Toelichting en Regels bestemmingsplan Leursweg 8 Leur
Tekst van het document
Over deze N-wegen vindt derhalve geen structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats en worden verder buiten beschouwing gelaten. De rijksweg A50 (wegvak G65) ligt op een afstand van circa 950 m in westelijke richting van het plangebied. Deze weg is opgenomen in het Basisnet weg. Gelet op de ruimtelijke scheiding is de PR 10-6-risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van deze weg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van deze weg is gelegen, is het niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A50, ter hoogte van het plangebied LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3-stoffen worden getransporteerd. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg vormen geen aandachtspunt voor het plan. Op een afstand van circa 470 meter van het plangebied is de Rijksweg A326 (wegvak G90) aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A326 is niet opgenomen in het Basisnet weg. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de A326, ter hoogte van het plangebied LF1, LF2, LT1, LT2, GF2 en GF3 stoffen worden getransporteerd.
Het aantal GF3-tranporten bedraagt 512 per jaar, waardoor geen sprake is van een PR10 -6-risicocontour. Ook is geen sprake van een PAG. Gezien de afstand tot de A326, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt met betrekking tot het vervoer van LT1 en LT2. Op basis van de vuistregels uit de HART moet derhalve bepaald worden of de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico berekend moet worden met behulp van het rekenprogramma RBM II. Deze bepaling heeft echter recentelijk ook al plaatsgevonden voor het bestemmingsplan De Passerot 18. In het uitgevoerde onderzoek voor dat plan is geconcludeerd: In onderhavig geval is sprake van eenzijdige bebouwing. De kleinste afstand tussen een woning en de as van de A326 bedraagt circa 32 meter. Bij een transportaantal van 512 GF3-transporten wordt de oriëntatiewaarde pas overschreden bij een populatiedichtheid van 800 personen/ha. Voor de 10% toetsing van de oriëntatiewaarde volgt een overschrijding bij een dichtheid van 250 personen/ha. Dergelijke hoge personenaantallen worden in de onderhavige situatie niet behaald. Geconcludeerd wordt dat ook na de planvorming de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
Op basis van het gestelde in artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes hoeft de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk te worden gemaakt. Wel moeten de risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de A326 worden meegenomen in een beperkte verantwoording. Aangezien het plangebied De Passerot dichter op de A326 is gelegen en meer woningen omvat, is deze conclusie (minstens) ook van toepassing op dit bestemmingsplan. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg Ook ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Op circa 1.000 meter ten zuiden van het plangebied is de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl - Nijmegen (traject 64H) gelegen. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor.
28
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Gelet op de ruimtelijke scheiding is de PR 10-6-risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van deze spoorweg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van deze spoorweg is gelegen, is het niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Uit bijlage II Tabel Basisnet spoor van de Regeling basisnet volgt dat over dit spoortraject de stofcategorieën A, B2, C3, D3 en D4 worden vervoerd. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze spoorweg. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorweg moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Zowel ten oosten, als ten westen van het plangebied zijn diverse hogedruk aardgastransportleidingen gelegen (A-505, A-507, A-524, A-533, A-664 en A-674). Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze gasleidingen. De invloedsgebieden van deze leidingen reiken echter wel tot het plangebied. Formeel dient daarom een berekening van het groepsrisico gemaakt te worden.
Een berekening van het groepsrisico wordt echter niet nodig geacht, omdat de personendichtheden in het buitengebied en in Leur over het algemeen laag zijn en het voorliggende initiatief slechts één extra woning mogelijk maakt. Het is niet te verwachten dat het toevoegen van één woning tot een onaanvaardbare stijging van het groepsrisico zal leiden. Aangenomen mag worden dat het groepsrisico ruim beneden de oriënterende waarde ligt. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording. Gelet op de relatief grote afstand van het plangebied tot de voornoemde gasleidingen bestaan er verder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert.
Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aan nieuwe woningen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de vervoersassen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de vervoersassen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval ter hoogte van de buisleidingen. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
29
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan.
4.8.2
Beschrijving watersysteem
Geomorfologie en geohydrologie Het maaiveld van het plangebied bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 7,5 tot 8,0 m +NAP en is gelegen op een rivierduin en een stroomrugglooiing. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is circa 0,8 tot 1,0 m -mv. Infiltratie van hemelwater in de ondergrond is mogelijk, omdat de ontwateringsdiepte voldoende groot is en het duinzand een goed doorlatende ondergrond is. Oppervlakte- en afvalwatersysteem In het plangebied liggen geen watergangen. Tegenover het plangebied, aan de noordzijde van de Leurseweg, ligt een C-watergang. Het plangebied is gerioleerd door middel van drukriolering. Ecosysteem Het plangebied maakt geen deel uit van de ecologische verbindingszones uit het Gelders Natuurnetwerk.
4.8.3
Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer
Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de 'Strategische waternota Wijchen' zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken.
De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6).
30
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4).
4.8.4
Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan
Leefomgeving algemeen De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning. Gevolgen van/voor het plan: Door de beoogde realisatie van één extra vrijstaande woning door transformatie van de bestaande schuur in het plangebied treden geen noemenswaardige veranderingen op ten aanzien van de waterhuishouding. Voor zowel de bestaande woning als de toekomstige extra woning vindt de vuilwaterafvoer plaats via de drukriolering en de hemelwaterafvoer via infiltratie en/of hergebruik op het eigen perceel. Kwaliteit en beleving De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd.
Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan: Om te voorkomen dat het hemelwater vervuild raakt, wordt bij de bouw zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen.
Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het riool, maar op eigen terrein opgevangen voor hergebruik en/of infiltratie in de bodem. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig in het plangebied. Klimaatverandering De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
31
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan: Ten opzichte van de bestaande situatie neemt de verharding in het plangebied niet of nauwelijks toe, omdat het bebouwd oppervlak gelijk blijft. Het bestaande voormalige agrarische bijgebouw wordt getransformeerd tot woning. Het is niet waarschijnlijk dat bij klimaatbuien hemelwater in de woning komt, omdat het plangebied vanaf de schuur in zuidelijke richting afloopt. Daarnaast worden goede dakgoten aangebracht en eventueel een sleuf om het huis heen. Mogelijk kan in het kader van de omgevingsvergunning ook worden onderzocht of de begane grondvloer opgehoogd kan worden, met een extra afdeklaag, gecombineerd met eventuele energetische maatregelen, mits bouwkundig haalbaar. Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool.
Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan: In het voorliggende plan is niet of nauwlijk sprake van een toename van het verhard oppervlak. De eventuele beperkte toename zal bovendien onder de norm van de compensatieplicht blijven, zoals gehanteerd door het Waterschap Rivierenland. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het riool, maar op eigen terrein opgevangen voor hergebruik en/of infiltratie in de bodem. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig in het plangebied. Gezondheid en veiligheid De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid.
Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan: Er is voldoende ontwateringsdiepte tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand en het vloerpeil van de begane grond. De GHG ligt minimaal 0,8 m onder het maaiveld. Het plangebied heeft bovendien deels al de bestemming 'Wonen' en er is in de bestaande situatie geen sprake van wateroverlast. Eventuele gevolgen van de toename van de hoeveelheid afvalwater voor de capaciteit van de bestaande openbare drukriolering komen voor rekening van het plan. Indien het eigendom gesplitst wordt dan wordt de nieuwe woning rechtstreeks op de pompput aangesloten.
Dit betekent dat een deel van de particuliere terreinriolering van de nieuwbouw op het terrein van de bestaande bebouwing komt te liggen. Hiervoor wordt een zakelijk recht tussen beide eigenaren gesloten.
32
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.8.5
Overwegingen en conclusie
Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de transformatie van het bestaande bijgebouw niet of nauwelijks toe. Watercompensatie is derhalve niet aan de orde. Het hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt en niet afgevoerd naar de riolering en/of een oppervlaktewatersysteem. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8.6
Overleg waterbeheerder
Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder. De gemeente, het waterschap, de waterbeheerders, maar ook Rijkswaterstaat en/of de provincie kunnen waterbeheerder zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (dewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf. Wateradvies Geen Waterschapsbelang: De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland. Uit de gegevens die zijn ingevoerd volgt dat het plan uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing betreft. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Waterschap Rivierenland heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Rivierenland, zie ook Bijlage 6. Ook de gemeente adviseert positief ten aanzien van de waterparagraaf.
4.9
Ecologie
4.9.1
Regelgeving
De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.
De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de 'overige soorten' die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
33
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Soortenbescherming Gelet op het huidige gebruik als agrarisch erf, maakt het plangebied mogelijk deel uit van essentieel leefgebied van beschermde soorten. Ook kan het bijgebouw geschikt zijn als verblijfsplaats. Derhalve is een ecologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Wat betreft de aanwezigheid van beschermde flora en fauna kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om tijdens de uitvoering van de verbouwing nest- en verblijfsgelegenheid voor vogels te integreren in de woning. Hier wordt bij de planuitvoering rekening mee gehouden. In de te behouden kippenschuur op het achterterrein bestaat de mogelijkheid tot de aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de (eventuele) aanwezigheid van de steenuil.
Dit betekent dat, bij gebleken aanwezigheid, de werkzaamheden buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden (broedseizoen is van februari tot en met juli) of dat er gezorgd wordt voor tijdelijke voorzieningen, zoals het plaatsen van schermen om de rust van de verblijfplaats te garanderen. Voor het plaatsen van schermen kan contact worden opgenomen met een ecoloog. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', op een afstand van circa 7,5 km. Gezien deze afstand, de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling en de aard van de werkzaamheden, is van een externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS calculatie, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. De beoogde woning wordt duurzaam en zoveel mogelijk zelfvoorzienend gerealiseerd, waardoor de stikstofemissie, ondanks de toevoeging van één wooneenheid, slechts beperkt toeneemt. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Archeologie & cultuurhistorie
4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.
34
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie De archeologische dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied', uit het geldende bestemmingsplan, is bedoeld voor gronden die mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde, voor het middelste deel een middelmatige verwachting en voor het noordelijk deel een lage verwachting. De noordoostelijke zijde van het plangebied maakt bovendien onderdeel uit van een gebied dat is aangeduid als 'gemeentelijke vindplaatsen en woongronden (waardegebied)'.
Uitsnede archeologische beleidskaart Wijchen met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Deze hoge en middelmatige verwachtingswaarden betekenen dat bij bodemingrepen groter dan 60 m2 archeologisch onderzoek benodigd is. Bij een lage verwachtingswaarden vanaf 500 m 2. Vanwege de aanduiding als 'gemeentelijke vindplaatsen en woongronden (waardegebied)' is binnen de bebouwde kom archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 30 m2. Voorliggend initiatief voorziet uitsluitend in een renovatie van het bestaande bijgebouw, waarbij de bodem niet of nauwelijks wordt geroerd en voornamelijk ter plaatse van de gronden met een lage en middelmatige archeologische verwachting en niet de gronden aangeduid als 'gemeentelijke vindplaatsen en woongronden (waardegebied)'. De vrijstellingsgrens wordt derhalve niet overschreden en archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
35
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Cultuurhistorie Het plangebied is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied, omdat het onderdeel is van het waardevol dorpsgezicht van Leur en zowel de boerderij als de schuur gemeentelijke monumenten zijn. Het boerderijcomplex gelegen aan de Leurseweg 8 in Leur, is geregistreerd op de gemeentelijke monumentenlijst op 20-11-2007. Het perceel bevindt zich in het beschermd dorpsgezicht Leur. Het karakteristieke erf met hallenhuisboerderij uit 1936 ligt enigszins van de weg af. Op het erf bevinden zich tevens een schuur en een kippenschuur uit dezelfde bouwperiode. Binnen het complex zijn opgenomen: 1. voormalige hallenhuisboerderij omgebouwd tot woonhuis, daterend uit 1936; 2. schuur uit dezelfde bouwperiode; 3. een kippenschuur uit dezelfde bouwperiode. Door de transformatie van de schuur tot woning, wordt het in slechte staat verkerende monument en het ensemble voor de langere termijn behouden. Mogelijke ondergeschikte aanpassingen aan het gevelbeeld worden in samenhang met de monumentale waarde van het pand vormgegeven. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.11
Leidingen
4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen. Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.12
Vormvrije MER-beoordeling
4.12.1 Regelgeving Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
36
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2).
Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer; een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie met maximaal één wooneenheid toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
37
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Wijchen.
5.1.1
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in de bestemmingsregels gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die tot verwarring kunnen leiden of voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
5.1.2
Bestemmingsregels
De bestemmingsregels kennen, voor zover van toepassing, allemaal een gelijke opbouw. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het is een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. Bouwregels De bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels De afwijking van de bouwregels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van een specifieke regel. Specifieke gebruiksregels De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. In het kader van een omgevingsvergunningstelsel zijn bepaalde werken en werkzaamheden niet toegestaan zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verkregen van het daartoe bevoegde gezag. Afwijken van de gebruiksregels De afwijkingen van de gebruiksregels zijn afwijkingsbevoegdheden die worden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
38
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
5.1.3
Algemene regels
De algemene regels zijn een aantal standaardbepalingen. Anti-dubbeltelbepaling De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regelingen opgenomen voor ondergeschikte bouwdelen en afwijkende maatvoering.
5.1.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Het overgangsrecht is een standaardbepaling welke is overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Het gebruik van grond en opstallen, dat afwijkt van de regels, op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan.
5.2
Bestemmingsplan
Het bestemmingsplan kent 2 enkelbestemmingen en 3 dubbelbestemmingen: Wonen - Beeldbepalend De bestemming 'Wonen - Beeldbepalend' is overgenomen uit het geldende 'Bestemmingsplan Leur'. Waarde - Archeologie De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 2 en 3' zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' opgenomen binnen deze dubbelbestemming. De bijbehorende beschermende bepalingen zijn opgenomen in dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
39
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Alle kosten die gemaakt moet worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld. Aanleg van of wijziging aan bestaande openbare voorzieningen door of als gevolg van het plan worden verhaald op de initiatiefnemer d.m.v. anterieure overeenkomst. Fysieke schade aan openbare voorziening door of als gevolg van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Daartoe wordt de staat van de openbare voorzieningen voorafgaand aan de uitvoering opgenomen en schriftelijk vastgelegd tussen gemeente en initiatiefnemer.
6.2
Overleg
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
6.3
Inspraak
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 23 december 2021 tot en met woensdag 2 februari 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn binnen deze termijn geen zienswijzen ingediend.
40
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
41
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 1
42
Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 2
Bodemadvies ODRN
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
43
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 3
44
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 4
Besluit hogere waarden geluid
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
45
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 5
46
Quickscan Wet natuurbescherming
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Bijlage 6
Digitale watertoets
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
47
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
48
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Regels
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
49
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur met identificatienummer NL.IMRO.0296.LEURLeurseweg8VG01 van de gemeente Wijchen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 bestemmingsplan Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen het bestemmingsplan Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen met identificatienummer NL.IMRO.0296.ParapluplanChw-VG01, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 3 mei 2017; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan huis verbonden bedrijfsactiviteit: het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.
het uitoefenen van ambachtelijke/kunstzinnige - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend; 1.7 aan huis verbonden beroep: een beroep, waarvan de activiteiten niet publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 1.8 aan- of uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap - met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is; 1.9 aardkundige waarde: gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die een bepaalde (beperkte) mate van bescherming genieten; 1.10 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van
landbouwdieren en andere dieren ten behoeve van de agrarische producten zoals (sier)vissen, wormen en bijen; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en paardenhouderijen; 1.11 agrarisch grondgebruik: het gebruik van gronden ten behoeve van het telen van gewassen/bomen dan wel ten behoeve van het beweiden van landbouwdieren; 1.12 archeologische waarden: waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde;
50
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
1.13 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.14 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten; 1.15 bedrijfsactiviteiten: handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf; 1.16 bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten; 1.17 bedrijfswoning/ dienstwoning: een woning, in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet worden geacht; 1.18 bestaand: t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; t.a.v.
werken of werkzaamheden: zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel toegestaan krachtens omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.19 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.20 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.21 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.22 bijgebouw: een vrijstaand of aan het hoofdgebouw aangebouwd gebouw, dat hetzij functioneel hetzij door zijn situering of afmeting ondergeschikt is aan het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw, zoals een garage, berging of hobbyruimte; 1.23 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.24 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.25 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.26 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.27 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is
verbonden;
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
51
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
1.28 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.29 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.30 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.31 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.32 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, inclusief daarbij behorende aan- en uitbouwen; 1.33 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge
samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur; 1.34 natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.35 omgevingsvergunning: vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.36 ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen; 1.37 peil: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van een gebouw; voor overige bouwwerken geldt de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende terrein; 1.38 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden, met dien verstande dat onder seksinrichting in elk geval wordt verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.39 vloeroppervlak(te): de totale oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt
gebruikt; 1.40 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van dit plan;
52
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
1.41 Wet geluidhinder: Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan; 1.42 Wet ruimtelijke ordening: Wet van 20 oktober 2006, (Stb. 2006, nr. 566), houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan; 1.43 woning/ wooneenheid: een complex van fysiek aan elkaar verbonden ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden; 1.44 Woningwet: Wet van 29 augustus 1991 , (Stb. 1991, nr. 439), tot herziening van de Woningwet, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan;
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
53
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de druiplijn, waarbij in geval van een hellend dakvlak de druiplijn wordt bepaald door de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak; dit betekent dat in voorkomende gevallen de druiplijn wordt bepaald overeenkomstig het hieronder staande:
2.2 de (nok)hoogte van een bouwwerk: van het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, met dien verstande dat voor wat betreft gebouwen ondergeschikte bouwdelen daarbij niet worden meegerekend; 2.3 de inhoud van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren en de dakvlakken (zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen) en boven het peil; 2.4 de oppervlakte van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren en op het peil; 2.5 vanuit de grens van het bouwvlak vanuit het hart van de op de plankaart aangegeven lijn die het bouwvlak begrenst.
54
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen - Beeldbepalend
3.1
Bestemmingsomschrijving
3.1.1
Algemeen
De voor 'Wonen - Beeldbepalend' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woondoeleinden; b. het behoud beheer en herstel van de cultuurhistorische waarde van het beschermde dorpsgezicht van Leur; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - gemeentelijk monument' een gemeentelijk monument; één en ander met bijbehorende voorzieningen.
3.1.2
Nadere detaillering van de bestemming
Voorts geldt ten aanzien van de in artikel 3.1.1 omschreven doeleinden dat: a. gebruik van een deel van de woning en/of de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het (mede) ten behoeve van een aan huis verbonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak maximaal 1/3 van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijgebouwen mag bedragen met een maximum van 50 m²; 2. degene die de activiteiten in de woning en/of de bijgebouwen uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; 3. de activiteit mag niet leiden tot gebruik van extra parkeerruimte binnen het openbaar gebied; 4. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden; hieronder worden niet begrepen handelsactiviteiten via het internet; 5. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen niet zijn toegestaan; b. aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten niet zijn toegestaan, behoudens na verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.5.1 c. binnen de aanduiding 'bijgebouwen' uitsluitend gebouwen in de vorm aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn toegestaan; d. het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 1 per bouwvlak, behoudens voor zover dit is toegestaan op grond van artikel 3.5.2 (woningsplitsing); e.
ter plaatse van de aanduiding 'karakterbepalend erf' de gronden primair zijn bestemd voor het behoud en herstel van deze erven. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Toegestane bebouwing
Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in artikel 3.1.1 omschreven doeleinden. 3.2.2
Hoofdgebouwen
Voor hoofdgebouwen geldt dat: a. deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd; met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; b. de goothoogte, (nok)hoogte en kaprichting niet mogen afwijken van de bestaande goothoogte, de (nok)hoogte en kaprichting;
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
55
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3.2.3
Aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen
Voor aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen geldt dat: a. deze zowel in het bouwvlak als ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen worden opgericht; b. de goothoogte maximaal 3,0 m bedraagt; c. de (nok)hoogte maximaal 4,50 m bedraagt; d. per bouwperceel mag maximaal 75 m² aan aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen worden gerealiseerd, met dien verstande dat het oppervlak van het bestaande kippenhok hierin niet wordt meegerekend. 3.2.4
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat de hoogte maximaal bedraagt: a. voor terreinafscheidingen, ter plaatse van de aanduiding 'karakterbepalend erf', 1 m; b. voor terreinafscheidingen, niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'karakterbepalend erf', 2 m; c. voor carports en overkappingen 3 m, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 20 m2 bedraagt en deze uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak en/of binnen de aanduiding 'bijgebouwen'; d. voor overige niet eerder genoemde bouwwerken voor zover deze zijn gelegen achter de naar de weg gekeerde zijde van gevels van woningen of het verlengde hiervan 3,5 m. 3.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden alsmede aardkundige waarden, nadere eisen stellen aan: a. de situering van bijgebouwen; b. de vorm van de kap van bijgebouwen; c. de afmetingen van de gebouwen; één en ander in verband met het behoud beheer en herstel van de cultuurhistorische waarde van het beschermde dorpsgezicht van Leur; de bescherming van een karakteristiek bebouwingsbeeld, het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Strijdig gebruik
In aanvulling op het bepaalde van artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen, het gebruiken en/of het laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor: a. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning (met uitzondering van de transformatie van de bestaande schuur gelegen binnen het bouwvlak naar een woning) en als afhankelijke woonruimte; b. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan ingevolge deze voorschriften; e. een gebruik van gronden en bouwwerken voor horeca, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan ingevolge deze regels; f. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel een escortbedrijf.
56
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3.4.2
Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruik van de woning ter plaatse van de bestaande schuur gelegen binnen het bouwvlak, zoals beschreven in deze bestemming, is pas toegestaan indien en zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de landschappelijke inpassing zoals deze is opgenomen in Bijlage 1 van deze regels moet binnen 1,5 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan zijn aangelegd en vervolgens in stand worden gehouden. 3.4.3
Voorwaardelijke verplichting akoestiek binnenwaarde ten gevolge van wegverkeerslawaai
Ter waarborging van een verantwoord woon- en leefklimaat, is het bouwen van woningen binnen het plangebied uitsluitend toegestaan indien is aangetoond, dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt.