Oosterweg 279 Wijchen_vastgesteld_1.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is een quickscan (bijlage 6) naar externe veiligheid uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van vier woningen aan de Graafseweg te Wijchen en het omzetten van de bedrijfswoning aan de Oosterweg 277 naar een burgerwoning. Doel van het onderzoek is het identificeren van mogelijk relevante risicovolle activiteiten in de omgeving en de effecten van deze activiteiten op het plan. Voor het bepalen van de risico's op het gebied van externe veiligheid is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Hieruit komt het volgende naar voren:
30
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel) Inrichtingen c.q. bedrijven Op circa 910 m ten noordwesten van het plangebied ligt Mixed Hockey Club Wijchen. De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege een bovengrondse propaantank (5.000 l). De inrichting heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Op circa 1 km ten zuidoosten van het plangebied ligt Bungalowpark Wighenerhorst. De inrichting heeft een bovengrondse propaantank (13.000 l) en een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar op 25 m van de bron. Het plangebied is op ruime afstand gelegen van beide inrichtingen. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Alle overige inrichtingen op meer dan 1 km afstand zijn voor het plangebied niet relevant. Transport over waterwegen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over wegen Voor de bevoorrading van LPG-tankstations en overige bedrijven waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen wordt deels over de provinciale weg N324 (1) gereden. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour of groepsrisico aangezien het gaat om bestemmingsverkeer. Er zijn derhalve geen belemmeringen.
Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding De grootste inventarisatieafstand voor buisleidingen bedraagt 580 m. Omdat er binnen een straal van 580 m geen leidingen zijn gelegen, zijn er geen belemmeringen. Op basis van een inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn.
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Waterhuishouding
Wettelijk kader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, moet een watertoets worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (artikel 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (artikel 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt.
Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het deel van het plangebied waar de woningen zijn voorzien is op dit moment een agrarisch perceel zonder terreinverharding. Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwater- beschermingsgebied. Uit het bodemonderzoek (zie bijlage 1) blijkt dat de bodem tot de maximaal onderzochte diepte van 4,5 m -mv overwegend bestaat uit zwak siltig, zwak grindig, matig fijn tot matig grof zand. In de boven- en ondiepe ondergrond blijkt deze zandlaag zwak humeus. In de diepere ondergrond blijkt de zandlaag niet humeus. Op diverse diepten in de ondergrond zijn verder plaatselijk humeuze en niet humeuze, zandige en siltige kleilagen aangetroffen. Uit veldmetingen van de grondwaterstand (zie bijlage 1) blijkt dat de grondwaterstand ligt op circa 1,8 m tot 2,7 m onder het maaiveld. Oppervlakte- en afvalwatersysteem Raadpleging van de legger wateren van waterschap Rivierenland leert dat alleen aan de oostzijde van het plangebied een waterloop categorie C is gelegen. Het plangebied is aangesloten op de drukriolering onder de Oosterweg. Ecosysteem Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk) en ook niet in een beschermingszone voor natte natuur.
Waterbeleid en waterbeheer Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie.
32
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Zorgplicht afvalwater Een perceeleigenaar moet het huishoudelijk afvalwater of het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering lozen (Besluit lozing afvalwater huishoudens artikel 7 en 10 en Activiteitenbesluit artikel 2.1 en 2.2). Als dit niet mogelijk (doelmatig) is, zorgt de perceeleigenaar voor een zo milieuvriendelijk mogelijke manier van verwerking of verwijdering van het afvalwater. De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wet milieubeheer artikel 10.33). Zorgplicht hemelwater Een perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein of voor het eventueel lozen van hemelwater op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is zorgt de gemeente voor het inzamelen, transporteren en verwerken van het hemelwater, mits doelmatig (Waterwet artikel 3.5). Zorgplicht grondwater Een perceeleigenaren is zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. Als dit niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet artikel 3.6).
Zorgplicht oppervlaktewater (waterschap) De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor lozing op oppervlaktewater (A-, B- en C-water) heeft de perceeleigenaar een vergunning van het waterschap nodig (Waterwet artikel 6.2). Een perceeleigenaar (of aanliggende perceeleigenaar) is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater (B- en C-water volgens de legger van het waterschap) dat op eigen terrein ligt. Het waterschap draagt zorg voor het onderhoud van A-watergangen. Voor ingrepen of activiteiten in of nabij watergangen danwel in of nabij een waterkering heeft een perceeleigenaar een Keur-ontheffing van het waterschap nodig. Leefomgeving en ruimtegebruik Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening is gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven zijn gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, welzijn, volkshuisvesting, verkeer/vervoer en energie.
Gevolgen van/voor het plan Zoals verderop onder 'Waterberging' is aangegeven, neemt de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied toe ten opzichte van de bestaande situatie. De ruimtelijke ontwikkeling heeft daarmee invloed op de waterhuishouding van het plangebied. Verderop in deze paragraaf is aangegeven welke maatregelen genomen worden om de effecten te compenseren. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde kwaliteitseisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater alleen lozen via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen.
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij zijn water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Zowel onder de Oosterweg als de parallelweg van de Graafseweg is een drukriolering aanwezig, waarnaar het afvalwater kan worden afgevoerd. De precieze aansluiting van de nieuwe woningen op de riolering zal in een later stadium (in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen) in overleg met de gemeente Wijchen worden uitgewerkt. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede.
Aan de (noord)oostzijde van het plangebied bevindt zich oppervlaktewater in het plangebied in de vorm van een C-watergang. Het is niet toegestaan hemelwater van eigen terrein af te laten stromen naar oppervlaktewater. De afstroming van het hemelwater van het verhard oppervlak in het plangebied zal daarom plaatsvinden naar de omliggende tuin (op eigen terrein), en verder richting de nog aan te leggen waterpoel aan de noordzijde. Deze poel wordt niet expliciet beleefbaar gemaakt. Daarmee is de 'belevingswaarde' verder niet van toepassing op het plangebied. Klimaatadaptatie Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, anticiperend op hevigere perioden met hitte, neerslag en droogte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken.
Zorgdragen voor voldoende waterberging, tegen hemelwateroverlast en ter buffering van water in droge tijden (zie ook waterberging). Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking (verdroging) beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Verder bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de droogtegevoeligheid van de locatie en mogelijke bodemdaling die daardoor kan ontstaan. Gevolgen van/voor het plan Zoals hiervoor aangegeven is een groot deel van het plangebied in de bestaande situatie onverhard. Omdat in het plangebied maar vier extra woningen voorzien zijn op bijna 2 ha grond, is er voldoende ruimte in het plangebied om een klimaatadaptieve inrichting aan te leggen in de vorm van groenstructuren met een hoog waterbergend vermogen. Bovendien wordt op de achterzijde van het perceel ruimte gelaten voor een waterpoel met natuurvriendelijke oevers, waar wateroverschotten kunnen worden opgevangen. Ook zal regenwater hergebruikt worden door middel van het Drop2Drink systeem. Met de Drop2Drink unit maak je je eigen drinkwater. Het intelligente behandelingssysteem zorgt voor 100% microbiologisch veilig water.
Het opgevangen regenwater wordt gezuiverd met een microfilter, actief koolfilter, membraanfilter (UF) en UVC-unit.
34
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Daarnaast worden de platte delen van de dakbedekking groendaken (Sedum of Sedum-kruiden dak). Deze groendaken zorgen voor wateropvang en houden dat vast wat tijdens warme dagen verkoeling geeft. Het draagt bij aan zuivering van de lucht en draagt bij aan de biodiversiteit. Het isoleert sterk tegen hitte en koude en werkt zelfs verkoelend voor de directe omgeving tijdens warme periodes. Het groen kan gerepareerd en aangevuld worden. Tot slot wordt er ingezet op natuurinclusief bouwen en is het plan voorzien van een robuuste landschappelijke inpassing. Dit zal bijdragen aan het waterbergend vermogen van het plangebied en verkoelende werking hebben in tijden van hitte. Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken zoveel mogelijk afkoppelen van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Compenseren van het verlies aan waterberging, indien hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater.
De compensatieplicht (Keur waterschap) houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Dit met een eenmalige uitzondering van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. De compensatieplicht geldt niet in individuele gevallen als op een afstand van 100 m of meer van het oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd (beleidsregels Keur artikel 5.16 toetsingscriterium 2). Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen van/voor het plan Om te kunnen bepalen wat de toename aan verhard oppervlak is in het plangebied, is een verhardingsbalans opgesteld. Hierbij is het perceel van de huidige bedrijfswoning buiten beschouwing gelaten, omdat hier alleen een gebruikswijziging plaatsvindt, maar geen fysieke ruimtelijke veranderingen: Bestaande situatie
Toekomstige situatie
Verschil
Bebouwing
1.315 m²
1.805 m²
+ 490 m²
Terreinverharding
6.685 m²
4.950 m²
- 1.735 m²
Onverhard
9.885 m²
11.130 m²
+ 1.245 m²
Totaal
17.885 m2
17.885 m2
Uit voorgaande verhardingsbalans blijkt dat het totale verhard oppervlak zal afnemen met 1.245 m 2. Dit betekent dat er op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden. Omdat volgens het gemeentelijk beleid (dat aansluit op artikel 3.5 van de Waterwet) bij nieuwbouw al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt, en niet naar de omliggende openbare ruimte/ oppervlaktewater mag worden afgevoerd, is bekeken wat de mogelijkheden zijn. Het dakoppervlak van de nieuwe bebouwing zal afgekoppeld zijn, zodat het water de omliggende tuin in kan lopen (dus op eigen terrein, zie de situatietekening in paragraaf 2.2). Overtollig water kan afstromen richting de nog aan te leggen waterpoel aan de noordzijde van het plangebied. In deze poel kan het water langzaam wegzakken in de bodem. Met de uitwerking is water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. De ontwikkeling is daarmee hydrologisch neutraal. Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele risico's van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling (verdroging) of -fluctuatie (zie ook Klimaatverandering). Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan Om grondwateroverlast te voorkomen, is het belangrijk de waterhuishouding in het plangebied op orde te hebben en te houden. De inrichting van het plangebied moet dan ook afgestemd zijn op de geohydrologische situatie binnen het plangebied. Het waterschap adviseert een drooglegging (=bouwpeil minus oppervlaktewaterpeil) aan te houden van: 0,7 m voor het maaiveld; 1,3 m voor het bouwpeil.
Het bouwpeil (begane grond) van de woningen, zal voldoen aan de gangbare maat voor de ontwateringsdiepte (= bouwpeil minus Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG): 0,3 m -mv voor woningen zonder kruipruimte. Uit het verkennend bodemonderzoek (zie bijlage 1) blijkt dat het grondwaterpeil zich op circa 1,8 m -mv bevindt. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is circa 6,0 m tot 6,5 m +NAP. Het maaiveld ter hoogte van het plangebied is gelegen op circa 8,8 à 8,9 m +NAP. Daarmee ligt de GHG minimaal circa 2,3 m beneden maaiveld. Omdat de toekomstige bouwpeilen van de woningen minimaal circa 0,2 m hoger (= op circa 9,4 m +NAP) worden aangelegd dan het naastgelegen wegpeil (= op circa 9,2 m +NAP) wordt ruimschoots aan de ontwateringseis van 1,0 m voor het bouwpeil voldaan. Omdat mogelijk de woningen onderkelderd worden, zal in dat geval bij de bouwplannen rekening moeten worden gehouden met eventuele grondwateroverlast. Indien kelders worden aangelegd, zullen deze daarom waterdicht worden uitgevoerd. De ontwerpen van de woningen, en daarmee de beslissing of er kelders worden gerealiseerd, zullen overigens pas definitief gemaakt worden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen (= na het vaststellen van het bestemmingsplan).
Overwegingen & conclusie Het verhard oppervlak in het plangebied zal afnemen, waardoor de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied zonder compenserende maatregelen hoeft te worden uitgevoerd. Desondanks biedt de tuin voldoende ruimte om dit hemelwater te bergen. Het plan heeft, na het uitvoeren van de hiervoor genoemde compenserende maatregelen, geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Overleg met waterbeheerder Beleidsuitgangspunt Afhankelijk van de aard en locatie moet het ruimtelijk plan voor advies en/of vooroverleg worden voorgelegd aan de waterbeheerder en het advies van de waterbeheerder zijn verwerkt in de waterparagraaf. Veelal zijn de waterbeheerders het waterschap, maar kunnen ook Rijkswaterstaat of de Provincie zijn. Voor wat betreft het waterschapsbelang geldt voor alle ruimtelijke plannen dat bij aanvang van het planproces een digitale watertoets moet worden ingevuld door de initiatiefnemer (www.digitalewatertoets.nl), waarna zo nodig een vooroverleg volgt. Gevolgen van/voor het plan Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Deze toets is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan waarvoor de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden.
Het bestemmingsplan moet in het kader van het vooroverleg voorgelegd worden aan het waterschap en aan de gemeente.
4.9 36
Ecologie bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
4.9.1
Regelgeving
In 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.
Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Wijchen is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS).
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, in het kort de bouwvrijstelling. Er is een knip gemaakt tussen de bouw en het gebruik van een bouwwerk. De milieubelasting tijdens de bouw is tijdelijk, terwijl het gebruik een permanent karakter heeft. Vanwege de vrijstelling is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies te toetsen op stikstof. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. De vrijstelling geldt expliciet alleen voor stikstof en niet voor andere negatieve effecten die tijdens de bouwfase als gevolg van geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.
4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In het kader van de herbestemming is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 8 bij de toelichting opgenomen. Quickscan Wet natuurbescherming Soortenbescherming De belangrijkste conclusies met betrekking tot soorten in het plangebied zijn samengevat in navolgende tabel: Soortgroep
Overtreding Wnb
Nader onderzoek
Te nemen maatregelen
Flora
Mogelijk
Ja, onderzoek naar grote leeuwenklauw tijdens één veldbezoek in de periode mei – augustus
Bepalen na uitvoering onderzoek
Grondgebonden zoogdieren
Mogelijk
Ja, onderzoek naar steenmarter met cameravallen in de periode maart – juni gedurende zes weken
Aanvragen ontheffing voor bunzing en wezel. Mogelijk voor steenmarter na uitvoering onderzoek
Vleermuizen
Mogelijk
Ja, onderzoek naar verblijfplaatsen in de kippenschuur in de
Bepalen na uitvoering onderzoek voor eventueel aanwezige
38
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
periode mei – september verblijfplaatsen. gedurende meerdere Voorkomen uitstralende bezoeken verlichting tijdens bouwwerkzaamheden en in de permanente situatie richting de bomenrij langs de Oosterweg. Vogels – jaarrond beschermde nesten
Nee, mits maatregelen
Nee
Werken buiten broedseizoen op de locatie van de voormalige kippenschuur
Vogels – overig
Nee, mits maatregelen
Nee
Verwijderen van vegetatie buiten het broedseizoen en contact met een ecoloog voor de start van werkzaamheden in het broedseizoen
Amfibieën
Mogelijk
Nee
Indien werkzaamheden plaatsvinden van april tot augustus, kale grond glad afstrijken om stagnatie van regenwater te voorkomen
Vlinders
Mogelijk
Ja, noodzaak van Bepalen na uitvoering soortgericht onderzoek onderzoek bepalen na inventarisatie waardplanten in de periode eind mei – begin juni
Reptielen, vissen, libellen en overige ongewervelden
Nee
Nee
Niet van toepassing
Zorgplicht
Ja
Nee
Bosschages en struweel binnen de werkterreinen worden verwijderd in de periode medio september tot en met februari. Hierbij wordt langzaam één richting gewerkt om fauna de kans te geven te vluchten
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wet natuurbescherming beschermde soorten, namelijk grote leeuwenklauw, bunzing, wezel, steenmarter, vleermuizen, broedvogels, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op broedvogels, rugstreeppad en vliegroutes van vleermuizen worden voorkomen. Nader onderzoek naar broedvogels en rugstreeppad is daarom niet nodig. Daarnaast zijn maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht. Voor grote leeuwenklauw, steenmarter, vleermuizen en teunisbloempijlstaart is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soortspecifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn.
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
De Provincie Gelderland hanteert sinds kort beleid dat aangeeft dat regulier onderzoek met cameravallen niet volstaat om aanwezigheid van bunzing en wezel uit te sluiten. Er zijn (nog) geen andere methodes die wel geschikt zijn. Indien een gebied geschikt wordt geacht, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Gelet op de geschiktheid van het noordelijk deel van het plangebied, wordt geadviseerd voor bunzing en wezel een ontheffing aan te vragen en de nodige maatregelen te nemen ten gunste van bunzing en wezel. Voor beschermde soorten is een bestemmingsplan redelijkerwijs uitvoerbaar als: Het plan geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten, of Maatregelen genomen (kunnen) worden om negatieve effecten te voorkomen, of Een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming kan worden verkregen voor de realisatie van ontwikkelingen die het bestemmingsplan ruimtelijk mogelijk maakt. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt zowel buiten het Gelders NatuurNetwerk als buiten de Groene Ontwikkelingszone. De kernkwaliteiten uit de provinciale beleidskaders zijn niet van toepassing op dit gebied. Wat betreft stikstofdepositie kan voor de aanlegfase worden aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen vrijstelling.
De berekeningen van het projecteffect zijn verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator op basis van voornoemde uitgangspunten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 11 van de toelichting. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Nader onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan, mits uit nader onderzoek naar de grote leeuwenklauw, steenmarter, vleermuizen en teunisbloempijlstaart blijkt dat het plan geen negatieve effecten heeft op deze soorten. Er zijn geen redenen om op voorhand aan te nemen dat een eventuele ontheffing niet verkregen zou kunnen worden. Soortgericht onderzoek Wet natuurbescherming Naar aanleiding van bovengenoemde quickscan is een soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied te bepalen voor vleermuizen, steenmarter, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart. Deze rapportage doet verslag van het soortgericht onderzoek en geeft antwoord op de vraag of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. De rapportage is als bijlage 9 bij de toelichting opgenomen.
Uit de onderzoeken is gebleken dat negatieve effecten op vleermuizen en teunisbloempijlstaart voorkomen kunnen worden door het nemen van maatregelen. Mits deze maatregelen getroffen worden is het aanvragen van een ontheffing Wnb met betrekking tot deze soorten niet nodig. De onderzoeken hebben aangetoond dat er groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en verblijfplaatsen van steenmarter in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast geldt het beleid van provincie Gelderland dat er een ontheffing aangevraagd dient te worden voor bunzing en wezel indien het plangebied geschikt is als leefgebied en/of verblijfplaatsen. Maatregelen ter voorkoming van een overtreding van Wnb artikel 3.10, lid 1a, -b en -c en/of het aanvragen van een ontheffing zijn noodzakelijk. Om een ontheffing aan te kunnen vragen is een activiteitenplan nodig. Een ontheffing kan worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Gelet op voorgaande hoofdstukken vormt het aspect ecologie geen belemmering voor een wijziging van het bestemmingsplan. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is redelijkerwijs verleenbaar doordat de staat van instandhouding van de aanwezige soorten gewaarborgd kan worden, de beoogde ontwikkeling een wettelijk belang dient en de alternatievenafweging voldoende onderbouwt kan worden.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Regelgeving
40
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen golden, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022/2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Wijchen Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Wijchen ligt vrijwel het hele plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Voor gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat voor bodemingrepen groter dan 100 m 2 of die dieper reiken dan 0,3 m dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Bovendien valt de oostzijde van het plangebied in twee zones van 50 m rondom een archeologische vindplaats:
uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met plangebied (blauwe omkadering) Beleidsnota cultuurhistorie In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een bepaling opgenomen, op grond waarvan het
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
gemeentebestuur bij het opstellen van een bestemmingsplan moet aangeven op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Ter onderbouwing van deze afweging hebben de gemeenten Beuningen, Wijchen, Heumen en Druten gezamenlijk de beleidsnota cultuurhistorie 'Samen in verscheidenheid' opgesteld. Borging van de geïnventariseerde cultuurhistorische waarden vindt plaats door middel van het 'Parapluplan Cultuurhistorie'. Op de cultuurhistorische waarderingskaart, behorende bij de beleidsnota, is een deel van het plangebied aangewezen als een gebied met cultuurlandschappelijke waardering 'hoog' en een deel als 'laag'.
Uitsnede cultuurhistorische waarderingskaart met plangebied (blauwe omkadering) In hoeverre een ruimtelijke ontwikkeling afbreuk kan doen aan de cultuurhistorische waarden in een gebied is afhankelijk van: De aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling; De cultuurhistorische waarden in een gebied. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Het plangebied is van oudsher landbouwgrond. Begin jaren ’70 heeft op het terrein ontgronding plaatsgevonden. De ontgronding is uitgevoerd door Boesewinkel B.V. (zie bron 6D uit Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek). De onderzijde van de ontgronding lag op circa 14 à 15 m -mv. Het zand uit de ontgronding is gebruikt bij de reconstructie van de Graafseweg. Na ontgraving is de zandwinput aangevuld met zand en klei tot circa 2 m-mv. De herkomst hiervan is onbekend. Van 0,5 tot 2,0 m -mv is de ontgronding aangevuld met onder andere zand, beton en puin. Daarna is een afdeklaag aangebracht. Dit betekent dat er geen archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn.
42
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Deze conclusie wordt bevestigd in het selectiebesluit van de gemeente Wijchen. Het selectiebesluit is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd. Dit betekent dat de archeologische dubbelbestemming in het plangebied niet gehandhaafd hoeft te worden. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Het plangebied behoort tot een oud bebouwingslint, aan weerszijden waarvan een zone van 60 m een hoge waardering is toegekend. In het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' heeft de gemeente Wijchen vastgelegd dat cultuurhistorisch waardevolle gebieden bestaan uit: de mate van visueel-ruimtelijke relatie met de (agrarische) percelen en het onderscheid daarin tussen de verschillende landschapstypen (open, half-open of gesloten); de overwegend agrarische oorsprong van de bebouwing in de linten; de maat en schaal van de bebouwing; de variatie van rooilijnen en bouwmassa's langs de linten; de compactheid van de bebouwingsensembles op de afzonderlijke percelen; hoofdgebouwen die gericht zijn op de bebouwingslinten; een herkenbaar onderscheid in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen. De beoogde realisatie van vier vrijstaande woningen betreft een woningbouwontwikkeling die landschappelijk goed is ingepast.
Het gaat om vier vrijstaande woningen op relatief ruime kavels, waardoor zichtlijnen naar het achterliggende landschap behouden blijven. De bebouwing is gericht op de Graafseweg en wordt in aansluiting op de omliggende bebouwing in de eerste bebouwingslijn gerealiseerd. In het plangebied zijn geen monumentale panden aanwezig zoals vastgelegd door Rijk, provincie of gemeente. Ook in de nabije omgeving zijn geen (Rijks)monumenten die aangetast worden door het planvoornemen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.11
Leidingen
4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen. Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.12
Duurzaamheid
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
De gemeente Wijchen heeft de ambitie om energieneutraal te zijn in 2040. De ontwikkeling van de vier nieuwe woningen in het plangebied speelt daar nadrukkelijk op in door duurzaam gebouwde, energieneutrale woningen te realiseren die voldoen aan de opgestelde BENG-eisen. Deze ambitie wordt onder andere gerealiseerd door: NOM-woningen te realiseren (dit komt overeen met een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van circa -0,4 of lager); een NOM-woning heeft per saldo een gemiddeld totaal energieverbruik van nul door slim gebruik te maken van energiebesparende en energieopwekkende voorzieningen zoals zonnepanelen, warmtepompen en/of zonneboilers. In de nieuwe woningen wordt dit mede gerealiseerd door een WTW ventilatiesysteem, zonnepanelen en een bodemwarmtepomp die via de vloerverwarming kan verwarmen. Een dergelijke warmtepomp heeft een hogere levensduur en kan naast verwarmen ook op een energievriendelijke wijze koelen. Hierdoor zal zowel de huidige alsmede de toekomstige behoefte aan elektriciteit duurzaam en lokaal kunnen worden opgewekt; Energie neutrale woningen te realiseren, waarbij geen energie van buiten afgenomen hoeft te worden, omdat de woningen optimaal worden geïsoleerd. Tevens zorgen zonnepanelen, energiebesparende LED verlichting op sensoren, waterbesparende kranen en energiezuinige apparaten voor een laag stroomverbruik.
Daarnaast wordt in het kader van een vitale duurzame omgeving voorzien in: natuurinclusief bouwen; dit betekent dat natuurvoorzieningen worden geïntegreerd in de nieuw te bouwen woningen. Het gaat hierbij om het inbouwen van neststenen voor vogels in de gebouwen en het voorzien van de platte daken van aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen van een sedum dakbedekking. Bovendien bufferen groene daken ook regenwater, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan het voorkomen van het overbelast raken van het riool bij hevige regenbuien. meer biodiversiteit; om meer biodiversiteit te creëren wordt de inrichting van het deel van het plangebied buiten de bestemming 'Wonen' voorzien van een stevige landschappelijke inpassing. Deze aanpassing beslaat meer dan de helft van het plangebied. Dit wordt vormgeven met diverse soorten inheemse beplanting in de vorm van hagen, een hoogstamfruitboomgaard, een voedselbos en kruidenrijk grasland; alle woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Dit betekent dat er ook op de begane grond ruimte is ingeruimd voor een slaapkamer en een badkamer; de hemelwaterafvoer van de bebouwing in het plangebied is afgekoppeld van het riool en de afvoer vindt plaats op eigen terrein vai een infiltratiekoffer. De overstort kan ook worden aangesloten op de natuurvijver.
Voor de bouw van de woningen worden onder andere de volgende duurzame materialen toegepast: 1. Gemodificeerd hout voor de gevels en kozijnen als Accoya hout; 2. Urbricks metselsteen; 3. Betonnen of keramische dakpannen; 4. Hennep kalkstenen voor de binnenmuren; 5. Leembouwplaten als aftimmering; 6. ESB Board of Eco Boards als aftimmering; 7. Hout voor de constructie; 8. Sedum dak als dakbedekking.
4.13
Molenbiotoop
Even ten zuidoosten van het plangebied is de molen 'Schoonoord te Alverna’ gelegen, een ronde stenen korenmolen. In de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing danwel beplanting is toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. Hierbij is het begrip 'molenbiotoop' gedefinieerd als 'de omgeving van een molen gelegen binnen een straal van 400 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen'. De provincie Gelderland heeft in 2009 een onderzoek laten uitvoeren naar biotopen van molens in Gelderland, de “Molenbiotoopinventarisatie Gelderland 2009”, waarin ook de biotoop van onderhavige molen is onderzocht en hieruit blijkt dat de molenbiotoop op dit moment als 'slecht' is aan te merken.
44
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
De bouwregels met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken zijn afgestemd op de algemeen gangbare molenbiotoopformule (www.molenbiotoop.nl), De molenbiotoopformule luidt als volgt: H(x) = X/n + c * z waarin: H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters). De toelaatbare hoogte wordt gemeten vanaf het waterpasniveau van de begane grond of het maaiveld van de molen; X = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied. c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2, zijnde de constante behorend bij een algemeen aanvaardbaar geachte windsnelheidsreductie tot 95 %; z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling) Binnen een afstand van 100 m vanaf het middelpunt van de molen mogen er zich geen obstakels bevinden met een bouwhoogte die hoger is dan het onderste punt van de verticaal staande wiek. De maximum bouwhoogte wordt gerelateerd aan de begane grond van de molen.
Voor zover ter plaatse van een op te richten bouwwerk het maaiveld hoger respectievelijk lager is gelegen, dient de afstand van het maaiveld tot het onderste punt van de verticaal staande wiek in de maximale hoogte te worden verdisconteerd. Het maaiveld ter plaatse van de molen is 11,2 m + NAP.
4.13.1 Doorvertaling bestemmingsplan De woningen bevinden zich op minimaal 350 m afstand vanaf het middelpunt van de molen. Dit betekent op basis van de biotoopformule dat de maximum bouwhoogte 350/50 + 0,2 * (12,2 + 2,8) = circa 10,0 m bedraagt. Het maaiveld ter hoogte van het nieuwe gebouw is op basis van de AHN circa 8,6 m + NAP. Dit betekent dat het maaiveld ter hoogte van het nieuwe gebouw circa 11,2 - 8,6 = 2,6 m lager is dan daar waar de belt van de molen zich bevindt. Per saldo bedraagt de maximum bouwhoogte ter plaatse van het nieuwe woongebouw daarmee 10,0 + 2,6 = 12,6 m ten opzichte van de maaiveld hoogte aan de zijde van de Graafseweg. Omdat de maximum bouwhoogte voor het woongebouw 10,0 m bedraagt en er qua soorten beplanting is gekozen voor soorten die maximaal 12 m hoog worden, wordt er geen afbreuk gedaan aan de molenbiotoop van de molen 'Schoonoord te Alverna'.
4.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.14.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
46
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
4.14.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie met maximaal vier wooneenheden toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere (recente) bestemmingsplannen van de gemeente Wijchen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.
5.2
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
48
bestemmingsplan "Oosterweg 279 Wijchen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Oosterweg 279 Wijchen
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
5.3.2
Bestemmingen
In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Artikel 3 Agrarisch met waarden - 1 Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschapstypen, de aardkundige, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, met bijbehorende tuin- en erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages en water. Omdat ter plaatse niet is voorzien in een bouwvlak, zijn er geen mogelijkheden om bebouwing op te richten. Artikel 5 Wonen - 1 Deze gronden zijn bestemd voor wonen en de uitoefening van een beroep aan huis. Voor de bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen: per bestemmingsvlak zijn maximaal twee vrijstaande woningen toegestaan, binnen de aangegeven bouwvlakken (twee woningen per bouwvlak). Bijgebouwen: vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen mogen binnen het bestemmingsvlak worden gerealiseerd. De maximum oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 120 m2 per woning. Onder de bestemming valt op grond van jurisprudentie ook het aan huis verbonden beroep.