Toelichting en Regels bestemmingsplan Leursweg 8 Leur
Tekst van het document
Leurseweg 8 Leur
NL.IMRO.0296.LEURLeurseweg8-VG01 / Definitief Projectnr. W-20096 / Vaststellingsdatum 26 april 2022
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 9
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 12
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
14 14 15 17 19
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & Parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
20 20 20 21 23 24 25 26 30 33 34 36 36
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsplan
38 38 39
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Inspraak
40 40 40 40
Bijlagen toelichting
41
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
42
Bijlage 2
Bodemadvies ODRN
43
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
44
Bijlage 4
Besluit hogere waarden geluid
45
Bijlage 5
Quickscan Wet natuurbescherming
46
Bijlage 6
Digitale watertoets
47
2
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Regels
49
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
50 50 54
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Wonen - Beeldbepalend Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied
55 55 60 62 64 66
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels
68 68 68 69
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
70 70 71
Bijlagen regels
72
Bijlage 1
Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
73
Bijlage 2
Cultuurhistorische waarderingskaart
74
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
3
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Toelichting
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
5
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De eigenaar van de monumentale boerderij aan de Leurseweg 8 in Leur, gemeente Wijchen, is voornemens om in het bestaande bijgebouw, op het achtererf, één extra woning te realiseren. De transformatie van bijgebouw naar woonhuis past niet in het geldende bestemmingsplan. Vandaar dat het geldende bestemmingsplan voor het perceel wordt herzien. Het college heeft op 8 juni 2020 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Leurseweg, in het buurtschap Leur, ten westen van Wijchen en staat kadastraal bekend als gemeente Bergharen, sectie D, nr. 333. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Leurseweg en aan oost-, zuid- en westzijde door de perceelsgrens van het kadastrale perceel nr.334. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
Globale ligging plangebied (rode stip)
6
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Leur', vastgesteld door de gemeenteraad op 10 november 2011. Het betreffende perceel is voorzien van de bestemmingen 'Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarde' en 'Wonen – Beeldbepalend'. Daarnaast kent het hele plangebied de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied en is het perceel voorzien van de aanduiding 'hobbyboer'. Binnen de woonbestemming zijn de gronden bestemd voor woondoeleinden, alsmede voor het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarde van het beschermde dorpsgezicht van Leur. Het erf bij de (monumentale) boerderij is aangemerkt als 'karakterbepalend erf'. Ter plaatse zijn de gronden primair bestemd voor het behoud en herstel van deze erven. De inrichting van deze erven dient bij te dragen aan het karakteristieke dorpsbeeld en de agrarische signatuur. De monumentale boerderij (het hoofdgebouw) is in het bestemmingsplan voorzien van een bouwvlak. Op het achtererf is bovendien een zone aangewezen voor aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen. In deze zone, die overigens ruimer is dan de oppervlakte van de bestaande schuur, zijn uitsluitend gebouwen in de vorm van aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan.
Ter plaatse van het bestaande schuurtje in de zuidwestelijke hoek van het plangebied is een bouwvlak opgenomen met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 2 en 3,5 m. Vanuit het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen', vastgesteld door de gemeenteraad op 3 mei 2017, geldt voor het hele plangebied eveneens de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
7
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering) Het gebruik van bijgebouwen als (zelfstandige) woning is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Daarnaast is in artikel 9.1.1. expliciet bepaald dat het bestaande aantal woningen binnen de bestemming 'Wonen – Beeldbepalend' niet mag worden vergroot. Bovendien is het bestaande bijgebouw, na een transformatie tot woning, niet langer aan te merken als bijgebouw, maar betreft het een hoofdgebouw. Terwijl hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen de aanduiding 'bouwvlak'. Ter plaatse van het huidige bijgebouw oftewel de toekomstige woning moet het bestemmingplan gewijzigd worden om de transformatie planologisch mogelijk te maken.
8
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
9
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Het perceel is gelegen aan de zuidoostzijde van Leur en is beeldbepalend voor het karakter van het buurtschap. Op het perceel bevindt zich een monumentale boerderij met een grote vrijstaande schuur, beide gebouwd in 1936. Het betreft een traditionele (maar sobere) kortgevelboerderij, die haaks op de Leurseweg is gepositioneerd. Het voormalige agrarische bijgebouw bevindt zich achter de boerderij en is haaks op de boerderij gesitueerd. De aanbouwen bij het agrarisch bijgebouw – zoals weergegeven in het geldende bestemmingsplan – zijn reeds gesloopt. Het bestaande bijgebouw heeft de status 'gemeentelijk monument'. Samen met de boerderij vormt het een samenhangend erfensemble. Het bijgebouw heeft momenteel geen duidelijke functie, het wordt voornamelijk als opslag gebruikt. De ruimte om de schuur wordt op dit moment gebruikt als paardenweide. Afgezien van groenelementen bij de bestaande woning, kent het plangebied geen landschappelijke elementen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een bestaande vrijstaande bijgebouw aanwezig, in gebruik voor opslag en paardenstal. De schuur nabij de boerderij verkeert in een zeer slechte staat, waardoor een rigoureuze renovatie noodzakelijk is om het gebouw voor de lange termijn te behouden. Het inbrengen van een nieuwe duurzame economische drager is noodzakelijk voor de financiële haalbaarheid van een dergelijke renovatie.
Als er niets gebeurd, is de kans reëel dat de schuur op korte termijn zal instorten. Dit zou naast een veiligheidsrisico, een enorme devaluatie voor het hele ensemble betekenen. De bouwkundige staat van het bijgebouw is de laatste jaren sterk teruggelopen, onder meer doordat het dak niet water- en winddicht is afgedekt. Tevens is de constructie niet in voldoende mate gedimensioneerd, zodat sprake is van verzakkingen en scheurvorming. Op navolgende afbeeldingen is schematisch de bestaande situatie in en om het plangebied weergegeven, evenals enkele impressies van de boerderij en de huidige bouwkundige staat.
Impressie omliggende bebouwing met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
10
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Impressie van het aanzicht van de boerderij en het bijgebouw (bron:wikipedia)
Impressie van de bouwkundige staat van het bijgebouw
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
11
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
2.2
Toekomstige situatie
Om het gemeentelijk monument voor de lange termijn te kunnen conserveren en het ensemble (boerderij met opstallen) te behouden, wenst de initiatiefnemer het bijgebouw te herontwikkelen tot een zelfstandige woning, waarmee dit monumentale pand een nieuwe functie krijgt en beter tot haar recht komt. Gelet op de beeldbepalende functie van de boerderij, het bebouwingsensemble en het erf is dit van belang voor de ruimtelijke uitstraling van het buurtschap. Op navolgende afbeelding is de beoogde ontwikkeling landschappelijk ingepast, passend in de karakteristiek van de omgeving:
Landschappelijke inpassing Doordat op dit moment om de schuur vrijwel geen sprake is van landschappelijke elementen, betekent deze herontwikkeling ook een versterking van deze structuur, alsmede van de biodiversiteit. De westelijke perceelsgrens wordt nieuw aangeplant met een struweel en bomen. Tussen de woningen komt erfbeplanting in de vorm van een geschoren en eventueel gemengde haag en de bijgebouwen worden groen ingekaderd met bomen en beplanting. Rond de bestaande woonboerderij worden de bestaande bomen en beplanting behouden. Door de ligging, omvang en oriëntatie van de boerderij en schuur, ten opzichte van elkaar, is het mogelijk om een goede inpassing, kavelindeling en woningplattegrond te maken, zonder dat dit leidt tot conflictsituaties met betrekking tot privacy e.d. De woonverblijven/privétuinen zijn bijvoorbeeld ten oosten van de bestaande woonboerderij en ten zuiden van de schuur (nieuwe woning) gelegen. De zichtlijnen van de nieuwe woning zijn gericht op het ten zuidoosten en ten zuiden gelegen landschap, tussen de beoogde beplanting door. Ten aanzien van de ontsluiting van de percelen wordt een nieuwe inrit aangelegd die beide woningen ontsluit. De nieuwe inrit verschuift enkele meters, ten opzichte van de bestaande inrit. Ter zijner tijd wordt hiertoe een uitwegvergunning aangevraagd.
De inrit heeft voor elke woning een afzonderlijk deel, dat gebruikt kan worden voor het parkeren van voertuigen en het bereiken van de woningen.
12
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
De beoogde herontwikkeling van het bijgebouw zal hoofdzakelijk beperkt blijven tot een interne verbouwing, waarbij mogelijk enkele ondergeschikte aanpassingen in het gevelbeeld worden aangebracht, alsmede een aanbouw aan de zuidgevel. Deze aanpassingen zullen in samenhang met de monumentale waarde van het pand worden vormgegeven. Vanwege de aanbouw hebben reeds twee overlegmomenten plaatsgevonden met de monumenten commissie. De commissie is van mening dat het voorliggende ontwerp in basis een goed uitgangspunt is. De verdere detaillering zal in afstemming met de monumentale commisie worden bepaald. Daarnaast is in samenspraak met de monumenten commissie en de gemeente bepaald dat het kippenhok achter op het terrein behouden blijft en wordt aangeduid als gemeentelijk monument. Behoud bestaande monumenten Het toevoegen van één of meerdere woningen is een logische stap als het gaat om het behoud van bestaande monumenten, boerderijen in het bijzonder. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft in 2010 een handreiking opgesteld voor de herbestemming en verbouwing van monumentale boerderijen. Veel van deze boerderijen en de daarbij behorende voormalige agrarische bebouwing hebben immers alleen toekomst als ze een nieuwe functie krijgen, zoals bijvoorbeeld een (extra) woning of kantoor (aan huis).
Nieuwe functies stellen nieuwe eisen aan een gebouw, zoals extra daglicht of meer wooncomfort. Met kennis van zaken kunnen dit soort veranderingen op een goede manier worden vormgegeven, mét respect voor de historische en architectonische waarden van het monument. Duurzaamheid Uitgangspunt is de realisatie van een energieneutrale en (aard)gasloze woning, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ambitie van de gemeente Wijchen om energieneutraal te zijn in 2040. In het kader van de verdere bouwplanontwikkeling zal worden onderzocht welke voorzieningen gewenst en financieel haalbaar zijn binnen de mogelijkheden van het monumentale karakter van het pand. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zorgvuldige isolatie met HR+++ beglazing. Daarnaast gaan slimme ventilatie en een installatie voor warmte- en koude-opslag (WKO) 's zomers zorgen voor een koel binnenklimaat, terwijl vloerverwarming 's winters een behaaglijk gevoel gaat geven. Tevens kan het dak worden voorzien van (in het dakvlak) geïntegreerde zonnepanelen. Eventuele aan- en bijgebouwen met een plat dak worden voorzien van een sedumdak. Dit zorgt voor extra isolatie, versterkt de biodiversiteit en vangt regenwater op waarmee bijvoorbeeld de ramen kunnen worden gewassen of de tuin besproeid.
Wat betreft de wijze van bouwen en de inrichting van het plangebied wordt onder meer gedacht aan de toepassing van duurzame materialen, het beperken van verharding, de opvang (infiltratie en/of hergebruik) van hemelwater en de afvalverwerking (zelf composteren). Bij de uitwerking van het bouwplan zal hier nadrukkelijk rekening mee worden gehouden.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
13
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing worden opgenomen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
14
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
In het kader van de ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Op basis van jurisprudentie wordt de bouw van 10 woningen of minder niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van één woning. Derhalve is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. Er hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening staan de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast
3.2.2
Omgevingsvisie
De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Het is de bedoeling om samen keuzes te maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Waarbij de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal stelt. Gezond en veilig: Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend: Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen.
En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
15
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeren we in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Wij geven de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Voor ons staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. We hebben zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders en maken hier met onze partners afspraken over.
Ook zijn de meeste woningen verre van energieneutraal en klimaatbestendig. Wij stimuleren innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Ook zijn wij met onze partners in gesprek over hoe we het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer kunnen aanpakken. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van onze inwoners. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het uitgangspunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Het plangebied is gelegen aan de rand van het buurtschap Leur en omvat een bestaand boerenerf. Derhalve is het aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Daarnaast wordt de nieuwe woning energieneutraal en zonder aardgasaansluiting gerealiseerd. Dit is geheel in lijn met de provinciale duurzaamheidsambities. 3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek In artikel 2.2 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als de ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde subregionale woonagenda. In de toelichting wordt aangegeven dat voornoemde betrekking heeft op alle nieuwe woningen die in een ruimtelijk plan worden opgenomen; dus ook woningen die ontstaan door woningsplitsing of woningen die in het kader van functieverandering van kantoren, scholen, zorggebouwen, nieuwe (zorg-)landgoederen, vrijkomende agrarische bebouwing en dergelijke worden gerealiseerd.
Op basis van de 'Woonagenda subregio Nijmegen e.o. 2020-2030' mogen in de gemeente Wijchen 1.430 woningen worden gebouwd, in de periode tot en met 2030, waarvan 1.000 woningen in de eerste vijf jaar moet worden gerealiseerd. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van slechts één extra woning in een bestaande monumentale schuur. Het college van de gemeente Wijchen heeft aan dit kleinschalige woningbouwinitiatief in principe medewerking verleend. Daarmee is de beoogde ontwikkeling passend binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma en derhalve passend binnen de regionale woonagenda. Vandaar dat de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig is met artikel 2.2 uit de Omgevingsverordening. 3.2.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
16
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie
De gemeente Wijchen heeft één structuurvisie voor de hele gemeente opgesteld, welke op 29 mei 2009 is vastgesteld. Met deze visie heeft de gemeente een instrument in handen waarmee vorm en inhoud wordt gegeven aan de verdere ontwikkeling van Wijchen in de komende jaren. In de structuurvisie maakt het plangebied deel uit van een groter gebied dat is aangeduid als 'Gemengde functies buitengebied / verbreden landbouw' en 'Beschermd dorpsgezicht (Leur). Navolgende afbeelding toont de verbeelding van de structuurvisie.
Verbeelding structuurvisie gemeente Wijchen, met globale aanduiding plangebied (rode cirkel) Het dorp Leur is een kleine kern met een overwegend buitengebied karakter. Door de kern van Leur aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht en meerdere gebouwen aan te wijzen als gemeentelijke en/of rijksmonumenten wil de gemeente Wijchen de karakteristieke cultuurhistorische waarden binnen de gemeente waarborgen. Specifiek over woningbouw rond kleine kernen is in de structuurvisie bepaald dat de ontwikkeling van nieuwe woningen binnen de bestaande dorpsstructuur mogelijk is, indien sprake is van transformatie of herstructurering. Planspecifiek Voorliggend initiatief betreft de transformatie van een bestaand monumentaal bijgebouw tot woonhuis, om het gemeentelijke monument voor de lange termijn te conserveren. Dit sluit aan bij de ambities van de gemeente om dorpskernen middels transformatie uit te breiden en de cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk te behouden.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
17
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3.3.2
Beleidsnota cultuurhistorie
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een bepaling opgenomen, op grond waarvan het gemeentebestuur bij het opstellen van een bestemmingsplan moet aangeven op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Ter onderbouwing van deze afweging hebben de gemeenten Beuningen, Wijchen, Heumen en Druten gezamenlijk de beleidsnota cultuurhistorie 'Samen in verscheidenheid' opgesteld. Borging van de geïnventariseerde cultuurhistorische waarden vindt plaats door middel van het 'Parapluplan Cultuurhistorie'. In het parapluplan worden de cultuurlandschappen met een middelhoge, hoge en zeer hoge waarde beschermd door middel van de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Op de waarderingskaart, behorende bij de beleidsnota, is het plangebied aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de cultuurhistorische waarderingskaart.
Uitsnede Cultuurhistorische waarderingskaart, met globale aanduiding plangebied (rode cirkel) In hoeverre een ruimtelijke ontwikkeling afbreuk kan doen aan de cultuurhistorische waarden in een gebied is afhankelijk van: De aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling; De cultuurhistorische waarden in een gebied. Planspecifiek Het plangebied is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied, omdat het onderdeel is van het waardevol dorpsgezicht van Leur en zowel de boerderij als de schuur gemeentelijke monumenten zijn. Door het monumentale bijgebouw een nieuwe functie te geven wordt het monument en het ensemble voor de langere termijn behouden. De aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling beperken zich tot de restauratie en de interne verbouwing van een beeldbepalend bijgebouw, waarbij mogelijke ondergeschikte aanpassingen aan het gevelbeeld in samenhang met de monumentale waarde van het pand vormgegeven worden.
18
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
3.3.3
Woonvisie
De gemeente Wijchen heeft in de 'Woonvisie 2025, Thuis in Wijchen' haar toekomstvisie gegeven voor het wonen in de Wijchense wijken en kernen. Om de woningvoorraad duurzaam en gevarieerd te houden wil de gemeente flexibel om kunnen gaan met nieuwe initiatieven. Zodat geanticipeerd kan worden op huidige en toekomstige behoeften en woonwensen. In de beoordeling van nieuwe aanvragen voor woningen zal de gemeente onder meer beoordelen of het initiatief meerwaarde heeft voor de leefbaarheid. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn o.a.: De (lokale) behoefte is leidend. Plannen moeten kwantitatief en kwalitatief aansluiten bij de behoefte. Nieuwbouw moet bijdragen aan de identiteit van een wijk of dorp. Daarbij gaat het zowel om de ruimtelijke als de sociale kwaliteit. Vervanging en verbetering van bestaande bebouwing, gaat vóór uitbreiding. Waar mogelijk tenminste energieneutraal en gasloos. Speciale aandacht voor voldoende woningaanbod in de kerkdorpen. Om de leefbaarheid en de identiteit van de kerkdorpen te behouden is het van belang dat er voldoende woningaanbod is. In haar woningbouwprogrammering heeft de gemeente Wijchen ruimte gereserveerd voor kleinschalige initiatieven. Hieronder worden initiatieven met maximaal vier woningen verstaan. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de transformatie van een monumentaal bijgebouw tot woonhuis.
Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de wens van de gemeente Wijchen om bestaande bebouwing te verbeteren. Daarnaast draagt het initiatief bij aan het behoud van de identiteit van Leur. Door het monumentale bijgebouw een nieuwe functie te geven is een duurzame instandhouding gegarandeerd. Met de voorliggende ontwikkeling wordt bovendien voorzien in de lokale behoefte. Het draagt bij aan de totstandkoming van voldoende woningaanbod in het buurtschap Leur, zonder dat dit ten koste gaat van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Er is immers geen sprake van nieuwbouw, het betreft uitsluitend verbouw. Met de transformatie en restauratie van de schuur wordt een vrijstaande woning gerealiseerd. Vanwege de gemoeide kosten voor de renovatie en verbouwing, betreft het een vrije sector woning (huur of koop). In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat deze woning een brede doelgroep zal aanspreken. Van een gezinswoning (verjonging van het buurtschap Leur), tot emptynesters/senioren. De woning biedt ook voldoende ruimte voor het combineren van wonen met werken of wonen en het verlenen van mantelzorg. Deze combinaties worden als passend gezien binnen de context van Leur en op een voormalig agrarisch perceel.
3.3.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
19
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & Parkeren
4.1.1
Verkeer
Het plangebied wordt voor motorvoertuigen ontsloten via de Leurseweg en de Hernenseweg naar het Wezelpad (A326). De verkeersgeneratie neemt als gevolg van de beoogde ontwikkeling toe. Het betreft een beperkte toename, omdat het aantal woningen in het plangebied slechts met één woning toeneemt. Het gaat om (1 x 8,6 =) 8,6 extra voertuigbewegingen per weekdag. Dit aantal voertuigbewegingen is gemakkelijk op te vangen op de Leurseweg. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Parkeren
Op basis van het 'Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen' wordt het plangebied aangeduid als 'niet stedelijk' in het 'buitengebied'. Voor een vrijstaande woning, in de genoemde omgeving, bedraagt de maximale parkeernorm 2,8 parkeerplaatsen per woning. Het gemeentelijke uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt en de maximale norm wordt aangehouden. Dit betekent dat minstens 3 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Het plangebied biedt voldoende ruimte om hierin te voorzien. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).
20
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Algemene kwaliteit Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien in de ondergrond (laag onder volledig puin) en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In de bovengrond en in het overige ondergrondmonster zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergang. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergang verwijderd en is de watergang gedempt met gebiedseigen grond. De aangetoonde verhoogde gehalten op de onderzoekslocatie betreffen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarde. Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Teeltlaag onderzoek In de teeltlaag zijn geen verhoogde gehalten voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.
De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreinigingen met OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag. BBK Bij een indicatieve toetsing van de geanalyseerde (meng)monsters aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat alle (meng)monsters altijd toepasbaar zijn. Tevens zijn de mengmonsters van de (oorspronkelijke) teeltlaag op basis van de onderzochte OCB-parameters altijd toepasbaar. Onderzoek naar asbest Voor de onderzoekslocatie is uitgegaan van een verdacht locatie met betrekking tot een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de verdachte hypothese te worden verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetroffen. Derhalve kan ons inziens worden aangenomen dat de voormalige asbestverontreiniging inderdaad, zoals aangegeven door de opdrachtgever, is gesaneerd. Algehele conclusie en aanbevelingen Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, rekening houdend dat bij het ontgraven van grond de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van kracht zijn. Bodemadvies Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) Op basis van de ingediend gegevens wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit aansluit bij het beoogde gebruik en geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Er zijn geen aanvullende acties noodzakelijk. De volledige beoordeling van de ODRN is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
21
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Besluit geluidhinder (Bgh) is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30-km/uur-gebieden. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Leurseweg, de Hernenseweg en de A326. Vandaar dat er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden door het wegverkeer op de Leurseweg en de Hernenseweg. Ten gevolge van de gezoneerde weg A326 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden met maximaal 3 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB in buitenstedelijk gebied wordt niet overschreden. Daarom is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente. Mede omdat het gezien de beperkte schaal van dit plan niet mogelijk of wenselijk is om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting (L CUM,plus ) bedraagt 52 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De optredende cumulatieve geluidsbelasting is hiermee lager dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB uit de Wgh, daarmee zijn de optredende geluidsbelastingen op basis van de Wgh acceptabel. De noordgevel van de nieuwe woning is een geluidsluwe gevel.
Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente Wijchen een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 51 dB afkomstig van de A326. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. Er wordt aan het gemeentelijk beleid voldaan. Het besluit is opgenomen in bijlage 4. Het aspect 'geluid', vormt na het verlenen van hogere waarden, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
22
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving gaan beperken. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied komen voornamelijk burgerwoningen voor. Uitzonderingen hierop zijn enkele maatschappelijke functies (Dorpskerk Leur en Woonzorgboerderij De Hagert, milieucategorie 2) op circa 200 m afstand, een horecagelegenheid (Leursehof, milieucategorie 1) op circa 100 m afstand en een loonwerkersbedrijf (maximaal milieucategorie 3.1) op circa 300 m afstand van de beoogde woning. De bijbehorende richtafstanden vormen geen belemmering voor de voorgenomen transformatie tot woongebouw. De beoogde woning schaadt geen bedrijven in hun bedrijfsvoering en andersom ondervindt de woning geen overlast van bedrijvigheid. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
23
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde).
Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg.
In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van één extra woning mogelijk en valt dus binnen de NIBM-regeling. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn met de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten (GCN en GDN) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 respectievelijk circa 14,5 µg/m3, 16,0 µg/m3 en 9,0 µg/m3 bedragen in 2020. Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden.
24
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.
Binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
maximum 3 ouE/m³
maximum 2 ouE/m³
andere diercategorieën minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximum 14 ouE/m³
maximum 8 ouE/m³
andere diercategorieën minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.
Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument 'Handleiding Geur Industrie' en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
25
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Het dichtsbijzijnde bedrijf betreft het huisdierencentrum Prinsenbankhoeve op circa 230 m. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico's worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
26
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is tevens aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied:
Invloedsgebied per stofcategorie (HART)
4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.
bestemmingsplan "Leurseweg 8 Leur" (definitief)
27
bestemmingsplan Leurseweg 8 Leur
Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Op basis van de bovengenoemde afstanden, blijkt dat het maximale invloedsgebied van gevaarlijke stoffen die over water vervoerd worden, 1.070 meter bedraagt (GT3stoffen). De rond Wijchen gelegen waterwegen bevinden zich op een afstand van minimaal 3 kilometer van het plangebied. Het plangebied ligt derhalve niet binnen een invloedsgebied van een waterweg. Gelet op de afstand van het plangebied tot deze vaarwegen vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn uitsluitend de transportassen van belang waar structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. In beginsel zijn dit A- en N-wegen. Voor het plangebied zijn de A50, A326, N845 en N847 (binnen een straal van 4.000 m) mogelijk relevant. De A326, N847 en de N845 zijn niet opgenomen in het Basisnet weg. Tevens zijn de N847 en de N845 niet opgenomen in de meest recente telgegevens van Rijkswaterstaat.