Toelichting Heikampseweg ong. Alverna
Tekst van het document
Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. De volgende aspecten spelen een rol ten aanzien van externe veiligheid bij ruimtelijke projecten: ✓ inrichtingen; ✓ vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; ✓ transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en/of spoor. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het PR en het GR. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) relevant. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het verplicht transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in een bestemmingsplan.
In het Bevt en de Regeling Basisnet zijn de normen voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Tot slot is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
28
Risicokaart Op de Risicokaart zijn de risicovolle inrichtingen en transportassen weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportassen. De risicocontouren van op grotere afstand gelegen inrichtingen (LPG-tankstations aan Graafseweg en Nieuweweg) en transportassen (A73, spoorlijn Den Bosch - Nijmegen) reiken niet tot over het plangebied. De locatie is ook op ruime afstand van de PR-plafonds wegvervoer en spoorvervoer, samenhangend met het Basisnet, gelegen. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico in het kader van de externe veiligheid. Beleidsvisie Wijchen externe veiligheid Door de gemeente Wijchen is in 2016 de “Beleidsvisie Externe Veiligheid” vastgesteld. In deze beleidsvisie is onder meer vastgelegd op welke wijze het groepsrisico verantwoord moet worden. Daarbij geldt hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingsplicht wordt ingevuld. Op basis van de beleidsvisie is het plangebied gelegen binnen de ‘zonering spoorlijn Den Bosch - Nijmegen’ en de ‘zonering Rijksweg A73’. Gelet op de aanwezige afstand tot spoorlijn en weg (meer dan 1 km) kan volstaan worden met navolgende ‘standaardverantwoording a’.
Verantwoording groepsrisico a Inleiding Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van een risicobron. Om deze reden wordt conform de Beleidsvisie externe veiligheid een standaardverantwoording toegepast. Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Ook het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
29
Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-Alert en het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van de gemeente Wijchen valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Beleidsvisie externe veiligheid Wijchen en de daarin gemaakte keuzes. 5.1.6 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden. In de directe nabijheid van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd. Voor deze bedrijven is geïnventariseerd in hoeverre sprake is van een zonering conform de handreiking ‘Bedrijven en zonering’ (VNG, 2009), die zich uitstrekt over het plangebied.
Voor de in de directe omgeving aanwezige bedrijven mag worden uitgegaan van de navolgende indicatieve richtafstand ten opzichte van woningen in een ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’. In het overzicht is ook de daadwerkelijk aanwezige afstand weergegeven. Rustige woonwijk/rustig buitengebied Bedrijf/inrichting Categorie Grondgebonden agrarisch 2 bedrijf, Heikampseweg 57 Glastuinbouwbedrijf, 2 Weideweg 10-12 Horecabedrijf, 2 cat. 1 t/m 4 Graafseweg 699
Richtafstand 30 m
Werkelijke afstand 70 m
30 m
60 m
30 m
330 m
De afstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die de bedrijven en/of inrichtingen toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de betreffende woningen. Het planvoornemen bevindt zich op basis van het overzicht niet binnen de richtafstanden van enig bedrijf in de directe omgeving. Bedrijven en milieuzonering legt geen beperkingen op aan het planvoornemen. 5.1.7 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bloottelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
30
diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. In en om de kern Alverna hangen gezondheidsrisico’s met name samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, zijn veehouderijen getoetst aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aanen afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Vooralsnog mag ervanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.
Varkens-en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving (250 m respectievelijk 1.000 m). Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Het Stappenplan 2.0 behoeft op basis van deze informatie niet doorlopen te worden. 5.1.8 Spuitzone gewasbescherming Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet ter beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening ook rekening gehouden worden met eventuele spuitzones ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn echter geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten.
In het kader van het planvoornemen moet de aan te houden afstand tussen de gronden waarop de gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen worden dat een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
31
Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone tot bebouwing aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als ‘in het algemeen niet onredelijk’ bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits deze goed onderbouwd wordt. In het geldende bestemmingsplan is deze richtafstand vertaald in het criterium op basis waarvan mede wordt bepaald of binnen de bestemming ‘Agrarisch’ voor de aanleg van een boomgaard een omgevingsvergunning verleend kan worden. Vergunning kan worden verleend indien de aanleg van boomgaarden binnen een afstand van 50 m rondom de boomgaard geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat. Momenteel is op het agrarische perceel naast het plangebied een verouderde, niet meer productieve boomgaard aanwezig. Bij deze boomgaard is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet meer aan de orde. Planologisch bestaat de mogelijkheid echter nog wel om de boomgaard te vernieuwen en weer in productie te nemen. De initiatiefnemer is hierover in overleg getreden met de eigenaren van de boomgaard.
Dit heeft geleid tot de volgende, schriftelijk vastgelegde afspraken: ✓ indien gewenst zal er een haag worden geplant door de initiatiefnemer op eigen perceel, tussen het perceel van initiatiefnemer (ontwikkellocatie) en de boomgaard. Deze haag wordt ca. 1 m hoog of een nader overeengekomen hoogte en is onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan voor de openbaar toegankelijke recreatieruimte ✓ als tussentijds de eigenaar van de boomgaard voornemens is gebruik te maken van de planologische mogelijkheid om de boomgaard weer op te starten en de gewassen te spuiten, wordt in overleg gekeken welke maatregelen daarvoor genomen moeten worden zodat beide partijen niet worden beperkt in uitvoering van de bestemming ✓ in 2030 worden de afspraken tussen de initiatiefnemer en de eigenaar van de boomgaard van de afgelopen jaren geëvalueerd Op basis van deze afspraken kan afgezien worden van een spuitzone-onderzoek en vormt de aanwezigheid van de boomgaard geen belemmering voor het planvoornemen. De aanleg van een boomgaard op de overige aangrenzende agrarische gronden, is door de aanwezige omliggende bestaande woningbouw niet mogelijk. Uitgaande van spuitzones van 50 m rond de aanwezige woonpercelen, is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij een eventuele nieuwe boomgaard niet toe te staan. Eventuele spuitzones staan daarmee het planvoornemen niet in de weg.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
32
5.1.9 Hoogspanningslijnen Beleidskader In 2005 heeft de Staatssecretaris van VROM een beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningslijnen geformuleerd. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen wordt geadviseerd om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Bovenstaande betekent dat er geen gevoelige bestemmingen (voor hoogspanningslijnen zijn dit woningen en scholen, crèches en kinderopvang) waar langdurig verbleven wordt (tenminste 14-18 uur per dag gedurende minimaal één jaar) opgericht mogen worden binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla. De magneetveldzone is de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Het magneetveld rond een hoogspanningslijn is afhankelijk van een aantal eigenschappen van de lijn. Een belangrijke bepalende eigenschap is de capaciteit van de lijn. Deze wordt op zijn beurt weer bepaald door het spanningsniveau van de lijn en de stroomsterkte die door de lijn kan lopen. Hoogspanningslijn Ten oosten van de A73 is de bovengrondse hoogspanningslijn Druten-Boxmeer (150 kV) aanwezig.
Ten zuiden van Wijchen is de bovengrondse hoogspanningslijn Dodewaard-Boxmeer (380 kV) aanwezig. Rond deze laatste hoogspanningslijn gelden een zakelijk rechtstrook en een indicatieve zone. De in het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen vastgelegde zakelijk rechtstrook bedraagt 35 m aan weerszijde van de hoogspanningslijn, dus een totale strook van 70 m. In principe moet deze strook worden vrijgehouden. Het plangebied ligt op ruime afstand (meer dan 1 km) van de hoogspanningslijn. De zakelijk rechtstrook vormt geen beperking. De indicatieve magneetveldzone voor deze hoogspanningslijn is 105 m aan weerszijde van de lijn. Aangezien het plangebied niet is gelegen binnen deze zone, zorgt de hoogspanningslijn niet voor belemmeringen.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
33
5.1.10 Mer(beoordelings)plicht Besluit milieueffectrapportage Ingevolge het Besluit m.e.r. moet worden getoetst of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee nieuwe halfvrijstaande burgerwoningen.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de beschrijvingen van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. 5.1.11 Conclusie Op basis van de onderbouwingen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat vanuit milieuaspecten geen belemmeringen bestaan tegen het planvoornemen. Ook is het niet noodzakelijk voorwaarden aan de voorziene ontwikkeling te verbinden.
5.2
Fysieke aspecten
5.2.1 Water Watertoets Water vormt een steeds belangrijker aspect bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
34
Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de watertoets genoemd. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Waterparagraaf Het planvoornemen betreft de bouw van twee nieuwe halfvrijstaande burgerwoningen en de aanleg van een klein park. Bij de bouw van beide woningen zijn aangebouwde bijgebouwen voorzien evenals erfverharding onder meer ter plaatse van de inrit en de parkeervoorzieningen. De rondom de woningen gelegen gronden zullen verder als onbebouwd erf en tuin gebruikt worden. In het park is geen verharding voorzien. Bij de aanleg van de struinpaden en de centrale open plek wordt gebruik gemaakt van losse boomsnippers. De voorgestane woningbouw brengt wel een vergroting van het verhard oppervlak met zich mee. In de toekomstige situatie zal deze circa 505 m² bedragen. Voor het planvoornemen is een afzonderlijke “Waterparagraaf woningen Heikampseweg ong. Alverna” opgesteld. Daarin wordt onder meer geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling het aantal vierkante meters verhard oppervlak slechts beperkt (circa 505 m²) toeneemt.
Het van dit oppervlak afstromende hemelwater zal worden geborgen in infiltratiekratten bij beide woningen, met een voldoende grote capaciteit. Het plangebied raakt geen ruimtelijk begrensde waterbelangen van het waterschap. Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein bewerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. Het plangebied kan voor wat betreft het afvalwater op de bestaande openbare riolering onder de Heikampseweg worden aangesloten. Het plan heeft gelet op voorgaande geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. Het planvoornemen is op 6 december 2022 via de digitale watertoets aangemeld. Dit heeft geresulteerd in toezending van een ‘standaard wateradvies’ door Waterschap Rivierenland. Dit advies is gebruikt bij het opstellen van de waterparagraaf. Op het planvoornemen is de korte procedure van toepassing. De waterparagraaf en het digitale wateradvies zijn als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 5.2.2 Flora en fauna Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit.
In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
35
Gebiedsbescherming In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Het plangebied of de directe omgeving daarvan maakt geen deel uit van het NNN of Natura 2000-gebieden. De dichtstbij gelegen onderdelen van het NNN liggen op circa 490 m of meer ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, de Rijntakken, is gelegen op een afstand van ca. 7 km of meer. Omdat het planvoornemen daarnaast slechts beperkt voorziet in het opstarten van activiteiten, die een grotere impact kunnen hebben op natuurgebieden in de wijdere omgeving (de bouw van twee halfvrijstaande burgerwoningen en de aanleg van een klein park), mag aangenomen worden dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de gebiedsbescherming. Stikstofdepositie Voor veel projecten geldt een vergunningsplicht (gebiedsbescherming Natura 2000) of een uitgebreidere motivatieplicht om aan te tonen dat een project geen effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als er aangetoond is dat van de bijbehorende stikstofemissie geen effect te verwachten valt op Natura 2000 gebieden.
De depositie van stikstof in het natuurgebied mag niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomen. Het planvoornemen betreft de bouw van twee halfvrijstaande burgerwoningen en de aanleg van een klein park. Door de Rijksoverheid is de “Handreiking woningbouw en AERIUS” uitgegeven. In deze handreiking is een overzicht van de ‘Indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied’ opgenomen. Uit dit overzicht blijkt onder meer dat de indicatieve depositie van 50 woningen op een afstand van 7 km tot het natuurgebied 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Daar vanuit gaande kan worden gesteld dat ook de depositie van twee woningen op een afstand van 7 km tot het natuurgebied niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wnb geen ontheffing zal worden verleend. Quickscan flora en fauna Teneinde informatie te verkrijgen over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna is de “QuickScan flora en fauna Heikampseweg 12, Alverna” (BNL Advies, 2022) uitgevoerd.
De quickscan leidt tot navolgende conclusies en aanbevelingen.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
36
1 Soorten Vogelrichtlijn 1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten De kavel zelf is niet geschikt bevonden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen zoals de huismus, gierzwaluw en kerkuil ook zijn er geen sporen van deze soorten aangetroffen. Naderonderzoek naar het voorkomen en gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Steenuil: Wel is in de directe omgeving van het plangebied een steenuil aanwezig. Werkzaamheden (bouwrijp maken en ruwbouw woning) mogen niet uitgevoerd worden binnen het broedseizoen van de steenuil (15 maart – 15 juli). Een nadelig effect op het essentieel leefgebied van de steenuil wordt niet verwacht. Aangezien er in de directe omgeving voldoende vergelijkbare structuren aanwezig zijn in de vorm van heggen, bosjes, houtwallen, hoogstamfruitgaarden en dierenweides. Ook blijft de aanwezige dierenwijde op de kavel deels behouden, waardoor er voedsel beschikbaar blijft in de vorm van mestkevers en andere insecten. Mogelijk in het zinvol om in de treurwilg, welke aanwezig is op de kavel, een nestkast voor de steenuil te plaatsen. Dit aangezien het gebouwtje waar ze momenteel verblijven, langzaam in slechtere staat gaat verkeren. Hiervoor kan contact opgenomen worden met Vereniging Natuur Wijchen.
Landschapselementen: Ten behoeve van de steenuil, en de werkzaamheden binnen het territorium van de steenuil kunnen negatieve effecten verzacht worden door het aanleggen van diverse landschapselementen. Het functionele leefgebied wordt hersteld door voor de steenuil ongeschikte delen geschikt te maken. De maatregelen om de functionaliteit te herstellen, zijn afhankelijk van datgene wat verloren gaat. Mogelijke maatregelen zijn: ✓ Herstel van voldoende beschikbaar foerageergebied, bijvoorbeeld door: o creëren van overhoeken creëren van kruidenzomen o creëren van ruigten, bijvoorbeeld tussen een dubbele rij rasters o creëren van struwelen o creëren van takkenrillen, houtstapels, composthopen en mesthopen o creëren van kortgrazige percelen, zoals schapen- en paardenweitjes o creëren van hoogstamboomgaarden o aanplanten van struiken en bomen die noten of vruchten dragen o aanleggen van een poel of vijver met flauwe oevers o aanleggen van een moestuin o graan de winter laten overstaan. ✓ Zorgen voor voldoende dekkingsmogelijkheden door de aanplant van bijvoorbeeld (knot)boomsingels en struwelen en door het aanbrengen van takkenhopen, los gestapelde stenen of houtblokken. ✓ Zorgen voor voldoende zit- en uitkijkposten, bijvoorbeeld door het aanbrengen van paaltjes.
✓ Zorgen voor voldoende rust en voor bescherming tegen bijvoorbeeld predatoren, verdrinking, aanrijding en doorvallen door een schoorsteen. ✓ De herstelmaatregelen worden getroffen binnen een straal van 200 meter van de (potentiële) nestplaats, maar niet binnen het territorium van een ander broedpaar.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
37
✓
Het effect van de te nemen maatregelen moet duurzaam genoeg zijn.
Overige soorten: Binnen en rondom het projectgebied zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten- of sporen van boombewonende broedvogels waargenomen. Op basis hiervan kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief worden uitgesloten van aanwezigheid en wordt nader onderzoek naar overige soorten met jaarrond beschermde nesten niet nodig geacht. 1.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals de ekster in nesten in bomen, koolmees, pimpelmees in nestkasten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels.
In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. 1.3 Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen- en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten.
Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
38
2 Soorten Habitatrichtlijn 2.1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht. 2.2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. 2.3 Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effecten op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
3 Aanbevelingen/natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor en na de bouw van de nieuwe woning. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe) soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kan gedacht worden aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen, of ingebouwd worden in de gevel van de woning of tegen de bomen en bebouwingen in de directe omgeving. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet, welke onderdak kunnen bieden aan de diverse soorten vleermuizen. 4 Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, hoeft geen aanvullend flora- of faunaonderzoek uitgevoerd te worden voorafgaand aan de geplande werkzaamheden wanneer gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Wel dient rekening gehouden te worden met de bouw van de nieuwe woning met de aanwezige steenuil nabij het plangebied. Zie overzicht werkzaamheden en landschapselementen onder 1.1 van de beschrijving van de quickscan.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
39
Belangrijk is om gedurende de ontwikkeling van de nieuwe woningen de aanbevelingen mee te nemen in het ontwerp. Dit zou voor (beschermde) soorten in de directe omgeving een welkome aanvulling zijn. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de steenuil. Waar mogelijk zal ook invulling gegeven worden aan de aanbevelingen voor natuur-inclusief bouwen. In aanvulling daarop zal bij de verdere uitwerking van de bouwplannen ook gekeken worden naar de mogelijkheden van het toepassen van groene daken, het aanbrengen van vogelhuisjes, insectenhotels en/of ingemetselde vogel- en/of vleermuiskasten. De Quickscan flora en fauna is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 5.2.3 Cultuurhistorisch erfgoed Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook navolgende bepaling omtrent de archeologische monumentenzorgen cultuurhistorische waarden. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen ook rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie Het landschap van dit deel van Alverna is getypeerd als oude bossen op hogere plateaus (td2). Wijchen was in 1850 rijk aan bossen, iets wat zeker niet van elke gemeente in Nederland gezegd kan worden. Zo’n groot bosgebied lag op een hoog terras bij de Boschkant. Kleinere bossen bevonden zich ten westen en noordoosten van Alverna. De bossen bij Alverna zijn minder intact dan die van Hernen. Het bosgebied ten westen van het dorp is verwijderd, mogelijk ten behoeve van de aanleg van sportvelden, en daardoor gehalveerd. Het kleinere bos aan de noordoostkant van het dorp is zelfs volledig verdwenen1.
1 RAAP-rapport 3040, Tussen stad en land, tussen Maas en Waal, gemeente Wijchen. Een cultuurhis-
torische inventarisatie (actualisatie)
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
40
Op het aspect cultuurhistorie is van toepassing het bestemmingsplan Parapluplan Cultuurhistorie en de beleidsnota Samen in Verscheidenheid (Raasbesluit 3 mei 2017). Het bestemmingplan voorziet in de bescherming van cultuurhistorische waarden in de gemeente. Dit gebeurt door een zogenaamde dubbelbestemming op te leggen. De bescherming heeft vooral betrekking op gebieden met middelhoge of hoge waarden. Voor de in het plan opgenomen panden met een karakteristieke beeldbepalende waarde geldt een sloopvergunningplicht. Het parapluplan beslaat het hele grondgebied van de gemeente Wijchen. De beleidsnota Samen in Verscheidenheid maakt, met bijlagen, onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In deze beleidsnota wordt aangegeven hoe de gemeente Wijchen met cultuurhistorie omgaat. De cultuurhistorische waarderingskaart Gemeente Wijchen maakt onderdeel uit van de beleidsnota. Het plangebied heeft is volgens de waarderingskaart, cultuurlandschappelijk laag gewaardeerd. Het plangebied ligt dan ook in een zone zonder beleidsmatige vertaling. Het parapluplan cultuurhistorie is hier niet van toepassing.
Uitsnede Tussen stad en land, tussen Maas en Waal, gemeente Wijchen
Uitsnedes cultuurhistorische waarderingskaart en beleidsnota
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
41
Archeologie Uitgangspunt van de wet- en regelgeving aangaande archeologie is dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Archeologisch onderzoek Teneinde eventuele archeologische waarden in beeld te brengen is het “Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), karterende fase Heikampseweg 12 te Wijchen” (KSP Archeologie, 2023) uitgevoerd. Daarin worden de volgende conclusies vermeld: ✓ Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is aan de zuidwestelijke helft van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan de noordoostelijke helft een lage verwachting. Daarnaast stond aangegeven dat in het gehele plangebied sprake kan zijn van verstoringen van de bodem. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting gespecificeerd per periode. Het plangebied heeft oorspronkelijk op een dekzandwelving gelegen die later tot ca. 90 cm -mv is afgegraven.
Op basis hiervan en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling ook een lage verwachting aan het plangebied toegekend. ✓ Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de natuurlijke veldpodzolgrond in vrijwel het hele plangebied is verdwenen doordat het gebied is afgegraven ten behoeve van de zandwinning (wat al tijdens het bureauonderzoek was vastgesteld). Met uitzondering van boring 3 is er geen dekzand meer aangetroffen. Er zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis hiervan blijft de lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd.
De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. ✓ Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Selectieadvies Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren en het feit dat het plangebied grotendeels ontzand is en daarmee een lage archeologische verwachting heeft, adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
42
Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Wijchen), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het rapport is beoordeeld door de beleidsadviseur archeologie van de Werkorganisatie Druten Wijchen. Het rapport is akkoord bevonden en het advies is overgenomen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem.
Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden. Het archeologisch onderzoek en het selectiebesluit zijn als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 5.2.4 Verkeer en parkeren Na realisering van het planvoornemen wordt binnen het plangebied de woonfunctie relevant voor verkeer en parkeren. De bouw van twee halfvrijstaande burgerwoningen heeft gevolgen voor de verkeersgeneratie. Na realisatie van het planvoornemen bedraagt de verkeersgeneratie circa 18 (2 x 9) motorvoertuigbewegingen/werkdag (uitgaande van een verkeersgeneratie per woning van 8,2 motorvoertuigen/weekdag, 9,1 motorvoertuigbewegingen/werkdag (1,11 x 8,2)). De verkeersgeneratie neemt derhalve beperkt toe. Deze toename in verkeersgeneratie vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling op de Heikampseweg. De gemeentelijke parkeernorm voor woningen is gekoppeld aan de CROW-publicatie “Toekomstbestendig parkeren”. Dit betekent voor halfvrijstaande woningen in Alverna (‘buitengebied’ in ‘matig stedelijk gebied’) een parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per woning. Conform die parkeernorm moeten in totaal 2 x 2,6 = 5,2 parkeerplaatsen aangelegd worden op eigen terrein. Omdat het om twee aparte woningen gaat, moeten per woning 3 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Daartoe is op de beide kavels voldoende ruimte aanwezig.
5.2.5 Conclusie Op basis van de onderbouwingen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat fysieke aspecten geen belemmeringen opleggen aan het planvoornemen. Ook is het niet noodzakelijk voorwaarden aan de voorziene ontwikkeling te verbinden.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
43
5.3
Economische aspecten
5.3.1 Kostenverhaal Door de gemeente Wijchen wordt met de initiatiefnemer een realisatieovereenkomst afgesloten. In deze overeenkomst (Wro, afdeling 6.4) worden onder meer afspraken gemaakt over de wijze van realiseren van het plan, het verhalen van door de gemeente te maken kosten en afwenteling van planschade. Daarnaast worden voor het herzien van het bestemmingsplan legeskosten in rekening gebracht.
De kosten van de daadwerkelijke uitvoering van het planvoornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. Voor de gemeente Wijchen zijn aan het planvoornemen verder geen kosten verbonden. 5.3.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Naar verwachting zal in onderhavig geval beperkt of niet sprake zijn van planschade. De fysieke situatie wijzigt weliswaar, maar daarbij zal sprake zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Mocht toch sprake zijn van planschade, dan komt deze op basis van een te sluiten planschadeovereenkomst voor rekening van de initiatiefnemer. 5.3.3 Conclusie Op basis van de motiveringen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat het planvoornemen economisch haalbaar is en niet leidt tot extra kosten voor de gemeente Wijchen.
5.4
Handhaafbaarheid
5.4.1 Regeling conform bestemmingsplan Buitengebied Wijchen De bestemmingsregeling van onderhavig plan is afgestemd op de bestemmingsregeling uit het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Wijchen”. Bij het opstellen van de regels voor dit bestemmingsplan “Buitengebied Wijchen” is reeds de nodige aandacht besteed aan de handhaafbaarheid daarvan. Door voor het plangebied aan te sluiten bij deze regels, wordt de handhaafbaarheid van de regeling voldoende gewaarborgd. 5.4.2 Conclusie Op basis van voorgaande mag geconcludeerd worden dat de handhaafbaarheid van de toekomstige situatie binnen het plangebied afdoende gewaarborgd is.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
44
6
JURIDISCHE VERANTWOORDING
6.1
Algemeen
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een drietal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten: ✓ de digitale raadpleegbaarheid; ✓ de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); ✓ de Woningwet. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
6.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn aangegeven: ✓ de grens van het plangebied; ✓ de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden: ‘Bos’ en ‘Wonen’; ✓ de ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’; ✓ de aanduiding ‘bouwvlak’; ✓ de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ ✓ de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden’. Door middel van de aanduidingen wordt vastgelegd dat binnen het bouwvlak maximaal twee halfvrijstaande woningen zijn toegestaan. De milieuzone is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Dit betreft een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ter bescherming van de waterhuishoudkundige situatie en de voorkomende natuurwaarden in de grotere omgeving.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: ✓ inleidende regels; ✓ bestemmingsregels; ✓ algemene regels; ✓ overgangs- en slotregels. De van toepassing zijnde regels zijn zoveel als mogelijk overgenomen van de bestemmingsregeling uit het bestemmingsplan “Buitengebied” en de herziening daarvan.
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
45
7
PROCEDURE
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van de watertoets digitaal ter beoordeling aan het waterschap Rivierenland aangeboden. Het waterschap geeft aan dat de korte procedure kan worden doorlopen.
7.2 De te volgen procedure Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure. Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: vaststelling door de Raad mogelijkheid reactieve aanwijzing publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting
46
bestemmingsplan Heikampseweg ong. Alverna - toelichting