CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raad openbaar Wijchen 31 maart 2026, gemeente wijchenBij agendapunt: 113631 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan 'Hoeve het Vormer’14.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het

27

NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Op afbeelding 4.4 is de ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de NNN-gebieden weergegeven.

Afbeelding 4.4: Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Aan het plangebied grenst Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft het grenzende bos met visvijver. Met voorliggend initiatief is geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Omdat de wezenlijke kenmerken en waarden door de ingreep niet worden aangetast, is nadere toetsing aan het NNN niet noodzakelijk. Flora- en fauna Er is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Deze QuickScan is als bijlage 7 opgenomen bij deze toelichting. Uit de QuickScan blijkt dat er nader onderzoek dient te worden gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen en steenmarters. Het nader onderzoek is als bijlage 8 opgenomen bij deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt: Vleermuizen Door het ontbreken van verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied (in- en direct grenzend aan de te verbouwen bebouwingen) zijn effecten op deze beschermde onderdelen van het leefgebied van vleermuizen uitgesloten. Er worden ten aanzien van de verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen zodoende geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Steenmarters Er is geen sprake van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. Wel dient het plangebied als foerageergebied.

28

Aanbevelingen •

Geadviseerd wordt om de werkzaamheden bij daglicht uit te voeren.

•

Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen. Er zijn onderhoudsvrije vleermuiskasten te koop welke kunnen worden ingemetseld of die eenvoudig te bevestigen zijn aan muren aan bestaande en te renoveren bebouwing. Deze positieve maatregelen zijn veelal eenvoudig en met geringe meerkosten in of bij (nieuw)bouw toe te passen.

•

De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Verder kunnen vogels broeden in de omgeving van het plangebied. Werkzaamheden die een verstorend effect op broedende vogels veroorzaken dienen daarom plaats te vinden buiten het broedseizoen (broedseizoen loopt van globaal half maart tot half augustus).

•

Bij onvoorziene omstandigheden dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Bij nieuwe bebouwing dient rekening te worden gehouden met natuur-inclusief bouwen. Bijvoorbeeld door het ophangen van nestkasten voor huismussen of mezen (en andere soorten) of kasten voor vleermuizen. Voor de vleermuizen kunnen ook ruimtes open gelaten worden in de overstek welke toegang bieden tot de spouw.

Conclusie De aanbevelingen dienen te worden opgevolgd. Vanuit de natuurbeleidskaders zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.5

Externe veiligheid

Beleid, wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

29

Situatie Met behulp van de risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) is op 20 september 2023 gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.5 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Met rode cirkel is de locatie van het plangebied aangegeven.

Afbeelding 4.5: Uitsnede risicokaart

Transport over het water en de weg Op ruime afstand tot het plangebied is een waterweg, rijks- en provinciale wegen gelegen. Het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied vormt op grond van de afstand geen belemmering voor het planvoornemen. Op grond van de stoffen die over het water en de wegen getransporteerd worden, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van het water en de wegen. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water en weg vormen geen aandachtspunt uit het oogpunt van externe veiligheid voor het plan. Transport over het spoor Op circa 700 meter is de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen gelegen (groene lijn op afbeelding 4.5). Gezien de ruimtelijke scheiding is het plangebied niet gelegen binnen een PR 10-6risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van dit spoor waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten het meest relevante risicogebied van het spoor (200 m). Buisleidingen Op een afstand van ca. 1,1 kilometer ten noord-westen van het plangebied liggen twee ondergrondse buisleidingen van de Nederlandse Gasunie NV. Deze buisleidingen zijn met paarse lijnen op afbeelding 4.5 weergegeven. Het plangebied ligt buiten de contour van het plaatsgebonden risico. 30

Daarnaast ligt het buiten het invloedsgebied (580 meter) waardoor een beoordeling aan het groepsrisico niet aan de orde is. Hoogspanningslijn De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bovengronds) betreft de lijn Maasbracht – Dodewaard (380 kV). Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve zone van 110 meter. Deze zone is vooral van belang bij langdurig verblijf van personen (o.a. een woning). De hoogspanningslijn ligt op een afstand van ca. 250m van het plangebied. De hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor het initiatief. Risicovolle inrichtingen Op naastgelegen perceel was een propaangas opslagtank in gebruik bij het bedrijf AG Louws. Dit bedrijf is niet meer aanwezig en de tank is niet meer in gebruik. Op korte termijn wordt de tank weggehaald. Ook de vergunning wordt ingetrokken. Hierdoor wordt de locatie niet meer gezien als een risicovolle inrichting waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief niet in de weg staat.

4.6

Wegverkeerslawaai

Beleid, wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor de toelaatbare geluidbelasting. De geluidseisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidsbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/ industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen. Situatie Er worden binnen het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Op afbeelding 4.6 is een uitsnede van de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ van het RIVM weergegeven. Met blauw is het plangebied aangegeven.

31

Afbeelding 4.6: Uitsnede kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ (Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Uit de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ blijkt dat de gevelbelasting ter plaatse van de gebouwen ca. 47 dB bedraagt. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Hier wordt aan voldaan. Er is sprake van een aanvaardbaar geluidsniveau. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect wegverkeerslawaai de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid, wet- en regelgeving Wet milieubeheer (5.2 Luchtkwaliteitseisen) Het doel van Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate bijdragen’ en de Regeling 'Niet in betekende mate bijdragen’.

32

Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m 2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate. Situatie Het project draagt 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel dient er worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit de wet Milieubeheer worden de volgende grenswaarden gesteld: •

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m3 en een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3. De uurgemiddelde grenswaarde mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide geraadpleegd kan worden. Op afbeelding 4.7, 4.8 en 4.9 zijn de concentraties weergeven.

Afbeelding 4.7: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM10 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

33

Afbeelding 4.8: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM2,5 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

Afbeelding 4.9: Uitsnede kaart Stikstofdioxide, NO2 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentraties ter plaatse van het plangebied zijn voor fijnstof PM10 17,09 μg/m³, voor PM2,5 10,16 μg/m³ en voor stikstofdioxide NO2 13,35 μg/m³. De concentraties blijven ruim onder de grenswaarden uit de wet Milieubeheer. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

4.8

Verkeer

Beleid Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren 34

van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Situatie Parkeren De parkeerkencijfers van CROW worden gebruikt om tot een parkeerbalans te komen bij (nieuw)bouwprojecten of herontwikkelingen. De gemeente Wijchen hanteert hierbij de maximale normen1. Functie Type

B&B Kook studio Multifunctionele ruimte Multifunctionele ruimte

Parkeerbehoefte (CROW Toekomstbestendig parkeren)

Aantal parkeerplaatsen Min. Max.

Aantal/ oppervlakt e 4 110 m2

Min.

Max.

Eenheid

2 6

2.2 8

8,00 6,60

8,80 8,80

125 m2

2,3

2,8

Per B&B eenheid (obv kental bungalow) Per 100m2 (obv horeca, cafe, bar, restaurant) Per 100m2 (obv kantoor)

2,88

3,50

125 m2

6

11

Per 100m2 (obv evenementen)

7,5

13,75

Als alle activiteiten tegelijkertijd voor 100% in gebruik zijn, zijn er op basis van de maximale norm scenario 34 parkeerplaatsen nodig. Deze parkeervraag bestaat in de praktijk niet, omdat niet alle activiteiten op één moment plaatsvinden en om 100% van de parkeerplaatsen vragen. De multifunctionele ruimte op de eerste verdieping wordt niet gelijktijdig in gebruik genomen met de overige functies. De ruimte op de eerste verdieping is bedoeld voor expositie en kleinschalige podiumkunsten/theater. Indien er een expositie of een bijeenkomst plaats vindt wordt er geen gebruik gemaakt van de kookstudio en worden de bed and breakfast eenheden niet verhuurd. De ruimtes op de begane grond kunnen gelijktijdig in gebruik worden genomen. Aanwezigheidspercentage (parkeerbalans CROW) Type

Ochtend

Middag

Avond

Nacht

Zat. Middag

Zat. Avond

Zon. Middag

B&B Kookstudio

10% 0%

10% 0%

10% 20%

20% 0%

25% 0%

25% 20%

25% 15%

Multifunctionele ruimte (kantoor)

40%

40%

0%

0%

20%

10%

15%

Aanwezigheidspercentage bij gebruik B&B, kookstudio en Multifunctionele ruimte (kantoor)

1 Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen, geldend van 11-04-2020 t/m heden of diens opvolger

35

Aanwezigheidspercentage (parkeerbalans CROW) Type

Ochtend

Middag

Avond

Nacht

Zat. Middag

Zat. Avond

Zon. Middag

Multifunctionele ruimte (evenementen)

10%

20%

20%

0%

40%

55%

20%

Aanwezigheidspercentage bij gebruik enkel Multifunctionele ruimte (evenementen)

De maximale verwachte totaalwaarde van het aanwezigheidspercentage is 55%. Het aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt dan 19 parkeerplaasten. Voor een pluktuin bevat de CROW-publicatie geen kencijfers, ook bevat de publicatie geen functie waarbij aangesloten kan worden. De pluktuin is gericht op voorbijgangers en toeristen, die vooral op de fiets en te voet komen vanwege de ligging aan recreatieve routes. Er worden overloopparkeerplaatsen voorzien voor eventuele piekmomenten. Hier zal ongeveer drie keer per jaar gebruik van worden gemaakt. Het parkeren ten behoeve van de woning vindt op het privé-erf plaats. De parkeerplaasten worden gerealiseerd aan de zuidzijde van het plangebied. Indien extra parkeergelegenheid nodig is kan gebruik worden gemaakt van het weiland aan de noordzijde van het plangebied. Er wordt ter plaatse van de parkeerplaatsen geen verharding toegevoegd om de groene uitstraling te behouden. Op afbeelding 4.10 is de locatie van de parkeerplaatsen weergegeven.

Afbeelding 4.10: Parkeerplaatsen zuidzijde plangebied

36

Parkeren bij de bestaande woning wordt voorzien ten noorden van de woning. Hier is al verharding/ een parkeervoorziening aanwezig voor parkeerplaasten. Er is in het plangebied voldoende ruimte voor voldoende parkeergelegenheid aanwezig om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Vormerseweg. Via de Ravensteinseweg wordt in noordoostelijke richting aangesloten naar het dorp Wijchen. In de westelijke richting wordt via de Drutenseweg (N845) aangesloten op de A326 en de A50. In de omgeving van het plangebied zijn diverse (recreatieve) fietsroutes aanwezig. De ontsluiting wordt met voorliggend initiatief niet aangetast. Het uitbreiden van de woning, toevoegen van vier B&B eenheden, kookstudio en multifunctionele ruimtes brengt extra verkeer met zich mee. Op grond van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit december 2018 bedraagt de verkeergeneratie 46 motorvoertuigen per etmaal. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergegeven. Tabel verkeersgeneratie Functie

Verkeersgeneratie (CROW Toekomstbestendig

Mvt/etmaal

parkeren) Type

Aantal/ opp

Min.

Max.

Eenheid

Min.

Max.

B&B

4

2,6

2,8

obv kengetal bungalow, per

10,4

11,2

4,0

4,2

eenheid Kookstudio*

110m2

3,3

3,8

obv commerciële dienstverlening, per 100m2

Multifunctionele

125m2

7,9

9,6

obv kantoor, per 100m2

9,9

11,6

125m2

11,1

15,1

obv theater, per 100m2

13,9

18,9

ruimte Multifunctionele ruimte**

* voor een kookstudio zijn geen kengetallen beschikbaar. Daarom is aangesloten bij commerciële dienstverlening **voor expositie en kleinschalige voorstellingen zijn geen kengetallen beschikbaar. Daarom is aangesloten bij theater

De verkeersgeneratie zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. De capaciteit van de omliggende wegen is groot genoeg om het extra verkeer op te vangen. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.9

Water

Wettelijk kader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, moet een watertoets worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro 37

regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (artikel 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (artikel 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt. Beschrijving watersysteem Geomorfologie en grondwatersysteem De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt circa 8 m +NAP. Het plangebied is geografisch gezien gelegen in het rivierengebied tussen de stuwwal bij Nijmegen en de Maas. De afwatering in dit Poldergebied vindt plaatst via de Maas.

De ondergrond ter plaatse is geohydrologisch onder de te verdelen in een deklaag, een eerste watervoerend pakket, de eerste scheidende laag, het tweede watervoerende pakket en de slecht doorlatende basis. De deklaag bestaat uit 3 tot 6 meter dik pakket van fijn tot matig grove zanden, waarin leem-, klei- en veenlagen voorkomen. De holocene rivierafzetting zijn matig doorlatende en worden gerekend tot de Betuwe Formatie (Nuenengroep). Plaatselijk kan een grindbijmenging voorkomen. Op plaatsen waar de deklaag uitsluitend uit zand bestaat is de stijghoogte van het freatisch grondwater gelijk aan die van het eerste watervoerende pakket. Het eerste watervoerende pakket bestaat uit een circa 10 meter dikke laag overwegend grove grindhoudende zanden, behorende tot de fluviatiële afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, Urk en Sterksel. In dik pakket kunnen ook fijnkorrelige fluvioglaciale inschakelingen van de Formatie van de Drenthe voorkomen. Plaatselijk kunnen tevens kleilagen voorkomen. Het eerste watervoerende pakket wordt aan de onderzijde begrensd door de circa 15 meter dikke eerste scheidende laag, behorende tot de Formatie van Tegelen. Deze formatie kan worden beschouwd als de geohydrologische basis van het ondiepe hydrologisch systeem.

Onder de eerste scheidende laag wordt het circa 30 meter dikke tweede watervoerende pakket aangetroffen, bestaande uit matig fijne glauconiet- en schelphoudende zanden behorende tot de Formatie van Oosterhout. Onder het tweede watervoerende pakket wordt tenslotte de Tertiaire basis van het geohydrologisch systeem aangetroffen welke eveneens tot de Formatie van Oosterhout wordt gerekend.

38

De grondwaterstromingsparameters zijn afgeleid uit de Grondwaterkaart van Nederland, kaartbladen 39 West en 39 Oost, Betuwe, land van Maas en Waal. In het eerste watervoerende pakket stroomt het grondwater, onder invloed van de drainerende werking van de Maas, in west- zuidwestelijke richting. Afhankelijk van het peil van de Maas is er sprake van een inzijgings- of kwelsituatie. Uit het verkennend bodemonderzoek dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen blijkt dat het grondwater zich bevindt op een diepte variërend van circa 2,5 à 2,9 meter -mv. Afvalwater en hemelwater Het hemelwater en het huishoudelijke afvalwater dient gescheiden te worden ingezameld. Het hemelwater dat op de daken valt wordt afgekoppeld op de vijver ten zuiden van de gebouwen. Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het is in Nederland gebruikelijk bij het ontwerpen van rioolstelsels rekening te houden met een afvoer van huishoudelijk afvalwater gelijk aan 12 l/(inw.h). Hierbij wordt aangenomen dat de totale hoeveelheid huishoudelijk afvalwater van 120 l/(inw.dag) in 10 h wordt afgevoerd. De in Nederland gehanteerde zogeheten piekfactor wordt daarmee: •

piekafvoer is: 120/10 = 12 l/(inw.h)

•

gemiddelde afvoer is: 120/24 = 5 l/(inw.h)

•

piekfactor is: 12/5 = 2,4.

Oppervlaktewater Ten oosten, tegen het plangebied, ligt een primaire watergang. Ten zuidwesten van het plangebied ligt, op ca. 30 meter, een tertiaire watergang. Op afbeelding 4.11 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. Met rood is het plangebied aangegeven.

Afbeelding 4.11: Uitsnede leggerkaart (Bron: www.waterschaprivierenland.nl/uwbuurt/kaartenmeetgegevens/leggerkaart)

39

De watergangen zijn van belang voor het functioneren van het watersysteem. Met voorliggend initiatief worden de watergangen niet aangetast. Daarnaast vinden er geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van de watergangen. Ecosysteem De planlocatie ligt niet in de Ecologische hoofdstructuur (Gelders natuurnetwerk); natte natuur heeft hier geen bijzondere waarde en het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone voor natte natuur. Uit het natuuronderzoek zijn ook geen (watergebonden) natuurwaarden geconstateerd die bescherming genieten. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens art. 7 en 10 en Activiteitenbesluit art. 2.1 en 2.2).

Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wm art 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet art. 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet art. 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk

40

voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van Awatergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig. Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft en motiveert de wijze waarop op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie.

Gevolgen van/voor het plan Voorliggend initiatief betreft voornamelijk een functiewijziging van de bestaande bebouwing. Om nadelige gevolgen van de bouw van het nieuwe bijgebouw te voorkomen dient bij de bouw rekening gehouden te worden met de ontwaterings- en/of droogleggingseisen. Als droogleggingseis geldt dat het vloerpeil minstens 1,3 m boven het zomerpeil van het oppervlaktewater dient te liggen. Als ontwateringseis geldt dat het vloerpeil minstens 1,0 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen. Hier kan aan worden voldaan. Het initiatief heeft verder geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding of watergangen en oppervlaktewater in de omgeving. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening.

41

De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan In het plangebied zijn geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater aanwezig. Het hemelwater dat op de daken valt wordt afgekoppeld op de vijver ten zuiden van het plangebied. afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering. Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau.

Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Voor voorliggend plan is een landschappelijk inpassing opgesteld. Door de aanleg van beplanting verbeterd het waterbergend vermogen van het plangebied. Daarnaast worden er bomen in de pluktuin geplant om schaduw in de tuin te creëren.

42

Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater. De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geinfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken.

En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Het hemelwater dat op de daken van de gebouwen valt wordt afgekoppeld op de vijver ten zuiden van het plangebied. Het overige hemelwater dat binnen het plangebied valt infiltreert ter plaatse in de bodem. Er vindt een kleine toename van verharding plaats. Het betreft het gebouw in de pluktuin. Deze mag maximaal 75m2 bedragen. De aanbouw van 20m2 aan het bakhuis wordt gesloopt. De toename van verharding bedraagt daardoor 55m2. Deze toename is minimaal. Compenserende maatregelen zijn niet nodig. Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico's van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of –fluctuatie (zie ook Klimaatverandering).

43

Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan De functiewijziging vindt voornamelijk plaats binnen de bestaande cultuurhistorische waardevolle bebouwing. Bij deze gebouwen vinden geen werkzaamheden plaats aan de bestaande fundering waardoor het treffen van maatregelen hier niet van toepassing is. Bij de bouw van het bijgebouw in de pluktuin zal worden voldaan aan de ontwateringsdiepte en de drooglegging. Conclusie De kwalitatieve en kwantitatieve waterbelangen komen met de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in het gedrang.

44

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1

Planbeschrijving

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en de legenda. Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, namelijk: 1. de verbeelding, met zoveel mogelijk relevante informatie wat betreft de (dubbel)bestemmingen, aanduidingen, afmetingen en verklaringen van de betreffende gronden; 2. de regels, hierin wordt per bestemming een zo eenduidig mogelijke omschrijving van het gebruik en bouwmogelijkheden van de betreffende bestemming gegeven; 3. de toelichting, hierin worden de beweegredenen weergegeven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming aan een stuk grond, als mede een interpretatie en uitleg van de gebruikte bestemmingen. De verbeelding en de bijbehorende regels vormen de enige juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan.

5.2

Regels

Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2: Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

45

Bestemmingsregels Artikel 3: Agrarisch met waarden - 2 Deze bestemming is opgenomen voor het noordelijke deel van het plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor hobbymatig agrarisch gebruik, extensief recreatief gebruik, tuin en erfbeplanting en landschappelijke inpassing. Er worden binnen deze bestemming geen gebouwen opgericht. Artikel 4: Wonen Deze bestemming is opgenomen voor het zuidelijke deel van het plangebied ter plaats van de bestaande bebouwing. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. Met een aanduidingen is aangegeven waar de Bed & breakfast eenheden, multifunctionele ruimte, kookstudio en pluktuin zijn toegestaan. Ook is er een aanduiding ‘cultuurhistorie’ toegekend ten behoeve van het behoud, beheer en herstel van de aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden van de gebouwen en de omgeving. Artikel 5: Waarde – Archeologie 1 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden.

Onderzoek is noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen voor het oprichten van een bouwwerk Artikel 6: Waarde – Archeologie 2 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2. Artikel 7: Waarde – Archeologie 3 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2. Artikel 8: Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied’ zijn gronden gelegen mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. Algemene regels Artikel 9: Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Artikel 10: Algemene bouwregels

46

Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang. Overgangs- en slotregels Artikel 12: Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 13: Slotregel De slotregel geeft aan hoe de regels van het plan worden aangehaald.

47

6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De ontwikkeling wordt geheel op risico van de initiatiefnemer aangegaan en is daarmee een volledig particulier initiatief. Het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Wijchen en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Aan de bewoners rondom het plangebied Is het initiatief toegelicht. Daarnaast is er een gesprek geweest met de Stichting Oud Burgeren Gasthuis. De samenvatting van het omgevingsdialoog is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met relevante overlegpartners. Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wro juncto afdeling Awb. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Eventuele zienswijzen zullen worden meegenomen in de besluitvorming omtrent onderhavig plan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 ter visie gelegen. Tijdens deze periode is één zienswijze door de Provincie Gelderland ingediend.

Naar aanleiding van deze zienswijze is het bestemmingsplan aangevuld met het onderzoek naar de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone en het versterkingsplan met de rekentool. Daarnaast is het landschapsplan en de bijbehorende onderbouwing aangevuld/aangepast.

48

BIJLAGE 1 BEREKENING VERSTERKING GROENE ONTWIKKELINGSZONE

49

BIJLAGE 2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

50

BIJLAGE 3 VERKENNEND BODEMONDERZOEK 2018

51

BIJLAGE 4 NADER BODEMONDERZOEK 2023

52

BIJLAGE 5 VERKENNEND BODEMONDERZOEK 2024

53

BIJLAGE 6 STIKSTOFDEPOSITIE

54

BIJLAGE 7 QUICKSCAN FLORA- EN FAUNA

55

BIJLAGE 8 NADER ONDERZOEK FLORA- EN FAUNA

56

BIJLAGE 9 GESPREKSVERSLAG OMWONENDEN

57

Klement Rentmeesters. Liefde voor monumenten en landgoederen.

Makelaardij Beheer en exploitatie Herbestemming Subsidies Grondzaken

www.klement2.com 58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=426924af-4627-4507-a851-29e78fafb2f4