Wijchen-West 2023_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 10 Archeologisch bureau- en booronderzoek
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase plangebied Wijchen-West, gemeente Wijchen, provincie Gelderland
projectnummer 471193 revisie 01 26 oktober 2022
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase plangebied Wijchen-West, gemeente Wijchen, provincie Gelderland projectnummer 471193 revisie 01 26 oktober 2022
Auteurs E. Hoven (bureauonderzoek) R.L. Fens & I. Fleuren (veldonderzoek)
Opdrachtgever KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV Kanaalstraat 200 6541 XN Nijmegen
datum vrijgave 01-11-2022
beschrijving revisie 01 akkoord namens bevoegde overheid
gecontroleerd A.J. Brokke
vrijgave E.H. Bijvoet
Inhoudsopgave
Blz.
Samenvatting
2
1
Inleiding
5
2
Bureauonderzoek
6
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4
Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies voor vervolgonderzoek
6 6 7 7 8 11 12 13 13 18 18 18 19 20
3
Veldonderzoek
21
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3
Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw noordelijk deel Bodemopbouw zuidelijk deel Archeologie
21 21 23 25 33 37
4
Conclusies en advies
39
4.1 4.2
Conclusies (Selectie)advies
39 41
Literatuur en geraadpleegde bronnen
43
Lijst van afbeeldingen en bijlagen
44
Bijlagen 1 2 3
Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
471193 5233834100 Gelderland Wijchen Wijchen Wijchen-West
Kaartblad 45F centrumcoördinaat 176504/424348 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering veldonderzoek Type veldonderzoek Projectteam
KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV Antea Group april/mei 2022 IVO-O, verkennende fase (BRL4000 protocol 4003)Type f L. Bijvoet (projectleider) R. Fens (senior KNA-archeoloog en -prospector) I. Fleuren (archeoloog)
Vrijgave conform KNA A.J. Brokke (rapport bureauonderzoek BRL4000 protocol 4002) A.J. Brokke (rapport veldonderzoek BRL4000 protocol 4003) Bevoegd gezag Gemeente Wijchen Deskundige Bevoegd gezag Ester van der Linden Beheer documentatie Antea Group
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met ligging van het exploitatiegebied (rood omlijnd) (Bron: Esri & partners).
Blad 1 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Samenvatting KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV te Nijmegen bereidt in opdracht van de gemeente Wijchen de ontwikkeling voor van een circa 75 ha groot areaal ten westen van Wijchen. Het voornemen is om op deze locatie een nieuwe woonwijk te realiseren onder de projectnaam ‘Wijchen-West’. In voorbereiding op dit plan heeft Antea Group in 2021 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het omgevingsaspect archeologie. Dit archeologisch vooronderzoek is in april en mei 2022 aangevuld met een verkennend archeologisch booronderzoek, dit naar aanleiding van het advies uit het bureauonderzoek en afstemming hierover met de archeologisch adviseur van de gemeente Wijchen. Het bureauonderzoek is in eerste instantie separaat gerapporteerd1, maar is in onderhavig rapport integraal verwerkt. Bij de geplande aanbouw van Wijchen-West kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2), een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) is stap 2b. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Wijchen. Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Het uitgevoerde veldonderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie en daarmee het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek te toetsen. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
Resultaten bureauonderzoek Op basis van de verzamelde informatie – in het bijzonder grootschalige onderzoeken binnen het plangebied – kan ervan uitgegaan worden dat zich binnen het plangebied nog archeologische waarden bevinden. De bedreiging van deze waarden is echter afhankelijk van de diepte van de nog niet nader geplande bodemingrepen. Bij de rivierduin zijn archeologische waarden vanaf het maaiveld of net onder de bouwvoor te verwachten en voor de stroomgordelafzettingen in het oostelijke deel worden de archeologische waarden op 1 meter of dieper verwacht. Er wordt geadviseerd tot een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Dit onderzoek wordt gebiedsdekkend uitgevoerd, ook in het reeds eerder onderzochte deel aan de noordzijde. 1
Hoven 2021.
Blad 2 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Resultaten booronderzoek (IVO-O, verkennende fase) De bodemopbouw en lithogenese wordt in detail behandeld in paragraaf 3.3.1 voor het deel van het plangebied dat ten noorden van de spoorlijn ligt en in paragraaf 3.3.2 voor het deel dat ten zuiden van de spoorlijn ligt. Uit deze beschrijving en interpretatie volgt een reconstructie van het prehistorische landschap die is verbeeld in afbeeldingen 9, 10 en 13. In de reconstructie ligt de nadruk op de (gereconstrueerde) morfologische eenheden met een archeologische verwachting. Het rivierduin kon met het uitgevoerde onderzoek duidelijk worden gekarteerd. In het zuidwesten van de Vormerse Plas vinden we nog een smal restant van het rivierduin terug, maar deze ligt in de marge van de werkweg rond de plas en de bovengrond verstoord (zie afbeelding 13). Aan de zuidwestzijde van de plas is de top van het rivierduin soms in geringe mate verstoord: hier is nog sprake van een vuile laag, die kan zijn ontstaan door jonge verstuiving of door (prehistorische) menselijke activiteit zoals ploegen of bosbouw. Dit pakket is bewaard gebleven door de aanwezigheid van een relatief oud bos. Boring 160 is in dit gebied het meest kansrijk door zijn hogere ligging. Aan de noordelijke flank van de rivierduin heeft grootschalige natuurlijke erosie plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in zandlagen en aanzanding van de aangrenzende jongere komklei.
De jongere komklei in de rest van het plangebied, buiten het rivierduin, is te relateren aan het Wijchens Maasje. De afzettingen van het Wijchens Maasje zijn gefaseerd. Fase 1 sluit af met een vegetatiehorizont of laklaag die zeer versnipperd aanwezig is (alleen in het noordelijk terreindeel, zie afbeelding 9), maar met een duidelijk concentratie in de uiterste noordwesthoek van het terrein, en elders in een pakket met ijzerconcreties (mogelijk gevormd rond wortels van waterplanten). Duidelijke beddingen of oeverwallen zijn voor fase 1 niet herkend. Bij fase 1 of bij het begin van fase 2 hoort een crevassedoorbraak. De vegetatiehorizont die fase 1 markeert is in de literatuur reeds eerder beschreven en C14-dateert op 3450 BP: dat is 420 C14 jaren voor het einde van de rivieractiviteit van fase 2 en valt in de midden-bronstijd. Fase 2 van het systeem van het Wijchens Maasje is gereconstrueerd op basis van beschrijvingen die behoren bij beddingen/restgeulen (stroomdraad) enerzijds en zand- en siltgelaagde pakketten (oeverwal) anderzijds (zie afbeelding 10). Boringen waarvan het profiel noch onder stroomdraad noch onder oeverwal kon worden geschaard betroffen uitsluitend komklei. Uit de reconstructie volgt een stroomdraad dat via de westkant bij boring 200 het plangebied binnenkomt en iets meandert richting de noordwesthoek van het terrein.
Vermoed wordt dat dit een nevengeul of zijarm van het Wijchens Maasje betreft, aangezien de hoofdgeul zich langs de oost en noordrand van het terrein bewoog. Deze geul is niet beschreven in de stroomgordelkaart van Cohen et al. 2012. De afzettingen van deze geul zijn vooral archeologisch relevant waar de bedding zeer hoog is opgeslibd (zand nabij het huidige maaiveld, zoals in boringen 061, 063, 064 en 187, 186, 189). In enkele van deze boringen is de top van het beddingzand humeus of met bodemvorming. De overige interessante locaties zijn de plaatsen waar de oeverwallen relatief zandig zijn en breed (meestal nabij de bedding). Deze brede oeverwallen zijn op twee plaatsen aangetroffen: in de uiterste noordwesthoek en aan de zuidzijde van de geul in de zuidoosthoek van het noordelijk terreindeel. In boring 182 en 185, beide onderdeel van de hierboven genoemde brede zandige oeverwal in het zuidoosten van het noordelijk deel van het plangebied, is houtskool in de boring aangetroffen. In boring 182 ligt dit houtskool duidelijk in de oeverwal. Dit houtskool kan een aanwijzing zijn van menselijk handelen, maar is dat niet per definitie. Aan het oppervlakte nabij boring 175 (op dezelfde oeverwal) is een scherf pingsdorf-aardewerk aangetroffen. Deze scherf kan relateren aan bewoning op de oeverwal in de middeleeuwen.
De indicator is noch zwak, noch sterk want de akker bevat enerzijds weinig verontreiniging met gebiedsvreemd materiaal (hetgeen de geloofwaardigheid van de scherf vergroot) terwijl anderzijds één vondst toch te weinig is om een vindplaats te vermoeden.
Blad 3 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Selectieadvies Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat voor het grootste deel van het plangebied een verwachting geldt, maar dat in de mate van verwachting een differentiatie kan worden aangebracht, waarbij een hoge verwachting geldt voor hoog opgeslibde beddingen van het Wijchens Maasje, de brede overwegend zandige oeverwallen (i.t.t. kleiige oeverwallen) en de rivierduinafzettingen met restanten van vuile laag of bodemvorming (onvergraven). Voor veronderstelde fase 1 van het riviersysteem is een hoge verwachting uitgesproken voor die plaatsen waar een vegetatiehorizont aanwezig is. Een middelmatige verwachting geldt ten slotte voor de vermoedelijke crevasse (eind fase 1 of begin fase 2 van het systeem) en de erratische laag op de overgang van rivierduin naar terras (mogelijk Laag van Wijchen). Antea Group heeft in revisie 00 van dit rapport geadviseerd om een karterend proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren voor de gebieden met een hoge verwachting en hiertoe een drietal omvangrijke zones in het plangebied geselecteerd die het meest kansrijk werden geacht en waar steeds meerdere van de genoemde verwachtingen samenvallen. Op basis van de resultaten van dat proefsleuvenonderzoek zou nader bepaald kunnen worden of uitbreiding van het onderzoek buiten de drie zones alsnog noodzakelijk is (i.e. selectie zonder vrijgave).
Ook werd echter geconcludeerd dat er ondanks het uitgevoerde onderzoek nog zoveel onbekend is omtrent de landschappelijke vorming van het plangebied en dat met het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek meer inzicht kan worden verkregen in de vroegere bewoonbaarheid van dit landschap. In overleg met de adviseur van de bevoegde overheid, E. van der Linden, is overeengekomen dat het laatste punt voorrang dient te krijgen en het proefsleuvenonderzoek dus gefaseerd moet worden uitgevoerd. Het vervolgonderzoek werkt daarmee van buiten naar binnen: met landschappelijke proefsleuvenonderzoek (i.t.t. karterend proefsleuvenonderzoek) nadere kennis van het vroegere landschap krijgen en van daaruit (i.c.m. resultaten van dit booronderzoek) de meest geschikte locaties binnen dat landschap uitzoeken om vindplaatsen op te gaan sporen (karterend proefsleuvenonderzoek). Het meest informatief voor dit doel zijn lange dwarsdoorsnedes. Voor het zuidelijk deel, ten noorden van de woonwagenkamp. betreft dat een sleuf haaks op de voormalig rivierduin: dit om de overgang van rivierduinerosiepakketten naar eventuele oeverwal en de verhaking hiervan te onderscheiden.
In het noordelijk deel kan een lange noord-zuid gerichte proefsleuf worden aangelegd van de Groeneweg richting het spoor met een lange haakse proefsleuf dwars over de zuidelijke (brede zandige) oeverwal van de nevengeul, met medeneming van het zandpakket (hoge bedding van die geul). De zuid- en westrand van het noordelijk deel kan in lage dichtheid worden onderzocht, daar zijn hier en daar versnipperde resten van oeverwallen aanwezig en een crevasseachtig pakket. In het uiterste noordwesten van het plangebied, tegen de Groeneweg aan, kan de dichtheid wel iets hoger zijn vanwege de ligging in de nabijheid van de hoofdgeul van het Wijchens Maasje, met gerijpte oeverwallen en in de ondergrond een aaneengesloten zone met vegetatieniveau. Een uitzondering betreft de verwachting op intacte rivierduinafzettingen (met op dieper niveau mogelijke resten van Laag van Wijchen). Dit betreft een zone die voldoende is afgebakend met het booronderzoek en voor wat betreft de top van het rivierduin een zeer hoge verwachting heeft op archeologische complexen uit het midden-neolithicum tot vroege middeleeuwen. Nadere details van het voorgestelde gefaseerde proefsleuvenonderzoek (fase 1: landschappelijk; fase 2: karterend), waaronder gewenste dichtheid en omvang e.d., worden geformuleerd in een namens de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen. .
Blad 4 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
1
Inleiding KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV te Nijmegen bereidt in opdracht van de gemeente Wijchen de ontwikkeling voor van een circa 75 ha groot areaal ten westen van Wijchen. Het voornemen is om op deze locatie een nieuwe woonwijk te realiseren onder de projectnaam ‘Wijchen-West’. In voorbereiding op dit plan heeft Antea Group in 2021 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het omgevingsaspect archeologie. Dit archeologisch vooronderzoek is in april en mei 2022 aangevuld met een verkennend archeologisch booronderzoek, dit naar aanleiding van het advies uit het bureauonderzoek en afstemming hierover met de archeologisch adviseur van de gemeente Wijchen. Het bureauonderzoek is in eerste instantie separaat gerapporteerd2, maar is in onderhavig rapport integraal verwerkt. Bij de geplande aanbouw van Wijchen-West kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2), een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) is stap 2b. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Wijchen. Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Het uitgevoerde veldonderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie en daarmee het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek te toetsen. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
2 Hoven 2021
.
Blad 5 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
2
Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daarbij worden vragen gesteld als “Waar kunnen we wat verwachten?”. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.
2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
2.1.1
Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het plangebied ligt ten westen van Wijchen en wordt begrensd door de Groenestraat in het Noorden, de Randweg Noord en Westerdreef in het Oosten, de Ravensteinseweg in het Zuiden en in het Westen door de N845 (Drutenseweg; zie afbeeldingen 1 en 2). Het gebied wordt bijna centraal van West naar Oost doorsneden door spoorlijn Nijmegen richting Den Bosch en een weg (“De Beemd”). Het areaal omvat circa 75 ha.
Afbeelding 2: luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd). De gearceerde gebieden worden niet ontwikkeld (Bron: Esri en partners, zie voor een vergroting van deze kaart de kaartbijlage 471193-ABU2).
Het rode contour (plangebied) omvat het exploitatiegebied: het gebied waar nieuwe ontwikkelingen zijn gepland. In het exploitatiegebied zijn diverse woonvelden gepland (blauw op afbeelding 3). Daartussen worden nieuwe (ontsluitings)wegen, groen en water aangelegd. Het
Blad 6 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
exploitatiegebied kan afwijken van het bestemmingsplangebied. Tot het bestemmingsplangebied behoren (mogelijk) ook de bestaande percelen.
Afbeelding 3: exploitatiegebied met woonvelden (blauw). De kruisgearceerde gebieden worden niet ontwikkeld (bron: Esri en partners, zie voor een vergroting van deze kaart de kaartbijlage 471193-ABU1).
2.1.2
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het ten noorden van de spoorlijn liggende deel van het plangebied wordt ingenomen door akkers en is in agrarisch gebruik. In het zuidelijk deel bevinden zich direct ten zuiden van de spoorlijn zich moestuinen en een hondensportveld. Aan de oostkant, bij de Ravensteinseweg liggen akkers en een braakliggend stuk. Centraal westelijk in het zuidelijk deel ligt de Vormerse Plas, een zandwinplas, waar in het kader van de aanleg van de snelwegen A73 en A326 zand werd gewonnen. Rondom de plas veel jong bosaanplant. Aan de zuidoostkant van de plas bevindt zich een oud bos, waar ook op historische kaarten reeds sprake is van bos. Consequenties toekomstig gebruik De gemeente Wijchen heeft de ambitie om met een flink aantal woningen te groeien. WijchenWest is aangewezen als locatie waar een deel van deze groei plaats kan vinden. Om WijchenWest te transformeren tot woningbouwgebied heeft Antea Group de gebiedsvisie en ontwikkelstrategie Wijchen-West opgesteld waarin verschillende scenario’s besproken zijn.
Blad 7 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Concrete bouwplannen bestaan (nog) niet tijdens het schrijven van dit bureauonderzoek, maar er kan ervan uitgegaan de grond grootschalig en diep verstoord zal worden.3
2.1.3
Archeologisch beleid en regelgeving Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen. Delen van het plangebied hebben een dubbelbestemming waarde archeologie 2 en 3.4 Waarde 2 is als volgt gedefinieerd: bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. De onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de verstoringen door de werkzaamheden ondieper gaan dan 30 cm -mv en het oppervlak van de werkzaamheden minder is dan 120 m2. Waarde 3 is als volgt gedefinieerd: bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. De onderzoeksverplichting is niet van toepassing als de verstoringen door de werkzaamheden ondieper gaan dan 30 cm -mv en het oppervlak van de werkzaamheden minder is dan 1.000 m2.
In dit rapport wordt ervan uitgegaan dat de verstoringen dieper dan 30 cm onder het maaiveld reiken en het oppervlak van de werkzaamheden meer zijn dan 1.000 m2, waardoor een vrijstelling niet mogelijk is.
2.1.4
Landschappelijke situatie Geologie Het onderzoeksgebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied. Gedurende de Saale-ijstijd (de voorlaatste ijstijd) hebben de grote rivieren hun stroombedding in westelijke richting verplaatst, omdat het landijs de weg naar het noorden onmogelijk had gemaakt. Pas na het afsmelten van de ijsmassa’s (zo’n 120.000 jaar geleden) heeft de Rijn zijn noordwaartse afstroming kunnen hervatten. In het arctische klimaat, tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (tot 12.000 jaar geleden), waren de rivierbeddingen drooggevallen en werd het laagterras gevormd. Aan het eind van deze laatste ijstijd heerste wederom een koud klimaat. Uit het Maasdal waaiden grote hoeveelheden zand op uit de onbegroeide, droge delen van de rivierbeddingen, waardoor zich elders op het terras duinen vormden. Na de koude periodes voerden de Maas en de Rijn grote hoeveelheden sediment aan, die als oeverwallen en stroomruggen langs de huidige oevers worden aangetroffen. Als gevolg van doorbraken die regelmatig plaatsvonden, vormden zich overslaggronden. Achter de stroomruggen vormden zich de komgronden. In de gemeente Wijchen worden langs de noordelijke oever van de Maas uiterwaarden, oeverwallen, 3 4
Van der Poll, 2021. Ruimtelijkeplannen.nl; IMRO-idn: NL.IMRO.0296.BGBBuitengebied-DFO2
Blad 8 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
stroomruggen en komgronden aangetroffen, afgewisseld met diverse oude Maasbochten als gevolg van het meanderen van de Maas. Het plangebied ligt ten zuiden en westen van de stroomgordel van het Wijchens Maasje, die van 4765 tot 3020 jaar voor 1950 AD actief was (nrs. 702, 706, 184,707 op kaartbijlage 471193ABU3). Stroomruggen zijn van oudsher geschikt als bewoningslocatie vanwege de hogere en daardoor drogere ligging ten opzichte van de lager gelegen en natte kommen. Gebieden waar oever- en mogelijk ook beddingafzettingen voorkomen zijn geschikt geweest voor bewoning. Daarentegen zijn de delen waar komafzettingen voorkomen minder geschikt voor bewoning geweest. Geomorfologie en AHN Het grootste deel van het noordelijke plangebied ligt op een terrasvlakte (code M42, zie kaartbijlage 471193-ABU4, donkergroen). In het oosten is – lichtgroen op kaartbijlage 471193ABU4 – de boven reeds genoemde stroomgordel zichtbaar. Een stroomgordel is het complex van een rivierbedding met een oeverwal aan weerszijden van de geul. De grootste van het zuidelijke deel van het plangebied is niet gekarteerd en een deel ligt op terrasvlakte (code M42). In het zuiden tussen Vormerse Plas en de Ravensteinseweg ligt een rivierduin (geel op kaartbijlage 471193-ABU4). De rivierduin zal ook ter plaatse van de Vormerseplas hebben gelegen of op zijn minst gedeeltelijk, aangezien dat een zandwinningsplas is.
Of toch nog wat rivierduin bewaard gebleven is kan op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens niet worden beantwoord. Op de AHN vallen in het oosten en zuiden hoger gelegen delen op (geel op kaartbijlage 471193ABU5).In het Zuiden is de rivierduin op een hoogte van ca. 9 m + NAP goed zichtbaar, terwijl de reden voor het hogere niveau in het oosten op basis van het kaartmateriaal niet duidelijk is. Het westelijke deel van het plangebied ligt lager (7,12 m tot 6,74 m + NAP) dan het oostelijke deel (7,66 m tot 7,02 m +NAP). Bodem en grondwater Het plangebied wordt merendeels door drie bodemsoorten ingenomen (zie kaartbijlage 471193ABU6). In het Westen en Zuiden bevinden zich kalkloze poldervaaggronden (zavel en lichte klei, code Rn67C), in het Oosten kalkloze poldervaaggronden (zware zavel en lichte klei, code Rn95C) en in het Zuiden vorstvaaggronden (grof zand, code Zb30). De grondwatertrap varieert van V tot VII. Tabel 1. Overzicht van de GHG en GLG per grondwatertrap. Grondwatertrap Gemiddeld Hoogste Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (m -mv) Grondwaterstand (m -mv) I <0,20 <0,50 II <0,40 0,50-0,80 III <0,40 0,80-1,20 IV >0,40 0,80-1,20 V <0,40 >1,20 VI 0,40-0,80 >1,20 VII >0,80 VIII <1,40 -
Blad 9 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
2.1.5
Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie Het dorp Wijchen wordt voor het eerst in historische bronnen uit de 12e eeuw genoemd. De etymologische oorsprong van de naam is onbekend. Het kan in verband worden gebracht met een afleiding van het Germaanse woord wîh (heilig) of wîg (strijd).5 Op basis van historische kaarten vanaf de 19de eeuw is het gebied niet bebouwd (zie kaartbijlage 471193-ABU7). Er bevonden zich weilanden met perceelgreppels binnen het plangebied. Een uitzondering is een klein gebied in het zuiden bij de Ravensteinseweg: hier bevond zich – en bevindt zich nog steeds – een bos. De huidige bebouwing is pas vanaf de Tweede helft van de 20ste eeuw ontstaan.
2.1.6
Mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen kunnen veroorzaakt zijn tijdens de aanleg van de spoorlijn in de 19de eeuw.6 De lijn werd aangelegd en geëxploiteerd door de Nederlandsche Zuid-Ooster SpoorwegMaatschappij (1872-1892). Het spoordijkje ligt niet bijzonder hoog en er is geen reden om aan te nemen dat hiervoor (veel) lokale grond is benut. Volgens Schorn – zie hoofdstuk 3.1 – is er een hoogteverschil in het noordoosten van het plangebied die ontstaan is in de winter van 1925/1926.7 Bij een overstroming van de Maas is de spoordijk ten zuiden van het plangebied bezweken, waardoor het zand van de spoordijk in noordelijke richting als een waaier over de landbouwgronden is afgezet (nu nog in het terrein zichtbaar). In het zuidwesten van het plangebied bevindt zich de Vormerse Plas, een zandwinplas, waar in het kader van de aanleg van de snelwegen A73 en A 326 in de jaren 70 van de 20ste eeuw zand werd gewonnen. Volgens Archis was er geen archeologisch onderzoek voorafgaand de zandwinning. Volgens E. van der Linden (adviseur van de gemeente Wijchen) waren in 1971 alleen wat pogingen van de AWN om te 'redden wat er te redden viel' van de neolithische vindplaats die daar verstoord is door de graafwerkzaamheden.8 De hoogste kans op (lager gelegen) restanten van het rivierduin zijn aanwezig in het zuidoostelijk deel van het plangebied.
Ook aan de overzijde van de Ravensteinseweg is immers sprake van archeologische complexen op rivierduinen. In vergelijking met de huidige situatie valt op dat de indeling van de percelen vanaf de 19de eeuw niet grootschalig is veranderd. Blijkbaar heeft geen ruilverkaveling met bodemverstorende ingrepen plaatsgevonden. Wel is bij de aanleg van de Vormerse Plas een rondweg rondom de plas aangelegd en is de directe omgeving extensief beheer geraakt (jong bos en bosschages). Het deel van het terrein dat momenteel braakliggend is, dat is van het zuidelijke plandeel de noordoostkant, blijkt voor circa 20 jaar geleden bebouwd te zijn geweest (zie kaartbijlage 471193-ABU9). Archiefonderzoek is niet uitgevoerd, maar gesprek met lokale bewoners tijdens de uitvoering van het veldwerk (hoofdstuk 3) leert dat hier een fabriek heeft gestaan. De huidige Roodenburg, F., 2020, p. 14. Bron: https://martijnvanvulpen.nl/spoorgeschiedenis/overige-bedrijven-nl/100-nzos-spoorlijn-tilburg-nijmegen 7 Schorn, E.A., 2005, p.8. 8 Mededeling van E. van der Linden in haar opmerkingen op de eerste versie van dit rapport. De vondsten zijn trouwens niet op daadwerkelijke vindplaats op de kaart in Archis weergegeven. 5 6
Blad 10 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
hoge maaiveldligging is het gevolg van ophoging (zie resultaten uit het booronderzoek, hoofdstuk 3). Het is niet duidelijk of deze ophoging is uitgevoerd om het oorspronkelijke sloopvlak af te dekken of dat dit het bouwvlak van de bebouwing betrof. De grond is wel puinrijk en moeilijk doordringbaar.
2.1.7
Tweede Wereldoorlog Op het moment van verschijnen van dit rapport wordt een volledig historisch vooronderzoek uitgevoerd. Voor de resultaten wordt verwezen naar het te verschijnen rapport. Antea Group heeft voorafgaand aan dat onderzoek wel een Quickscan ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd.9 Nabij Nijmegen is tijdens Operatie Market Garden vanaf 17 september 1944 zwaar. Aangezien Wijchen binnen de zogenaamde Corridor lag, is het mogelijk dat alhier ook gevechten hebben plaatsgevonden. Verder is een bommenwerper neergestort ter plaatse van de Ravensteinsweg en heeft er een beschieting op een trein plaatsgevonden.
2.2
Bekende waarden
2.2.1
Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 1000 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 471193–ABU10 in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen het plangebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Ten Zuiden van de Ravensteinseweg ligt Monumentnummer 4229, een gebied met een hoge archeologische waarde. Als complextype is in Archis “nederzetting, onbepaald (IJzertijd laat – Romeinse tijd” aangegeven. Volgens de beschrijving in Archis gaat het om een “terrein met sporen van bewoning. Oude woongrond, vastgesteld bij de bodemkartering uit 1949. De donk is (deels?) afgegraven. Bij afgraving van de donk in het terrein Het Vormer, net ten noordwesten van dit terrein zijn nederzettingssporen uit het neolithicum en de bronstijd gevonden. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Binnen het plangebied heeft de AWN in 1971 zoals boven al vermeld vondsten aangetroffen.10 Het gaat om een klingschrabber (datering midden neolithicum,) en een spits (datering midden neolithicum).
Circa 200 m ten Noorden van de Noordwesthoek van het plangebied is in 1977 aardewerk en glas uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd gevonden.11 De vondstomstandigheden en de context zijn niet nader vermeld.
Zomers, 2022. Archis zaakidentificatienr 2708862100, objectnummer 698972 en objectnummer 701954. 11 Archis zaakidentificatienummer 3108523100, objectnummer 1039590. 9
10
Blad 11 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Ten noordoosten van het plangebied – tussen de Groenestraat en de A326 – heeft Antea Group in 2007 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (afbeelding 8, kaartbijlage 471193-ABU10; Archis zaakidentificatienummer 2143198100).12 Er is aardewerk uit de bronstijd en de Karolingische Tijd aangetroffen.13 Circa 300 m ten oosten van de noordoosthoek van het plangebied is een vondstmelding zonder datum en context vermeld.14 Het gaat om stenen objecten (bijl, hanger en slijpsteen) uit het neolithicum. Daarnaast is er een fibula uit de Romeinse tijd gevonden.15 Ten zuidoosten van de Ravensteinseweg zijn talrijke vondsten uit de periodes Neolithicum tot en met vroege middeleeuwen aangetroffen. De vondstomstandigheden en de context zijn niet bekend.16 Op dezelfde locatie zijn ook aardewerkscherven uit de Romeinse tijd gevonden. Ook hier zijn de vondstomstandigheden en de context niet bekend.17 Ten zuiden van het plangebied bij de Ravensteinseweg bevindt zich een cluster van vondsten ter hoogte van het hierboven vermelde AMK-terrein. Er zijn klingschrabbers en spitsen18 uit het midden neolithicum en een geretoucheerde afslag19 uit het neolithicum gevonden.
In 1949 zijn circa 100 m ten Zuiden van de Ravensteinseweg aardewerkvondsten die vanaf het neolithicum tot en met Romeinse tijd dateren gevonden.20 In de buurt van deze locatie zijn aardewerk en een fibula uit de Romeinse tijd gevonden.21 Ten westen van het plangebied is een laat-neolithische bladspits gevonden.22 Nadere info is niet aanwezig in ARCHIS. Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken Binnen en buiten het plangebied zijn onderzoeken in de vorm van bureau- en booronderzoeken en proefsleufonderzoeken uitgevoerd (zie kaartbijlage 471193-ABU10). Aangezien de talrijke waardevolle informatie die verzameld is tijdens de onderzoeken, worden deze in dit rapport nader beschreven. Eerder onderzoek in het noordoostelijk deel van het plangebied (BAAC, 2005) Binnen het plangebied - in het noordoosten - heeft BAAC in 2005 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zie kaartbijlage 471193-ABU10, Archis zaakidentificatienummer 2067933100).23 Omdat deze resultaten binnen het huidige plangebied liggen worden de resultaten hieronder samengevat. Binnen het 9,6 ha grote onderzoeksgebied (locatie 1 in het rapport) zijn boringen in een boorraster van 40 x 50 m tot minimaal 1 m -mv uitgevoerd.
Vossen, I., 2008. Archis zaakidentificatienummer 2143198100, objectnummer 109941. 14 Archis zaakidentificatienummer 2709112100, objectnummer 1108099. 15 Archis zaakidentificatienummer 2709112100, objectnummer 1108100. 16 Archis zaakidentificatienummer 2754002100, objectnummer 1037701. 17 Archis zaakidentificatienummer 2760897100, objectnummer 1041512. 18 Archis zaakidentificatienummer 2708862100, objectnummer 1108045. 19 Archis zaakidentificatienummer 3072146100, objectnummer 1108133. 20 Archis zaakidentificatienummer 2899359100, objectnummer 1106776. 21 Archis zaakidentificatienummer 3271203100, objectnummer 1095647. 22 Archis zaakidentificatienummer 3072138100 , objectnummer 1108129. 23 Schorn, E.A., 2005. 12 13
Blad 12 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Tijdens het veldwerk werd waargenomen dat het terrein afloopt in zuidelijke richting, waarbij het westelijke deel van het plangebied lager ligt (7,12 m tot 6,74 m + NAP) dan het oostelijke deel (7,66 m tot 7,02 m +NAP). Het hoogteverschil tussen deze twee helften is volgens Schorn ontstaan in de winter van 1925/1926.24 Bij een overstroming van de Maas is de spoordijk ten zuiden van het plangebied bezweken, waardoor het zand van de spoordijk in noordelijke richting als een waaier over de landbouwgronden is afgezet (nu nog in het terrein zichtbaar). Het zand is later verploegd met de bovenste kleilaag (blijkt ook uit de boringen, waarin de bovenlaag veel zand bevat). De boringen leverden het volgende resultaat: De opbouw van de bovenste 100 cm van de grond bestaat voornamelijk uit sterk siltige tot matig siltige klei, waarvan de geploegde bovenste 30 cm meestal matig humeus is. Dit zijn duidelijke komafzettingen. Op de oostelijke helft van het terrein bestaat de bovenste 30-50 cm van de ploeglaag uit sterk siltige klei, waarin een grote hoeveelheid zand van de spoordijkdoorbraak is bijgemengd. In een boring zijn oeverafzettingen van het Wijchens Maasje zijn aangetroffen. Deze bestaan uit zwak tot sterk zandige kleien.
Er werd geconcludeerd dat als er op de oostelijke helft van het terrein oever- en beddingafzettingen van het Wijchens Maasje aanwezig zijn, dan bevinden deze zich op een diepte van meer dan 100 cm beneden maaiveld. Het bodemprofiel wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een ACprofiel. Deze bestaat uit een humeuze matig siltige tot sterk siltige kleiige bovenlaag (Aphorizont), die meestal is geploegd tot een diepte van 30 cm (maximaal 50 cm), met daaronder matig siltige klei (C-horizont). Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Uit het veldonderzoek blijkt, dat binnen 100 cm beneden maaiveld alleen komafzettingen aanwezig. Deze afzettingen zijn vanwege de relatief lage ligging en vaak natte omstandigheden minder gunstig om archeologische bewoningssporen aan te treffen. Op de oostelijke helft van het terrein bevinden zich oever- en mogelijk beddingafzettingen van het Wijchens Maasje op een diepte van meer dan 100 cm beneden maaiveld. Mogelijk zijn hier nog archeologische bewoningssporen aanwezig. De kans om in de bovenste 100 cm archeologische sporen aan te treffen lijkt klein, gezien het voorkomen van komafzettingen en het ontbreken van archeologische indicatoren.
Op basis van het onderzoek werd het volgende geadviseerd: Gezien bovenstaande conclusies wordt er voor het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen, indien de bodemingreep niet dieper reikt dan 100 cm beneden maaiveld.25 Indien de bodemingreep in de toekomst wel dieper reikt dan 100 cm beneden maaiveld, dan wordt er voor het terrein een nieuw booronderzoek aanbevolen. Beneden deze diepte zijn oever- en mogelijk beddingafzettingen van het Wijchens Maasje aanwezig waarin archeologische sporen kunnen worden aangetroffen. Eerder onderzoek in het zuidoostelijk deel van het plangebied (Transect, 2019) In het zuidoostelijke deel van het plangebied (Archis zaakidentificatienummer 4751577100; zie kaartbijlage 471193-ABU10) is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door Transect in 2019.26 In het betreffende deelgebied Ravensteinseweg is de hoge verwachting gebaseerd op het aantreffen van archeologische resten gebaseerd op de aanwezigheid van het Wijchens Maasje. De diepst gelegen afzettingen in het deelgebied bestaan uit een pakket matig fijn, matig tot sterk siltig goed gesorteerd grijs zand, waarin geen bodemvorming zichtbaar is en zwak kalkhoudend is, vanaf een diepte van 95-180 cm -Mv (5,25-5,99 m +NAP) tot een maximale diepte van 150-240 Schorn, E.A., 2005, p.8. Schorn, E.A., 2005, p.12. 26 Nales, 2019 24 25
Blad 13 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
cm -Mv (4,65-5,44 + NAP). Het wordt geïnterpreteerd als een pakket beddingsafzettingen van het Wijchens Maasje, gebaseerd op de aanwezigheid van siltige banden en het kalkgehalte. Vanaf een diepte van 55-70 cm -Mv (6,19-6,74 m +NAP) is een pakket matig siltige zeer stevige klei aangetroffen, waarin sprake is van fijne roestvlekken. Het gehele pakket is kalkarm. In het pakket is verspreid sprake van dunne siltbandjes. Vermoedelijk betreffen het komafzettingen van het Wijchens Maasje (Formatie van Echteld). Vanaf maaiveld is sprake van een pakket sterk siltig zand en sterk zandige klei tot een diepte van 55-70 cm -Mv (6,19-6,74 m +NAP). Deze afzettingen zijn kalkarm en vertonen beperkte roestvlekken. De ondergrens van het pakket is geleidelijk, overgaand van bruingrijs naar vaal-lichtbruingrijs. Vanwege de geleidelijke overgang is het als een natuurlijk pakket geïnterpreteerd van oeverafzettingen (op komafzettingen) van het Wijchens Maasje. De oeverafzettingen vormen het archeologisch relevante niveau voor de periode Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen.
Eerdere onderzoeken buiten het plangebied Ten noordoosten van het plangebied – tussen de Groenestraat en de A326 – heeft Oranjewoud/Antea Group in 2007 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (afbeelding 8, Archis zaakidentificatienummer 2143198100).27 De aanleiding voor het archeologisch onderzoek vormde de nieuwbouw van een groot wooncomplex met starterswoningen tussen de A326 aan de noordzijde en de Groenestraat en Randweg Noord aan de zuidzijde. Het sleuvenonderzoek is in twee fasen uitgevoerd.28 In februari 2007 is een proefsleuf in het westen van het plangebied aangelegd, waar een vijver was voorzien (Fase 1). De tweede fase (Fase 2a) is uitgevoerd in april 2007, in het uiterste oosten van het plangebied. Hierbij is een proefsleuf aangelegd op het rivierduinzand. In deze sleuf is een mogelijke vondstlaag aangesneden uit, blijkens een fragment handgevormd aardewerk, de Bronstijd. Hierop is in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag besloten het proefsleuvenonderzoek met enkele sleuven uit te breiden. Tijdens deze fase (Fase 2b), uitgevoerd in mei 2007, zijn nog eens twee sleuven aangelegd bij het graven van de rioleringssleuf ten westen van het fietstunneltje, om de vondstlaag naar het westen toe te begrenzen. Ook is door Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen een sleuf aangelegd ter plekke van de nieuw te bouwen, westelijke woontoren (Fase 2c).
Tijdens Fase 2b en 2c zijn enkele sporen aangetroffen en een paar scherven aardewerk, waaronder Karolingisch aardewerk. Er is echter geen vondstlaag of vondstmateriaal uit de Bronstijd gevonden. Omdat de bouw van de oostelijke woontoren de (mogelijke) vindplaats uit de Bronstijd ten noorden van WP 2 (Fase 2a) zou verstoren, is in overleg met het bevoegd gezag en de opdrachtgever besloten ter plekke van het bouwvlak voor de woontoren een opgraving uit de voeren (Fase 3). Deze opgraving is eveneens uitgevoerd door Oranjewoud/Antea Group. Hierbij is in augustus 2007 één werkput aangelegd. De tijdens het proefsleuvenonderzoek in WP 2 vermoede vondstlaag blijkt naar alle waarschijnlijkheid geen vondstlaag. De aanwezigheid van een vindplaats uit de Bronstijd direct ten oosten van de fietstunnel is hiermee niet waarschijnlijk. De in totaal 9 sporen die als antropogeen kunnen worden aangemerkt, kunnen behoord hebben tot de tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen vindplaats uit de Karolingische periode/Volle Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van (dateerbaar) vondstmateriaal bij de opgraving (WP 6) is gelijktijdigheid evenwel niet aan te tonen.
Ongeveer 600 m ten Oosten van het plangebied werd in 2007 in het kader van de bouw van het winkelcentrum Achterlo een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (afbeelding 8, Archis zaakidentificatienummer 2167222100).29 Er zijn in totaal 20 grondboringen gezet om de bodemkwaliteit binnen het onderzoeksgebied te bepalen en de bodem te onderzoeken op de Vossen, I., 2008. Vossen, I., 2008, p.4 en Archis. 29 Vissinga, A., 2007. 27 28
Blad 14 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
aanwezigheid van archeologische indicatoren. Tijdens het veldwerk is duidelijk geworden dat in de meeste boringen de bodem tot op een diepte van 125 tot 195 cm beneden het maaiveld is verstoord met opgebracht bestratingszand en/of moderne materialen als vensterglas en PVC. De diepe verstoringen zijn zeer waarschijnlijk het resultaat van de graafwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden bij de aanleg van het winkelcentrum en de sportzaal. In de dieper uitgevoerde boringen zijn geen eenduidige archeologische indicatoren, duidelijke cultuurlagen of vegetatieniveau’s aangetroffen. Circa 300 m ten Zuiden van de Ravensteinseweg werd in 2019 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (afbeelding 8, Archis zaakidentificatienummer 4745834100).30 In het plangebied aan de Vormerse Weg 11 wordt een huis gebouwd met een omvang van ongeveer 120 m². De precieze locatie en diepte van de verstoring is onbekend omdat het project zich nog in de ontwerpfase bevindt. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op een rivierduin ligt die vanaf het ontstaan in het Laat Pleistoceen een gunstige bewoningslocatie is. Voor de rivierduin geldt daarom een brede verwachting voor archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Bij onderzoeken en waarnemingen in de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen waargenomen.
In het plangebied zijn vijf boringen gezet tot 130 en 150 cm -mv. Hieruit blijkt dat de rivierduin vanaf de top van het maaiveld aanwezig is. In de top is een antropogeen dek aanwezig. De bovenste 10 tot 40 cm van dit dek is een 20e - eeuwse bouwvoor. De rest van het dek bevat archeologische indicatoren bestaande uit sterk verweerde aardewerkfragmenten. Een aantal van deze fragmenten kunnen in de prehistorie worden gedateerd. Het vondstmateriaal bevat ook baksteen- en cementresten uit de Nieuwe tijd. Mogelijk is de laag geroerd bij ploegwerkzaamheden. De top van de ongeroerde natuurlijke bodem (BC- en C-horizonten) ligt tussen 55 en 110 cm -mv. Hierin kunnen sporen aanwezig zijn. Er werd geadviseerd op locaties waar graafwerkzaamheden dieper reiken dan 55 cm -mv een proefsleuven- of proefputtenonderzoek uit te voeren.
2.2.2
Ondergrondse bouwhistorische waarden Er bevinden zich geen ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied.31
2.3
Archeologische verwachting
2.3.1
Bestaande verwachtingskaarten Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke beleidskaart van Wijchen heeft de grootse deel van het plangebied een lage verwachting (groen), zie kaartbijlage 471193-ABU11.32 In het noordoosten en zuiden – aan de randen van het plangebied – bevinden zich delen met een hoge verwachting (oranje). Daartussen loopt van noord naar zuid een zone met een middelhoge verwachting (geel).
Roodenburg, F., 2020. atlasleefomgeving.nl 32 Bron beleidskaart: https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0296.BGBBuitengebiedDF02/tb_NL.IMRO.0296.BGBBuitengebied-DF02_1.pdf. 30 31
Blad 15 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
2.3.2
Gespecificeerde archeologische verwachting Het grootste gedeelte van het noordelijke plangebied ligt op een terrasvlakte van pleistocene rivierafzettingen die met jonger sediment zijn bedekt. Dit jongere sediment bestaat uit komafzettingen en stroomgordelafzettingen van het Wijchens Maasje, dat in het uiterst oostelijke gedeelte van het gebied is gesitueerd. In het zuiden is mogelijk een deel van het rivierduin bewaard gebleven dat op de terrasvlakte is gevormd. Gezien het feit dat er (nog) geen concrete bouwplannen bestaan waardoor de ligging en de diepte(s) van de toekomstige ingrepen onbekend zijn wordt de verwachting per landschappelijke zone opgesteld.33 Voor de rivierduin in het zuiden van het plangebied geldt een brede verwachting voor archeologische resten uit het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Bij onderzoeken en waarnemingen in de omgeving van het plangebied Vormerse Weg 11 zijn archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen waargenomen. Er zijn ook waarnemingen van de AWN bij de aanleg van de Vormerseplas dat daar een neolithische vindplaats is verstoord. In het plangebied zijn vijf boringen gezet tot 130 en 150 cm -mv. Hieruit bleek dat de rivierduin vanaf de top van het maaiveld aanwezig is. De top van de ongeroerde natuurlijke bodem (BC- en C-horizonten) ligt tussen 55 en 110 cm -mv. Hierin kunnen sporen aanwezig zijn.
Op de terrasvlakte zijn op basis van het onderzoek in 2005 komafzettingen aanwezig. Deze afzettingen zijn vanwege de relatief lage ligging en vaak natte omstandigheden minder gunstig om archeologische bewoningssporen aan te treffen. Op de oostelijke helft van het terrein bevinden zich oever- en mogelijk beddingafzettingen van het Wijchens Maasje op een diepte van meer dan 100 cm beneden maaiveld. Mogelijk zijn hier nog archeologische bewoningssporen aanwezig. De kans om in de bovenste 100 cm archeologische sporen aan te treffen lijkt klein, gezien het voorkomen van komafzettingen en het ontbreken van archeologische indicatoren. Bij een ander onderzoek van Transect binnen het plangebied, aan de oostkant van het zuiddeel van het terrein, is aan de bovenzijde van het bodemprfiel sprake van een zandige kleilaag boven de komafzettingen. Deze zandige afzetting is geïnterpreteerd als oeverwal van het Wijchens Maasje. Mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen kunnen zijn veroorzaakt tijdens de aanleg van de spoorlijn in de 19de eeuw. Bij een overstroming van de Maas is in 1925/1926 de spoordijk bezweken, waardoor het zand van de spoordijk in noordelijke richting als een waaier over de landbouwgronden is afgezet.
In het zuidwesten van het plangebied bevindt zich de Vormerse Plas, een zandwinplas, waar in het kader van de aanleg van de snelwegen A73 en A326 in de jaren ’70 van de 20ste eeuw zand werd gewonnen. Op deze locatie is een verstoorde neolithische vindplaats aangetroffen. In vergelijking met de huidige situatie valt op dat de indeling van de percelen vanaf de 19de eeuw niet grootschalig is veranderd. Blijkbaar heeft er geen omvangrijke ruilverkaveling plaatsgevonden.
Het in het Noordoosten gelegen deel van het plangebied met de stroomrug is reeds in 2005 onderzocht en valt buiten beschouwing in dit rapport. 33
Blad 16 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
2.4
Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Het onderzoeksgebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied. In het arctische klimaat tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (tot 12.000 jaar geleden) werd het laagterras gevormd. Aan het eind van deze laatste ijstijd heerste wederom een koud klimaat en waaiden uit het Maasdal grote hoeveelheden zand op uit de onbegroeide, droge delen van de rivierbeddingen, waardoor zich elders op het laagterras duinen (zogenoemde rivierduinen) vormden. Ook na de koude periodes voerden de Maas en de Rijn grote hoeveelheden sediment aan. De rivieractiviteit uit het Holoceen wordt vooral gekenmerkt door systemen met oeverwallen en stroomruggen langs de huidige oevers worden aangetroffen. Als gevolg van doorbraken die regelmatig plaatsvonden, vormden zich overslaggronden of crevasses. Achter de stroomruggen vormden zich de komgronden. In de gemeente Wijchen worden langs de noordelijke oever van de Maas uiterwaarden, oeverwallen, stroomruggen en komgronden aangetroffen, afgewisseld met diverse oude Maasbochten als gevolg van het meanderen van de Maas. Het plangebied ligt ten zuiden en westen van een stroomgordel die van 4765 tot 3020 jaar voor 1950 AD actief was (nrs. 702, 706, 184, 707).
Deze oude meanders, waarvan enkele armen nog als restgeul in het landschap ten zuiden van Wijchen herkenbaar zijn, staan ook wel bekend als het Wijchens Maasje. Stroomruggen zijn van oudsher geschikt als bewoningslocatie vanwege de hogere en daardoor drogere ligging ten opzichte van de lager gelegen en natte kommen. Gebieden waar oever- en mogelijk ook beddingafzettingen voorkomen zijn geschikt geweest voor bewoning. Daarentegen zijn de delen waar komafzettingen voorkomen minder geschikt voor bewoning geweest. Het rivierduin zal een hoog punt in het landschap hebben gevormd gedurende het gehele holocene tijdvak. Archeologische resten op dit duin zijn daarom te verwachten en reeds eerder aangetoond voor de periode neolithicum. Echter, naar verwachting is vrijwel het gehele duin deel afgegraven (thans Vormerse Plas) Daarnaast geldt ook voor het pleistocene rivierterras, met name de Laag van Wijchen, mits intact aanwezig, een hoge verwachting voor bewoningsresten voorafgaand aan de afzetting van het Wijchens Maasje (dus van voor circa 5000 jaar geleden).. Om het in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen is een booronderzoek uitgevoerd.
In het gebied van de rivierduin (het zuidelijk deel van het terrein) werd geadviseerd een IVO-O bestaande uit boringen uit te voeren vanwege de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en om de mate intactheid van het bodemprofiel te bepalen. Dit advies geldt ook voor het reeds onderzochte deel van het terrein aan de noordwestzijde van het terrein, aangezien destijds slechts tot 1 m-mv is geboord en oeverafzettingen van het Wijchens Maasje ook onder dat niveau kunnen voorkomen. Voor het gebied van de terrasvlakte (de rest van het plangebied) is geadviseerd een IVO-O door middel van diepere boringen uit te voeren om vast te stellen of vanaf deze diepte oever- en mogelijk bedding- of restgeulafzettingen van het Wijchens Maasje aanwezig zijn waarin archeologische sporen kunnen worden aangetroffen. Het vervolgonderzoek richt zich ook op het pleistocene rivierterras en de Laag van Wijchen.
Blad 17 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
3
Veldonderzoek IVO-O, verkennende fase
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: • Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? • Zijn er landschappelijke of bodemkundige aanwijzingen aangetroffen die op de mogelijke aanwezigheid of nabijheid van een vindplaats kunnen wijzen? • Hoewel het onderzoek in eerste instantie een intensief verkennend booronderzoek34 betreft kunnen ook in deze fase archeologische lagen of indicatoren worden aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een (mogelijke) archeologische vindplaats.
Indien archeologische indicatoren of lagen zijn aangetroffen tijdens het veldwerk: op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Als het vindplaats betreft, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? • In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? • Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? • In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? • Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Met de voorgenomen ontwikkelingen kunnen eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten worden gestoord. Het verkennend booronderzoek dient in de eerste plaats als toets op de archeologische verwachting en daarnaast om de mate van intactheid van de bodem (bestaande bodemverstoringen) vast te stellen zodat kan worden bepaald in hoeverre eventuele vindplaatsen (nog) intact in deze bodem aanwezig kunnen zijn. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek kan vervolgonderzoek worden geadviseerd in de vorm van bijvoorbeeld een karterend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek. In eerste instantie zal echter worden bepaald of bijvoorbeeld door planaanpassing schade aan archeologie vermeden kan worden. Wanneer geen intacte bodems en geen potentiële archeologische niveaus worden aangetroffen kan het advies worden gegeven om het plangebied vrij te geven, zonder nader onderzoek.
In tegenstelling tot een karterend booronderzoek, dat tot doel heeft vindplaatsen op te sporen, heeft een verkennend booronderzoek alleen het doel om de situatie van de ondergrond in kaart te brengen, zoals de bodemopbouw en bestaande verstoringen. 34
Blad 18 van 43
Antea Group Archeologie 2022/123 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 471193 26 oktober 2022 revisie 01 KlokGroep Bouw en Ontwikkeling BV
Uitvoering boringen Datum uitvoering Veldteam
Weersomstandigheden Methode conform Leidraad SIKB Motivatie methode
Boorgrid/-dichtheid Boortype
Aantal boringen Boordiepte Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/ paleo-landschap
Wijze inmeten boringen Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering Oppervlaktekartering Overig
03-05, 10-12, 18-19 mei 2022, 1 juni 2022 Richard Fens (senior KNA-prospector) Marcel van Dasselaar (senior KNA-prospector) Imke Fleuren (archeoloog) Maricke Modderkolk (KNA-prospector) Zonnig en warm (03-05 mei 2022, 10-12 mei 2022) Wisselvallig met onweer (19 mei, 1 juni 2022) n.v.t.: verkennend booronderzoek Om het in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen voeren we een booronderzoek uit. In het gebied van de rivierduin (het zuidwestelijk deel van het terrein) is geadviseerd een IVO-O bestaande uit boringen uit te voeren vanwege de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden onmiddellijk onder het maaiveld en om de mate intactheid van het bodemprofiel te bepalen. Voor het gebied van de terrasvlakte (de rest van het plangebied) is geadviseerd een IVO-O door middel van diepere boringen uit te voeren om vast te stellen of vanaf deze diepte oever- en mogelijk bedding- of restgeulafzettingen van het Wijchens Maasje aanwezig zijn waarin archeologische sporen kunnen worden aangetroffen. Het onderzoek richt zich ook op het pleistocene rivierterras en de Laag van Wijchen. Voor het verkennende veldonderzoek worden de boringen verricht met een Edelmanboor met een diameter van 6 cm voor de bovengrond (<1 m -mv) en een gutsboring en/of handmatige zuigerboring voor het in kaart brengen van diepere stroomgordelafzettingen.