CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Houtsestraat naast Lepona

Raad openbaar Wijchen 29 februari 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 133223 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan ‘Houtsestraat naast Lepona te Balgoij’13.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planvoornemen in relatie tot bedrijven en milieuzonering Met voorliggend plan worden twee milieugevoelige objecten (woningen) toegevoegd. Op ca. 70 meter van de planlocatie staat het hoveniersbedrijf Lepona. De publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' hanteert voor een hoveniersbedrijf een milieucategorie 3.1, met een bijbehorende maximale richtafstand van 50 meter op basis van geluid. Gelet op de feitelijke afstand tussen het plangebied en de milieubelastende functies wordt er voldaan aan de richtafstanden. Binnen het plangebied is er in de toekomstige situatie op basis van milieuzonering sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bedrijven uit de omgeving ondervinden ook geen hinder in hun bedrijfsvoering als gevolg van het initiatief. CONCLUSIE Het aspect bedrijven en milieuzonering vorm geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

31

5.1.7 SPUITZONERING Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woon- en leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT SPUITZONERING Nabij het plangebied liggen twee boomgaarden waar gewasbescherming is toegestaan. Doordat de beoogde woningen en haar gevoelige functies op minimaal 50 meter van de boomgaarden worden aangelegd is er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen de nieuwe woonpercelen. In bijlage 1 is de minimale afstand van 50 meter tot aan de boomgaarden aangegeven met rode gestippelde lijnen.

CONCLUSIE Op het gebied van spuitzonering is het plan uitvoerbaar. 5.2 WATER

5.2.1 BELEIDSUITGANGSPUNTEN Wettelijk kader - Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal bestuursakkoord water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets - De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In een ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met water en watervoorzieningen. Het beoogde ruimtegebruik mag immers geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie en vice versa. Dit moet zijn onderzocht en onderbouwd in de waterparagraaf van bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. De watertoets betreft het belang van de waterbeheerders: het waterschap, het rijk, de provincie en de gemeente. Waterparagraaf - De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap (of resultaat van de digitale watertoets) in de waterparagraaf verwerkt. Onderdelen van de waterparagraaf zijn: beschrijving beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie (oude en nieuwe situatie), motivering welke ruimtelijke keuzes gemaakt zijn en wat daar de waterhuishoudkundige gevolgen van zijn. Die gevolgen mogen niet negatief zijn. Beleid waterschap Rivierenland - De gemeente Wijchen valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

32

waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing van afvalwater op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt de waterbeheerder het onderhoud van A-watergangen. Gemeentelijk waterbeleid - In de Strategische waternota van de gemeente Wijchen zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. In het kader van de watertoets moet een vertaalslag worden gemaakt naar de concrete plansituatie. Tevens beschikt de gemeente over een Gemeentelijk rioleringsplan GRP, waarin de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het gemeentelijk waterbeleid is voornamelijk gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Gemeentelijke zorgplichten - De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33).

Hemelwater dient door perceeleigenaren op eigen terrein te worden verwerkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval treedt de gemeentelijke zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemelwater in werking (Waterwet art 3.5). De zorgplicht voor structureel voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging ligt bij de perceeleigenaar. Als dat redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verlangd, treft de gemeente in de openbare ruimte maatregelen, mits doelmatig en mits geen verantwoordelijkheid voor waterschap of provincie (Waterwet art. 3.6).

5.2.2 PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT WATER Beschrijving geomorfologie en watersysteem Het plangebied ligt in het buitengebied van Wijchen, op een hoogte van circa 7,60 m+ NAP (bron: AHN). De bodem ter plaatse bestaat uit klei tot een diepte van 2 meter, hierna vindt men fijn zand en grof zand. Zie hiervoor het bijgevoegde bodemonderzoek. Op ongeveer 300 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een peilbuis (nr: B45F0080). Volgens deze peilbuis heeft de grondwaterstand in de periode mei 1950 t/m 2001 niet hoger gestaan dan 6.95 m+NAP en niet lager dan 5.00 m+NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op 5,95 m+NAP. Voor het plangebied betekend dat naar verwachting deze grondwaterstand ongeveer 0,10 m hoger staat, dus niet hoger dan 7,05 m+NAP en niet lager dan 5,10 m+NAP en het gemiddelde op 6,05 m+NAP. Beschrijving oppervlakte- en afvalwatersysteem In de directe omgeving van het plangebied is één watergang te vinden. Een deel van de oostelijke grens van het plangebied aan de Houtsestraat wordt gevormd door een C - watergang (id: 095075). Het plangebied maakt onderdeel uit van het Peilbesluit Bloemers (2014). Hierin is het winterpeil bepaald op 5,2 m+NAP en het zomer peil op 5,2m+NAP. De Houtsestraat is gerioleerd door middel van Drukriolering.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

33

Wateroverlast en volksgezondheid Beleidsuitgangspunten - Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundige systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en voorkomen van schade aan volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Gevolgen voor het plan - Het plan betreft de bouw van twee nieuwe woningen aan de Houtsestraat te Balgoij. Deze woning worden hydrologisch neutraal gebouwd waarbij het regenwater op het perceel blijft. Er is een toename in verhard en bebouwd oppervlakte waarbij het regenwater afkomstig van deze oppervlakten op het perceel wordt opgevangen. Er wordt geen wateroverlast verwacht doordat er geen water naar omliggende wegen of percelen wordt afgevoerd. In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt tevens geborgd dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1,30 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) komt te liggen. Daarmee is er voldoende ontwateringsdiepte. In de toekomstige situatie wordt iedere woning op een gezamenlijke particuliere terreinriolering aangesloten, die uitmondt op een drukrioolinstallatie. De drukrioolinstallatie voert het afvalwater onder druk af naar de openbare drukriolering aan de Houtsestraat.

Bij de uitwerking word bepaald of de plaatsing van een nieuwe drukrioolinstallatie nodig is of dat er aangesloten kan worden op de aanwezige installatie nabij de Houtsestraat 10 te Balgoij. Een en ander in overleg met de gemeente Wijchen. Afkoppeling en waterberging Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Hemelwater wordt zoveel mogelijk afgekoppeld van het rioleringsstelsel met de voorkeursvolgorde: •

Benutting;

•

Bodeminfiltratie;

•

Vertraagde afvoer naar en berging in oppervlaktewater;

•

Afvoeren via rioolstelsel.

Uitgangspunt bij nieuwbouw is aanleg van gescheiden HWA- en DWA-afvoer (hemelwater- en droogweerafvoer). Hemelwater dient in beginsel op eigen perceel te worden verwerkt. Wanneer hemelwaterberging niet op eigen perceel kan plaatsvinden en direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd, dan is het plan compensatie plichtig op grond van het wetenschapsbeleid. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. In alle gevallen moet het adequaat functioneren van de infiltratie- of bergingsvoorziening voor hemelwater zijn gewaarborgd. Gevolgen voor het plan – Er worden twee woningen gebouwd met bijgebouwen en erfverharding. De toename in verhard oppervlak bedraagt voor de woningen, bijgebouwen, inritten en terreinverhardingen gezamenlijk 1230 m2. Daarmee wordt de grens van een toename van 1500 m², die het waterschap stelt voor het landelijke gebied, niet overschreden. Bij de bouw van de woningen worden twee zoetwaterplassen aangelegd voor de opvang van regenwater. Om een bui die In totaal dient er volgens de voorwaarden van het waterschap 66,4 mm waterberging per m2 verhard en bebouwd oppervlak aangelegd te worden.

1230 m2 x 66,4 mm = 81,67 m3 waterberging. De zoetwaterplassen zijn gezamenlijk 138 m2 groot, en met een beoogde gemiddelde diepte van 0,60 meter, van voldoende grote (82,8 m3) om deze waterberging te realiseren. Deze waterberging van gemiddeld 0,60 meter wordt boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand van 6,05 meter aangelegd. Hiermee ontstaan er ruim voldoende waterberging. Daarnaast wordt er langs de inrit een greppel gegraven om het regenwater van deze verharding lokaal op te vangen en richting de aanwezige en te planten beplanting af te voeren. De daadwerkelijke waterberging wordt daarmee nog groter. BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

34

Het regenwater van de bebouwing wordt met ondergrond leidingen naar de waterpoelen afgevoerd. Het regenwater van de bestratingen op de percelen word zoveel mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar de waterpoelen of naar de aanwezige beplantingen. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning (bouwvergunning) wordt de exacte waterberging verder uitgewerkt. Volgens het uitgevoerde bodemonderzoek is er tot een diepte van 2,20 meter een gemengde grondslag aanwezig, daaronder zit een goed doorlatende grove zandlaag. Om zeker te zijn van voldoende infiltratiecapaciteit word de zoetwaterplas tot de grove zandlaag uitgegraven en aangevuld met goed doorlatend zand (minimale k-waarde van 5 meter per dag). Een grove zandlaag heeft een k-waarde van 10 tot 100 meter per dag. Gezien de gezamenlijke oppervlakte van de waterpoelen van 138 m2 met een k-waarde van minimaal 5 meter per dag ontstaat voldoende infiltratiecapaciteit in de waterpoelen. Bij hevige regenbuien (extreme neerslag) stroomt het regenwater zodra de zoetwaterplas vol is de tuin in. Deze achtertuin ligt lager als de nieuwe en de bestaande omliggende bebouwing en tuinen waardoor geen overlast/schade ontstaat Het hemelwater wordt niet op de openbare riolering geloosd of naar een buurperceel afgevoerd. Er is op de percelen en in de bij het plan behorende groenstructuren voldoende ruimte om het regenwater op te vangen.

Hiermee wordt voldaan aan de duurzame omgang met regenwater en de principes van hydraulisch neutraal ontwikkelen.

Waterkwaliteit Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar bodem of oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken wordt primair voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen, zoals omschreven in de Dubo-bepalingen, maar ook door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en andere verharde oppervlakken wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een bodempassage. Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Gevolgen voor het plan – Er worden geen uitlogende materialen toegepast waardoor het regenwater niet vervuild wordt. Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Daarmee heeft onderhavig plan geen negatief effect op de waterkwaliteit. Natte natuurwaarden Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar behoud van natuurwaarden en biodiversiteit. Natuurlijke grondwaterstanden worden behouden; de (natte) natuurwaarden sluiten hierop aan. Bouwplan en toekomstig beheer van de planlocatie geven geen verstoring van de vereiste (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit.

Bij aanleg van open water moet worden gestreefd naar aanleg van natuurvriendelijke (en veilige) oevers. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Gevolgen voor het plan - Het plangebied ligt niet in een beschermingszone voor (natte) natuur. Er worden twee waterpoelen aangelegd met flauwe oevers met een talud van maximaal 1 op 3. Deze oevers worden extensief beheert zodat beplanting voldoende ruimte krijgt om te groeien. De voorgenomen ontwikkeling draagt door de omschreven maatregelen in paragraaf 3.3 bij aan de ecologische waarde van de omgeving. Het plan heeft dan ook een positief effect op de lokale natuurwaarden. Het plan geeft ook geen verstoring aan de vereiste (grond)waterkwaliteit en kwantiteit doordat er hydrologisch neutraal gebouwd word.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

35

Beleving van water Beleidsuitgangspunten - De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water. Cultuurhistorisch waardevolle watergebonden elementen zijn herkenbaar in het landschap aanwezig. Water en watergebonden elementen worden zo mogelijk gevisualiseerd. Gevolgen voor het plan - Binnen het plangebied word een zoetwaterplas aangelegd wat bijdraagt aan de beleving van water. Ontwateringsdiepte Beleidsuitgangspunten - De ontwateringsdiepte heeft betrekking op de hoogte van de grondwaterstand ten opzichte van het aanleg peil van een nieuwe ontwikkeling. Als de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) hoger ligt dan 1,30 m onder vloerpeil, 1,00 m onder straatpeil of 0,70 onder groen/tuinen, dan is er onvoldoende ontwateringsdiepte en mag alleen een woonfunctie worden bestemd als het terrein voldoende wordt opgehoogd. Gevolgen voor het plan - In de regels van dit plan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat het vloerpeil van de begane grond minstens 1,30 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 6,05 m NAP komt te liggen. De Houtsestraat ligt op 7,90 meter. De woningen worden hier minimaal 0,15 meter boven gebouwd (vloerpeil van 8,05 meter) waarmee wordt voldaan aan de geadviseerde 1,30 meter ontwateringsdiepte.

De perceel dient hiervoor gedeeltelijk opgehoogd te worden gezien de huidige maaiveld hoogte van ca. 7,60 meter. Overleg met waterbeheerder Advies waterbeheerder - Voor alle ruimtelijke plannen geldt dat een digitale watertoets moet worden uitgevoerd door de initiatiefnemer (www.dewatertoets.nl). Dit resulteert in een wateradvies van het waterschap. Wanneer sprake is van een relevant waterschapsbelang, moet het wateradvies worden uitgewerkt in de waterparagraaf. In sommige gevallen is een nader overleg met de waterbeheerder noodzakelijk. Gevolgen voor het plan - Voor dit plan is er een digitale watertoets uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de watertoets en ingevoerde gegevens blijkt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het Waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het in bijlage 3 automatisch gegeneerd wateradvies. CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

36

5.3 ECOLOGIE Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming - In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming - Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.

Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT ECOLOGIE Om het effect vanuit ecologie als gevolg van de realisatie van de nieuwe natuur inclusieve levensloopgeschikte woning te kunnen bepalen, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is in bijlage 4 toegevoegd. De belangrijkste conclusies van het onderzoek is dat er voor de start van de bouwwerkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de nesten van broedvogels in de nabij het plangebied bestaande te behouden bomen. Deze conclusie gaat opgevolgd worden maar heeft geen invloed op de haalbaarheid van voorliggende ontwikkeling. Indien er bij het nadere onderzoek nesten gevonden worden bepaald de ecoloog hoe hiermee omgegaan kan worden.

Indien nodig worden de bouwwerkzaamheden uitgesteld tot na het in paragraaf 5.1.3 van de Quickscan Flora en Fauna genoemde broedseizoen. Verder wordt er geadviseerd natuur inclusief te bouwen. In paragraaf 3.3 staat beschreven welke keuzes gemaakt zijn om natuur inclusief te bouwen. Hiermee wordt ook aan dit advies invulling gegeven. Op grond van gerechtelijke uitspraken dient in te worden gegaan op de effecten op relevante natuurgebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Vooruitlopend op nadere regelgeving dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van stikstof effecten op beschermde natuurgebieden. Voor het plan is een berekening gemaakt van de stikstofdepositie, zie bijlage 6. Het natuurgebied Rijntakken op ruim 10km afstand hemelsbreed is het meest nabije Natura 2000-gebied. Er zijn Aerius berekeningen gemaakt van de aanlegfase en de gebruiksfase wanneer de woningen gereed zijn en bewoond worden, deze berekeningen geven geen stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de ruime afstand tot een Natura 2000-gebied is deze uitkomst verklaarbaar.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

37

CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan. Voor de start van de bouw van de woningen word een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van broedvogels en indien aangetroffen de benodigde maatregelen uitgevoerd. Voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase is geen sprake van stikstofemissie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken.

5.4 VERKEER EN PARKEREN Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De gemeente Wijchen heeft een eigen 'Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen' uit 2016. Daarin is opgenomen dat de gemeente met betrekking tot de normen voor de verkeersaantrekkende werking en parkeren aansluit op de maximale normen van het CROW. Deze parkeercijfers dienen dan ook als basis in onderstaande motivatie. Met betrekking tot de typologie en ligging is uitgegaan van twee vrijstaande woningen in het buitengebied in een gebied dat wordt geduid als 'niet stedelijk/buitengebied'. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT VERKEER EN PARKEREN De ontwikkeling brengt de volgende verkeersaantrekkende werking en parkeeropgave met zich mee. Verkeersaantrekkende werking - De verkeersaantrekkende werking neemt met voorliggend plan (planologisch) beperkt toe, namelijk met maximaal 17,2 verkeersbewegingen per etmaal (8,6 bewegingen per etmaal voor vrijstaande woningen in een niet stedelijk gebied). Dergelijke toename kan worden opgevangen door de bestaande infrastructuur. Parkeren - Het initiatief is gelegen in een “niet stedelijk/buitengebied”. Hier geldt voor een vrijstaande woning een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen → afgerond drie parkeerplaatsen per woning. Hiermee komt de totale parkeerbehoefte van voorliggende ontwikkeling neer op 6 parkeerplaatsen.

Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om aan deze behoefte te voldoen (zie de landschappelijke inpassing in paragraaf 3.5 en in bijlage 1). In de regels van dit plan is middels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de woningen aan de Houtsestraat pas in gebruik mogen worden genomen als is voldaan aan de parkeernorm die van toepassing is op dit plan. Ontsluiting - De woningen krijgen een eigen inrit aan de Houtsestraat van maximaal drie meter breed. De locatie van de inritten wordt dusdanig gekozen dat de bestaande bomen op het perceel behouden blijven. Hierbij is er tevens rekening gehouden met voldoende uitzicht vanaf de inritten op het verkeer. CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden dat voorliggend initiatief uitvoerbaar is vanuit het aspect verkeer.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

38

5.5 CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie - Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie - De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE Cultuurhistorie - In het parapluplan Cultuurhistorie van de gemeente Wijchen in het plangebied aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol gebied. Het initiatief betreft een uitbreiding van een oud bebouwingslint gelegen aan een belangrijke historisch doorgaande weg in een gebied dat wordt getypeerd als hoger gelegen stroomrugontginning met gevarieerde structuur. Een individuele benadering van de bouwopgave is vanuit cultuurhistorisch perspectief hier denkbaar. Door de opzet van het plangebied met de verspringende rooilijnen, de verschillende dak richtingen en de vrijstaande bijbehorende bouwwerken gesitueerd op het achter erf samen met de landschappelijke inpassing draagt er toe bij dat de voorgenomen bouw van de woningen geen afbreuk doet aan de aan het gebied toegekende cultuurlandschappelijke waarde.

De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied' is onverminderd van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. Archeologie - Het perceel ligt binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Deze dubbelbestemming wijst op gronden met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoek is nodig bij nieuwe bouwwerkzaamheden groter dan 1.000 m² (en dieper dan 0,3). De bouwwerkzaamheden zullen kleiner zijn dan 1.000 m², waarmee het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet nodig is. De bestaande dubbelbestemming is overgenomen in dit plan. CONCLUSIE Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

39

5.6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van één woningen.

Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

40

5.7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuurs- recht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). Omgevingsdialoog - In het kader van het maatschappelijk draagvlak voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de direct omwonenden. Hieruit zijn geen belemmeringen of weerstand gekomen. Vooroverleg - Conform ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voor- bereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan - Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure.

Eventuele aanpassingen die volgen uit de overlegreacties worden te zijner tijd verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Indien nodig worden er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant, het plaatselijke weekblad en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan. Vaststelling door de gemeenteraad - Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan - Het besluit tot vaststelling van de gemeenteraad wordt vervolgens gepubliceerd en voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de be- roepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

41

6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 ALGEMEEN Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. VERBEELDING De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. REGELS De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: • • • •

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

42

6.2 WIJZE VAN BESTEMMEN Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen. Wonen - Het hele plangebied krijgt de enkelbestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming mogen maximaal twee woningen met de daarbij horende erven, tuinen en voetpaden gebouwd worden. Het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is zowel binnen als buiten de bouwvlakken achter de voorgevellijn mogelijk binnen deze bestemming. De relevante hoogtes zijn door middel van matrices op de verbeelding aangeduid en aangepast aan de bestaande en de te realiseren goot- en bouwhoogtes. Voor wat betreft gebruiksmogelijkheden is van belang dat aan huis verbonden beroepen onder de genoemde voorwaarden rechtstreeks zijn toegestaan. De bouwmogelijkheden sluiten aan bij de planologische regeling welke opgenomen is in het geldende bestemmingsplan van het aansluitende gebied. Tevens zijn ter afweging van het college van burgemeester en wethouders een aantal binnenplanse afwijkingsbevoegdheden binnen de woonbestemming opgenomen om juridisch-planologisch de mogelijkheid te bieden in de toekomst in te spelen op veranderde omstandigheden. Aanduiding levensloopgeschikte woning - Voor de nieuw te bouwen levensloopgeschikte woningen is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopgeschikte grondgebonden woning’ van toepassing.

Hier is uitsluitend de bouw van een levensloopgeschikte grondgebonden woningen toegestaan. Waarde - Archeologie 3 - Deze dubbelbestemming geldt voor het gehele plangebied om de archeologische waarden in de bodem te beschermen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

BESTEMMINGSPLAN HOUTSESTRAAT NAAST LEPONA TE BALGOIJ – TOELICHTING

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=7b13c370-cbaf-479c-b5eb-90625f31c459