Wijchen-West 2023_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 10 Archeologisch bureau- en booronderzoek
Tekst van het document
In totaal zetten wij in dit geval circa 200 boringen tot maximaal 3 m -mv of 0,3 m in eventueel beddingzand en in het geval van rivierduin tot de Laag van Wijchen of maximaal 3 m-mv, in een grid van 40x50 m, zodat een dekkend beeld van de ondergrond kan ontstaan. 40 x 50 m: 6 per ha Edelman – 6 cm (bovengrond, 1 m-mv), guts (2/3 cm), eventueel zuigerboor (handmatig). circa 200 maximaal 3 m -mv of 0,3 m in het beddingzand of tot in de Laag van Wijchen bij rivierduinzand Het grid is in principe dekkend over het gehele plangebied gelegd. Rivierduinzand werd verwacht in het zuiden. Op de oostelijke helft van het terrein zouden zich oever- en mogelijk beddingafzettingen van het Wijchens Maasje bevinden (mogelijk pas dieper dan 1 m mv). TopCon (fixed GPS) of Toughpad n.v.t. NEN 5104/ASB snijden/verbrokkelen bij een verkennend onderzoek wordt geen grond gezeefd n.v.t. (verkennend onderzoek) n.v.t.: slechte vondstzichtbaarheid verwacht kalkgehalte bepaling d.m.v. zoutzuuroplossing
Blad 19 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Belemmeringen
De boringen konden niet verplaats worden omdat ieder boorpunt met een piket was vrijgegeven met betrekking tot ontplofbare explosieven. Het werk werd belemmerd door kleinschalige sabotage: de piketten (vrijgegeven boorpunten) zijn op openbare terreinen door derden verwijderd. Het braakliggende terrein aan de noordoostzijde van de plas (tussen de moestuinen aan de Beemd en de randweg van Wijchen) is opgehoogd met puinrijk materiaal. Dit vormde een belemmering voor het ergonomisch verantwoord uitvoeren van het onderzoek.
Afwijkingen t.o.v. PvA
De vrijgegeven boorpunten waarvan de piket was verwijderd zijn opnieuw uitgezet. Alleen de vrijgegeven locatie van boring 113 kon niet worden herleid. Door het puinrijke pakket aan de noordwestzijde van de Vormerse plas zijn boringen op het opgehoogde pakket niet alle worden doorgezet tot 3 m -mv, omdat zij gestaakt moesten worden op puinrijke laag. In het PVA werd al rekening gehouden met het stuiten van boringen. Ter plaatse van een erf aan de Groeneweg zijn aanvullende boringen uitgevoerd die niet waren opgenomen in het boorplan van het PVA (boringen 204-206). Boringen 032-035 en 045 konden niet worden geplaatst omdat deze niet vrijgegeven waren door de Gasunie danwel doordat bij detectie op OO niet waren vrijgegeven. De niet vrijgegeven zone betreft de sleuf en aanlegstrook van hier aanwezige gastransportleiding.
3.3
Doelen en wensen opdrachtgever
Hoogwaardig onderzoek.
Randvoorwaarden
Niet bekend.
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaarten in de kaartenbijlage. De resultaten van het veldwerk worden in onderstaande verdeeld in twee deelgebieden: Het deel ten noorden van de spoorlijn (het noordelijk deel, zie paragraaf 3.3.1) wordt gekenmerkt door een bestaand agrarisch gebruik, hoofdzakelijk in de vorm van akkerland. Verspreid aan de Groeneweg is bebouwing en daar zijn bijbehorende erven aanwezig inclusief enig hooi/grasland. Het deel ten zuiden van de spoorlijn (het zuidelijk deel, zie paragraaf 3.3.2) wordt gekenmerkt door een zeer versnipperd landschap en landgebruik en een hoge mate van vroegere en recente ingrepen in het landschap. Het bestaand landgebruik varieert met onder meer recreatieve terreinen, moestuinen, braakliggend (opgehoogd) terrein, jonge bosaanwas (bosschage), oudere bosgrond (boomkamer) en berm.
Blad 20 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
In de beschrijving van geologie, bodem, de landschappelijke reconstructie en de daaruit volgende archeologische verwachting zal niet iedere boring afzonderlijk worden beschreven, maar wordt gebruik gemaakt van enkele raaiprofielen. In de weergave en zonering van landschappelijke eenheden en van eventuele adviesgebieden worden ook de overige boringen (buiten de genoemde raaien) aangewend. Aan de hand van raaiprofielen in diverse oriëntaties is een goede reconstructie van het voormalige landschap en van de landschapsgenese te maken, aangezien hiermee een dwarsdoorsnede door de grondlagen. In het noordelijk deel betreft dit raaiprofielen A, B, C en D (zie afbeelding 4). De raaiprofielen zijn als afbeeldingen in onderstaande tekst opgenomen. Raaiprofiel A is west-oost gericht en beschrijft de raai van boringen 018-024, 183-188 Raaiprofiel B is west-oost gericht en beschrijft de raai van boringen 026-031, 189-193, 197 Raaiprofiel C is zuidoost-noordwest gericht en beschrijft boringen 005, 010, 015, 021, 028, 041, 048, 060, 063 Raaiprofiel D is zuidwest-noordoost gericht en beschrijft boringen 167, 175, 182, 188, 197 Voor het zuidelijk deel wordt in de beschrijving een tweetal profielen (zie afbeelding 4): E en F.
Raaiprofiel E loopt van noord naar zuid langs de oostzijde van de Vormerse Plas over boringen 075, 089, 102, 110, 118, 124, 128, 133, 138, 144, 149, 152, 154 en 160. Het raaiprofiel wordt als het ware voortgezet in het noordelijk deel in profiel D, koppeling bij boringen 075 en 167. Raaiprofiel F loopt van noord naar zuid langs de westzijde van de Vormerse Plas over boringen 068, 081, 093, 106, 114, 121, 125, 130, 136, 142, 148, 151, 153, 157, 161. Het raaiprofiel wordt als het ware voortgezet in het noordelijk deel in profiel C, koppeling bij boringen 068 en 005.
Afbeelding 4. Raailijnen (zwarte lijnen) bij raaiprofielen A tot en met F, zie bijlage 3.
Blad 21 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
3.3.1
Bodemopbouw noordelijk deel Van onder naar boven worden drie lithogenetische pakketten beschreven: Beschrijving lithologisch pakket 1: matig fijn tot uiterst grof zand, neutraalgrijs tot donkergrijsblauw van kleur, veelal met een kleiige top, soms bovenin plantenresten, gereduceerd, met aan de top soms enige roestvorming (nieuwvorming), zonder bodemvorming en kalkloos. De top van het pakket is erosief (door latere fluviatiele activiteit) verdwenen. De huidige top van het pakket ligt op ongeveer 2,5 m -mv (tussen 4 en 4,5 m +NAP). Landschappelijke interpretatie: dit zandpakket wordt geïnterpreteerd als pleistoceen rivierzand, behorende tot het vlechtend systeem van smeltwaterrivieren, zonder oeverwallen, zoals dat in de ijstijden functioneerde. Geologisch wordt dit pakket gerekend tot de Formatie van Beegden (indien behorende tot de aanvoer van Maas) of de Formatie van Kreftenheye (afzettingen van Maas en Rijn). Aan de top van het pakket hoort het Laagpakket van Wijchen35 te liggen, maar deze is in het noordelijk deel geërodeerd door de afzetting van lithologisch pakket 2. Archeologische interpretatie: het pleistoceen rivierterras bood gedurende enige tijd in het vroeg-Holoceen (laat paleolithicum) een begaanbaar oppervlak waarop verder stroomopwaarts ook resten van menselijke activiteit zijn aangetroffen.
Bewoningsresten zijn te verwachten in de intacte top van het pakket, de Laag van Wijchen. In de bodemopbouw van het noordelijk deel geldt deze verwachting echter niet, want het pakket is niet intact aanwezig, de Laag van Wijchen is afwezig, en in het vroeg Holoceen is hier vermoedelijk juist sprake van rivieractiviteit (zie lithologisch pakket 2). De archeologische verwachting is nihil. Beschrijving lithologisch pakket 2: deze afzetting bestaat uit een zware (Ks2), ongerijpte, blauwe kleilaag die in de meeste boringen licht- tot donkerblauwgrijs van kleur is. Vivianiet komt in deze laag regelmatig voor en ook deze verbinding hoort bij ongerijpte bodems. De textuur varieert licht en is soms ook sterk siltig of zandgelaagd. Aan de onderzijde van het pakket komen veenlagen voor, die soms kleiig en soms mineraalarm zijn en gelijktijdig zijn met de (vroege) afzetting van het pakket. De top van het pakket ligt doorgaans op circa 5,55,25 m +NAP en de basis ligt scherp en erosief op lithologisch pakket 1. Landschappelijke interpretatie: het pakket betreft vermoedelijk een vroeg-holocene overstromingspakket van komafzettingen, ofwel een (lokale) overstromingsvlakte. De lichtere (iets zandige of sterk siltige) afzettingen liggen vermoedelijk meer in de nabijheid van de geulen dan de zwaardere (kom)afzettingen. Oeverwallen lijkt dit systeem niet te hebben gekend.
In de overstromingsvlakte heerste een broekbosachtige omstandigheid die vooral in de beginfase van het systeem tot ontwikkeling kwam en waarbij plaatselijk veenlagen zijn gevormd. De afzetting betreft holocene rivierklei en wordt gerekend tot de Formatie van Echteld. De eindfase tekent zich aan de bovenzijde niet zeer scherp af met lithologisch pakket 3. Archeologische interpretatie: het laagpakket behoort niet tot de stroomgordelafzetting, maar vermoedelijk nog bij laatglaciale of vroegholocene terrasafzetting. De afzetting is niet primair gerijpt. De archeologische verwachting is nihil. Beschrijving lithologisch pakket 3: dit pakket betreft holocene rivierklei behorende bij een systeem met oeverwallen (stroomgordel) en is onder te verdelen in typerende stroomgordelafzettingen: komkleigebieden, oeverwallen, stroombeddingen, restgeulen en crevasses en de gradiënten ertussen. Het systeem is vermoedelijk gefaseerd. Fase 1 betrof hoofdzakelijk komafzettingen met op circa 5,5 – 5,25 m +NAP (ruwweg 2 -1,5 m -mv) een 35
Dit Laagpakket wordt zowel voor Formatie van Beegden als Formatie Kreftenheye beschreven
Blad 22 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
overgangsniveau van enkele decimeters dat kan worden getypeerd als een oude (natte) bodem. Dit overgangsniveau bevat mangaan- en of ijzerconcreties, op sommige plaatsen resten humus, zeer plaatselijk venig. In enkele boringen is de laag getypeerd als laklaag of vegetatieniveau.36 De zandigheid van het niveau verschilt, de rijping is matig. Fase 2 ofwel een reactivering van het systeem ligt direct boven dit overgangsniveau. De komklei bij dit systeem betreft een zware (Ks2) klei met een goede rijping. De oeverwallen of oeverwalachtige afzettingen bestaan respectievelijk uit zandige klei of klei met zandlaagjes (KS2/KS3Z1) en uit een matig siltige (KS2) tot sterk siltige klei (KS3) met siltlaagjes. De beddingen bestaan overwegend uit fijn zand, met wisselende hoeveelheid klei. De oude beddingen uit fase 1 worden van de jongere beddingen (of crevasse) gescheiden door een kleilaag (zie raaiprofiel A; afbeelding 5). De hoogste ligging van beddingzand is ongeveer 6,5 m +NAP en is aanwezig in boringen 61, 63 en 64 in de noordwesthoek van het terrein en 187 in het oostelijk deel van het terrein (afbeelding 5). Beddingzand boven 6 m +NAP is ook aanwezig is boringen 186, 189 (afbeelding 6). In enkel van deze boringen heeft het zand een humeuze top. In boring 187 is zelfs een bodem gevormd, zij het wat rommelig.
Behalve beddingen zijn ook restgeulachtige afzettingen aangetroffen: deze worden ten behoeve van de reconstructie tot de bedding gerekend. Tenslotte is in veel boringen ter hoogte van het genoemde overgangsniveau (soms ook iets hoger) in de klei een overslagpakket of crevasse aanwezig. Vooral ten zuiden van de stroomrug ligt deze over een relatief groot oppervlak. De hoogte van de crevasse komt overeen met de hoogteligging van het ‘beddingzand uit fase 1’ zoals aanwezig in enkele boringen in het oostelijk deel. Waarschijnlijk behoort de crevasse dus ook tot fase 1 van het systeem, maar het kan ook het beginstadium zijn van fase 2. In het crevassezand, overgangsniveau of vegetatieniveau zijn op enkele plaatsen houtskoolspikkels of -brokjes aangetroffen.37 Landschappelijke interpretatie: de afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld en meer specifiek tot de stroomgordel van het Wijchens Maasje. De aangetroffen geulen en beddingen vormen mogelijk een nevengeul van het systeem, aangezien de hoofdstroom van het Wijchens Maasje conform de gegevens van Cohen et al. 2012 (zie 471193-ABU3) een omtrekkende lijn vormt langs de oost- en noordzijde van het plangebied, met verwachte oeverwallen reikend tot in het plangebied. Het overgangsniveau in de komklei met ijzer- en mangaanconcreties wordt gezien als de markering tussen fase 1 en 2 van het systeem.
Het overgangsniveau wordt als bijna synchroon gehouden met de crevasseafzettingen, maar mogelijk hoort de crevase ook bij het beginstadium van fase 2. Het houtskool is in en om het overgangsniveau zeer verspreid aangetroffen en is niet specifiek te relateren aan archeologische vindplaatsen (afbeelding 9). Het overgangsniveau in de vorm van een vegetatiehorizont is eerder beschreven door Verbraeck38 als een periode van verminderde sedimentatie die vooraf ging aan de eindfase van activiteit. De vegetatiehorizont is koolstofgedateerd op 3450 ± 45 BP (GrN-6955) en dateert daarmee een kleine 500 jaar voor de eindfase. Archeologische interpretatie Fase 1: de gerijpte laag met ijzerconcreties, synchroon aan vegetatiehorizont/laklaag (3450 BP) betreft waarschijnlijk een zeer korte periode van begaanbaarheid van het gebied, maar mogelijk was het gebied ook nog vrij nat: hierop wijzen de ijzerconcreties (die mogelijk gevormd zijn rond de wortels van waterminnende planten) en de geringe mate van humusaanrijking (bodemvorming). De archeologische verwachting is voor deze laag onbekend tot gematigd voor de locaties waar een vegetatiehorizont aanwezig is en specifiek voor de periode midden-bronstijd. Archeologische interpretatie Fase 2: voor de komgronden geldt een lage verwachting voor bewoningsresten.
De komgronden zijn echter goed gerijpt dus resten van agrarische Boringen 12, 23, 24, 29, 39, 41, 47, 48, 51, 57, 194 Te weten in boringen 012, 015, 016, 053, 165, 170, 172 en 176 38 Verwijzing in Cohen et al. 2012, catalogus #184, p. 190 36 37
Blad 23 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
activiteit (zoals greppels, sloten, drenkkuilen e.d.) zijn wel te verwachten in de nabijheid van een eventuele nederzetting op de oeverwallen. Voor de brede zandige oeverwallen geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Brede oeverwallen zijn aangetroffen nabij de locaties met hoog opgeslibde beddingen. Voor deze hoog opgeslibde beddingen (zoals boringen 61, 63, 64 en 187, 186, 189) geldt eveneens een hoge verwachting, temeer daar de top van het zand mogelijke bodemvorming (vorming van een humushoudende bovengrond en/of podzolbodem) heeft plaatsgevonden. Voor de smalle kleiige oeverwallen geldt een gematigde verwachting: die locaties waren minder verkiesbaar dan de zandige oeverwallen. In boringen 182 en 185 is houtskool aangetroffen in de oeverwal/bedding39 en nabij boring 175 is aan het maaiveld een fragment (vermoedelijk) pingsdorf-aardewerk uit de middeleeuwen aangetroffen. Deze resten zijn mogelijk te relateren aan een archeologische vindplaats.
Legenda bij de dwarsprofielen (afbeelding 5 e.v.)
Het houtskool van boring 185 is verzameld voor eventuele datering: dit houtskool is aangetroffen in een begraven omgewerkte en humeuze laag op 1,1 tot 1,6 m -mv. 39
Blad 24 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 5. Dwarsprofiel A. Voor symboliek zie vorige pagina. Dit profiel toont een landschappelijke doorsnede van west naar oost met in het westen komafzettingen met onderin veenlagen (boringen 18-23) op de afzettingen van Beegden/Kreftenheye en een overgangsniveau binnen het kleipakket op circa 5,25 m +NAP, in hoogte overeenkomend met een overslagpakket/crevasse in boring 183. Dit overslagpakket komt in hoogte weer overeen met de ligging van een oude bedding (fase 1) zoals zichtbaar onderin boringen 185-187. De oude bedding is gereactiveerd (fase 2) en beddingzand is in boring 187 opgeslibd tot 6,5 m +NAP en daarin is ook een bodem ontwikkeld. Aan weerszijden van het beddingzand zijn zandige of siltige oeverwallen aanwezig en in boring 24 nog een restgeul. In het zandige traject van de oeverwal in boring 185 is houtskool aangetroffen.
Blad 25 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 6. Dwarsprofiel B. Dit profiel toont een dwarsdoorsnede door het riviersysteem waarbij de bedding van fase 2 in boring 189 hoog is opgeslibd en ook een humeuze top vertoont. De zandige bedding loopt door in boring 190 aan de oostkant en 031 aan de westkant. In boring 030 en mogelijk 029 is een restgeul aanwezig die respectievelijk zandig en venig is opgevuld. Dit profiel toont bovendien dat deze geul van het Wijchens Maasje in het substraat (zand van het rivierterras) is ingesleten ofwel het pad van oudere geulen op het terras heeft ingenomen.
Blad 26 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 7. Dwarsprofiel C. Dit profiel is zuid-noord gericht met hoog beddingzand in de uiterste noordwesthoek van het plangebied (boring 063). Aan de basis van de brede zandige oeverwal (boringen 060, 048 en 041) is het ‘overgangsniveau’ aanwezig in de vorm van een vegetatiehorizont of laklaag.
Blad 27 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 8. Dwarsprofiel D. Dit profiel is zuid-noord gericht met een crevasse van zand en zandige klei, meest prominent in boring 175 aanwezig, die naar boven toe overgaat in een oeverafzetting van zandige klei en sterk siltige klei, waarin in boring 175 nog een laklaagje is ingesloten op 6 m +NAP.
Blad 28 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 9. Fase 1 en overgangsniveau: voorkomen houtskool en vegetatiehorizont/laklaag. vegetatiehorizont/laklaag (in klei) houtskool (in laag)
Blad 29 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 10. Fase 2. Reconstructie van de ligging van de (neven)geul van het Wijchens Maasje, met oeverwallen (zandige klei of sterk siltige klei) en de onderliggende crevasse. Holoceen beddingzand en/of (rest)geulvulling oeverwal van zand- of siltgelaagde klei, al dan niet gelegen op bedding of geul overslag/crevasse ingeschakelde dunne zandlaag of zandige kleilaag in profiel houtskool (in laag) pingsdorf-aardewerk (oppervlaktevondst)
3.3.2
Bodemopbouw zuidelijk deel De bodemopbouw en genese van het zuidelijk deel is deels nog vergelijkbaar met het noordelijk deel, maar het grootste deel wijkt hiervan af door de aanwezigheid van lithologisch laagpakket 4: Beschrijving lithologisch pakket 4: lithologisch pakket 4 betreft matig fijn tot matig grof zand, met plaatselijke siltige (lemige) niveaus. Het zand is veelal geoxideerd en overal kalkloos. Het zand ligt soms scherp op lithologisch pakket 1 (zie boven, de laatglaciale rivierbedding) met als enig onderscheid oxidatie en verbruining in het bovenste zand, maar soms zijn de laagpakketten 1 en 4 ook gescheiden door een uiterst siltige, soms humeuze zandlaag op een diepte van 5,5 m +NAP. Landschappelijke interpretatie: zandpakket 4 wordt geïnterpreteerd als rivierduin (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen). Het is niet verwonderlijk dat het zand soms grof of zelfs fijngrindig is, terwijl het elders matig fijn is, aangezien dit zand hoofdzakelijk vanuit het rivierterras is opgestoven en dus zeer lokaal verwaaid zand betreft. De veelal wat kleiige of siltige, soms humeuze top van het pleistoceen rivierterras wordt geïnterpreteerd als restanten van de Laag van Wijchen (Formatie van Beegden/Kreftenheye). De laag is aangetroffen in boringen 126, 131, 143, 145, 148, 155, 156, 157, 160 en 161, echter meestal zeer rommelig.
Blad 30 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
De aanwezigheid van het Laag van Wijchen duidt op geringere erosie van lithologisch pakket 1 dan in gebieden die zijn overstroomd door lithologisch pakket 2 (vroegholocene rivierklei). Archeologische verwachting: de archeologische verwachting voor de Laag van Wijchen, onder het duinzand op circa 5,5 m +NAP, is in theorie hoog voor de periode laatpaleolithicum. De laag is niet eenduidig en niet zichtbaar intact aangetroffen en ook niet goed herkenbaar als paleosol, maar is aan de andere kant wel vrij consequent herkend in de boringen. De archeologische verwachting voor de top van het duinzand is voor het grootste deel van het plangebied gering. Aan de westzijde en in de directe nabijheid van de Vormerse Plas lijkt veel sprake van erosie alsook van recent menselijk ingrijpen (opwerpen van dijkje voor vermoedelijke werkwegen). In het oude bos, het gebied ingesloten tussen dit dijkje rond de Vormerse Plas, de Ravensteinseweg en het woonwagenkamp is (plaatselijk sprake van een afwijkende situatie). Dat er sprake is van relatief oude bosgrond wordt ook duidelijk door de aanwezigheid van micropodzolen (zoals in boring 154). Op het Bonneblad uit circa 1890 is de aanwezigheid van het bos zichtbaar (471193-ABU8). Vooral in boring 160 is het duinzand echter hoog opgewaaid (tot 8,1 m +NAP; vanaf maaiveld tot 1,85 m -mv) en bevindt zich een ‘vuile laag’ onder de huidige bosbodem.
Ook in de lager gelegen boringen in dit bos is deze vuile laag aanwezig (143, 149, 152, 154 en 155). Dit wijst vermoedelijk op de jongste fase van duinvorming (met humuspartikels). Deze laag ontbreekt elders, waar direct een gele C-horizont onder de recent omgewerkte lagen ligt. Alleen ter plaatse van het duin met ‘vuile laag’ geldt derhalve een middelhoge archeologische verwachting, met een hoge verwachting op de plaats waar sprake is van hogere opstuiving (boring 160). Komafzettingen Wijchens Maasje Ten aanzien van het Holocene kleipakket behorende tot het Wijchens Maasje (lithologisch pakket 3), dat aanwezig is op alle plaatsen waar geen duinzand aangetroffen is, geldt dat de verwachting over het algemeen laag is. Dit pakket vertoont in alle boringen rondom de plas, op het hondensportterrein, in de moestuin en in de akker (aan de Ravensteinseweg ten noorden van het woonwagenkamp) de kenmerken van komklei. Weliswaar waren op de akker ook zandige pakketten aanwezig, maar die worden geïnterpreteerd als ophoogmateriaal waar zij aan het maaiveld liggen. Zandlagen of zandige kleilagen op grotere en wisselende diepte (zoals in boringen 138, 139 en 140) worden niet geïnterpreteerd als bedding, maar als erosief materiaal dat van het duin is gespoeld. Bovendien ontbreken hierbij oeverwallen.
Ophogingspakket Ten aanzien van het opgehoogde terrein (de driehoek tussen de Randweg, de moestuin en de akker) geldt dat het zicht op de ondergrond niet volledig is, vanwege de puinrijke, met handgereedschap ondoordringbare ophogingslagen (tot 2 m dikte) die hier aanwezig zijn. Waar deze ophogingslaag wel is doorgeprikt blijkt sprake van komklei (matig siltige klei, Ks2), alleen in boring 120, 100 en 101 is ook sterk siltige klei (Ks3) aangetroffen, maar kenmerken om deze laag als oeverwal te interpreteren zijn niet gezien. Het is echter mogelijk dat zich hier uitlopers van oeverwallen bevinden die behoren bij de (bekende) bedding van het Wijchens Maasje die ten oosten van het plangebied heeft gestroomd.
Blad 31 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 11. Dwarsprofiel E. Dit profiel is noord-zuid gericht langs de oostkant van het terrein. Reeks 75-110 in deze raai is sterk opgehoogd met veelal komklei in de ondergrond. Reeks 118-138 betreft akker, waarbij opvalt dat de basis steeds zandig of siltig is. Dichterbij de rivierduin wordt het profiel aanmerkelijk zandiger (boring 138) met zelfs grindbijmenging. Vermoed wordt dat de zandigheid van de basis, alsook de zandlagen in de profielen nabij het rivierduin zijn ontstaan door erosie van het duin.
Blad 32 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 12. Dwarsprofiel F. Dit profiel is noord-zuid gericht langs de westkant van het terrein. Aan de noordzijde (boring 068) is een voortzetting van de profielen zoals bekend van het noordelijk deel van het plangebied: gerijpte komklei, overgangsniveau, blauwe ongerijpte klei op pleistocene basis (rivierterras). Dit verandert ter hoogte van boring 136, waar de blauwe kleilaag verdwijnt en de top van de Formatie van Beegden/Kreftenheye hoger komt te liggen met een kleiige top (restanten Laag van Wijchen). In boring 153 is nog geen rivierduin in het profiel, maar wordt de klei zandiger, vermoedelijk door erosie/afspoeling van duin. In boring 157 is een dun pakket duinzand aangetroffen (0,45 m dik) en in boring 161 een dikker pakket (vanaf maaiveld tot 1,85 m-mv). Boring 157 is extra diep doorgezet, waarmee de aanwezigheid van een grindpakket op 3,5 m +NAP (circa 4 m -mv) is aangetoond.
Blad 33 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 13. Reconstructie van de ligging van het rivierduin in het zuidelijk plangebied. rivierduinzand rivierduinzand met mogelijk intacte top (vuile laag) sterk siltige klei (mogelijke uitlopers kleiige oeverwal Wijchens Maasje)
3.3.3
Archeologie Oppervlaktevondsten De zichtomstandigheden waren in het noordelijk deel uiterst gunstig voor een oppervlaktekartering vanwege het feit dat vrijwel het gehele gebied40 akkerland betrof dat kort tevoren was geëgd in ingezaaid, terwijl het gewas nog niet was ontkiemd. Tevens was het weer zonnig en daarmee gunstig voor de vondstwaarneming. Deze omstandigheden golden ook voor het akkerperceel aan de Ravensteinseweg in het zuidelijk deel van het plangebied, ten noorden van het woonwagenkamp.41 In het overige deel van het plangebied golden ongunstige waarnemingsomstandigheden voor oppervlaktevondsten. Bij geval van gunstige vondstomstandigheden is conform PVA tijdens het veldwerk op de boorraai en tijdens het overige loopwerk op oppervlaktevondsten gelet. Eventuele vondsten zijn per dichtsbijzijnd boorpunt geregistreerd. Ondanks de veelal gunstige omstandigheden voor oppervlaktekartering is slechts één archeologische indicator aangetroffen. Dit betreft een wandscherf (mogelijk) pingsdorf-aardewerk aan het maaiveld in de omgeving van boring 175. Dit aardewerk dateert uit de middeleeuwen. In de ondergrond ligt hier een oeverwalachtige pakket van het Wijchens Maasje, met een begraven bodempje op een crevasse.
40 41
met uitzondering van boringen 203-206, 36-38, 42-46, 49-54, 58-59 Te weten boringen 117-118, 123-124, 127-129, 132-135, 139-141 en 146-147
Blad 34 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Het scherfje Pingsdorf-aardewerk kan een primaire lokale archeologische context in deze oeverwal hebben en door opspit of verploeging aan het oppervlakte terechtgekomen zijn. Er zijn geen overige oppervlaktevondsten waargenomen die wijzen op ophoging van het terrein met gebiedsvreemd (vondstrijk) materiaal. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een bij de doorbraak van de spoordijk verspoeld, grindrijk zandpakket in de zuidoosthoek van het noordelijk terreindeel. Indicatoren uit boringen In boringen 185 en 182 zijn brokjes houtskool herkend, die mogelijk gerelateerd aan de afzettingen van fase 2 van het Wijchens Maasje. Het houtskool in boring 182 is duidelijk afkomstig uit de oeverwal (fase 2). Het houtskool uit boring 185 is afkomstig uit een oeverwalachtige laag die hier (verdacht) rommelig en humeus is en direct op het overgangsniveau ligt (van fase 1 naar 2). Disclaimer De indicatoren zijn voor het uitgevoerde onderzoek niet alleszeggend. Het gaat hier immers om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats.
Blad 35 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
4
Conclusies en advies
4.1
Conclusies • •
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er landschappelijke of bodemkundige aanwijzingen aangetroffen die op de mogelijke aanwezigheid of nabijheid van een vindplaats kunnen wijzen?
De bodemopbouw en lithogenese wordt in detail behandeld in paragraaf 3.3.1 voor het deel van het plangebied dat ten noorden van de spoorlijn ligt en in paragraaf 3.3.2 voor het deel dat ten zuiden van de spoorlijn ligt. Uit deze beschrijving en interpretatie volgt een reconstructie van het prehistorische landschap die is verbeeld in afbeeldingen 9, 10 en 13. In de reconstructie ligt de nadruk op de (gereconstrueerde) morfologische eenheden met een archeologische verwachting. Het rivierduin kon met het uitgevoerde onderzoek duidelijk worden gekarteerd. In het zuidwesten van de Vormerse Plas vinden we nog een smal restant van het rivierduin terug, maar deze ligt in de marge van de werkweg rond de plas en de bovengrond is er verstoord tot 0,5 – 1 m -mv en de typerende ‘vuile duinlaag’ is er niet aanwezig (zie afbeelding 13). Aan de zuidoostzijde van de plas is de top van het rivierduin soms in geringe mate verstoord: hier is nog sprake van een vuile laag, die kan zijn ontstaan door jonge verstuiving of door (prehistorische) menselijke activiteit zoals ploegen of bosbouw. Dit pakket is bewaard gebleven door de aanwezigheid van een relatief oud bos (boomkamer). Boring 160 is in dit gebied het meest kansrijk door zijn hogere ligging.
Aan de noordelijke flank van de rivierduin heeft grootschalige natuurlijke erosie plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in zandlagen en aanzanding van de aangrenzende jongere komklei. De jongere komklei in de rest van het plangebied, buiten het rivierduin, is te relateren aan het Wijchens Maasje. De afzettingen van het Wijchens Maasje zijn gefaseerd. Fase 1 sluit af met een vegetatiehorizont of laklaag die zeer versnipperd aanwezig is (alleen in het noordelijk terreindeel, zie afbeelding 9), maar met een duidelijk concentratie in de uiterste noordwesthoek van het terrein, en elders in een pakket met ijzerconcreties (mogelijk gevormd rond wortels van waterplanten). Duidelijke beddingen of oeverwallen zijn voor fase 1 niet herkend. Bij fase 1 of bij het begin van fase 2 hoort een crevassedoorbraak. De vegetatiehorizont die fase 1 markeert is in de literatuur reeds eerder beschreven en C14-dateert op 3450 BP: dat is 420 C14 jaren voor het einde van de rivieractiviteit van fase 2 en valt in de midden-bronstijd. Fase 2 van het systeem van het Wijchens Maasje is gereconstrueerd op basis van beschrijvingen die behoren bij beddingen/restgeulen (stroomdraad) enerzijds en zand- en siltgelaagde pakketten (oeverwal) anderzijds (zie afbeelding 10). Boringen waarvan het profiel noch onder stroomdraad noch onder oeverwal kon worden geschaard betroffen uitsluitend komklei.
Uit de reconstructie volgt een stroomdraad dat via de westkant bij boring 200 het plangebied binnenkomt en iets meandert richting de noordwesthoek van het terrein. Vermoed wordt dat dit een nevengeul of zijarm van het Wijchens Maasje betreft, aangezien de hoofdgeul zich langs de oost en noordrand van het terrein bewoog. Deze geul is niet beschreven in de stroomgordelkaart van Cohen et al. 2012. De afzettingen van deze geul zijn vooral archeologisch relevant waar de bedding zeer hoog is opgeslibd (zand nabij het huidige maaiveld, zoals in boringen 061, 063, 064 en 187, 186, 189). In enkele van deze boringen is de top van het beddingzand humeus of met bodemvorming. De overige interessante locaties zijn de plaatsen waar de oeverwallen relatief zandig zijn en breed (meestal nabij de bedding). Deze brede oeverwallen zijn op twee plaatsen aangetroffen: in de uiterste noordwesthoek en aan de zuidzijde van de geul in de zuidoosthoek van het noordelijk terreindeel.
Blad 36 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Hoewel het onderzoek in eerste instantie een verkennend booronderzoek42 betreft kunnen ook in deze fase archeologische lagen of indicatoren worden aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een (mogelijke) archeologische vindplaats. Indien archeologische indicatoren of lagen zijn aangetroffen tijdens het veldwerk: op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Als het vindplaats betreft, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? In boring 182 en 185, beide onderdeel van de hierboven genoemde brede zandige oeverwal in het zuidoosten van het noordelijk deel van het plangebied, is houtskool in de boring aangetroffen. In boring 182 ligt dit houtskool duidelijk in de oeverwal. Dit houtskool kan een aanwijzing zijn van menselijk handelen, maar is dat niet per definitie. Aan het oppervlakte nabij boring 175 (op dezelfde oeverwal) is een scherf pingsdorf-aardewerk aangetroffen. Deze scherf kan relateren aan bewoning op de oeverwal in de middeleeuwen. De indicator is noch zwak, noch sterk want de akker bevat enerzijds weinig verontreiniging met gebiedsvreemd materiaal (hetgeen de geloofwaardigheid van de scherf vergroot) terwijl anderzijds één vondst toch te weinig is om een vindplaats te vermoeden. •
•
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Potentieel kunnen er in het plangebied meerdere vindplaatsen aanwezig zijn. De top van het oeverwalachtige pakket ligt nabij het maaiveld en dit geldt ook voor de hoogste beddingen en ook voor de vuile laag in het duin. Deze lopen dus bij doorvoering van de plannen een grote kans om verstoord te raken. Andere potentiele lagen bevinden zich dieper, zoals de Laag van Wijchen dat alleen mogelijk intact aanwezig is onder duinzand in het zuidelijk deel en de vegetatiehorizont/laklaag in het noordelijk deel. De vegetatiehorizont/laklaag ligt aan de onderzijde van de oeverwallen en soms onder komklei van fase 2. • Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? In principe is verstoring te voorkomen door het terrein op te hogen en in de opgehoogde laag te bouwen, waarbij voorafgaand de oude bodem niet dieper dan de huidige teelaarde wordt ontgraven. Echter, planaanpassing is voorbarig aangezien het onderzoek alleen kansrijke en kansarme plekken voor archeologie heeft aangewezen en er nog geen bewijs is gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats. •
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Met betrekking tot het rivierduin werd in het bureauonderzoek gesteld dat het zich ter plaatse van de Vormerse Plas heeft bevonden en dat er rondom de plas nog wel kans bestond op restanten van het duin. Deze verwachting is bevestigd voor de zuidrand en de zuidoostrand van de plas. Voor de verwachting op resten van het Wijchens Maasje leunde het bureauonderzoek sterk op de resultaten van een eerder booronderzoek uit 2005. Bij dat onderzoek zijn boringen tot 1 m-mv geplaatst, waarbij is geconcludeerd dat zich geen duidelijke oeverwallen en beddingen van het Wijchens Maasje zich binnen deze diepte bevonden, maar alleen matig tot sterk siltige komklei. In het huidige onderzoek zijn de boringen tot 3 m -mv uitgevoerd of tot in pleistocene riviervlakte (Formatie van Beegden/Kreftenheye). Hierbij blijkt dat bij boringen tot 1 m -mv de herkenbaarheid van oeverwallen gering is: de top van de oeverwallen, ook van de zandige oeverwallen, bestaan immers in dit gebied uit sterk siltige klei, die zich dus maar zeer subtiel van de komgrond (matig siltige klei) onderscheiden. Eerder werd geconcludeerd dat zich in het gebied geen beddingen bevonden (binnen 1 m -mv).
Deze beddingen binnen 1 m-mv In tegenstelling tot een karterend booronderzoek, dat tot doel heeft vindplaatsen op te sporen, heeft een verkennend booronderzoek alleen het doel om de situatie van de ondergrond in kaart te brengen, zoals de bodemopbouw en bestaande verstoringen. 42
Blad 37 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
komen echter wel voor (boring 187) maar zijn vermoedelijk vrij smal en daarom makkelijk te missen in een 40 x 50 m grid. •
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.
4.2
(Selectie)advies Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat voor het grootste deel van het plangebied een verwachting geldt, maar dat in de mate van verwachting een differentiatie kan worden aangebracht, waarbij een hoge verwachting geldt voor hoog opgeslibde beddingen van het Wijchens Maasje, de brede overwegend zandige oeverwallen (i.t.t. kleiige oeverwallen) en de rivierduinafzettingen met restanten van vuile laag of bodemvorming (onvergraven). Voor veronderstelde fase 1 van het riviersysteem is een hoge verwachting uitgesproken voor die plaatsen waar een vegetatiehorizont aanwezig is. Een middelmatige verwachting geldt ten slotte voor de vermoedelijke crevasse (eind fase 1 of begin fase 2 van het systeem) en de erratische laag op de overgang van rivierduin naar terras (mogelijk Laag van Wijchen). Antea Group heeft in revisie 00 van dit rapport geadviseerd om een karterend proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren voor de gebieden met een hoge verwachting en hiertoe een drietal omvangrijke zones in het plangebied geselecteerd die het meest kansrijk werden geacht en waar steeds meerdere van de genoemde verwachtingen samenvallen. Op basis van de resultaten van dat proefsleuvenonderzoek zou nader bepaald kunnen worden of uitbreiding van het onderzoek buiten de drie zones alsnog noodzakelijk is (i.e. selectie zonder vrijgave).
Ook werd echter geconcludeerd dat er ondanks het uitgevoerde onderzoek nog zoveel onbekend is omtrent de landschappelijke vorming van het plangebied en dat met het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek meer inzicht kan worden verkregen in de vroegere bewoonbaarheid van dit landschap. In overleg met de adviseur van de bevoegde overheid, E. van der Linden, is overeengekomen dat het laatste punt voorrang dient te krijgen en het proefsleuvenonderzoek dus gefaseerd moet worden uitgevoerd. Het vervolgonderzoek werkt daarmee van buiten naar binnen: met landschappelijke proefsleuvenonderzoek (i.t.t. karterend proefsleuvenonderzoek) nadere kennis van het vroegere landschap krijgen en van daaruit (i.c.m. resultaten van dit booronderzoek) de meest geschikte locaties binnen dat landschap uitzoeken om vindplaatsen op te gaan sporen (karterend proefsleuvenonderzoek). Het meest informatief voor dit doel zijn lange dwarsdoorsnedes. Voor het zuidelijk deel, ten noorden van de woonwagenkamp. betreft dat een sleuf haaks op de voormalig rivierduin: dit om de overgang van rivierduinerosiepakketten naar eventuele oeverwal en de verhaking hiervan te onderscheiden.
Blad 38 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Afbeelding 14. Advieszone ‘landschappelijk proefsleuvenonderzoek’ (groen gearceerd).
Afbeelding 15. Advieszone karterend proefsleuvenonderzoek (rood gearceerd) en landschappelijk proefsleuvenonderzoek (groen gearceerd).
Blad 39 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
In het noordelijk deel kan een lange noord-zuid gerichte proefsleuf worden aangelegd van de Groeneweg richting het spoor met een lange haakse proefsleuf dwars over de zuidelijke (brede zandige) oeverwal van de nevengeul, met medeneming van het zandpakket (hoge bedding van die geul). De zuid- en westrand van het noordelijk deel kan in lage dichtheid worden onderzocht, daar zijn hier en daar versnipperde resten van oeverwallen aanwezig en een crevasseachtig pakket. In het uiterste noordwesten van het plangebied, tegen de Groeneweg aan, kan de dichtheid wel iets hoger zijn vanwege de ligging in de nabijheid van de hoofdgeul van het Wijchens Maasje, met gerijpte oeverwallen en in de ondergrond een aaneengesloten zone met vegetatieniveau. Een uitzondering betreft de verwachting op intacte rivierduinafzettingen (met op dieper niveau mogelijke resten van Laag van Wijchen). Dit betreft een zone die voldoende is afgebakend met het booronderzoek en voor wat betreft de top van het rivierduin een zeer hoge verwachting heeft op archeologische complexen uit het midden-neolithicum tot vroege middeleeuwen. Nadere details van het voorgestelde gefaseerde proefsleuvenonderzoek (fase 1: landschappelijk; fase 2: karterend), waaronder gewenste dichtheid en omvang e.d., worden geformuleerd in een namens de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen. Antea Group Heerenveen, oktober 2022
Blad 40 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Literatuur en geraadpleegde bronnen Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.H. Geurts 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography. Utrecht University. Fens, R.L. & I. Fleuren, 2022. Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen plangebied Wijchen-West, gemeente Wijchen, provincie Gelderland. Antea Group, Oosterhout. Hoven, E., 2021: Bureauonderzoek plangebied Wijchen-West, gemeente Wijchen, provincie Gelderland. Antea Group Archeologie 2021/165. Antea Group, Oosterhout. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J.W.C. Peek & R.M van den Berg van Saparoea, 2013. Landschappen van Nederland; geologie, bodem en landgebruik. Wageningen Academic Publishers, Wageningen. Roodenburg, F., 2020: Bureau voor Archeologie Rapport 849. Vormerseweg 11, Wijchen, gemeente Wijchen: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase, Utrecht. Schorn, E.A., 2005: Plangebieden Groenstraat locatie 1 en 2 te Wijchen, gemeente Wijchen. BAAC-rapport 05.121, ’s-Hertogenbosch. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. Van der Poll, M., 2021: Gebiedsvisie en ontwikkelstrategie Wijchen-West, Oosterhout. Verboom-Jansen, M. & J. Rap, 2019.
Wijchen, Ravensteinseweg (ong.) en Woeziksestraat 649. Gemeente Wijchen (GD). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 2458. Transect, Nieuwegein. Vissinga, A., 2007: Wijchen (Gld.) - Winkelcentrum Achterlo Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport 2007-09/07, Zuidhorn. Vossen, I., 2008: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven en opgraving plangebied Lambrasse te Wijchen. Archeologische Rapporten Oranjewoud 2008/48, Heerenveen. Zomers, S. 2022. QuickScan Ontplofbare Oorlogsresten Wijchen West. Antea Group, Oosterhout. Internet ahn.maps.arcgis.com www.archis.cultureelerfgoed.nl www.atlasleefomgeving.nl www.ruimtelijkeplannen.nl https://martijnvanvulpen.nl/spoorgeschiedenis/overige-bedrijven-nl/100-nzos-spoorlijntilburg-nijmegen www.dinoloket.nl www.topotijdreis.nl
Blad 41 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Lijst van afbeeldingen en bijlagen Afbeeldingen in tekst Afbeelding 1. Afbeelding 2. Afbeelding 3. Afbeelding 4. Afbeelding 5. Afbeelding 6. Afbeelding 7. Afbeelding 8. Afbeelding 9. Afbeelding 10. Afbeelding 11. Afbeelding 12. Afbeelding 13. Afbeelding 14. Afbeelding 15.
Uitsnede topografische kaart met ligging van het exploitatiegebied (rood omlijnd) (Bron: Esri & partners). Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd). De gearceerde gebieden worden niet ontwikkeld (Bron: Esri en partners, zie voor een vergroting van deze kaart de kaartbijlage 471193-ABU2). Exploitatiegebied met woonvelden (blauw). De kruisgearceerde gebieden worden niet ontwikkeld (bron: Esri en partners, zie voor een vergroting van deze kaart de kaartbijlage 471193-ABU1). Raailijnen bij raaiprofielen A tot en met F, zie bijlage 3. Dwarsprofiel A. Dwarsprofiel B. Dwarsprofiel C. Dwarsprofiel D. Fase 1 en overgangsniveau: voorkomen houtskool en vegetatiehorizont/laklaag. Fase 2. Reconstructie van de ligging van de (neven)geul van het Wijchens Maasje, met oeverwallen (zandige klei of sterk siltige klei) en de onderliggende crevasse. Dwarsprofiel E. Dwarsprofiel F. Reconstructie van de ligging van het rivierduin in het zuidelijk plangebied. Advieszone ‘landschappelijk proefsleuvenonderzoek’ (groen gearceerd). Advieszone karterend proefsleuvenonderzoek (rood gearceerd) en landschappelijk proefsleuvenonderzoek (groen gearceerd).
Bijlagen 1 2 3
Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen 471193-ABU1 471193-ABU2 471193-ABU3 471193-ABU4 471193-ABU5 471193-ABU6 471193-ABU7 471193-ABU8 471193-ABU9 471193-ABU10 471193-ABU11 471193-ARO
Beschrijving van de archeologisch periodisering Beschrijving van de stappen in het archeologisch stelsel Beschrijving van de boorprofielen
Topografische kaart met ligging exploitatiegebied (rood omlijnd) en woonvelden Luchtfoto Stroomgordelkaart Cohen et al. 2012 Geomorfologische kaart (Stiboka/Alterra) Actueel Hoogtebestand Nederland Bodemkaart van Nederland (Stiboka/Alterra) Topografische en Militaire kaart 1850 Bonneblad 1890 Topografische kaart circa 2000 Gegevens uit ARCHIS Gemeentelijke beleidskaart Reeks situatiekaarten met de ligging van de boorpunten
Blad 42 van 43
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.
Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Bijlage 2: Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.
Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)
Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.
Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.
De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.
Bijlage 3: Boorprofielen Legenda (conform NEN 5104 / ASB) grind
klei Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand Zand, kleiïg
Zand, zwak siltig
leem Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
overig bijzonder bestanddeel
slib
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand
water
Projectnaam: Wijchen West Lokatienaam: Wijchen Projectnr. 471193ARO
Boring:
001
Boring:
002
Boring:
003
Boring:
004
Datum:
3-5-2022
Datum:
3-5-2022
Datum:
3-5-2022
Datum:
3-5-2022
Boormeester:
Richard Fens
Boormeester:
Richard Fens
Boormeester:
Richard Fens
Boormeester:
Richard Fens
X-coördinaat:
176185.00
X-coördinaat:
176235.00
X-coördinaat:
176284.00
X-coördinaat:
176334.00
Y-coördinaat:
424434.00
Y-coördinaat:
424440.00
Y-coördinaat:
424446.01
Y-coördinaat:
424452.00
Maaiveldhoogte: NAP 6.7
m
Maaiveldhoogte: NAP 6.8 0 (40)
650
40
(50)
600 90
m
akker Klei, matig stevig, sterk siltig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor, gebroken, scherp, bouwvoor Klei, stijf, matig siltig, zwak humeus, matig roesthoudend, neutraal bruingrijs, Edelmanboor, komklei, scherp, ijzerconcreties: weinig, Formatie van Echteld
Maaiveldhoogte: NAP 6.7 0 (40)
650
40
600