Toelichting.pdf
Tekst van het document
Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 25 van 45
Beschrijving watersysteem Geohydrologie en grondwatersysteem Het plangebied is gesitueerd aan de rand van de kern Niftrik. Voor het plangebied geldt grondwatertrap VII. De gemiddelde grondwaterstand is 2,40 – 1,40 meter –maaiveld. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is circa 1,40-0,90 meter – maaiveld. De bodem bestaat uit middelfijne tot grove zandlagen afwisselend met kleilagen. In de directe omgeving bevinden zich geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. Het plangebied grenst aan de beschermingszone van de dijk. Met de situering van de woningen is rekening gehouden met de beschermingszone. Oppervlakte - en afvalwatersysteem Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Niftrik. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan komt geen open water voor in de vorm van vijverpartijen. Nabij het plangebied, aan de Dorpsstraat, ligt een A-watergang. Voor A watergangen geldt een beschermingszone van 4 meter breed. De planontwikkeling vindt niet binnen deze zone plaats. De omgeving van het plangebied is voorzien van een drukriolering.
Afbeelding 15: Uitsnede legger
Regen- en afvalwatersysteem. Het bestaande rioolstelsel is een drukriolering. Regenwater wordt (gescheiden) afgevoerd via de hemelwaterafvoer langs de Kerkstraat, richting de Dorpsstraat. Ecosysteem Het droge ecosysteem heeft geen bijzondere waarde. Er is geen nat ecosysteem aanwezig.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 26 van 45
Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken.
De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 3.4). Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Als onderdeel hiervan een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan. Leefomgeving algemeen De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa.
De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering).
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 27 van 45
Kwaliteit en beleving De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.
Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Conclusie Het hemelwater op het particuliere terrein komt niet in aanraking met verontreinigde oppervlakken of uitlogende materialen. Het hemelwater is voldoende schoon om (vertraagd) via het openbare hemelwaterriool op het oppervlaktewater geloosd te mogen worden. Het hemelwater wordt op straatniveau (zichtbaar) in de openbare ruimte geloosd.
Klimaatverandering De gemeent streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Conclusie Het particulier terrein is zodanig ingericht dat geen hemelwater in de bebouwing terecht kan komen. Op particulier terrein worden maatregelen getroffen (berging) om het hemelwater vertraagd via het openbare hemelwaterriool naar het oppervlaktewater af te voeren.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 28 van 45
Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting; 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied; 3) Berging binnen het gebied; 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied; 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Conclusie In totaal neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe met 421 m². Vanwege de stabiliteit en sterkte van de waterkering en de voorkomende grondwaterstanden (kwel) kan het hemelwater niet op het particuliere terrein in de bodem worden geïnfiltreerd.
Het hemelwater wordt daarom (zichtbaar) afgevoerd via het openbare hemelwaterriool naar het oppervlaktewater. Omdat de verhardingstoename geringer is dan 500 m² is geen oppervlaktewatercompensatie vereist. Maar vanwege de beperkte afvoercapaciteit van het openbare hemelwaterriool moet het particuliere hemelwater vertraagd worden afgevoerd. Daartoe wordt op particulier terrein hemelwaterberging aangelegd. De onderbouwing voor deze voorziening is opgenomen in bijlage 7
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 29 van 45
Afbeelding 16: Situatietekening
Gezondheid en veiligheid De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Conclusie Als ontwateringseis geldt dat de GHG niet hoger mag stijgen dan 0,5 meter beneden groenzones, 0,7 meter beneden straatpeil en 1,0 meter beneden het vloerpeil van de woning. Verder mag de GHG niet hoger komen dan 0,5 meter onder de bodem van de bergingsvoorziening. Eerder is aangegeven dat de GHG varieert tussen 1,40-0,90 meter –maaiveld.
Het vloerpeil van de woning dient dan ook minimaal 7,60M+ NAP te bedragen. Gelet op de ophoging van het perceel zoals in bijlage 5 is toegelicht wordt ruim voldaan aan de ontwateringsdiepte. De woningen worden niet onderkelderd. Ook wordt er geen kruipruimte gerealiseerd. Het afvalwater van de woningen wordt aangesloten op de aanwezige drukriolering van de gemeente Wijchen. De aansluitingen en eventuele aanpassingen van het bestaande rioolstelsel zijn voor rekening van de initiatiefnemer. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 30 van 45
Overleg met waterbeheerder Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder. Veelal is de waterbeheerder het waterschap, maar kan ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.dewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf. Conclusie Het plan is in het kader van de watertoets met het waterschap en de gemeente besproken. Waterschap en gemeente adviseren positief. In bijlage 6 is het resultaat van de digitale watertoets van het waterschap opgenomen.
4.10 Flora en Fauna De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 31 van 45
Toetsing De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Het plangebied ligt op 10,2 kilometer afstand van Natura2000-gebied Rijntakken (bron: Pdok.nl). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. Natura2000-gebied wordt met de lichtblauwe en lichtgroene kleur aangeduid. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid (bron pdok.nl).
Afbeelding 17: Ligging t.o.v. Natura 2000 gebied
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 32 van 45
Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen voor een Natura2000-gebied. Soortenbescherming De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen voor een Natura2000-gebied. Het plangebied wordt waarschijnlijk benut als foerageergebied voor verschillende vogel-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten. Met uitzondering van sommige vogelsoorten, bezetten voorgenoemde soortgroepen het plangebied niet als rust- of voortplantingslocatie. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie Mits vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van een Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 33 van 45
met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 4.11 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, gaan naar de Omgevingswet, die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 20162019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De gemeente Wijchen heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Gemeentelijk beleid Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg in 2007 (thans Erfgoedwet) is de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief gedelegeerd aan gemeenten. Gemeente Wijchen beschikt derhalve over eigen archeologiebeleid en treedt op als bevoegd gezag. De gemeente beschikt tevens over een archeologische beleidskaart uit 2009.7 Hierop is het plangebied gelegen in de bebouwde kom met een hoge verwachting. Tevens ligt het op de vindplaats en in de aandachtszone van een archeologische vindplaats. Het betreft de voormalige pastorie van de kerk van Niftrik die omstreeks 1918 is gesloopt (nr. 498). Vanwege de ligging in twee zones geldt de hoogste waarde (in dit geval ‘vindplaats’) als toetsingswaarde. Dit houdt in dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwwerk groter dan 30 m² de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 34 van 45
Afbeelding 18: Uitsnede van de Archeologische beleidskaart
Conclusie Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat het plangebied in potentie een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periode van het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. De trefkans op resten uit de Tweede Wereldoorlog is laag. In het plangebied bevinden zich waardevolle archeologische lagen zich vanaf maaiveld tot een diepte van 2,30 m-mv in de C-horizont. In de omgeving zijn vondstlagen aangetroffen onder de bouwvoor in bruingrijze klei met mangaan (LME + NT) op 20-55 cm-mv. In de grijsbruine iets zandige klei met mangaan en ijzeroxidatie (PREHIST, ROM, LME) vanaf 55-110 cm-mv. In het plangebied zelf waren vanaf circa 1820 tot 1918 het gebouw en tuinen van de voormalige pastorie aanwezig. Resten van deze bebouwing en gerelateerde vondsten zijn mogelijk nog in de ondergrond aanwezig. Op grond van de resultaten van het booronderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het Plan van Aanpak als volgt worden beantwoord: • Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? De bodemopbouw bestaat, met uitzondering van boring 5a en 5b uit een circa 45 cm dikke subrecente bouwvoor die overgaat in een dikke cultuurlaag bestaande uit fosfaatrijke zandige klei met fragmenten houtskool en puinspikkels. De dikte van dit pakket varieert van 80 cm in boring 3 tot 180 cm in boring 1. In boring 1 is nog een tweedeling aanwezig in het pakket.
De onderste 90 cm van dit pakket bestaat uit een relatief schoon pakket zandige klei waarin alleen wat puinspikkels aanwezig zijn. De basis van het bodemprofiel bestaat uit lichtbruin kleiig matig fijn zand (boring 2, 3 en 4) of sterk zandige klei (boring 1). Het betreft rivierbeddingafzettingen van de meandergordel van Huiseling-Demen. In boring 4 is op een diepte tussen 10 en 90 cm-mv sprake van opvallend veel zachtgebakken oranje baksteenpuin. Boring 5a en 5b zijn beiden gestuit op een fundering die opgetrokken is uit dezelfde oranje zachte baksteen. Dit betreft vermoedelijk de fundering van de voormalige pastorie die hier tussen circa 1820 en 1918 aanwezig was. Een belangrijk indicatie voor deze bebouwing vormt tevens de oorspronkelijke toegangspoort van de pastorie ter hoogte van boring 3. Deze toegangspoort is nog altijd aanwezig aan de noordoostzijde van het perceel. • Wat is de intactheid van het bodemprofiel binnen het plangebied? In het plangebied is in vier boringen een intact bodemprofiel aangetroffen (boring 1 t/m 4). Boring 5 is tweemaal gestuit op een fundering van zachte oranje baksteen.
• Zijn, daar waar de bodem intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? Ja, in de oude cultuurlaag zijn archeologische indicatoren aangetroffen uit de periode Romeinse Tijd – Nieuwe Tijd.. De indicatoren bestaan uit fragmenten fosfaten, houtskool, baskteenpuin en een fragmentje gedraaid aardewerk. De top van de cultuurlaag bevindt zich op dieptes variërend van 45 cm-mv in boring 2 tot 90 cm-mv in boring 4. De basis van de cultuurlaag is aangetroffen op dieptes variërend van 130 cm-mv in boring 3 tot 210 cm-mv in boring 2. In boring 5a en 5b is sprake van de oude funderingen van de voormalige pastorie die hier van 1822 tot 1918 aanwezig was en daarna gesloopt is. • Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen c.q. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? Ja, zie het antwoord op de vorige vraag. _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 35 van 45
• Wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? Zie het antwoord op bovenstaande vraag. • In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? De onderzoeksresultaten stemmen overeen met de verwachtingen. De basis van het bodemprofiel bestaat uit beddingafzettingen van de meandergordel van HuiselingDemen. Daarop zijn oeverafzettingen aanwezig waarin door eeuwenlange bewoning een dikke cultuurlaag is gevormd met archeologische indicatoren die dateren uit de periode van de Romeinse Tijd tot en met de Nieuwe Tijd. • Is er vervolgonderzoek noodzakelijk? Zo ja, welke methode is hiervoor het meest geschikt? Vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht. In boring 5a en 5b zijn de funderingen van de voormalige pastorie aanwezig. Deze bevinden zich in de noordoosthoek van het plangebied en zullen vermoedelijk nog grotendeels aanwezig zijn. In de overige boringen is vanaf een diepte van 45 cm-mv sprake van een dikke cultuurlaag waar ook oudere resten in aanwezig kunnen zijn.
Selectieadvies Vanwege de aanwezigheid van een oude cultuurlaag met archeologische indicatoren die duiden op één of meerdere vindplaatsen uit de periode Romeinse Tijd tot en met de Nieuwe Tijd adviseert Hamaland Advies om archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren indien de bodemingrepen dieper dan 35 cm-mv reiken (top van het muurwerk van de voormalige pastorie). Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld, dat getoetst wordt door gemeente Wijchen en diens archeologisch adviseur. Selectiebesluit De resultaten en aanbevelingen uit de conceptrapportage zijn op 3 februari 2020 getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Wijchen (mevr. E. van der Linden, gemeentelijk archeoloog). De opmerkingen en wijzigingen, waaronder de omvang van het plangebied, zijn verwerkt in deze definitieve versie 2.0 van het rapport. Op grond van de onderzoeksresultaten zal door gemeente Wijchen een selectiebesluit genomen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is voorafgaand aan de geplande bodemingrepen. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied.
In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 36 van 45
Beoordeling De gemeente Wijchen heeft in 2015 de cultuurhistorische waarden van de gemeente in kaart gebracht. In dit kader is een cultuurhistorische inventarisatie en bijbehorende waarderingskaart opgesteld. In het bestemmingsplan ‘Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen’ is de bescherming van deze cultuurhistorische waarden middels dubbelbestemmingen en aanduidingen gewaarborgd. De Dorpsstraat 2 is, als onderdeel van Niftrik, daarin aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied vanwege de nog herkenbare historische structuur en verkaveling en kleinschaligheid. In lijn met de bepalingen van het Parapluplan voor cultuurhistorie voor het gehele grondgebied van Wijchen, is in dit plan voorzien in een dubbelbestemming ‘Waarde – cultuurhistorisch waardevol gebied’ en een hiermee verband houdende set regels afgestemd op de cultuurhistorische belangen in dit plan. Deze belangen houden verband met de cultuurhistorische waardering ‘hoog’ van dit deel van de historische kern Niftrik, waarbinnen nadere eisen kunnen worden gesteld aan de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing. Stedenbouwkundige structuur Het historisch centrum van Niftrik heeft een hoge cultuurhistorische waarde. Deze wordt bepaald door het samenspel tussen openbare ruimte, verkaveling bebouwing en architectuur.
De oude kern van het dorp heeft een kleinschalige verkaveling en wordt gevormd door met name De Dorpsstraat, De Kerkstraat , de Gildestraat en de Lagestraat.De Kerkstraat is één van de historische linten, zoals ook op onderstaande historische kaarten te zien is. De straat heeft een smal profiel en een gebogen vorm als een contramal van de Dorpsstraat. Rond 1850 kende de Kerkstraat nog meerdere opgangen naar de dijk. De opgang direct ten oosten van het plangebied verdween al snel, de andere twee opgangen zijn er fysiek gezien nog maar zijn of particulier of enkel geschikt voor niet-gemotoriseerd verkeer. De kavels aan de Kerkstraat zijn van oudsher blokvormig. De woningen nabij het plangebied tussen de Kerkstraat en de Maasbandijk zijn in WOII verloren gegaan. De bebouwing op het planperceel, te zien op de kaart van 1890 is daarvoor echter al verdwenen.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 37 van 45
Afbeelding 19: Uitsnede van de beleidskaart
1850
1890
1930
1960
1990
2019
Afbeelding 20: Uitsnede historische kaarten (bron: Topotijdreis)
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 38 van 45
Bebouwing De bebouwing aan de Kerkstraat is individueel ontworpen, kleinschalig lage goot en met name zadeldaken. De woningen staan op relatief kleine, ondiepe kavels vergeleken met de bebouwing aan de Dorpsstraat met meer langgerekte, diepe kavels. Aan de Kerkstraat staan zowel woningen met langs- als dwarskappen. De huizen zijn alle gericht op de openbare ruimte. Veelal verspringen de woningen t.o.v. de naaststaande woning. Bijgebouwen staan achter de woningen, zijn ondergeschikt en hebben een eigen vormgeving. De Tweede Wereldoorlog heeft ervoor gezorgd dat een groot deel van de historische bebouwing in de kern Niftrik verloren is gegaan. De St. Damianuskerk is weer herbouwd en heeft de status van Rijksmonument. De bijbehorende woning en gang heeft de status van gemeentelijk monument evenals de tuin. Tesamen vormt dit een fraai ensemble en verbijzondering van deze woonstraat. Daarnaast staan er in de Kerkstraat nog een aantal gemeentelijke monumenten en een beeldbepalend pand, zowel uit het interbellum, WOII en de wederopbouwtijd. De bebouwing is individueel maar heeft duidelijk overeenkomsten zoals: • • • • •
De meeste woningen staan relatief dicht aan de weg; De bebouwing is enkelvoudig; De bebouwing bestaat veelal uit gevels met rood/rood-bruine bakstenen daken met donkere/grijze dakpannen veelal sobere architectuur.
Door deze overeenkomsten en de gebogen vorm heeft de Kerkstraat een intiem karakter dat wordt verbijzonderd door de kerk, die juist terug staat t.o.v. de weg en een fraaie voortuin heeft aan de Kerkstraat.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 39 van 45
Afbeelding 21: Overzicht Rijks- en gemeentelijke monumenten + beeldbepalende panden nabij het plangebied
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 40 van 45
Plan Het plan gaat uit van twee woningen in twee gebouwen. De woningen hebben een max. goot- en bouwhoogte van 7 en 9 meter en wordt daarmee aangesloten op de maatvoering van de bebouwing in de directe omgeving. Zoals te zien op onderstaande uitsnede hebben de woningen een vergelijkbare maat met de omliggende bebouwing. De twee gebouwen staan net als de bestaande bebouwing dicht op de straat en zijn hierop gericht. Ook qua architectuur wordt goed aangesloten op de omgeving. De woningen hebben een enkelvoudige hoofdvorm waarin gaten zijn uitgesneden voor kozijnen en deuren in de gemetselde gevels. Ook de daken hebben een rustige uitstraling door de donkere kleur van de zonnepanelen. Conclusie De cultuurhistorische waarde van de Kerkstraat wordt met name bepaald door het gebogen, smalle profiel geflankeerd door individueel ontworpen bebouwing met een eenvoudige hoofdvorm van één bouwlaag met kap. De gevels bestaan uit rood of rood-bruin metselwerk met gaten erin voor ramen en deuren. De zadeldaken zijn afgedekt met dakpannen. De woonbebouwing staat dicht op de weg. Enkel de school en de kerk staan op afstand. De twee nieuwe volumes sluiten qua positionering, maatvoering, volumeopbouw en eenvoudige architectuur goed aan op de bestaande bebouwing.
Hiermee wordt er geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van dit gebied en de individuele bebouwing waaronder monumenten en beeldbepalende panden.
Afbeelding 22: Impressie van de woningen vanaf de Maasbandijk
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 41 van 45
4.12 Verkeer en Parkeren Verkeer In de huidige situatie is het perceel in gebruik als tuin / schapenweide bij de bestaande woning. Om deze reden komt de huidige verkeersgeneratie neer op 0 mvt/etmaal. Met de toevoeging van twee woningen neemt de verkeersgeneratie toe. Het aantal motorvoertuigen per etmaal (in de toekomstige situatie) wordt berekend met de CROW-tool. Volgens de CROW-tool komt de verkeersgeneratie van twee woningen neer op 12 mvt/etmaal. Dit verkeer kan de woningen bereiken via nieuwe ontsluitingen op de Kerkstraat. Deze weg kan dit verkeer gemakkelijk verwerken. Een toename van 12 mvt/etmaal zal niet tot nauwelijks merkbaar zijn in de directe omgeving. Om deze reden zijn dus ook geen negatieve effecten op de verkeersdrukte en -veiligheid te verwachten. Het aspect 'verkeer' zorgt daarom niet voor belemmeringen. Parkeren Voor de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers van het CROW. Voor seniorenwoningen geldt een parkeernorm van 1,8 pp/woning. In het totaal worden er 2 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd, waarmee aan de parkeernorm wordt voldaan. De verplichting tot realisatie van voldoende parkeerplaatsen in het plangebied, is tevens vertaald in de planregels van dit bestemmingsplan. Het aspect 'parkeren' zorgt daarom niet voor belemmeringen.
Afbeelding 23: Ligging parkeerplaatsen
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 42 van 45
Hoofdstuk 5
Juridisch planopzet
5.1 Algemene opzet Inleiding Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkelingen en reparaties (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan 'Niftrik, Kerkstraat 4 en 6' bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. De regels Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven. De verbeelding Op de verbeelding is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Ook is er een bouwvlak opgenomen, waarbinnen zowel de woningen als de bijgebouwen moeten worden gerealiseerd. Er is een bouwaanduiding “vrijstaand” opgenomen, waarbinnen maximaal twee vrijstaande woningen of twee geschakelde woningen zijn toegestaan. Voor de bescherming van de aanwezige waarden zijn dubbelbestemmingen opgenomen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Cultuurhistorisch Waardevol gebied”.
Tot slot is er voor de bescherming van de naastgelegen waterkering de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering” opgenomen. De opzet van het plan Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de inwoners en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Dorp Niftrik'. Bouwplan Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend. 5.2
Toelichting op de regels en verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Hierna worden de in het plan opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Wonen In de toekomstige situatie zijn er twee woningen beoogd met ontsluiting op de Kerkstraat. De gronden zijn bestemd als 'Wonen', waarbij het bestemmingsvlak in omvang is gebaseerd op het geldende bestemmingsplan. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woningen zijn toegestaan. Ook voor het bouwvlak is zoveel mogelijk aangesloten bij het geldende bestemmingsplan. Binnen de _____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 43 van 45
aanduidingen “vrijstaand” en “twee-aan-één” zijn maximaal twee vrijstaande woningen of twee geschakelde woningen toegestaan. Voor de woningen is een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 9 meter toegestaan. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht. In de bouwregels zijn maatvoeringseisen opgenomen voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, al dan niet met aan huis gebonden beroep- of bedrijfsactiviteiten. Het gebruik van de bebouwing en gronden voor woondoeleinden is toegestaan onder de voorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan.
Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van bestaande afwijkende maatvoeringen, zoals hoogten en oppervlakten. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 44 van 45
Hoofdstuk 6
Overleg en Inspraak
6.1 Inleiding De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2 Inspraak / vooroverleg De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. De initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium de aangrenzende eigenaren betrokken bij de planontwikkeling. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkelingen die met deze bestemmingsplanherziening mogelijk gemaakt zijn, geen formele inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Er heeft in dit kader overleg plaatsgevonden met het waterschap, dat akkoord is met het plan. 6.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaats vinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend. De zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen door te voeren. 6.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
_____________________________________________________________________________________________________ Toelichting VDW Ruimtelijk Advies Blad: 45 van 45