Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026
Tekst van het document
Bij een herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot schorsing of beëindiging van de verstrekte maatwerkvoorziening of beëindiging van de toegang tot de algemene voorziening. 3. Het college kan nadere regels stellen
Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers wordt vastgelegd in de financiële bijlage bij deze verordening. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en vorm de waardering kan worden verstrekt. Artikel 20. Bijdrage extra kosten chronisch zieken 1. Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.
21
2.
Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.
Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. Een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. De aard en omvang van de te verrichten taken; b. De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. Een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.
Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. De kosten voor bijscholing van het personeel; f. Cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; g. Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; h. Kosten voor indexering. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het bepaalde in artikel 21 is van overeenkomstige toepassing bij subsidieverlening aan een derde. Artikel 22. Klachtregeling 1. Het college draagt er zorg voor dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen. 3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor
22
maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 24. Controle en onderzoek 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 (kwaliteit en rechtmatigheid) of Jeugdwet (rechtmatigheid). 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel 25 Reikwijdte 1.
Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. 2. Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als maatwerkvoorziening door de gemeente Wijchen wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Wijchen wordt bekostigd. 3. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, Wmo 2015, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten. 4. Voor het toezicht op het bij of krachtens de Jeugdwet gestelde geldt dat toezicht door of namens het college zich beperkt tot rechtmatigheidsaspecten.
Artikel 26 Toezicht 1. Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten. 2. Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de wet. 3. De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels. 4. Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning. 5. Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden.
23
6. 7.
Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten. De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: a. Kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is; b. Materiële controle, een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing; c. Formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken; d. Detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Wijchen, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek; e. Fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben. f. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.
Artikel 27 Bevel 1. De toezichthouder zoals bedoeld in artikel 24 van deze verordening kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een pgb, dan wordt de budgethouder onmiddellijk door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel. 2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt direct zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college. 3. Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, is maximaal zeven dagen geldig. Dit bevel kan door het college worden verlengd. 4. De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een pgb-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder. Artikel 28 Inspectierapport 1. De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 25 vast in een inspectierapport. 2.
Voordat het inspectierapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de aanbieder in een bijlage bij het rapport. 3. De toezichthouder zendt het definitieve inspectierapport onmiddellijk aan de aanbieder en het college. Het college stuurt het door naar eventuele budgethouders.
24
4.
Het inspectierapport wordt na vaststelling openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.
Artikel 29 Aanwijzing 1. Als gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2. Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot: - het opleggen van sancties, - of het ontbinden van de overeenkomst, - of intrekken van het subsidiebesluit. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college gemotiveerd aan: - Op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd; - De in verband daarmee te nemen maatregelen; - De hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit wordt in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. 5. Als de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan of meerdere keren toe te passen. Artikel 30 Hersteltermijn 1. Een hersteltermijn duurt maximaal 12 weken. 2.
Als beëindigen van de overtreding binnen 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is kan het college in afwijking van lid 1 een andere hersteltermijn bepalen. Artikel 31 Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1. Tijdens het hersteltraject kan het college besluiten dat: a. Geen (her)indicaties worden afgegeven waarbij de aanbieder als leverancier genoemd wordt. b. Zorgovereenkomsten waarin de aanbieder als pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd worden. c. De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een pgb ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2. 3.
De aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. De aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) moet tijdens de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering.
Artikel 32 Vervolgonderzoeksrapport 1. Na de in artikel 30 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw. 2. De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 28 is ook van toepassing op het vervolgonderzoeksrapport. Artikel 33 Handhavingsmaatregelen
25
1.
2.
Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen: a. (Opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; b. Een last onder bestuursdwang opleggen; c. Een last onder dwangsom opleggen. Het college kan: a. De aanbieder verbieden de hulp te leveren, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt. b. Het toekenningsbesluit op grond van artikel 2.3.10, eerste lid van de wet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een pgb onverlet laat.
Artikel 34 Inzet privaatrechtelijke maatregelen 1. Op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het College en de aanbieder zijn gemaakt kunnen privaatrechtelijke maatregelen worden ingezet. 2. Als een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet (volledig) heeft voldaan aan de opgelegde verplichting tot verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3. Als de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. Artikel 35 Register 1. Door en/of namens het College wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 2. Als voor een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld. Artikel 36 Meldingsplicht 1. Een aanbieder (bij een pgb: de budgethouder) is verplicht het college direct schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan. 2. Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (bij een pgb: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan. Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden
26
4.
voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatieperiode is verstreken. 3. Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2024, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening. Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels en/of beleidsregels stellen voor de uitvoering van deze verordening. 3.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Wijchen op 16 december 2025. De voorzitter
De griffier
R. Helmer-Englebert
R. Waumans
27
BIJLAGE 1 Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: -
Huishoudelijke hulp Rolstoel Woonvoorzieningen Woningaanpassingen Vervoersvoorzieningen Vervoersregeling Sportvoorzieningen Begeleiding Persoonlijke verzorging Dagbesteding Kortdurend verblijf Beschermd wonen Opvang Waakvlambegeleiding*
De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn op grond van de Wmo 2015 beschikbaar: - poolvoorzieningen - inloop- en ontmoeten - vrijwilligersvervoer OpStap - vrij toegankelijke dagbesteding - Wijk GGZ - Hulp die door (netwerk) medewerkers van het Sociaal Team zelf wordt geleverd Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -
Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd Schoolmaatschappelijk werk Opvoedondersteuning en opvoedadvies Hulp die door (netwerk) medewerkers van het Sociaal Team zelf wordt geleverd
De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -
Reguliere begeleiding Specialistische begeleiding Persoonlijke verzorging Onderwijs-toeleidende dagbesteding Voorschoolse- en naschoolse dagbehandeling
28
-
-
Naschoolse dagbehandeling LVB+ BSO+ Consultatie en advies** Vaktherapie Kortdurend verblijf (logeeropvang) Casemanagement Vervoer Orthopedagogische behandeling basis Orthopedagogische behandeling specialistisch Ambulante spoedhulp GGZ (behandeling basis Jeugd GGZ, specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek) en dyslexie en Jeugd GGZ-beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg) Pleegzorg Gezinshuis Beschermd wonen jeugd Fasehuis Kamertraining Residentiële jeugdhulp met terreinvoorziening Residentiële jeugdhulp zonder terreinvoorziening Moederkindhuis Multi Systeem Therapie (MST) intersectorale InVerbindingsTeam ( IVT) met JIM Jeugdbescherming Jeugdreclassering Drang
Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen: 1. Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Twee dezelfde bouwstenen kunnen niet tegelijkertijd worden ingezet. 2. Onderwijs-toeleidende dagbesteding, Dagbehandeling en Kortdurend Verblijf Jeugd kan alleen geleverd worden als de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer verzorgt of laat verzorgen. 3. Casemanagement Jeugd is een stapel-Bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door het sociaal team of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. 4. Vrij toegankelijk aanbod gaat voor op een maatwerkvoorziening. 5. Groepsaanbod gaat voor op individueel aanbod. 6. Persoonlijke verzorging kan alleen worden gegeven als onderdeel van begeleiding. 7. Waakvlambegeleiding (Wmo) kan aansluitend op een bestaande indicatie voor reguliere of specialistische begeleiding gegeven worden in dezelfde
29
9.
bouwsteen voor maximaal 12 uur per jaar. * De praktijk heeft uitgewezen dat er situaties zijn waarin iemand ondersteuning heeft gehad maar dat nu niet meer standaard nodig heeft. Toch kan zich de situatie voordoen waarin diegene dan toch behoefte heeft om -ad hoc- te kunnen schakelen met een voor hem/haar vertrouwde zorgverlener. Waakvlambegeleiding voorziet in die behoefte; 8. Consultatie en advies (Jw) kan aansluitend op een bestaande indicatie gegeven worden in dezelfde bouwsteen voor maximaal 20 uur per jaar. ** Deze bouwsteen voorziet in de behoefte aan op afroep beschikbare zorg met een geringe omvang, uitgevoerd door de aanbieder van de voorgaande indicatie, omdat deze bekend is met problematiek van de cliënt; Alleen in bijzondere individuele situaties kan een ruimere indicatie worden gegeven dan: - een volume overeenkomend met 4 dagdelen per week voor dagbesteding; - 3 uur per week voor reguliere, specialistische en praktische begeleiding.
30
Bijlage 2 Financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze bijlage wordt verstaan onder: a. Eenmalig persoonsgebonden budget: een pgb dat eenmalig door de gemeente betaald wordt voor een (vervoers)voorziening, een vervoerskostenvergoeding of een woningaanpassing. b. Instandhoudingskosten: de noodzakelijke kosten om een voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten. c. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. d. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. Artikel 2 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening 1. Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als pgb worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd. 2.
Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, komen de meerkosten van deze voorziening voor rekening van de cliënt. Over de meerkosten is geen eigen bijdrage verschuldigd. 3. In afwijking van het onder lid 1 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: a. Rolstoelvoorziening, duwondersteuning, rolstoelaccessoires, met uitzondering van incidentele (handbewogen) rolstoelen; b. Collectief vervoer of de vervoersvergoeding die als alternatief wordt verstrekt; c. Woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); d. Huurderving; e. Maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; f. Arbeidsmatige dagbesteding; g. Ondersteuning aan zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; h. Problematische schuldensituatie van cliënt voor zover de cliënt meewerkt aan een schuldregeling en maximaal voor zolang de schuldregeling duurt; i. Handbike; j. Pendel; k. Eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten;
31
l. m. n. o.
Jeugdhulp; Casemanagement; Onderhoud en reparatie van woningaanpassingen (o.a. traplift); Waakvlambegeleiding in de vorm van reguliere of specialistische begeleiding tot maximaal 12 u per jaar.
Artikel 3 Omvang van de bijdrage in de kosten 1. Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening vindt plaats door het CAK met in achtneming van de door de gemeente Wijchen vastgestelde regels. 2. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt van een algemene voorziening plaats door de aanbieder van deze voorziening. 3. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt. 4. De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet bepaald in lid 5 en voor zover niet begrenst door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald: 1. Bij de verstrekking (ook vervanging) in natura: a. Huurprijs per zorgperiode of b. Kostprijs (verstrekt bedrag) van de maatwerkvoorziening. 2. Bij verstrekking als pgb: verstrekt bedrag voor de maatwerkvoorziening. 3. Bij verstrekking als pgb voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: verstrekt bedrag per zorgperiode. 5. De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door de duur van de verstrekking.
HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING Paragraaf 2.1 Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 Hulp bij het huishouden 1. De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding door de gemeente bedongen uurtarieven. 2. Het pgb wordt berekend naar een bedrag per uur (zie bijlage). Indien er sprake is van hulp bij het huishouden gedurende een deel van een uur, wordt het pgb naar evenredigheid berekend. 3. Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura na 4 weken beëindigd. Paragraaf 2.2 Huisvesting Artikel 5 Woonvoorzieningen 1. Het pgb voor de aanschaf en indien van toepassing het onderhoud van een woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de
32
goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura, dan wel het bedrag zoals vermeld in een door het college geaccepteerde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 2. a.
3.
4.
5. 6.
Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen voor de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte eengezinswoning geldt als normbedrag | € 2.040,-; b. Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen van de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte extramuraal appartement geldt als normbedrag € 1.020,- . c. Als eenmalige tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten van een verhuizing naar een gelet op de beperkingen van de cliënt op dat moment voor de cliënt meest geschikte intramuraal appartement geldt als normbedrag € 510,Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als pgb) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 4.629, -. De tegemoetkoming is gebaseerd op de netto (kale) huurprijs en kan maximaal zes zorgen worden verstrekt. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting kan maximaal zes maanden worden verstrekt. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van € 495,- per maand in de kosten van het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte en het langer aanhouden van de verlaten woonruimte.
Bij het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte geldt een maximum van € 250,- per maand. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal € 2.000, -. Een eenmalige tegemoetkoming voor verhuiskosten voor het vrijmaken van een woning bedraagt de werkelijk gemaakte verhuiskosten, indien door het vrijkomen van de woning wordt voorkomen dat een andere woning voor een persoon met beperkingen moet worden aangepast voor meer dan € 4.629, -. Voor de inrichtingskosten wordt aangesloten bij de bedragen die door het NIBUD worden gehanteerd voor inrichting.
Artikel 6 Waardestijging woning bij verkoop 1. De waardestijging van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening ontstaat, moet bij verkoop van de woning of verhuizing van de cliënt gedeeltelijk aan de gemeente Wijchen te worden betaald. 2. Voor het bepalen van de waardestijging wordt uitgegaan van:
33
a. b.
Het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; Een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening is gerealiseerd.
Paragraaf 2.3 Verplaatsen en vervoer Artikel 7 Rolstoelvoorzieningen a. Het pgb voor een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura inclusief onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) goedkoopste WA-verzekering voor vergelijkbare rolstoelen over een periode van 7 jaar (bij volwassenen) of 5 jaar (bij minderjarigen). b. Als onderhoud en reparatie niet beschikbaar zijn als onderdeel van een maatwerkvoorziening in natura, geldt voor een handbewogen rolstoel een vast bedrag van maximaal 5% van de aanschafwaarde per jaar en voor een elektrische rolstoel een bedrag van maximaal € 400, - per jaar. c. Het bedrag voor onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) WAverzekering wordt jaarlijks betaald nadat is aangetoond dat de kosten worden gemaakt. Artikel 8 Vervoersvoorzieningen a. Het pgb voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening (indien van toepassing) inclusief onderhoud en reparatie in natura en (indien van toepassing) goedkoopste WA-verzekering over een periode van 7 jaar (bij volwassenen) of 5 jaar (bij minderjarigen). b. Als onderhoud en reparatie niet beschikbaar zijn als onderdeel van een maatwerkvoorziening in natura, geldt hiervoor een bedrag van maximaal € 400, per jaar. c.
Het bedrag voor onderhoud en reparatie en (indien van toepassing) WAverzekering wordt jaarlijks betaald nadat is aangetoond dat de kosten worden gemaakt. Artikel 9 Primaat bij collectief vervoer Bij het compenseren van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen ligt het primaat bij het collectieve vervoerssysteem via AVAN. Artikel 10 Vervoersvergoedingen 1. De cliënt die als gevolg van aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of voor wie het openbaar vervoer niet compenserend is, kan in aanmerking komen voor een Wmo-vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer. Met deze vervoerspas kan een korting worden verkregen op het normale tarief van dit collectief vervoer. 2. Bij een Wmo-vervoerspas voor AVAN betaalt de gemeente het verschil tussen het AVAN-tarief per kilometer en het reguliere OV-tarief per kilometer. De
34
3. 4.
5.
6.
7.
8. 9. 10.
persoon met de Wmo-vervoerspas betaalt een eigen bijdrage per kilometer aan de vervoerder. De persoon met een Wmo-vervoerspas kan per jaar maximaal 1500 kilometer reizen met AVAN. Als AVAN geen compenserende voorziening is en iemand geïndiceerd is voor ander vervoer, dan kan een eenmalig pgb worden verstrekt tot de volgende maximale bedragen per jaar: a. Maximaal € 454 voor gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden; b. Maximaal € 2.686 bij vervoer per taxi; c. Maximaal €3.022 bij vervoer per rolstoeltaxi. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. De in lid 4 genoemde bedragen worden gehalveerd voor personen die verblijven in een instelling, tenzij blijkt dat deze halvering niet met de vervoersbehoefte van de persoon in overeenstemming is. Voor personen die beschikken over een ander vervoermiddel waarmee binnen Wijchen zelfstandig in de vervoersbehoefte voorzien kan worden, worden de bedragen genoemd in lid 4 met 40% verlaagd. Het eenmalig pgb dat wordt verstrekt ten behoeve van kinderen voor gebruik van auto, taxi of rolstoeltaxi bedraagt: a. Bij kinderen < 4 jaar: nihil; b. Bij kinderen > 4 jaar en < 12 jaar: de helft van het bedrag genoemd in lid 4; c. Bij kinderen > 12 jaar: het bedrag genoemd in lid 4. Indien sprake is van een zeer geringe mobiliteit bedraagt het aanvullende eenmalig pgb €115,- per jaar.
Bij een aanpassing van een auto die uit medisch oogpunt noodzakelijk is, worden de noodzakelijke aanpassingskosten vergoed. Bij een aanpassing van een auto die niet uit medisch oogpunt noodzakelijk is, beperkt het eenmalig pgb zich tot de strikt noodzakelijke kosten met een maximum van €5.712,-. De vergoeding wordt alleen verstrekt indien voldaan is aan beide onderstaande voorwaarden: a. Er is een indicatie voor het collectief vervoer afgegeven, maar de klant kiest ervoor om gebruik te maken van een eigen aangepaste auto én b. De indicatie is verstrekt aan een kind dat jonger is dan 12 jaar of aan een ouder met beperkingen die zich gezamenlijk met (een) eigen jonger(e) kind(eren) in een aangepaste eigen auto wil verplaatsen.
Paragraaf 2.4 Maatschappelijke participatie Artikel 11 Sportvoorziening 1. De eenmalige tegemoetkoming in de meerkosten van een niet lichaamsgebonden sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.614, --
35
2. Dit bedrag is een tegemoetkoming in de aanschaf en het onderhoud van een niet lichaamsgebonden sportvoorziening voor een periode van drie jaar en wordt jaarlijks geïndexeerd. Paragraaf 2.5 Geestelijke gezondheid Artikel 12 Beschermd wonen 1. De tarieven voor beschermd wonen in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 2. De vaststelling van een pgb voor beschermd wonen (beschermd wonen intramuraal, trainingshuis of beschermd thuis) vindt plaats op basis van acht producten (tabel in lid 4). De hulpvraag bepaalt welk product beschermd wonen wordt toegekend. 3. Binnen beschermd wonen wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door formele zorgverleners en informele zorgverleners. Bij formele zorgverleners wordt een standaardtarief per dag gehanteerd. Voor informele zorgverleners wordt gerekend met een uurtarief. 4. De vaststelling van het pgb voor beschermd wonen is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag, binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. Categorie
Aantal uren groepsbegeleiding per week
Beschermd thuis: licht Beschermd thuis:middel Beschermd thuis zwaar Beschermd wonen intramuraal: licht Beschermd wonen intramuraal:middel Beschermd wonen: zwaar Trainingshuis licht Trainingshuis middel
0 0
Aantal uren Individuele begeleiding per week 2-3 4-6
0
6-9
7
4-6
7
7-9
7
10-14
7 7
2,5-4,5 5-7
Met het aantal in te zetten uren individuele en/of groepsbegeleiding mag worden gewisseld, waarbij we gebruikmaken van de omrekenfactor 1 op 6. Dat wil zeggen dat 6 groepsuren gelijk staan aan 1 individueel uur. 5. In bepaalde gevallen wordt het pgb niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het zal dan gaan om de volgende situaties:
36
1.
De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van informele ondersteuning. 2. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet informele en formele ondersteuning. Na uitsplitsing van het aantal formele en informele uren die de budgethouder nodig heeft, worden deze toegekend conform de vastgestelde uurtarieven. 3. Als de indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang beschermd wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen zal de GGD een advies geven over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft. 6. Indien een cliënt met een pgb voor beschermd wonen zowel zorg inkoopt bij een formele zorgverlener als bij een informele zorgverlener, dan leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totaal aantal uren kan de uren in bovenstaande tabel niet overschrijden Paragraaf 2.6 Begeleiding en dagbesteding Artikel 13 Tarieven voor begeleiding en dagbesteding 1. De tarieven voor begeleiding en dagbesteding in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 2. De vaststelling van een pgb voor begeleiding en dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. 3.
Voor het vaststellen aan wie een bijdrage in de kosten wordt opgelegd bij de maatwerkvoorziening begeleiding, is bepalend op wiens naam deze voorziening wordt verstrekt. Paragraaf 2.7 Opvang Artikel 14 Opvang 1. Een bijdrage in de kosten is verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van opvang. 2. De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 3. De bijdrage in de kosten voor opvang is gebaseerd op het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, of van de gehuwde cliënten samen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, of 4% van de opgetelde vermogens bij de gehuwde cliënten. 4. Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) geen voeding aan de cliënt verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nibud berekent als gemiddelde voedingskosten. 5. Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze
37
6.
vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS OVER HET PGB Artikel 15 Budgetperiode en tussentijdse verstrekking 1. Het eenmalig pgb wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de gemiddelde levensduur die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het pgb te kopen voorziening. 2. Indien de periode waarvoor een eenmalig pgb is gegeven nog niet is verstreken kan een aanvullend pgb alleen worden gegeven in de volgende situaties: a. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die aanpassing dan wel vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk maken. b. Er is sprake van een calamiteit die belanghebbende niet te verwijten is. 3. Als de met het eenmalig pgb aangeschafte voorziening na het verstrijken van de budgetperiode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw pgb gegeven. 4. In de situatie als bedoeld in lid 3 kan wel een pgb voor instandhoudingskosten worden gegeven. Artikel 16 Betaling van het eenmalig pgb Het eenmalig pgb wordt uitsluitend betaald door overschrijving op een door de cliënt of diens gemachtigde opgegeven bankrekeningnummer of rechtstreeks aan de leverancier. Artikel 16a Roerende voorziening niet meer in gebruik 1.
Wanneer een roerende voorziening of hulpmiddel dat met een eenmalig pgb is aangeschaft niet meer door de cliënt gebruikt wordt of kan worden moet de cliënt of zijn erfgenaam de restwaarde aan de gemeente vergoeden. 2. Voor het bepalen van de restwaarde wordt uitgegaan van: a Het toegekende bedrag voor de voorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de voorziening is betaald; b Een afschrijving van 15% voor elk vol jaar dat de voorziening is aangeschaft. HOOFDSTUK 4 JEUGDHULP Artikel 17 Tarieven jeugdhulp 1. De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald door de middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 2. De vaststelling van een pgb voor jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.
38
HOOFDSTUK 5 OVERIG Artikel 18 Mantelzorgwaardering 1. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor de mantelzorgwaardering bedraagt maximaal € 50,-. 2. De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd door de mantelzorgontvanger. 3. De mantelzorgontvanger woont extramuraal binnen de gemeente Wijchen. 4. De mantelzorg die aan de in lid 2 bedoelde persoon wordt verleend overtreft de gebruikelijke zorg en vindt gedurende tenminste 8 uur per week gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 3 maanden in het jaar waarin wordt aangevraagd plaats. 5. De aanvraag voor mantelzorgwaardering kan worden ingediend vanaf 1 april tot uiterlijk 31 december van het betreffende jaar. 6. Er kan zowel tijdens de behandeling van de aanvraag als na toekenning steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) controle plaatsvinden. Artikel 19 Bijdrage extra kosten chronisch zieken 1. De tegemoetkoming aan de cliënt met een chronische lichamelijke of psychische beperking en die in verband daarmee aannemelijke meerkosten heeft bedraagt € 325,- per kalenderjaar. 2. De tegemoetkoming wordt op aanvraag verstrekt. 3. De aanvraag voor de tegemoetkoming kan worden ingediend tot uiterlijk 31 december van het betreffende jaar. 4. De beleidsregel Bijdrage extra kosten chronisch zieken Wijchen 2023 is van toepassing. 5.
Er kan zowel tijdens de behandeling van de aanvraag als na toekenning steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) controle plaatsvinden. Artikel 20 Doorberekening kosten (medisch) advies (no-show-tarief) 1. De kosten (no-show-tarief) die door de adviesinstantie bij de gemeente in rekening worden gebracht, voor het zonder bericht wegblijven van een cliënt op een afspraak, worden in rekening gebracht bij de desbetreffende cliënt. 2. Indien de cliënt een geldige reden heeft voor het wegblijven op een afspraak wordt het “no-show-tarief” niet in rekening gebracht bij de desbetreffende cliënt. Artikel 21 Doorberekening medisch advies na indicatie gebruik collectief vervoer 1. Indien op voorhand duidelijk is dat er geen medische beperkingen zijn voor het gebruik van het collectief vervoer wordt geen medisch advies opgevraagd. 2. In afwijking van lid 1 kan op verzoek van de cliënt een medisch advies worden opgevraagd bij de adviesinstantie van de gemeente, maar de kosten van dit advies worden doorberekend aan de cliënt.
39
3.
Als het medisch advies alsnog leidt tot een positieve indicatie, worden de advieskosten terugbetaald aan de cliënt.
Paragraaf 2. Persoonsgebonden budget Artikel 21 Bewaartermijn pgb administratie De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar.
40
Bijlage 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Deze bijlage betreft een nadere uitwerking van artikel 11 lid 5 van de Verordening. Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgbzorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen •
•
•
Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en; De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen en afhankelijk van de te leveren ondersteuning: bij jeugdhulp: een bewijs als geregistreerd professional jeugd (SKJ-registratie), bij Wmo: certificering Wmo* en; De zorgaanbieder beschikt over de vereiste capaciteit, kennis en ervaring opgedaan in en blijkend uit tenminste één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: - ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of - Pgb referentie geanonimiseerd (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten) Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer. Dit geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal netwerk.
* Kwaliteitsborging: de zorgaanbieder waarborgt de systeemkwaliteit van zijn organisatie door een goed functionerend kwaliteitsmanagementsysteem waarmee de kwaliteit van dienstverlening en veiligheid van medewerkers (Arbo en RI&E) en cliënten systematisch wordt geborgd. De opdrachtnemer moet de kwaliteit van de geboden hulp systematisch bewaken, beheersen en verbeteren. De zorgaanbieder komt alleen in aanmerking voor de opdracht indien hij in bezit is van een keurmerkcertificaat of een aantoonbaar werkzaam eigen kwaliteitssysteem. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de volgende keurmerken: HKZ, ISO 9001(-2015), KIWA, Blik op werk keurmerk. Zorgaanbieders die niet over een certificering beschikken moeten op een andere manier aantonen dat zij een werkend systeem hebben geïmplementeerd voor het beheersen, bewaken, borgen en verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening door het overleggen van een adequaat kwaliteitsplan. Dit plan kent een gelijkwaardig niveau als de gestelde eisen bij de hiervoor genoemde keurmerken, e.e.a. te beoordelen door de opdrachtgever.
41
Uitsluitingsgronden Er is bij de zorgaanbieder sprake van: 1. Het niet betalen van belasting en/of sociale premies 2. Deelneming in een criminele organisatie 3. Fraude 4. Terroristische misdrijven 5. Witwassen 6. Kinderarbeid/mensenhandel 7. Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht 8. Faillissement 9. Vervalsing van mededinging 10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en) 12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a. Doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; b. Verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; c. Handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; d. Begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; e. Het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; f. Alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep. Screening kan bestaan uit: 1.
Het door een zorgaanbieder overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 2. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; 3. Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeente is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan cliënten. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders moeten voldoen aan alle wettelijke, bovenwettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) te kortschiet. De
42
onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie onder kwaliteitseisen). 1. Het hulpverleningsplan en evaluatieverslag moet aan de volgende eisen te voldoen: Onderstaande is alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en/of evaluatieverslag is vereist. De gemeente hecht (er) veel waarde aan: 1. “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; 2. dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); 3. dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; 4. methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties, blijkend uit een (bij de aanvraag) door de zorgaanbieder te overleggen anoniem hulpverleningsplan. a) Er moet een check zijn gedaan van alle leefdomeinen.
Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b) Het plan moet perspectiefgericht zijn. Er zijn doelen geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Er zijn activiteiten geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieverslag evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. c) De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Er zijn afspraken gemaakt over hoe de afstemming tussen de betrokkenen eruit ziet. Er wordt beschreven wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, het Sociaal team, of Gecertificeerde Instelling. d) Er is een goede balans tussen formele en informele zorg: er wordt goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en de informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties).
Er wordt ook beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet (nog)mogelijk is. e) De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. f) Er staat beschreven hoe er wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt en de versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (= leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan.
43
2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle Inwoners met een ondersteuningsvraag, bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving. 3. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig. 4. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen groot verloop van personeel is.
Voor de kwaliteitseisen wordt verwezen naar de aanbestedingsdocumenten: Externe link: Documentatie & Downloads - ROB regio Nijmegen - Regionaal Ondersteuningsbureau Wmo & Jeugdhulp. https://robregionijmegen.nl/documentatie-downloads/
44
Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet maken onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. De Wmo taken komen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. In de Jeugdwet zijn de taken opgenomen uit de Wet op de Jeugdzorg, een aantal taken uit de Zorgverzekeringswet (jeugd-ggz) en de AWBZ (zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking).
Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat van de Wmo 2015. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo.
Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.
45
Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en (niet vrij-toegankelijke) maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouder. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouder zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouder eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige dat in het verslag op.
Het college neemt een besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Deze verordening ziet met name op de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(s) precies nodig heeft (hebben). Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders (zorg in natura) die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente of het Regionaal Ondersteuning Bureau (ROB) heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.
Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multi-problematiek, wordt geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij of krachtens verordening heeft gesteld. Deze
46
verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2, vijfde lid). Artikel 10 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.
Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp.
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang, beschermd wonen of jeugdhulp ten onrechte wordt onthouden, kan cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de