Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie Officiële naam regeling
Gemeente Wijchen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Citeertitel Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Besloten door Raad Deze versie is geldig tot (als de -vervaldatum is vastgesteld) Onderwerp Maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Opmerkingen m.b.t. de regeling -
Grondslagen artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Artikelen 3.8 en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen Datum inwerkingtreding
Terugwerkende Betreft kracht
Ontstaansbron: datum ondertekening; bron bekendmaking
Inwerkingtreding: datum ondertekening; bron bekendmaking
Geconsolideerde tekst van de regeling Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 De raad van de gemeente Wijchen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Artikelen 3.8 en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 van de Jeugdwet; Gezien het advies van het Adviesorgaan Sociaal domein Wijchen; Overwegende dat:
1
-
-
-
Inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; Van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; Inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; Het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; Het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen.
Besluit vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Wijchen 2026 Artikel 1. Definities Alle begrippen die in deze verordening inclusief bijlagen worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Gemeentewet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo), Jeugdwet en de productenboeken/programma’s van eisen van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB) zie: Producten & Tarieven - ROB regio Nijmegen - Regionaal Ondersteuningsbureau Wmo &
Jeugdhulp. a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van het college een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening levert (ook: zorgaanbieder); b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening; c. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die - niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; - daadwerkelijk beschikbaar is; - een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; - deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; d. Andere voorziening: voorziening anders dan op het gebied van jeugdhulp, (jeugd)zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; e. Budgethouder: een persoon met een pgb op grond van deze verordening; f. Cliënt: persoon die woont in de gemeente Wijchen en die op grond van Jeugdwet of Wmo gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een
2
maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouder; g. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen; h. Deskundige: een (netwerk)medewerker van het Sociaal team Wijchen; i. a. Formele ondersteuning: ondersteuning geleverd door personen die: In loondienst zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning, die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; b. Aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een Beschikking geen loonheffingen (BGL).
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning, voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.; j. Herindicatie: het opnieuw vaststellen van de aard en mate van de zorgbehoefte; k. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp. l. Informele hulp: hulp die niet voldoet aan het gestelde onder i. van dit artikel of die geleverd wordt door iemand uit het sociaal netwerk, een vrijwilliger of een eerste- of tweedegraads bloedverwant; m. Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Wijchen; n. Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; o.
Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; p. Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt; q. Overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of op grond van enig wettelijk voorschrift of andere (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder of budgethouder zijn gemaakt; r. Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid; s. Pgb: bedrag waaruit de budgethouder een maatwerkvoorziening kan betalen; t. Pgb-aanbieder: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die ondersteuning geeft aan een cliënt met een persoonsgebonden budget (budgethouder); u. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; v. Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 en artikel 14 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de
3
naleving van het gestelde in of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft; w. Vrij toegankelijk aanbod: algemene voorziening waar gebruik van gemaakt kan worden zonder dat daarvoor een verwijzing of een besluit van het college nodig is. x. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en/of de Jeugdwet. Artikel 2.a Melding hulpvraag (Wmo) 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college, worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 3. Indien melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6. 4. In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding meteen een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 5. Het college legt het verlenen dan wel afwijzen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9. Artikel 2.b Aanvraag (Jeugdwet) 1. Een hulpvraag kan door of met toestemming van de cliënt namens de cliënt bij het college worden gemeld. 2. Voor jeugdhulp kan direct een aanvraag gedaan worden. 3.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding of aanvraag. 4. In spoedeisende gevallen vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter. 5. Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij een andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar jeugdhulp. Deze beoordeelt vervolgens welke maatwerkvoorziening nodig is met een onderzoek. Dit onderzoek gaat op dezelfde manier zoals het college dit doet. In de beoordeling wordt de eigen kracht, het sociaal netwerk, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorzieningen die vanuit andere wetten verkregen kunnen worden en de goedkoopst passende voorziening betrokken. 6. Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de cliënt verwijzen naar jeugdhulp. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder 7. Het college legt het verlenen dan wel afwijzen van een maatwerk voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9. Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.
Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hierbij is het belang van de cliënt uitgangspunt. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon zoals bedoeld in de Jeugdwet.
4
3.
Het college wijst de cliënt en mantelzorger voorafgaande het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 4. Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo snel mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2. Voordat het gesprek plaatsvindt, deelt de cliënt alle informatie met het college die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. De cliënt verstrekt op verzoek van het college een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage, tenzij de spoedeisendheid zich hiertegen verzet. 4. Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en/of derde lid. 5. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om de hulpvraag schriftelijk te beschrijven in een persoonlijk plan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. 6. Het college brengt de jeugdige en zijn ouder op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. Artikel 5. Onderzoek 1.
Het college onderzoekt voor zover nodig in samenspraak met de degene die de hulpvraag kenbaar heeft gemaakt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. Het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. De mogelijkheden om zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang: - op eigen kracht, of - met gebruikelijke hulp, of - met een algemene voorziening, of - met een algemeen gebruikelijke voorziening, of - met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk, of - met een andere voorziening, of - door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;
5
f. g.
2.
3.
4. 5.
6. 7.
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdrage in de kosten de cliënt voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en h. de mogelijkheid te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij de hulpvraag voldoende bekend is. Dan kan het college of de andere organisatie hier in overleg met de cliënt van afzien. Het college kan een deskundige instantie om een advies vragen als het college dit van belang acht voor het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag.
Het college zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de aanbieder die de jeugdhulp uitvoert, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp en het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 6. Verslag 1. Het college zorgt voor een verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan. 2. Na het onderzoek verstrekt het college het verslag aan de cliënt. 3. Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. Artikel 7. Aanvraag 1. Een cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een Wmo aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is afgerond. 2. Voor jeugdhulp kan direct een aanvraag gedaan worden. 3. Een aanvraag zoals bedoeld in lid 1 en 2moet door aanvrager voorzien zijn van alle informatie en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. Het tweede en derde lid is niet van toepassing op een aanvraag voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader. 5. Heeft de aanvraag betrekking op: a. Een minderjarige die jonger is dan 12 jaar, dan is instemming van de minderjarige niet vereist, maar wel de toestemming van diens wettelijke vertegenwoordiger(s). b. Een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar, maar nog niet die van 16 jaar heeft bereikt, dan is zowel de toestemming van de minderjarige als van de wettelijke vertegenwoordiger(s) vereist.
Is de minderjarige niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is alleen de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger(s) vereist. c. Een minderjarige die ouder is dan 16 jaar, dan is toestemming van de minderjarige vereist, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke
6
waardering van zijn belangen ter zake en geen sprake is van jeugdhulp met verblijf. Artikel 8. Maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. Ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen Op eigen kracht; Met gebruikelijke hulp; Met mantelzorg; Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of Met algemene voorzieningen; De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren
van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. b. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of zijn ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige of de ouder een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag: Op eigen kracht of met zijn ouder; Met gebruikelijke hulp; Met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; Met gebruikmaking van algemene voorzieningen; Met gebruikmaking van andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld Gezond en veilig op te groeien; Te groeien naar zelfstandigheid, en Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3. Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
7
a.
Als er een (mogelijke) aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. Als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; c. Als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Wijchen, met uitzondering van beschermd wonen1 en opvang, of als de cliënt volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Wijchen valt; d. Als de client de gevraagde hulp of voorziening zelf al heeft ingeroepen of ingekocht voordat een Wmo melding of Jeugdwet aanvraag is gedaan; e. Als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; f. Als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond; g. Voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie; h. Voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst en/of adequate voorziening kan worden aangemerkt; i. Voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht; j.
Als de inzet van de voorziening niet doeltreffend geacht kan worden en/of niet aannemelijk is dat de inzet van de voorziening in voldoende mate zal bijdragen aan een oplossing voor de hulpvraag. Het college kan in nadere regels vaststellen welke voorzieningen aantoonbaar niet effectief zijn; k. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening. l. Als het gaat om een scootmobiel of een ander elektrische vervoersvoorziening en hiervoor geen brandveilige stallingsplek beschikbaar is. 4. Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat: a. De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest; b. Deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn; c. In het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte. 5.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, a. Tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
1 Tijdelijk verblijf LVB valt niet onder beschermd wonen. Voor deze voorziening is het ingezetenencriterium dus
onverkort van toepassing.
8
b.
Tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de vervangingskosten, of c. Als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 6. Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. Als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet binnen 6 maanden zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; b. In het geval de aantoonbare beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen en/of als de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning; Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt en/of bedoeld zijn voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, trekkerswoonwagens, campers, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐ clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; d. Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen; e. Als het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen; f.
Als het voorzieningen betreft die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; g. Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; h. Als de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz. Voor beschermd wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld. Voor opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: a. Een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; b. Een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; c. Een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; d. Er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; e. Een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënt in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; f. De eigen bijdrage (na meerdere waarschuwingen) niet betaald wordt; g. Er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. c.
7.
8.
Artikel 8a. Beoordeling eigen kracht 1. Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij zetten daarvoor hun eigen kracht in. Pas als binnen het eigen gezin, sociaal netwerk en
9
2.
3.
4.
5.
6.
met gebruik van algemeen beschikbare voorzieningen geen toereikende oplossing mogelijk is, kan een beroep worden gedaan op een individuele voorziening. Onder het benutten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke hulp door ouders, ook bij ziekte of beperking van de jeugdige; b. hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp), tenzij dat niet van hen gevergd kan worden; c. inzet van hulp uit het sociale netwerk, voor zover redelijkerwijs beschikbaar; d. Het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering. Gebruikelijke hulp is de hulp die in redelijkheid van ouders mag worden verwacht, en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige. Om te bepalen wat gebruikelijk is, maakt het college gebruik van de richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), zoals opgenomen in het levensloopmodel van Opvoeden en Opgroeien Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf. Als er uitzicht is op herstel wordt bovengebruikelijke hulp aangemerkt als kortdurend. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een tijdelijke voorziening inzetten. De voorziening duurt niet langer dan nodig is om de verhouding tussen draagkracht en draaglast te herstellen. Bij langdurige of structurele hulpvragen beoordeelt het college of: a.
De inzet van bovengebruikelijke hulp de draagkracht van ouders overstijgt; b. Er sprake is van (dreigende) overbelasting; c. Er andere factoren spelen, zoals problematiek binnen het gezin of financiële gevolgen. Van ouders wordt verwacht, dat zij ook als er geen uitzicht is op herstel voor een langere periode, bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Dat kan het geval zijn als ouders niet langer beschikbaar en in staat zijn de hulp te leveren, zoals bij (dreigende) overbelasting, of als ouders door het bieden van bovengebruikelijke hulp financieel in de problemen raken. Kent het college een maatwerk voorziening toe, dan zorgen ouders ervoor dat zij binnen hun mogelijkheden meewerken aan het vergroten van de draagkracht van het gezin en het verminderen van belasting. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten.
Artikel 8b. Gebruikelijke hulp 1. Gebruikelijke hulp is de mate waarin de inwoner met gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: a. Huisgenoten van een inwoner zijn altijd zelf als eerste verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. b. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de huisgenoten deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan de inwoner ook door andere personen laten doen of met eigen geld inkopen. c. Bij uitval van een persoon wordt door huisgenoten, ook naast een fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten.
10
d. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd: - Van kinderen onder de 18 jaar wordt verwacht dat zij helpen in het huishouden. - Van iedere volwassene van 18 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. -Van iedere volwassene vanaf 23 jaar wordt in ieder geval verwacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. e. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. f. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van huisgenoten in het kader van hun eigen maatschappelijke participatie. g. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. - Van iedere volwassene wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. - Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is. h. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: I. De aard van de benodigde ondersteuning. II.
De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. III. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. IV. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. V. Gebruikelijke hulp geldt niet of minder als uit objectief onderzoek blijkt dat huisgenoten niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen door: • langdurige fysieke afwezigheid • een aantoonbare beperking of een aantoonbaar beperkte leerbaarheid. • (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Artikel 8c Vervoer (jeugd)
11
1. 2.
3.
4.
5. 6.
7.
Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Vervoer is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college is aangetoond dat de jeugdige niet zelf of met behulp van het netwerk in vervoer kan voorzien. Er is geen passend vervoer aanwezig (bijv. inzet van vrijwilligers) en het vervoer niet valt onder de gebruikelijke zorg. Inzet van vervoer in het kader van de Jeugdwet kan alleen in combinatie met de volgende producten: - Voorschoolse dagbehandeling; - Naschoolse dagbehandeling; - Naschoolse dagbehandeling LVB+; - BSO+; - Onderwijs-toeleidende dagbesteding; - Logeeropvang - specialistische GGZ. Het college beschouwt een aantal keer per week zelf rijden in ieder geval als behorend tot de eigen mogelijkheden. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering hiervan. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor vervoer op zich te nemen.
Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waardoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend.
Artikel 8d Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp. 2. Voor vormen van opvang die wel onder de jeugdwet vallen is deels sprake van algemeen gebruikelijke kosten. Dit zijn kosten die ook een persoon zonder beperking heeft voor opvang. 3. Uitsluitend de meerkosten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. De meerkosten zijn de bruto kosten van de reguliere kinderopvang of buitenschoolse opvang na aftrek van de kinderopvangtoeslag. 4. Het onder lid 2 en 3 bepaalde is niet van toepassing als het doel van de inzet van de voorziening uitsluitend voor de jeugdige noodzakelijke zorg is die (alleen) middels deze voorziening geboden kan worden. Artikel 8e Primaat van verhuizen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2. De gemeente beoordeelt of een woningaanpassing of een verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: a. zijn er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen? b. de kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Als de woningaanpassing meer gaat kosten dan € 15.000,00 wordt verhuizen als de goedkoopste adequate oplossing gezien; c. volkshuisvestelijke afwegingen en noodzakelijke vergunningen;
12
d. de woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn; e. sociale omstandigheden; f. afstemming met andere voorzieningen; g. werksituatie; h. verandering in woonlasten; i. wooncomfort; j. is de inwoner huurder of eigenaar van de woning; k.de wil van de inwoner om te verhuizen; l. mantelzorg in de buurt; m. overige specifieke omstandigheden. Artikel 8f Wonen en zorg Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij: a. Het verblijf onderdeel is van de indicatie. Dit is het geval bij de maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen intramuraal en Trainingshuis. b.
Het verblijf onderdeel van tijdelijke verhuur is. De verhuur moet als doel hebben de cliënt in staat te stellen zelfstandig te wonen. Het college moet hier vooraf mee instemmen.
Artikel 8g Niet meewerken 1. De ouder(s) en/of jeugdige zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de ouder(s) en/of jeugdige naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de noodzaak en/of de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan door het college worden besloten geen of een andere vorm van een individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. 3. Lid 1 en 2 gelden ook voor cliënten en hun netwerk wanneer sprake is van een melding Wmo. Artikel 9. Inhoud beschikking 1. Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af. 2. In een beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze als zorg in natura of als pgb wordt verstrekt en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura staat in ieder geval in de beschikking: a. Wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. Wat de omvang van de voorziening is, en d. Indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb staat in ieder geval in de beschikking: a. Wat het beoogde resultaat van de met het pgb te bekostigen voorziening is;
13
5.
b. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt in de beschikking zowel daarover, als over de kostprijs van de voorziening dan wel de maximaal verschuldigde bijdrage geïnformeerd.
Artikel 10. Regels voor pgb algemeen 1. De cliënt die een pgb wenst moet zelf een pgb-plan invullen. Het college geeft de cliënt leeg pgb-pan om in te vullen. De cliënt motiveert schriftelijk in zijn pgb-plan: a. Waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk, van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. Waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wil hebben of waarom hij een maatwerkvoorziening in natura in het kader van de Jeugdwet niet passend acht; c. Hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden. 2.
Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en WA-verzekering van een voorziening voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en dit geen onderdeel is van het pgb. 3. De hoogte van een pgb: a. is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld pgb-plan of (bij een eenmalig pgb) een offerte aangeleverd door de cliënt; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; c. wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen zorgverleners; d. voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt; e. voor dienstverlening geldt bij formele ondersteuning dat: a. Het formele tarief voor hulp bij het huishouden is gelijk aan 90% van het tarief zoals door het college afgesproken met gecontracteerde aanbieders; b. Het formele tarief voor begeleiding en verzorging, beschermd thuis en trainingshuis is gelijk aan 85% van het zorg in natura tarief; c. Het formele tarief voor behandeling (Jeugdwet) en dyslexiezorg is gelijk aan 90% van het zorg in natura tarief; d. Het formele tarief voor locatie-gebonden zorg zoals dagbesteding, logeeropvang en (Jeugdwet) dagbehandeling is gelijk aan 90% van het zorg in natura tarief zoals;
14
4.
5. 6.
7. 8.
9. 10.
11.
e. Het formele tarief voor beschermd wonen intramuraal licht, middel en zwaar is gelijk aan respectievelijk 55%, 62% en 66% van het zorg in natura tarief; f. Het formele tarief voor vervoer is gelijk aan het zorg in natura tarief; g. Het informele tarief voor jeugdhulp is gebaseerd op het minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag en -uren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen wordt het budget met die lasten verhoogd. h. Het informele tarief voor Wmo-voorzieningen is gebaseerd op het minimumloon vermeerderd met het vakantiegeld en -uren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen wordt het budget met die lasten verhoogd. i. De tarieven worden jaarlijks, per 1 januari, door het college vastgesteld en bekendgemaakt. j. Voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van een appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten. k. Is een all-in tarief. Er is geen bestedingsvrij budget buiten het pgb-plan. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen: a. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor bemiddeling; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het Pgb; d. huur; e. eten en drinken; f. bijdrage in de kosten; g. contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; h.
zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt; i. zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; j. ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen. Indien de jeugdige nog geen achttien jaar is, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Budgethouders moeten de zorgverlener(s) via een declaratie of factuur laten uitbetalen. Budgethouders mogen geen vaste maandlonen afspreken met hun zorgverlener(s). Declaraties of facturen kunnen tot uiterlijk 1 april van het volgende kalenderjaar worden ingediend bij de SVB. Een pgb moet binnen zes maanden na toekenning door de cliënt zijn aangewend ten behoeve van het beoogde resultaat waarvoor het is verstrekt. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het Pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, genoemd in de financiële bijlage. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 8f en 10 tot en met 13. Bij tussentijdse wijziging van zorgaanbieder mogen uitgaven uit het pgb budget pas gedaan worden nadat door het college is vastgesteld dat de nieuwe zorgaanbieder voldoet aan alle wettelijke en aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen.
Verstrekking in de vorm van pgb vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b.er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het
15
verleden; c.er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking; d. De kosten zijn gemaakt voordat de melding (Wmo) of aanvraag (Jw) is gedaan. Artikel 11. Regels voor pgb formele ondersteuning 1. Dit artikel heeft betrekking op de formele zorgaanbieder die middels een pgb wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. 2. In het hulpverleningsplan leggen budgethouder en het college vast binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het pgb-plan is aangegeven. 3. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie ook aan te geven welk resultaat met het pgb is behaald en of aan de voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte zorg aan de kwaliteitseisen voldoet, is voldaan. 4. De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 5.
De zorgaanbieder die formele ondersteuning biedt moet voldoen aan alle wettelijke, bovenwettelijke en/of aanvullende gemeentelijke criteria en kwaliteitseisen zoals vastgelegd in bijlage 3 en/of de productenboeken/programma’s van eisen van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB). Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college (bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject) en het college is van oordeel dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets, wordt geen pgb toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw getoetst te worden aan de kwaliteitseisen. 6. Als de zorgaanbieder niet (meer) voldoet aan de kwaliteitseisen, er sprake is verwijtbaar handelen of van voortdurende wanprestatie, kan het college een waarschuwing geven of de zorgaanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.
Artikel 12. Regels voor pgb informele zorg (sociaal netwerk en hulp die niet voldoet aan de eisen voor formele ondersteuning) 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden en kennissen. 2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. 3. De cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan de hulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Bij de beoordeling van de aanvraag maakt de gemeente voor gezinsleden binnen hetzelfde
16
4.
5.
6.
huishouden als de cliënt gebruik van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ. Als een pgb wordt verstrekt voor hulp die geboden wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor formele ondersteuning. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a. Het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling); b. De frequentie van de hulp; c. Een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; d. De mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?); e. Kwaliteit van de ondersteuning. Deze kwaliteit wordt gevormd door de nabijheid van ondersteuner; f. Pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; g. Als volgens (landelijk) geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben; h. De persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. i.
De cliënt moet een pgb-plan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het pgb-plan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is. Deze activiteiten worden vervolgens in uren of dagdelen per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder. In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden is een pgb voor hulp uit het sociale netwerk met uitzondering van hulp bij het huishouden alleen mogelijk in uitzonderingssituaties en bij zwaarwegende omstandigheden en als voldaan is aan alle hierna genoemde voorwaarden. a. Degene die de hulp geeft is aantoonbaar deskundig. De deskundigheid moet worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring. b. Degene die de hulp op grond van de Wmo geeft lijdt een vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van intensieve mantelzorg, of moet extra kosten maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden. Bij jeugdhulp kan geen pgb worden gegeven bij inkomstenderving of extra kosten, tenzij het geven van de hulp leidt tot en structureel financieel gezinsprobleem. c.
Pgb door het sociaal netwerk leidt tot aantoonbaar betere/efficiëntere ondersteuning. d. Professionele afstand van de zorgverlener niet nodig is om de beoogde doelen te behalen.
Artikel 13. Regels voor pgb-beheer 1. Alleen als de pgb-beheerder tevens ouder of familie in de eerste of tweede graad van de cliënt is kan een pgb voor de voorziening begeleiding, dagbesteding of beschermd wonen Wmo 2015 worden toegekend aan een cliënt die niet zelf in
17
2.
3. 4.
5.
6. 7. 8.
staat is om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning. In alle andere gevallen kan de pgb-beheerder de cliënt ondersteunen in het Pgb-beheer, maar niet volledig in de plaats treden van de cliënt. Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional met inachtneming van artikel 10 lid 4 van deze verordening. De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal, er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of een op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen. De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en de zorgverlener. De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.
Kosten voor pgb-beheer mogen niet worden voldaan uit het pgb.
Artikel 14. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) 1. Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten verschuldigd: a. Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder die bijdrage vraagt en voor Ambulante begeleiding die als algemene voorziening wordt aangeboden. b. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd. 2. Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden. 3. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 4. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. Door een aanbesteding; b. Na een consultatie in de markt, of c. In overleg met de aanbieder. 5. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag. 6. In de financiële bijlage bij deze verordening wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 7. Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt. Artikel 15 Bijdrage in de kosten van collectief vervoer
18
1.
2. 3.
4.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van de eigen bijdrage voor de voorziening AVAN (GR BVO Dran). De eigen bijdrage bestaat uit een opstaptarief en een bedrag per kilometer. Deze bijdrage valt niet onder het abonnementstarief. De hoogte van het opstaptarief en het bedrag per kilometer kan ieder opvolgend jaar worden gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen ten aanzien van de gehanteerde prijsindex (NEA index en CPI index), en gewijzigde btw- en vervoerstarieven. Als toepassing is gegeven aan lid 3, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 2. De zorgaanbieder dient zelfregie en redzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix. 3. De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving. 4. Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid, cultuurintensief en LHBTIQ+ sensitief werken. 5. Zorgaanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 6. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
Het college kan, met uitzondering van zorgaanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 7. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de zorgaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 8. Indien een zorgaanbieder aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende zorgaanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer. Als de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
19
1. 2.
3.
4.
5.
6.
Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening meteen aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Wijchen. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 18. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen voorzieningen, misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de cliënt of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Een cliënt doet op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing. 3. Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid; b. De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;
4.
c. De maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; d. De cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of; f. De cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; g. De cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening; h. Onzorgvuldig gebruik van een in natura verstrekte voorziening. Een beslissing tot verstrekking van een pgb kan worden ingetrokken als na onderzoek door het college blijkt dat het pgb niet binnen zes maanden na toekenning is aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt.
20
5.
6.
7.
8.
Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Wmo 2015 heeft ingetrokken en de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Als het college een beslissing over een voorziening op grond van de Jeugdwet heeft ingetrokken kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening of de restwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd. Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.
Artikel 18a Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt sprake is van een ernstig vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 eerste lid onder a, d of e van de Wet. 2. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18 derde lid onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 18b. Maatregelen bij wangedrag 1. Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, treft het college – al dan niet tijdelijk – maatregelen jegens de cliënt ter bescherming van de (medewerker van de) zorgverlener of andere cliënten of ter voorkoming van (verdere) schade aan de (in bruikleen) verstrekte voorziening. 2.