CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024

Raad openbaar Wijchen 30 november 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 144243 beslisnota verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 202434.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 De raad van de gemeente Wijchen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 november 2023 gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Artikelen 3.8 en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet; Gezien het advies van de Wmo-raad Wijchen; Overwegende dat: - Burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - Van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - Burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; - Het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; - Het noodzakelijk is om

regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; - Het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen; Besluit vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 Artikel 1. Definities Alle begrippen die in deze verordening inclusief bijlagen worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Gemeentewet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo) en Jeugdwet. a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening levert (ook: zorgaanbieder); b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening;

1

c. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die - niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; - daadwerkelijk beschikbaar is; - een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; - deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; d. Andere voorziening: voorziening anders dan op het gebied van jeugdhulp, (jeugd)zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; e. Beschermd Thuis: de cliënt woont in zijn eigen (al of niet gedeelde) woning, eveneens met de benodigde begeleiding en een vorm van toezicht of bereikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). In deze gevallen is er ook een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt. De cliënt woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud; f.

Beschermd Wonen: verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden geleverd ten behoeve van een cliënt die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht i.v.m. risico op (zelf)verwaarlozing of overlast en intensieve ondersteuning nodig heeft; g. Budgethouder: een persoon met een pgb ingevolge deze verordening; h. Cliënt: persoon die woonachtig is in de gemeente Wijchen en die op grond van Jeugdwet of Wmo gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouder; i. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen; j. Deskundige: een (netwerk)medewerker van het Sociaal team Wijchen; k. Eigen kracht: de mate waarin de cliënt in staat is zelf de problemen op te lossen of te verminderen, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk (Jw), dan wel in hoeverre hij zelf, of samen met zijn directe omgeving als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie (Wmo); l.

Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Bij jeugdhulp de dagelijkse verzorging en/of opvoeding die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden; m. Herindicatie: het opnieuw vaststellen van de aard en mate van de zorgbehoefte; n. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp. o. Informele hulp: hulp door het eigen netwerk van een cliënt; p. Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Wijchen; q. Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening;

2

r.

Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; s. Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt; t. Overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of andere (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder of budgethouder zijn gemaakt; u. Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid; v. Pgb: bedrag waaruit de budgethouder een maatwerkvoorziening kan betalen; w. Pgb-aanbieder: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die ondersteuning geeft aan een cliënt met een persoonsgebonden budget (budgethouder); x. Professionele (zorg)aanbieder: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die voldoet aan alle kwaliteitseisen die gelden voor de ondersteuning die hij geeft aan een cliënt en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de cliënt; y. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; z.

Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 en artikel 14 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde in of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft; aa. Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en de uitkomsten hiervan (onderzoeksverslag); bb. Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. In de Wmo is dit begrip niet meer van toepassing; cc. Vrij toegankelijk aanbod: algemene voorziening waar gebruik van gemaakt kan worden zonder dat daarvoor een verwijzing of een besluit van het college nodig is. dd. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en/of de Jeugdwet. Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college of een andere daartoe door het college aangewezen organisatie, verder te noemen de andere organisatie, worden gemeld. 2. Het college of de andere organisatie bevestigt de ontvangst van een melding. 3.

Indien melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, voert het college of de andere organisatie in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6. 4. In spoedeisende gevallen verstrekt het college of de andere organisatie na de melding meteen een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter. 5. Een hulpvraag om jeugdhulp kan ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts, die ieder afzonderlijk kan verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is.

3

Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3. Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voorafgaande het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4. Vooronderzoek 1. Het college of de andere organisatie verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2. Voordat het gesprek plaatsvindt, verschaft de cliënt het college of de andere organisatie alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college of de andere organisatie voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. De cliënt verstrekt op verzoek van het college of de andere organisatie een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage, tenzij de spoedeisendheid zich hiertegen verzet. 4.

Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en/of derde lid. 5. Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om de hulpvraag schriftelijk te beschrijven in een persoonlijk plan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. 6. Het college of de andere organisatie brengt de jeugdige en zijn ouder op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. Artikel 5. Onderzoek 1. Het college onderzoekt voor zover nodig in samenspraak met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. Het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c.

de mogelijkheden om zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang: - op eigen kracht, of - met gebruikelijke hulp, of - met een algemene voorziening, of - met een algemeen gebruikelijke voorziening, of - met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk, of - met een wettelijke voorliggende voorziening, of - door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

4

e.

2.

3.

4. 5.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen; f. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; g. welke bijdrage in de kosten de cliënt voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en h. de mogelijkheid te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij de hulpvraag voldoende bekend is. Dan kan het college of de andere organisatie hier in overleg met de cliënt van afzien.

Artikel 6. Verslag 1. Het college of de andere organisatie zorgt voor een verslag. 2. Na het onderzoek verstrekt het college of de andere organisatie het verslag aan de cliënt. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. Artikel 7. Aanvraag 1. Een cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is afgerond. 2. Een aanvraag zoals bedoeld in lid 1 moet door aanvrager voorzien zijn van alle informatie en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op een aanvraag voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader. Artikel 8. Maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. Ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor

5

zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

b.

3.

Op eigen kracht; Met gebruikelijke hulp; Met mantelzorg; Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of Met algemene voorzieningen; De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of zijn ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige of de ouder een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag

Op eigen kracht of met zijn ouder; Met gebruikelijke hulp; Met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemene voorzieningen; Met gebruikmaking van andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld Gezond en veilig op te groeien; Te groeien naar zelfstandigheid, en Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. Als er een (mogelijke) aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. Als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; c. Als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Wijchen, met uitzondering van beschermd wonen 1 en opvang, of als de cliënt volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Wijchen valt; d. Als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor

1

Tijdelijk verblijf LVB valt niet onder beschermd wonen. Voor deze voorziening is het ingezetenencriterium dus onverkort van toepassing.

6

4.

5.

6.

schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; e. Als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond; f. Voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie; g. Voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; h. Voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht. Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat: a. De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest; b. Deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn; c. In het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, a.

Tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. Tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de vervangingskosten, of c. Als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. In het geval de beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐ clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; d. Ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en/of ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen (hadden) kunnen worden; e.

Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

7

7.

8.

Voor beschermd wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld. Voor opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: a. Een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; b. Een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; c. Een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; d. Er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; e. Een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënt in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; f. De eigen bijdrage (na meerdere waarschuwingen) niet betaald wordt; g. Er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.

Artikel 8a Wonen en zorg Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Artikel 9. Inhoud beschikking 1. Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af. 2. In een beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze als zorg in natura of als pgb wordt verstrekt en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura staat in ieder geval in de beschikking: a. Wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. Wat de omvang van de voorziening is, en d. Indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb staat in ieder geval in de beschikking: a. Wat het beoogde resultaat van de met het pgb te bekostigen voorziening is; b. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d.

Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt in de beschikking zowel daarover, als over de kostprijs van de voorziening dan wel de maximaal verschuldigde bijdrage geïnformeerd. Artikel 10. Regels voor pgb algemeen 1. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in zijn pgb-plan:

8

a.

2.

3.

4.

5.

Waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk, van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. Waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wil hebben of waarom hij een maatwerkvoorziening in natura in het kader van de Jeugdwet niet passend acht; c. Hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden. Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en WA-verzekering van een voorziening voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en dit geen onderdeel is van het pgb. Het tarief voor een pgb: a.

is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld pgb-plan over hoe hij het pgb wil gaan besteden; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; c. wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen zorgverleners; d. voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt; e. voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie of ziekte, verzekeringen en reiskosten. f. voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van een appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten. g. is een all-in tarief. Er is geen bestedingsvrij budget buiten het pgb-plan. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen: a. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor bemiddeling; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het Pgb; d. huur; e. eten en drinken; f. bijdrage in de kosten; g. contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; h. zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt; i.

zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; j. ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen. Indien de jeugdige nog geen achttien jaar is, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

9

6.

7. 8.

9. 10.

11.

Budgethouders moeten de zorgverlener(s) via een declaratie of factuur laten uitbetalen. Budgethouders mogen geen vaste maandlonen afspreken met hun zorgverlener(s). Declaraties of facturen kunnen tot uiterlijk 1 april van het volgende kalenderjaar worden ingediend bij de SVB. Een pgb moet binnen zes maanden na toekenning door de cliënt zijn aangewend ten behoeve van het beoogde resultaat waarvoor het is verstrekt. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het Pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, genoemd in de financiële bijlage. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een Pgb zoals bedoeld in de artikelen 8a en 10 tot en met 13. Bij tussentijdse wijziging van zorgaanbieder mogen uitgaven uit het pgb budget pas gedaan worden nadat door het college is vastgesteld dat de nieuwe zorgaanbieder voldoet aan alle wettelijke en aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen. Verstrekking in de vorm van pgb vindt niet of niet langer plaats als: a.

op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b.er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; c.er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

Artikel 11. Regels voor pgb professionele zorg 1. Dit artikel heeft betrekking op de professionele zorgaanbieder die middels een pgb wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. 2. In het hulpverleningsplan leggen budgethouder en het college vast binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het pgb-plan is aangegeven. 3. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie ook aan te geven welk resultaat met het pgb is behaald en of aan de voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet, is voldaan. 4. De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 5. De zorgaanbieder die professionele zorg wil geven moet voldoen aan alle wettelijke, bovenwettelijke en/of aanvullende gemeentelijke criteria en kwaliteitseisen zoals vastgelegd in bijlage 4.

Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college (bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject) en het college is van oordeel dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets, wordt geen pgb toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw getoetst te worden aan de kwaliteitseisen. 6. Als de zorgaanbieder niet (meer) voldoet aan de kwaliteitseisen, er sprake is verwijtbaar handelen of van voortdurende wanprestatie, kan het college een

10

waarschuwing geven of de zorgaanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel 12. Regels voor pgb informele zorg (sociaal netwerk) 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden en kennissen. 2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. 3. De cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan de hulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Bij de beoordeling van de aanvraag maakt de gemeente voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de cliënt gebruik van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ. 4. Als een pgb wordt verstrekt voor hulp die geboden wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals. 5.

Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a. Het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling); b. De frequentie van de hulp; c. Een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; d. De mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?); e. Kwaliteit van de ondersteuning. Deze kwaliteit wordt gevormd door de nabijheid van ondersteuner; f. Pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; g. Als volgens (landelijk) geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben; h. De persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. i. De cliënt moet een pgb-plan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het pgb-plan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is.

Deze activiteiten worden vervolgens in uren of dagdelen per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder. 6. In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden is een pgb voor hulp uit het sociale netwerk met uitzondering van hulp bij het huishouden alleen mogelijk in uitzonderingssituaties en bij zwaarwegende omstandigheden en als voldaan is aan alle hierna genoemde voorwaarden.

11

a. b.

c.

Degene die de hulp geeft is aantoonbaar deskundig. De deskundigheid moet worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring. Degene die de hulp op grond van de Wmo geeft lijdt een vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van intensieve mantelzorg, of moet extra kosten maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden. Bij jeugdhulp kan geen pgb worden gegeven bij inkomstenderving of extra kosten, tenzij het geven van de hulp leidt tot en structureel financieel gezinsprobleem. Pgb door het sociaal netwerk leidt tot aantoonbaar betere/efficiëntere ondersteuning.

Artikel 13. Regels voor pgb-beheer 1. Alleen als de pgb-beheerder tevens ouder of familie in de eerste of tweede graad van de cliënt is kan een pgb voor de voorziening begeleiding, dagbesteding of beschermd wonen Wmo 2015 worden toegekend aan een cliënt die niet zelf in staat is om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning. In alle andere gevallen kan de pgb-beheerder de cliënt ondersteunen in het Pgb-beheer, maar niet volledig in de plaats treden van de cliënt. 2. Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional is een vertegenwoordiger die zijn diensten tegen marktconform tarief levert. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling. 3. De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 4. De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal, er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling.

De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of een op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen. 5. De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6. De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en de zorgverlener. 7. De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8. Kosten voor pgb-beheer mogen niet worden voldaan uit het pgb. Artikel 14. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) 1. Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd: a. Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder die bijdrage vraagt, voor Huishoudelijke Hulp Toelage (HHT) en voor Ambulante begeleiding die als algemene voorziening wordt aangeboden. b. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd.

12

2. 3. 4.

5. 6. 7.

Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. Door een aanbesteding; b. Na een consultatie in de markt, of c. In overleg met de aanbieder. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag. In de financiële bijlage bij deze verordening wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt.

Artikel 15 Bijdrage in de kosten van collectief vervoer 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van de eigen bijdrage voor de voorziening AVAN (GR BVO Dran) € 0,19 per kilometer en een eenmalige bijdrage van € 1,08 per rit als opstaptarief. Deze bijdrage valt niet onder het abonnementstarief. 2. De onder lid 1 vermelde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil 1-1-2023. Deze worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen ten aanzien van de gehanteerde prijsindex (NEA index en CPI index), en gewijzigde btw- en vervoerstarieven. 3. Als toepassing is gegeven aan lid 2, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 2. De zorgaanbieder dient zelfregie en redzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix. 3. De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving. 4. Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid, cultuurintensief en LHBTIQ+ sensitief werken. 5.

Zorgaanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Er op toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 6. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van zorgaanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele

13

7.

8.

verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de zorgaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Indien een zorgaanbieder aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 4. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende zorgaanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. 2. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen. 3. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening meteen aan de toezichthoudend ambtenaar. 4. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 5. Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Wijchen. 6. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 18. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen voorzieningen, misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet 1.

Het college informeert de cliënt of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Een cliënt doet aan het college of de andere organisatie op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing. 3. Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

14

4.

5.

6.

7.

8.

a. De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid; b. De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; c. De maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; d. De cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of; f. De cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; g. De cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening; h. Onzorgvuldig gebruik van een in natura verstrekte voorziening. Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan worden ingetrokken als na onderzoek door het college blijkt dat het pgb niet binnen zes maanden na toekenning is aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt.

Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Wmo 2015 heeft ingetrokken en de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Jeugdwet heeft ingetrokken kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening of de restwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd. Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.

Artikel 18a Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt sprake is van een ernstig vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 eerste lid onder a, d of e van de Wet. 2. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18 derde lid onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers wordt vastgelegd in de financiële bijlage bij deze verordening.

15

Artikel 20. Bijdrage extra kosten chronisch zieken 1. Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. Een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b.

Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. De kosten van de beroepskracht; b. Redelijke overheadkosten; c. Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het bepaalde in artikel 21 is van overeenkomstige toepassing bij subsidieverlening aan een derde. Artikel 22. Klachtregeling 1. Het college draagt er zorg voor dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.

Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor

16

maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 24. Controle en onderzoek 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 (kwaliteit en rechtmatigheid) of Jeugdwet (rechtmatigheid). 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel 25 Reikwijdte 1.

Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. 2. Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als maatwerkvoorziening door de gemeente Wijchen wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Wijchen wordt bekostigd. 3. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, Wmo 2015, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten. 4. Voor het toezicht op het bij of krachtens de Jeugdwet gestelde geldt dat toezicht door of namens het college zich beperkt tot rechtmatigheidsaspecten. Artikel 26 Toezicht 1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten. 2. Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de wet. 3. De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels. 4.

Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning. 5. Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden.

17

6. 7.

Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten. De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: a. kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is; b. materiële controle, een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing; c. formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken; d. detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Wijchen, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek; e. fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben. f. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

Artikel 27 Bevel 1. De toezichthouder zoals bedoeld in artikel 24 van deze verordening kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een pgb, dan wordt de budgethouder onmiddellijk door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel. 2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt direct zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college. 3. Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, is maximaal zeven dagen geldig. Dit bevel kan door het college worden verlengd. 4. De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een pgb-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder.

Artikel 28 Inspectierapport 1. De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 25 vast in een inspectierapport. 2. Voordat het inspectierapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de aanbieder in een bijlage bij het rapport.

18

3.

4.

De toezichthouder zendt het definitieve inspectierapport onmiddellijk aan de aanbieder en het college. Het college stuurt het door naar eventuele budgethouders. Het inspectierapport wordt na vaststelling openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.

Artikel 29 Aanwijzing 1. Als gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2. Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot: - het opleggen van sancties, - of het ontbinden van de overeenkomst, - of intrekken van het subsidiebesluit. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college gemotiveerd aan: - op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd; - de in verband daarmee te nemen maatregelen; - de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit wordt in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. 5. Als de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan of meerdere keren toe te passen. Artikel 30 Hersteltermijn 1. Een hersteltermijn duurt maximaal 12 weken. 2.

Als beëindigen van de overtreding binnen 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is kan het college in afwijking van lid 1 een andere hersteltermijn bepalen. Artikel 31 Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1. Tijdens het hersteltraject kan het college besluiten dat: a. geen (her)indicaties worden afgegeven waarbij de aanbieder als leverancier genoemd wordt. b. zorgovereenkomsten waarin de aanbieder als pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd worden. c. De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een pgb ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2. De aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 3. De aanbieder (bij een pgb : de budgethouder) moet tijdens de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering. Artikel 32 Vervolgonderzoeksrapport 1. Na de in artikel 30 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.

19

2.

De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 28 is ook van toepassing op het vervolgonderzoeksrapport.

Artikel 33 Handhavingsmaatregelen 1. Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen: a. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; b. een last onder bestuursdwang opleggen; c. een last onder dwangsom opleggen. 2. Het college kan: a. de aanbieder verbieden de hulp te leveren, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt. b. Het toekenningsbesluit op grond van artikel 2.3.10, eerste lid van de wet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een pgb onverlet laat. Artikel 34 Inzet privaatrechtelijke maatregelen 1. Op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het College en de aanbieder zijn gemaakt kunnen privaatrechtelijke maatregelen worden ingezet. 2. Als een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet (volledig) heeft voldaan aan de opgelegde verplichting tot verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3. Als de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. Artikel 35 Register 1. Door en/of namens het College wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 2.

Als voor een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld. Artikel 36 Meldingsplicht 1. Een aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) is verplicht het college direct schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan. 2. Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (bij een pgb: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan. Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende

20

3.

4.

maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2021 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2021 , totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatieperiode is verstreken. 3. Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening . 4. Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2021, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening. Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels en/of beleidsregels stellen voor de uitvoering van deze verordening. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=da8a4335-5fca-4cec-8731-c59cbb590b82