bijeenkomst is op 9 februari 2021 georganiseerd waarin de achtergrond van het plan en de uitkomsten van de enquête gedeeld zijn alsmede in kleinere groepen in gesprek gegaan is. Het uitgebreide verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 14.
Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 5.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zal in ieder geval aan de volgende besturen en/of diensten de ontwerpomgevingsvergunning en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing toegezonden met het verzoek om, onder verwijzing naar artikel 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken te reageren: provincie Noord-Holland; waterschap Amstel, Gooi en Vecht Veiligheidsregio. Procedure Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Tijdens deze periode moet de aanvraag zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend beroep worden ingesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
51
Hoofdstuk 6
Conclusie
Kennemerland Beheer is voornemens om de woonwijk Nederhorst den Berg Noord te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is in lijn met de ambities van de gemeente om meer woningen mogelijk te willen maken om de kernen leefbaar te houden. De beoogde ontwikkeling is door de provincie Noord-Holland aangewezen voor weidevogelleefgebeid. Ontwikkelingen zijn slechts mogelijk indien sprake is van een groot openbaar belang. In deze onderbouwing is gemotiveerd dat de beoogde woningbouw is aan te merken als een groot openbaar belang. Er is een grote woningbehoefte in Nederland en eveneens in de voorzieningenkern van Nederhorst den Berg. Er zijn geen reële alternatieven op andere locaties in de gemeente Wijdemeren/ de kern Nederhorst den Berg om in die behoefte te voorzien. Het niet realiseren van de beoogde woningbouw leidt naast nog grotere schaarste op de woningmarkt tot een sterk negatief effect op de levensvatbaarheid van voorzieningen in de kern Nederhorst den Berg, zowel maatschappelijk als commercieel. Ten aanzien van het weidevogelleefgebied blijkt daarnaast uit recente tellingen dat er geen broedparen in het gebied voorkomen. De provincie wordt daarom verzocht de grens van het weidevogelleefgebied aan te passen.
Door direct aangrenzend aan het projectgebied adequate herinrichtingsmaatregelen en water- en graslandbeheer uit te voeren wordt wel een kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied ontwikkeld. De afname van het provinciale beleidsmatige weidevogelleefgebied van de Horn- en Kuijerpolder als gevolg van de beoogde woningbouw is daarmee meer dan evenredig verantwoord te achten. Het project leidt bovendien tot een daling van de stikstofdepositie op 3 omliggende (overbelaste) Natura 2000-gebieden. Een ander belangrijk aspect heeft betrekking op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Nederhorst den Berg Noord sluit door middel van de verkavelings- en slotenstructuur aan op de kenmerken van het veenweidelandschap. Aan de zuidzijde van het plan is de stedenbouwkundige structuur vergelijkbaar met de bestaande woonwijk van Nederhorst den Berg en aan de noordzijde wordt middels een groene bufferzone een geleidelijke overgang naar het veenweidgebied gerealiseerd Nederhorst den Berg Noord voorziet in de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Wijdemeren en door de gekozen groene en waterrijke opzet worden de karakteristieke cultuurhistorische landschapswaarden niet aangetast. Daarnaast worden er op basis van de onderzochte omgevingsaspecten, zoals beschreven in hoofdstuk 4, geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling voorzien.
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief draagt zowel bij aan de invulling van de woningbehoefte als aan een aantrekkelijk weidevogelleefgebied en daling van de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden.
Rho adviseurs voor leefruimte
52
Rho adviseurs voor leefruimte
BIJLAGEN
Bijlage 1 Afwijkingsplan Woningbouw Nederhorst den Berg Noord
Rho adviseurs voor leefruimte
Afwijkingsplan
Woningbouw Nederhorst Den Berg Noord Gemeente Wijdemeren behorende bij Ruimtelijke Onderbouwing omgevingsvergunningaanvraag OLO aanvraagnummer 5476463
DATUM IMRO IDN
14 december 2021 n.v.t.
PROJECT PROJECTLEIDER
Woninbouw Nederhorst den Berg Noord drs. W. Kraaijeveld
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20200874
AUTEUR STATUS
defintief
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Regels Hoofdstuk 1
4 Inleidende regels
5
Artikel 1
Begrippen
5
Artikel 2
Wijze van meten
8
Bestemmingsregels
9
Artikel 3
Agrarisch met Waarden - Landschap
9
Artikel 4
Groen
10
Artikel 5
Natuur
11
Artikel 6
Tuin
12
Artikel 7
Verkeer - Verblijfsgebied
13
Artikel 8
Wonen
14
Hoofdstuk 3
Algemene regels
16
Artikel 9
Anti-dubbeltelregel
16
Artikel 10
Algemene bouwregels
17
Artikel 11
Overige regels
18
Overgangs- en slotregels
19
Slotregel
19
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4 Artikel 12
Bijlage bij de regels
21
Bijlage 1
Voorstel inrichting en beheer nieuw weidevogelleefgebied
23
Bijlage 2
Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'
27
3/32
REGELS
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het Afwijkingsplan Woningbouw Nederhorst den Berg Noord ex artikel 2.12 lid 1 onder a onderdeel 3° Wabo bestaande ui afwijkingsplanverbeelding en afwijkingsplanregels als onderdeel van de Ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunningaanvraag d.d. 25 september 2020 onder nummer 5476463. 1.2 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.3 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4 aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.5 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.6 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.8 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.9 bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.10 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.11 bouwgrens de grens van een bouwvlak.
5/32
bouwperceel 1.12 een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.13 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.14 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.15 bijbehorend bouwwerk de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staande gebouw of ander bouwwerk met een dak. 1.16 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.17 extensieve dagrecreatie de niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. 1.18 gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.19 hoofdgebouw een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.20 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten activiteiten die in of bij een woning op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit milieubeheer) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.21 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.
6/32
natuurwaarde 1.22 de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna. 1.23 nutsvoorzieningen de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals ondermeer transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, zuiveringsinstallaties, hoogspannings- en persleidingen, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.24 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak. 1.25 peil a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.26 sociale huurwoning een huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor ten minste tien jaar na ingebruikname is verzekerd. 1.27 Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' die van deze regels deel uitmaakt.
1.28 straatmeubilair kleinschalige bouwwerken ten behoeve van openbare (nuts)voorzieningen, zoals verkeergeleiders, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, prullenbakken, speeltoestellen, waterfonteintjes (bedriegertjes) en reclameobjecten, oplaadpunten voor elektrische auto's alsmede telefooncellen en abri's. 1.29 voorgevel de naar de weg toegekeerde gevel van het hoofdgebouw die vanwege de aanwezige hoofdtoegang of door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.30 woning een gebouw bestaande uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
7/32
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
8/32
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Agrarisch met Waarden - Landschap
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden – Landschap' aangewezen gronden begrepen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ontwikkel- en beheersgebied weidevogels' zijn bestemd voor: a. de inrichting, ontwikkeling, exploitatie en beheer van kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied met bijbehorende landinrichting en noodzakelijk waterpeil met plasdrasgebieden en watergangen met flauwe oevers; b. agrarisch grondgebruik voor zover verenigbaar met en afgestemd op het onder a genoemde grondgebruik; c. het behoud van landschappelijke elementen voor zover passend bij het onder a genoemde grondgebruik.
3.2 Bouwregels Op deze gronden mag niet worden gebouwd, behoudens oevervoorzieningen tot een maximale hoogte van omliggend maaiveldniveau. 3.3 Specifieke gebruiksregels Tot het met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik van deze gronden anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde onder 3.1; b. het gebruik in afwijking van het Ontwikkel- en beheersplan Weidevogelleefgebied dat met de titel Voorstel inrichting en beheer nieuw weidevogelleefgebied als bijlage 1 bij de regels is gevoegd en daarvan onderdeel uitmaakt.
9/32
Artikel 4
Groen
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden; b. nutsvoorzieningen; c. extensieve dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – extensieve recreatie'; d. gebouwde parkeervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – gebouwde parkeervoorziening'. 4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; d. op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - extensieve recreatie' mogen gebouwen worden gerealiseerd met een totaal maximum oppervlak van 40 m2 en een maximum bouwhoogte van 7,5 m; e. op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van groen – gebouwde parkeervoorzieningen' mogen gebouwde parkeervoorzieningen worden gerealiseerd met een plat groen (sedum) dak ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Wonen' en de aanduiding 'gestapeld'. De maximum bouwhoogte bedraagt 5 m.
10/32
Artikel 5
Natuur
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; b. extensieve dagrecreatie. 5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een totaal maximum bebouwingsoppervlak van 30 m2; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
11/32
Artikel 6
Tuin
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende bestemmingen gelegen hoofdgebouwen. 6.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m.
12/32
Artikel 7
Verkeer - Verblijfsgebied
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeerdoeleinden; b. verblijfsgebied met een functie voor verblijf en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen en water. 7.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming onder 7.1; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 3 m.
13/32
Artikel 8
Wonen
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen waaronder begrepen het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en toegangswegen. 8.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 8.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt ten hoogste 150; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn gestapelde woningen toegestaan; d. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de op de planverbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte. 8.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen a. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 m b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden in de perceelsgrens of op ten minste 1 m afstand van de perceelsgrens gebouwd; c. de goothoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m; d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 4,5 m; e.
het gezamenlijke grondoppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag ten hoogste 50% tot een maximum van 50 m² bedragen van de bij het hoofdgebouw behorende gronden als bedoeld in lid 8.1, met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven; f. in afwijking van het bepaalde onder e mag het gezamenlijk grondoppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen 75 m² bedragen, indien de oppervlakte van de bij het hoofdgebouw behorende gronden als bedoeld in lid 8.1 ten minste 250 m² bedraagt. 8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m; c. de bouwhoogte van schotelantennes bedraagt ten hoogste 3 m; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 5 m; e. de bouwhoogte van tuinmeubilair bedraagt ten hoogste 2 m;
14/32
f.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
8.3 Specifieke gebruiksregels In een woning zijn een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de aan-huis-verbonden beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogen aan de woonfunctie geen afbreuk doen en dienen daaraan ondergeschikt te zijn in die zin dat de woonfunctie de primaire functie dient te blijven. Dit betekent dat niet meer dan 30% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mag worden gebruikt; b. de activiteiten mogen geen hinder opleveren voor de woon- en leefsituatie van naastgelegen percelen. Dit betekent dat in geval van bedrijfsactiviteiten uitsluitend bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in categorie A en B1 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'; c. de activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving; d. de activiteiten mogen geen detailhandel en/of horeca betreffen; e. de activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaken.
15/32
Hoofdstuk 3 Artikel 9
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
16/32
Artikel 10 Algemene bouwregels 10.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen/voorgevellijn mogen/mag, voor zover deze niet samenvallen/-valt met bestemmingsgrenzen, in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
17/32
Artikel 11 Overige regels 11.1 Woningdifferentiatie Van de binnen het projectgebied te realiseren woningen dient ten minste 35% als sociale huurwoning te worden gebouwd.
18/32
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het afwijkingsplan Woningbouw Nederhorst den Berg Noord ex artikel 2.12 lid 1 onder a onderdeel 3° Wabo.
19/32
20/32
BIJLAGEN BIJ DE REGELS
22/32
Bijlage 1
23/32
Voorstel inrichting en beheer nieuw weidevogelleefgebied
BIJLAGE 1 VOORSTEL INRICHTING EN BEHEER NIEUW WEIDEVOGELLEEFGEBIED
Inrichting
Onderstaand is een inrichtingsvoorstel weergegeven voor 3 ha nieuw weidevogelleefgebied, grenzend aan het nieuwe woongebied. Figuur 1 Inrichtingsvoorstel nieuw weidevogelleefgebied
Afdammen watergangen Cruciaal voor het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig weidevogelleefgebied is verhoging van het waterpeil. Dit kan door het afdammen van de twee centrale watergangen. Het peilbeheer dient vervolgens afgestemd te worden op een voorjaarsgrondwaterstand van 20-40 cm beneden maaiveld. In de loop van mei/juni mag de grondwaterstand niet verder weg zakken dan 50-60 cm beneden maaiveld. Voorjaars plasdras Plas-dras situaties hebben in het vroege voorjaar een grote aantrekkingskracht op weidevogels, met name op grutto’s die dan terugkeren uit Afrika. Een plas-dras kan worden gerealiseerd door het opwerpen van een dammetje rondom het perceel en dit in het voorjaar vol te pompen met 5-10 cm water, bijvoorbeeld met een zonnepomp. De benodigde grond komt hier beschikbaar door de aanleg van flauwe oevers langs bestaande watergangen.
3/5
Figuur 2 Voorbeeld plas-dras (‘t Weegje, Waddinxveen)
Aanleg flauwe oevers Door de aanleg van flauwe oevers langs bestaande watergangen komt meer foerageerhabitat beschikbaar voor volwassen vogels en hun kuikens. Deze flauwe oevers voorkomen ook verdrinking van kuikens. Randsloot Doortrekking van de bestaande randsloot uit het zuiden is noodzakelijk om betreding van het weidevogelleefgebied te voorkomen. In combinatie met de flauwe oevers aan weerszijden ontstaat een aantrekkelijke 20-30 meter brede water- en moeraszone. Aan de kant van de woonwijk kan deze worden voorzien van een wandelroute, visplekken en/of een uitkijkpunt met informatie over het weidevogelleefgebied.
Beheer
Een volwaardig weidevogelleefgebied kent een mozaïekbeheer met hooiland en weiland. • Hooilanden, na 15 juni of later gemaaid met afvoering van het maaisel en eventueel nabeweiding. Optimale maaidata zijn afhankelijk van het verloop van het broedseizoen en dus een kwestie van maatwerk; • Beweiding met een veedichtheid van maximaal 1,5 stuk vee per hectare. Hogere veedichtheden geven een groot risico van vertrapping van de zode en van vertrapping van significante hoeveelheden eieren. • bemesting gebeurt bij voorkeur door middel van ruige stalmest, vóór 1 april of na eind juni. Een voor weidevogelbeheer geschikte mestgift bestaat uit 15 ton ruige stalmest per hectare per jaar. • In het belang van een goed ontwikkelde bodemfauna dient de bodem niet teveel te verzuren. Indien de pH onder de 4,5 komt, dient de bodem bekalkt te worden.
4/5
•
In verband met eventuele aanwezige botanische kwaliteiten en de plaatstrouw van vogels, is het van belang om hetzelfde beheer steeds op dezelfde locatie uit te voeren
In beheerscontracten, mogelijk met subsidies van de provincie, zullen bovenstaande beheerrichtlijnen kunnen worden vastgelegd en mogelijk verder worden gedetailleerd. Kosten Inclusief de inrichting vergt dit voorstel een investering van circa € 300.000. De beoogde 150 woningen worden dus per stuk € 2.000 duurder. Voor het beheer zijn verschillende subsidies beschikbaar. Een interessante aanvullende geldstroom is het verkopen van CO2-certificaten door het verminderen van de veenoxidatie door vernatting van de 3 ha grasland. Gemiddeld komt er in Nederland jaarlijks 30 ton CO2 vrij per hectare agrarisch veenweidegebied, afhankelijk van de dikte van het veenpakket en de ontwateringsdiepte (bron: CLM Onderzoek en Advies 2018). De Europese CO2-emissieprijs bedraagt inmiddels € 50 per ton en blijft waarschijnlijk verder stijgen. Uitgaande van een vermeden emissie van 20 ton/ha/jr (dus 60 ton voor 3 ha) betekent dit een jaarlijkse aanvullende geldstroom van € 3000 voor het beheer van het gebied. Borging Het nieuwe weidevogelleefgebied kan planologisch-juridisch worden geborgd door het opnemen van een natuurbestemming in nieuwe planologische maatregelen en het vastleggen daarvan in voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het woningbouwplan. Daarnaast zal het beheer nog geborgd kunnen worden in een beheerscontract met de provincie.