CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 54686 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen20.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de vervoersassen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de vervoersassen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval ter hoogte van de buisleidingen. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Beleidsvisie externe veiligheid Wijchen en de daarin gemaakte keuzes. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

27

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan.Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.

4.8.2

Beschrijving watersysteem

Geomorfologie en geohydrologie Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 8,5 tot 9,0 m +NAP en is gelegen op een rivierduin. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is circa 7,0 tot 7,5 m +NAP. De GHG ten opzichte van maaiveld is circa 1,5 tot 2,0 m -mv. Infiltratie van hemelwater in de ondergrond is mogelijk, omdat de ontwateringsdiepte voldoende groot is en het duinzand een goed doorlatende ondergrond is. Oppervlakte- en afvalwatersysteem Ten westen van het plangebied, langs de Graafseweg, ligt een C-watergang en het plangebied is gerioleerd door middel van drukriolering. Ecosysteem Het plangebied maakt geen deel uit van ecologische verbindingszones uit het Gelders Natuurnetwerk.

4.8.3

Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer

Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de 'Strategische waternota Wijchen' zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken.

De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6).

28

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 3.4).

4.8.4

Beleidsuitgangspunten en consequencies voor het ruimtelijk plan

Leefomgeving algemeen De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning. Gevolgen van/voor het plan: Door de beoogde herbouw van één vrijstaande woning treden geen noemenswaardige veranderingen op ten aanzien van de waterhuishouding. In zowel de bestaande als toekomstige situatie vindt de vuilwaterafvoer plaats via de drukriolering en de hemelwaterafvoer via infiltratie op eigen perceel. De afvalwaterhoeveelheid blijft nagenoeg gelijk, omdat het herbouw betreft. Vandaar dat er geen gevolgen worden verwacht voor de afvoer naar de openbare drukriolering.

Kwaliteit en beleving De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt.

Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan: Om te voorkomen dat het hemelwater vervuild raakt, wordt bij de bouw zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen. Infiltratie van hemelwater in de ondergrond is, gezien het grondtype en de ontwateringsdiepte, mogelijk. Het hemelwater wordt daarom niet gekoppeld aan het rioolsysteem. Klimaatverandering De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

29

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan: Ten opzichte van de bestaande situatie neemt de hoeveelheid af te voeren hemelwater toe, omdat het bebouwd oppervlak met circa 50 m2 wordt uitgebreid. Hier staat tegenover dat het plangebied, aanzienlijk groter is dan het huidige woonperceel en voor een groot deel onbebouwd blijft. Deze gronden kunnen benut worden om het regenwater op eigen terrein te verwerken. Waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater.

Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan: In het voorliggende plan is sprake van een beperkte toename van het verhard oppervlak. Een toename die bovendien onder de norm van de compensatieplicht blijft, zoals gehanteerd door het Waterschap Rivierenland. In de bestaande situatie bedraagt de bebouwing circa 150 m 2 en in de toekomstige situatie circa 200 m2.

De verharding voor een terras, tuinpaden en de oprit neemt eveneens toe, omdat de beoogde woning enkele meters verder van de Akkerweg gesitueerd is en de bestaande woning geen achtertuin heeft. Hier tegenover staat de verruiming van het eigen terrein, door het samenvoegen van het woonperceel met omliggende agrarische gronden. Hierdoor kan op eigen terrein meer hemelwater worden afgevoerd, doormiddel van infiltratie. Gezondheid en veiligheid De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers).

Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan: Er is voldoende ontwateringsdiepte tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand en het vloerpeil van de begane grond. De GHG ligt minimaal 1,0 m onder het maaiveld. Daarnaast wordt het vloerpeil van de woning minimaal 0,15 m boven het maaiveld aangelegd, om wateroverlast in de woning, bij klimaatbuien, te voorkomen.

30

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

4.8.5

Overwegingen en conclusie

Er is sprake van een beperkte toename van verhard oppervlak. Daarentegen is infiltratie van het hemelwater op eigen terrein mogelijk. Het hemelwater wordt dus op eigen terrein verwerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8.6

Overleg waterbeheerder

Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder. Veelal is de waterbeheerder het waterschap, maar kan ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Het advies of resultaat van het vooroverleg dient te worden verwerkt in de waterparagraaf. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (dewatertoets.nl). Het hieruit voortvloeiende advies moet, in geval van een relevant waterschapsbelang, worden uitgewerkt in de waterparagraaf. Wateradvies Geen Waterschapsbelang: De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland. Uit de gegevens die zijn ingevoerd volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Mede omdat de toename van verharding in het plan naar verwachting niet groter is dan 1.500 m2 in landelijk gebied. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Rivierenland, zie ook bijlage 5.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de 'overige soorten' die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

31

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie ismogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', op een afstand van circa 7 km. Door de grote afstand tot dit Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling, worden er geen verstoringen verwacht.

32

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Ten aanzien van de stikstofuitstoot, is op 4 februari 2020 de Handreiking woningbouw en AERIUS verschenen. Het doel van de Handreiking woningbouw en AERIUS is om initiatiefnemers, gemeenten en provincies te helpen bij het in kaart brengen van de stikstofdepositie van woningbouwprojecten (voor gasloos wonen) en zo het doen van onderzoek naar de hoeveelheid stikstofdepositie te vergemakkelijken. Uit de handreiking blijkt dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura-2000 gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is. Dit geldt zowel voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Gezien de kleinschaligheid van dit project en de afstand tot het dichtsbijzijnde Natura2000-gebied, kan gesteld worden dat de stikstofdepositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar is. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

De sanering van een woning met bijgebouwen en de realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw aan de Akkerweg 3a te Wijchen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

33

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', uit het geldende bestemmingsplan, is bedoeld voor gronden die mede bestemd zijn voor de bescherming van een hoge verwachtingswaarde. Er is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum - Midden Nieuwe tijd. Het gebied bevindt zich op een rivierduin, waarop in het verleden bewoning mogelijk was vanwege de relatief hoge ligging in het vroegere landschap. In de omgeving van het plangebied zijn vondsten aangetroffen uit het Mesolithicum - IJzertijd die hierop wijzen. Hierbij is met name de aanwezigheid van een nederzettingsterrein uit de IJzertijd op ongeveer 40 m ten oosten van het plangebied relevant voor de verwachting in het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen voor moderne verstoringen van de ondergrond in het plangebied. Ook zijn op basis van historische kaarten geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van historische bebouwing uit de Late Nieuwe tijd. Veldonderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied op een rivierduin ligt.

De ongeroerde top van het rivierduin bevindt zich op een diepte tussen 25-65 cm -Mv (8,1-8,7 m +NAP). Daarboven bevindt zich vanaf de onderzijde van de bouwvoor 10 cm -Mv (8,6-8,9 m +NAP) een oud bouwlanddek of een EBhorizont. Dit is vermoedelijk het gevolg van bemesting en bewerking van de ondergrond om kwaliteit van het plangebied als landbouwgrond te vergroten. Aan de basis van deze laag zijn een scherf aardewerk uit de IJzertijd en uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd aangetroffen. Ook zijn de rivierduinafzettingen archeologisch gezien intact onder deze akker- of cultuurlaag. Op basis van het bovenstaande kan de hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Midden Nieuwe tijd worden gehandhaafd, waarbij de nadruk van de aan te treffen resten waarschijnlijk op de IJzertijd ligt, gebaseerd op de aangetroffen vondsten en de reeds bekende vindplaats ten oosten van het plangebied. Advies Doormiddel van het vooronderzoek is vastgesteld dat vanaf circa 10 cm -Mv (8,6-8,9 m +NAP) intacte archeologische resten aanwezig kunnen zijn, mogelijk als een continuering van een nabijgelegen vindplaats. Daarom wordt geadviseerd om ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Met het vervolgonderzoek kan worden vastgesteld of in het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats.

Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Het proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegd overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), waarin de wijze van onderzoek en documentatie is vastgelegd. Vervolgonderzoek Naar aanleiding van het vooronderzoek is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. In het plangebied zijn zes proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 326 m2, ofwel circa 10,9 % van het plangebied. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied zich bevindt op een rivierduin. Hoewel dit een aantrekkelijke plek voor bewoning was, zijn tijdens het onderzoek slechts één paalkuil en vier fragmenten keramiek aangetroffen. Drie van de vondsten zijn afkomstig uit de Midden- tot Late-Nieuwe Tijd. Eén scherf is prehistorisch, maar is, gezien de verwering, waarschijnlijk afkomstig van een andere locatie. Waarschijnlijk is het door ploegwerkzaamheden in het plangebied terechtgekomen. Mogelijk is deze afkomstig van de IJzertijd vindplaats naast het plangebied. Er zijn geen vondsten in de paalkuil gevonden.

Er waren in de werkputten redelijk veel recente verstoringen aanwezig, er was wel genoeg oppervlakte onverstoord om te kunnen bepalen dat er geen bewoning in het plangebied was. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de vindplaats, die op het naastgelegen perceel is gevonden, niet doorloopt tot in het plangebied.

34

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Het hele vondsten- en sporencomplex uit het proefsleuvenonderzoek wordt beschouwd als een ‘vindplaats’. Op basis van de KNA-waardestellingssystematiek is vastgesteld dat er geen behoudenswaardig vindplaats in het plangebied is. In het onderzoeksgebied bestaat het voornemen een woning met bijgebouw, bijbehorende infrastructuur, groenvoorzieningen en een wadi te realiseren. Aangezien er geen behoudenswaardige vindplaats in het plangebied is, wordt geadviseerd om het plangebied archeologisch vrij te geven. De gemeente is akkoord met het selectieadvies dat er geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Het selectiebesluit is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Het perceel is gelegen in het landschap dat volgens de cultuurhistorische inventarisatie kaart is aangeduid als droge kampontginningen op rivierduin of dekzandrug (ktd1). Dit zijn een van de meest verbreide landschapstypen van Wijchen, gesitueerd op rivierduinen en/of dekzandruggen. De kampontginningen kenmerken zich vrijwel in het hele gebied door hun openheid, het aanwezige reliëf en het gebruik als akkerland. Ook behoort het plangebied tot een oud bebouwingslint, aan weerszijden waarvan, een zone van 60 m, een hoge cultuur historische waardering is toegekend.

Door de beoogde herbouw wordt een noodwoning zonder enige agrarische oorsprong gesloopt, om plaats te maken voor een vrijstaande woning, welke landschappelijk is ingepast. De te slopen noodwoning met bijbehorende bouwwerken zijn cultuurhistorisch niet waardevol. Tegen de sloop bestaat vanuit dit aspect geen bezwaar. Zie 3.3.3 voor hoe de ontwikkeling zich verhoudt ten opzichte van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen. Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

35

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer; een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien het aantal woningen in de toekomstige gelijk blijft in het plangebied, is er geen m.e.r.beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

36

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Wijchen.

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in de bestemmingsregels gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die tot verwarring kunnen leiden of voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

5.1.2

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels kennen, voor zover van toepassing, allemaal een gelijke opbouw. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het is een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. Bouwregels De bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels De afwijking van de bouwregels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van een specifieke regel. Specifieke gebruiksregels De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. In het kader van een omgevingsvergunningstelsel zijn bepaalde werken en werkzaamheden niet toegestaan zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verkregen van het daartoe bevoegde gezag. Afwijken van de gebruiksregels De afwijkingen van de gebruiksregels zijn afwijkingsbevoegdheden die worden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

37

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

5.1.3

Algemene regels

De algemene regels zijn een aantal standaardbepalingen. Anti-dubbeltelbepaling De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regelingen opgenomen voor ondergeschikte bouwdelen en afwijkende maatvoering.

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Het overgangsrecht is een standaardbepaling welke is overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Het gebruik van grond en opstallen, dat afwijkt van de regels, op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan.

5.2

Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan kent 2 enkelbestemmingen en 2 dubbelbestemmingen: Wonen - 1 De regeling voor deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2014'. Zij maakt de bouw van één vrijstaande woning met bijgebouwen mogelijk. In het bestemmingsvlak is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de nieuwe woning wordt gebouwd. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat eerst de bestaande woning/bebouwing gesloopt dient te worden en de landschappelijke inpassing aangebracht, voordat de nieuwe woning in gebruik genomen mag worden. Waarde - Archeologie 2 Het gehele plangebied is in het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2014' opgenomen binnen deze dubbelbestemming. De bijbehorende beschermende bepalingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2014'. Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is in het bestemmingsplan 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' opgenomen binnen deze dubbelbestemming. De bijbehorende beschermende bepalingen zijn overgenomen uit het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen'.

38

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moet worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

6.3

Inspraak

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf dinsdag 8 februari 2022 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er is tijdens deze periode 1 zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in een aparte nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

39

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

40

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

41

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 1

42

Bodemonderzoeken

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 2

Bodemadvies Bodemonderzoek

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

43

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 3

44

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 4

Ontwerpbesluit hogere waarden

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

45

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 5

46

Digitale watertoets toetsresultaat

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 6

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

47

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 7

48

Archeologisch vooronderzoek

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 8

Archeologisch proefsleuvenonderzoek

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

49

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Bijlage 9

50

Selectiebesluit Archeologisch onderzoek

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Regels

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

51

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen met identificatienummer NL.IMRO.0296.BGBAkkerweg3a-vadf van de gemeente Wijchen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 bestemmingsplan Buitengebied het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen met identificatienummer NL.IMRO.0296.BGBBuitengebied-Df02, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2013, en het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2014 met identificatienummer NL.IMRO.0296.BGBHerziening2014-Df01, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 16 oktober 2014, van de gemeente Wijchen; 1.4 bestemmingsplan Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen het bestemmingsplan Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen met identificatienummer NL.IMRO.0296.ParapluplanChw-VG01, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 3 mei 2017; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aan huis verbonden bedrijfsactiviteit: het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke/kunstzinnige - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend; 1.8 aan huis verbonden beroep: een beroep, waarvan de activiteiten niet publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 1.9 aardkundige waarde: gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die een bepaalde (beperkte) mate van bescherming genieten; 1.10 afhankelijke woonruimte: een bijgebouw bij een woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht; 1.11 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren en andere dieren ten behoeve van de agrarische producten zoals (sier)vissen, wormen en bijen; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven,

sierteeltbedrijven en paardenhouderijen; 1.12 agrarisch grondgebruik: het gebruik van gronden ten behoeve van het telen van gewassen/bomen dan wel ten behoeve van het beweiden van landbouwdieren;

52

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

1.13 archeologische waarden: waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.14 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.15 bed & breakfast: een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, met een absoluut maximum van zeven overnachtingen, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 1.16 bedrijfsactiviteiten: handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf; 1.17 bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten; 1.18 bedrijfswoning/ dienstwoning: een woning, in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet worden geacht; 1.19 bestaand:  t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;  t.a.v.

gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;  t.a.v. werken of werkzaamheden: zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel toegestaan krachtens omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.20 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.21 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.22 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.23 bijgebouw: een vrijstaand of aan het hoofdgebouw aangebouwd gebouw, dat hetzij functioneel hetzij door zijn situering of afmeting ondergeschikt is aan het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw, zoals een garage, berging of hobbyruimte; 1.24 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.25 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.26 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.27 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen

gebouwen zijnde zijn toegelaten;

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

53

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

1.28 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.29 bouwwijze: de wijze van bouwen van een woning, waarbij: a. onder aaneengebouwd wordt verstaan een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee woningen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd; b. onder gestapeld wordt een gebouw verstaan, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; c. onder twee-aaneen wordt verstaan een woning, waarvan het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee direct aaneengebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap); d.

onder vrijstaand wordt verstaan een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd; 1.30 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.31 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.32 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.33 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, inclusief daarbij behorende aan- en uitbouwen; 1.34 hooischelf: bijgebouw of schuilstal bestaande uit twee delen, te weten een overdekte en geheel door wanden omsloten onderbouw met daarop een losse, langs een aantal geleiders, in hoogte beweegbare kap.

De ruimte tussen de onderbouw en de beweegbare kap mag niet worden dichtgebouwd en dient enkel ten behoeve van de opslag van stro, hooi en vergelijkbare producten; 1.35 kleine windturbine: windturbine bedoeld voor het leveren van stroom aan de/het ter plaatse aanwezige woning/bedrijf, waarbij reststroom aan het net doorgezet kan worden. De windturbine heeft een ashoogte van niet meer dan 15 meter en een tiphoogte van niet meer dan 20 meter; 1.36 landbouwdieren: rundvee, pluimvee (kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels e.d.), varkens, schapen, geiten, pelsdieren, konijnen, paarden, wormen e.d., consumptievissen (meerval, forel, paling, zeebaars, zeebrasem, tilapia e.d.), herten, lama's en andere hoefdieren; 1.37 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur; 1.38 mantelzorg: het anders dan bedrijfsmatig bieden van zorg aan een of meer leden van een op dat perceel wonende huishouding, die hulpbehoevend is of zijn op fysiek, psychisch en/of sociaal vlak;

54

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

1.39 minicamping: een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning; 1.40 natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.41 nevenactiviteit: activiteiten die in ruimtelijke en/of bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een bouwperceel; 1.42 omgevingsvergunning: vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.43 ondergeschikte functie: een functie die in ruimtelijke en/of bedrijfseconomische zin ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie binnen een bestemming; 1.44 overkapping/ carport: een dakconstructie, vrijstaand met maximaal één wand, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw; 1.45 paardenbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; 1.46 schuilstal: gebouw ten behoeve van het bieden van schuilgelegenheid aan gehouden dieren welke noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn; 1.47 vloeroppervlak(te): de totale oppervlakte, gemeten op vloerniveau,

die voor een functie wordt gebruikt; 1.48 vrijstaand bijgebouw: een bijgebouw, dat fysiek geheel los staat van enig ander gebouw, dan wel slechts met een ander gebouw verbonden is door een bouwwerk geen gebouw zijnde, zoals een overkapping of pergola; 1.49 waterhuishoudkundige doeleinden: doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d.; 1.50 watergang: een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde watergang; 1.51 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van dit plan; 1.52 Wet geluidhinder: Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan; 1.53 Wet ruimtelijke ordening: Wet van 20 oktober 2006, (Stb. 2006, nr.

566), houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan; 1.54 woning/ wooneenheid: een complex van fysiek aan elkaar verbonden ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden;

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

55

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

1.55 Woningwet: Wet van 29 augustus 1991 , (Stb. 1991, nr. 439), tot herziening van de Woningwet, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan;

56

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens: de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.7 peil:  voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang van het perceel onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;  in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

57

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Wonen - 1

3.1

Bestemmingsomschrijving

3.1.1

Algemeen

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. beroep of bedrijf aan huis; c. na een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.5.1 of 3.5.2, recreatieve voorzieningen in de vorm van bed & breakfast danwel kleinschalig kamperen (minicamping); d. de opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koude opslag; e. waterhuishoudkundige doeleinden; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, tuinen en erven en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

3.1.2

Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1: a Aantal woningen Binnen het bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. b Aan huis verbonden beroep Binnen deze bestemming is gebruik van een deel van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte beroepsactiviteit aan huis toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het (mede) ten behoeve van een aan huis verbonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de woning en/of de bijgebouwen mag bedragen met een maximum van 80 m2; 2. degene die de activiteiten in de woning en/of de bijgebouwen uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; 3. de activiteit mag niet leiden tot gebruik van extra parkeerruimte binnen het openbaar gebied; 4. er mag geen detailhandel of groothandel plaatsvinden; hieronder worden niet begrepen handelsactiviteiten via het internet; 5. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen niet zijn toegestaan; 6. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; 7. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd, tenzij wordt aangetoond dat geen onevenredige parkeerdruk ontstaat in het openbaar gebied.

c Aan huis verbonden bedrijf Aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten zijn niet toegestaan, behoudens na verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.5.4. d Duurzame energie De opwekking van duurzame energie is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie.

58

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

3.2

Bouwregels

3.2.1

Toegestane bebouwing

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2.2

Situering

Indien in een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangeduid zijn gebouwen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. 3.2.3

Maatvoering

Met betrekking tot de maatvoering en situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dient aan het volgende te worden voldaan: Hoofdgebouw van de woning

Max.

Goothoogte

6 m;

(Nok)hoogte

10 m;

Inhoud

Zie 3.2.4

Bijgebouwen bij de woning

Max.

Gezamenlijke oppervlakte per woning

120 m2

Goothoogte

3m

(Nok)hoogte

6m

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Max.

hoogte erfafscheidingen

2m

hoogte carports c.q. overkappingen

3m

oppervlakte van een carport c.q. overkapping

20 m2

hoogte overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

6m

oppervlakte paardenbakken

1.200 m2 tezamen met het deel dat eventueel binnen de agrarische bestemming is gesitueerd

3.2.4

Inhoud

Met betrekking tot de inhoud van woningen geldt het volgende: a. de inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 800 m 3.

bestemmingsplan "Akkerweg 3a Wijchen" (definitief)

59

bestemmingsplan Akkerweg 3a Wijchen

3.2.5

Herbouw

Aanvullend gelden voor herbouw van bestaande woningen de volgende voorwaarden: a. de herbouw vindt grotendeels plaats op de (voor zover aanwezig) bestaande fundamenten van de woning; b. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning; c. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en). 3.2.6

Zwembaden

In afwijking van het bepaalde in 3.2.3 geldt voor zwembaden, niet zijnde een gebouw, dat: a. deze uitsluitend op het zij- en/of achtererf worden gebouwd; b. de hoogte maximaal 1 m bedraagt; c. de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt; d. de oppervlakte maximaal 50 m2 bedraagt; e. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken op het zij- en achtererf maximaal 50% van de oppervlakte van dat zij- en achtererf bedraagt. 3.2.7

Ondergronds bouwen

Ondergrondse ruimten (kelders) bij woningen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag en mogen uitsluitend worden gesitueerd onder de woning (met inbegrip van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen) dan wel tot maximaal 25 m2 buiten de woning, alsmede onder de vrijstaande bijgebouwen.

3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1

Omgevingsvergunning maatvoering

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3 teneinde de voorgeschreven goot- en bouwhoogte met 10% van de voorgeschreven hoogte te verhogen.

3.3.2

Omgevingsvergunning inhoud woning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.4 teneinde de toegestane inhoud van de woningen te vergroten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 1000 m3; b. de welstandscommissie wordt expliciet betrokken bij het besluit om al dan niet medewerking te verlenen aan de genoemde omgevingsvergunning; c. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, dat wordt onderbouwd en gevisualiseerd in een terrein-/ beplantingsplan; dat wordt onderbouwd en gevisualiseerd in een terrein-/ beplantingsplan; d. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; e. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=5a656e16-6f8b-45e9-97dd-bc2fc2d8136a