Notitie ecologie planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen - bijlage V
Tekst van het document
20 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.1 Beoordeling Natura 2000 - overige effecten voor 120 m windturbines op kaart
Afbeelding 4.2 Beoordeling Natura 2000 - overige effecten voor 166 m windturbines op kaart
21 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Zonnevelden Het zoekgebied voor zonnevelden binnen het alternatief Natuur ligt geheel buiten Natura 2000-gebied, maar op enkele plekken wel binnen een zone van 1,5 km van Natura 2000 waardoor het effect op dit criterium als licht negatief (0/-) wordt beoordeeld. Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied is gelegen binnen Natura 2000, en zelfs binnen aangewezen habitattypen van deze gebieden. Deze krijgen daarom een sterk negatieve beoordeling (--). Voor de overige gebieden geldt ten aanzien van de ontwikkeling van zonnevelden een neutrale (0) beoordeling. Hierbij is eveneens nader onderzoek nodig bij concrete projecten. De beoordeling is visueel weergegeven op afbeelding 4.3.
Afbeelding 4.3 Beoordeling Natura 2000 - overige effecten voor zonnevelden op kaart
Overzicht effectbeoordeling Onderstaande tabel geeft een overzicht van de eindbeoordeling per alternatief voor dit criterium (meest negatieve oordeel is bepalend). Voor een overzicht van de beoordeling per (deel)zoekgebied wordt verwezen naar de kaarten in bijlage II.
22 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Tabel 4.1 Effectbeoordeling voor Natura 2000 120 m windturbines
166 m windturbines
Zonnevelden
Alternatief*
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
effecten op Natura 2000-gebied stikstofdepositie
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
effecten op Natura 2000-gebied - overige effecten
-
--
-
--
-
--
-
--
--
--
0/-
--
* Alternatieven: 1.0 = RES 1.0, LS = Landschap, NA = Natuur, LO = Leefomgeving
4.2
Effectanalyse- en beoordeling effecten op GNN
4.2.1
Effecten GNN
Bij de realisatie van windturbines en/of zonnevelden binnen de grenzen van het GNN, kunnen effecten op de kernkwaliteiten van dit provinciaal natuurgebied optreden. Het gaat dan om effecten zoals verlies van de openheid en rust, afname leefgebied van bepaalde doelsoorten (bijvoorbeeld weidevogels). Windturbines Voor windturbines is geen sprake van een sterk negatieve (--) beoordeling, omdat nader onderzoek nodig is om te bepalen wat de kernkwaliteiten zijn van het GNN. Hiermee kan bepaald worden of voldaan kan worden aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening. Voor ligging binnen GNN geldt een negatieve (-) beoordeling, omdat de kernkwaliteiten mogelijk worden aangetast. Voor het plaatsen van windturbines in verkenningsgebieden voor windenergie in het GNN dient het oppervlak van natuur dat verloren gaat voor 200 % gecompenseerd te worden. Deze gebieden zijn beoordeeld als licht negatief (0/-) voor windturbines. Dit geldt ook voor een zone van 1,5 km rond GNN gebied, in verband met de externe werking. Zonnevelden Voor zonnevelden geldt dat het voornaamste effect optreedt als gevolg van ruimtebeslag. Dit valt te mitigeren/compenseren door elders het betreffend GNN-gebied uit te breiden en/of te versterken (kwaliteitsimpuls geven met natuurinrichtingsmaatregelen). Voor zonnevelden geldt een negatieve (-) beoordeling bij ligging binnen GNN.
Een licht negatieve (0/-) beoordeling is van toepassing van ligging in een zone van 1,5 km rond GNN. De overige gebieden zijn voor zonnevelden beoordeeld als neutraal (0) voor dit criterium.
4.2.2
Beoordeling alternatieven
Onderstaand is per type energietechniek (windturbines en zonnevelden) op kaart (afbeelding 4.4, 4.5 en 4.6) aangegeven welke deelgebieden binnen het plangebied een sterk negatieve (--), negatieve (-) dan wel een neutrale (0) beoordeling krijgen voor het criterium effecten op GNN. In bijlage II zijn de verschillende alternatieven op deze beoordelingskaarten geprojecteerd. Windturbines Binnen het alternatief Natuur zijn de zoekgebieden voor windturbines allen buiten GNN gelegen, waardoor directe effecten op de kernkwaliteiten niet aan de orde zijn. Voor dit alternatief geldt voor beide
23 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
windturbinetypen (120 m en 166 m) een licht negatieve (0/-) beoordeling, gezien de ligging binnen 1,5 km rond GNN. Het alternatief RES 1.0 kent zoekgebieden binnen GNN. Het gaat echter enkel om zoekgebieden gelegen binnen verkenningsgebied voor windturbines. De effecten op de kernkwaliteiten van het GNN worden hier op voorhand als beperkt ingeschat. Voor dit alternatief geldt de beoordeling negatief (0/-). Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied voor windturbines is gelegen binnen GNN, buiten het verkenningsgebied voor windturbines. Deze krijgen daarom de beoordeling negatief (-), omdat aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN ook met toepassing van mitigerende maatregelen niet op voorhand is uit te sluiten.
Afbeelding 4.4 Beoordeling effecten op GNN-gebieden voor 120 m windturbines op kaart
24 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.5 Beoordeling effecten op GNN-gebieden voor 166 m windturbines op kaart
Zonnevelden Het zoekgebied voor zonnevelden binnen het alternatief Natuur ligt geheel buiten GNN, maar binnen een zone van 1,5 km rond GNN, waardoor het effect op dit criterium als licht negatief (0/-) wordt beoordeeld. Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied is gelegen binnen GNN. Deze krijgen daarom een negatieve beoordeling (-). De beoordeling is visueel weergegeven op afbeelding 4.6. Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied is gelegen binnen GNN. Deze krijgen daarom een negatieve beoordeling (-).
25 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.6 Beoordeling effecten op GNN-gebieden voor zonnevelden op kaart
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de eindbeoordeling per alternatief voor dit criterium (meest negatieve oordeel is bepalend). Voor een overzicht van de beoordeling per (deel)zoekgebied wordt verwezen naar de kaarten in bijlage II.
Tabel 4.2 Effectbeoordeling voor criterium GNN (incl. EVZ’s) 120 m windturbines
166 m windturbines
Zonnevelden
Alternatief*
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
effecten op GNNgebieden
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
-
-
0/-
-
* Alternatieven: 1.0 = RES 1.0, LS = Landschap, NA = Natuur, LO = Leefomgeving
4.3
Effectanalyse- en beoordeling effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden)
4.3.1
Effecten GO (inclusief EVZ ganzenrustgebieden)
Bij realisatie van een windturbines en/of zonnevelden binnen de grenzen van de GO, kunnen effecten op de kernkwaliteiten van dit GO optreden. Door het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen zijn negatieve effecten weliswaar veelal te voorkomen. Zo is het van belang dat bij de realisatie van windturbines, er voldoende onverstoord rust- en foerageergebied voor doelsoorten (bijvoorbeeld ganzen) resteert en/of wordt teruggebracht. Ook is het bij de realisatie van windturbines belangrijk dat de
26 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
exacte locatie en opstelling zodanig wordt gekozen dat deze minimale impact heeft op de doelsoorten van het GO, zoals rustende ganzen (bijvoorbeeld niet in aanvliegroute). Over het algemeen geldt dat alternatieven met windturbines en/of zonnevelden binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied), mits het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen, haalbaar zijn. Deze alternatieven krijgen de beoordeling licht negatief (0/-). Op projectniveau dient nader onderzocht te worden of voldaan kan worden aan de voorwaarden zoals benoemd in hoofdstuk 3.
4.3.2
Beoordeling alternatieven
Onderstaand is per type energietechniek (windturbines en zonnevelden) op kaart (afbeelding 4.7, 4.8 en 4.9) aangegeven welke beoordeling geldt voor het criterium effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden). In bijlage II zijn de verschillende alternatieven op deze beoordelingskaarten geprojecteerd. Windturbines Binnen het alternatief Natuur zijn de zoekgebieden voor windturbines allen buiten GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) gelegen, waardoor effecten op de kernkwaliteiten niet aan de orde zijn. Voor beide windturbinetypen (120 m en 166 m) geldt de beoordeling neutraal (0). Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied voor windturbines is gelegen binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden). Door het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen zijn negatieve effecten veelal te voorkomen. Zo is het van belang dat bij de realisatie van windturbines, er voldoende onverstoord rust- en foerageergebied voor doelsoorten (bijvoorbeeld ganzen) resteert en/of wordt teruggebracht. Ook is het bij de realisatie van windturbines belangrijk dat de exacte locatie en opstelling zodanig wordt gekozen dat deze minimale impact heeft op de doelsoorten van de GO, zoals rustende ganzen (bijvoorbeeld niet in aanvliegroute).
Over het algemeen geldt dat alternatieven met windturbines en/of zonnevelden binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied), mits het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen, haalbaar zijn. Deze krijgen daarom een licht negatieve (0/-) beoordeling.
27 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.7 Beoordeling effecten op GO - voor 120 m windturbines op kaart
Afbeelding 4.8 Beoordeling effecten op GO - voor 166 m windturbines op kaart
28 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Zonnevelden Het zoekgebied voor zonnevelden binnen het alternatief Natuur ligt geheel buiten GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden), waardoor het effect op dit criterium als neutraal (0) wordt beoordeeld. Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied is gelegen binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden). Deze krijgen daarom een negatieve beoordeling (-).
Afbeelding 4.9 Beoordeling effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) - voor zonnevelden op kaart
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de eindbeoordeling per alternatief voor dit criterium (meest negatieve oordeel is bepalend). Voor een overzicht van de beoordeling per (deel)zoekgebied wordt verwezen naar de kaarten in bijlage II.
Tabel 4.3 Effectbeoordeling voor criterium GO (inclusief EVZ’s en ganzenrustgebied) 120 m windturbines
166 m windturbines
Zonnevelden
Alternatief*
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
Effect GO (inclusief EVZ ganzenrustgebieden)
0/-
0/-
0
0/-
0/-
0/-
0
0/-
0/-
0/-
0
0/-
* Alternatieven: 1.0 = RES 1.0, LS = Landschap, NA = Natuur, LO = Leefomgeving
29 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
4.4
Effectanalyse- en beoordeling beschermde soorten
4.4.1
Effecten windturbines
Bij de realisatie van windturbines, zijn vogels en vleermuizen de belangrijkste risicosoorten. Effecten treden met name op tijdens de gebruiksfase doordat de draaiende rotorbladen aanvaringsslachtoffers veroorzaken onder vogels en vleermuizen en een verstorende werking kunnen hebben op vogels (door onder andere geluid en slagschaduw). Effecten op vogels Windturbines kunnen negatieve gevolgen hebben voor vogels. Er is kans op directe sterfte door aanvaring met de rotorbladen of de mast. Daarnaast kunnen de windturbines de leefgebieden van vogels verstoren. Op basis van deze kaart is te zien dat het relatieve risico voor vogels in het plangebied schommelt tussen 4 % en 65 % van het landelijk risico. Het risico voor vogels binnen het plangebied is relatief hoog (bovengemiddeld voor de regio, namelijk > 36%) in het oosten van de regio, in de zone langs de Waal en de Nederrijn. De haalbaarheid voor de realisatie van windturbines wordt in deze hoog-risico zones (relatief risico > 36%) laag ingeschat. De verwachting is zelfs met het nemen van maatregelen, negatieve effecten op de lokale populaties niet voldoende zijn te mitigeren. Effecten op vleermuizen Het risico op aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen is afhankelijk van de soort vleermuis en de locatie en opstelling (zoals het windturbinetype, grootte en het aantal) van de windturbines.
De hoogste risico’s voor aanvaring onder vleermuizen, en dus hoogste risico’s voor overtreding Wnb, zijn te verwachten rond natuurgebieden (Natura 2000, GNN/GO) en structuren in het landschap die een vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen vormen. Denk daarbij aan bomenrijen en hagen, bossen en bosranden, waterlopen en oevers, en de kustzone [lit. 5]. In reviewstudies geeft men vaak de algemene aanbeveling om uit voorzorg een afstand van ongeveer 200 m te vrijwaren rond deze zones waar regelmatig relatief veel vleermuizen aanwezig zijn (vliegroutes/foerageergebied) [lit. 6,7,8,9]. Bij de realisatie van windturbines binnen deze 200 m zone zijn negatieve effecten, ook mits het nemen van maatregelen, naar verwachting niet voldoende te mitigeren om aantasting van de lokale populatie te voorkomen.
4.4.2
Effecten zonnevelden
Bij de realisatie van zonnevelden zijn de grootste effecten te verwachten voor vogels. Dit is dan ook de belangrijkste risicogroep voor dit type projecten. Aanleg van zonnevelden of het plaatsen van zonnepanelen kan de betreffende locatie geheel of gedeeltelijk ongeschikt maken als leefgebied voor vogels. Het gaat om verlies en aantasting van foerageer-, broed-, rust- en slaapplaatsen op land en water. Dit risico is het hoogst in belangrijke vogelgebieden, zoals Natura 2000 Vogelrichtlijngebieden, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden (zie ook beoordeling van deze natuurgebieden in voorgaande paragrafen). Effecten op de lokale populatie zijn echter veelal te mitigeren (bijvoorbeeld opstelling en locatie afstemmen op belangrijke vogelgebieden) en/of te compenseren (bijvoorbeeld uitbreiden of kwaliteitsimpuls geven leefgebied elders).
4.4.3
Beoordeling alternatieven
Onderstaand is per type energietechniek (windturbines en zonenvelden) op kaart (afbeelding 4.10, 4.11 en 4.12) aangegeven welke deelgebieden binnen het plangebied welke beoordeling krijgen voor het criterium effecten op beschermde soorten (vogels en vleermuizen). In bijlage II zijn de verschillende alternatieven op deze beoordelingskaarten geprojecteerd.
30 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Windturbines Voor alle alternatieven voor windturbines geldt dat er sprake is van een aanvaringsrisico. Met de beschikbare informatie is geen eenduidige beoordeling te geven die passend is bij het detail- en schaalniveau van dit planMER. Alle alternatieven zijn daarom licht negatief (0/-) beoordeeld. Door deze beoordeling wordt voorkomen dat gebieden middels dit planMER mogelijk ten onrechte worden aangemerkt als niet geschikt voor windturbines. Bovendien wordt op deze manier recht gedaan aan het feit dat negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten bij de ontwikkeling van windturbines. Hierbij geldt wel de algemene opmerking dat meer vleermuizen zijn te verwachten rond natuurgebieden (Natura 2000, GNN/GO) en structuren in het landschap die een vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen vormen. Bij de realisatie van windturbines binnen 200 m van bijvoorbeeld bomenrijen, hagen, bossen, bosranden, waterlopen en oevers is de kans op negatieve effecten dus groter. Een neutrale (0) beoordeling is niet van toepassing in dit planMER omdat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten door de ontwikkeling van windturbines.
Afbeelding 4.10 Beoordeling effecten op beschermde soorten (vogels en vleermuizen) voor 120 m windturbines op kaart
31 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.11 Beoordeling effecten op beschermde soorten (vogels en vleermuizen) voor 166 m windturbines op kaart
Zonnevelden Bij de realisatie van zonnevelden zijn de grootste effecten te verwachten voor vogels. Dit is dan ook de belangrijkste risicogroep voor dit type projecten. Natuurgebieden met waarden voor vogels krijgen daarom de een licht negatieve (0/-) beoordeling. In alle overige gebieden zijn geen noemenswaardige effecten van zonnevelden op vogelpopulaties te verwachten. Het zoekgebied voor zonnevelden binnen het alternatief Natuur ligt geheel buiten belangrijke vogelgebieden, waardoor het effect ten aanzien van vogels als neutraal (0) wordt beoordeeld. Voor alle overige alternatieven geldt dat minstens een deel van het zoekgebied is gelegen binnen een voor vogels belangrijk gebied. Deze krijgen daarom een licht negatieve (0/-) beoordeling.
32 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Afbeelding 4.12 Beoordeling effecten op beschermde soorten (vogels en vleermuizen) voor zonnevelden op kaart
Onderstaande tabel 4.4 geeft een overzicht van de eindbeoordeling per alternatief voor dit criterium (meest negatieve oordeel is bepalend). Voor een overzicht van de beoordeling per (deel)zoekgebied wordt verwezen naar de kaarten in bijlage II.
Tabel 4.4 Effectbeoordeling voor criterium Wnb beschermde soorten (vogels, vleermuizen) 120 m windturbines
166 m windturbines
Zonnevelden
Alternatief*
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
Effect Wnb soorten (vogels en vleermuizen)
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0
0/-
* Alternatieven: 1.0 = RES 1.0, LS = Landschap, NA = Natuur, LO = Leefomgeving
33 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
4.5
Samenvatting effectanalyse en -beoordeling natuur
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de effectanalyse voor de verschillende alternatieven voor wind- en zonne-energie binnen het plangebied. Op basis hiervan is te zien dat het alternatief natuur het beste scoort op de ecologische criteria. Verder scoort ook het alternatief RES 1.0 relatief goed. Er is geen onderscheidend verschil tussen de reguliere windturbines (120 m) en de innovatieve windturbines (166 m). Wel is te zien dat de zonneveld variant onder alle alternatieven beter scoort dan de windturbinevariant. Let wel: de beoordeling is gedaan op niveau van de alternatieven, waarbij voor elk alternatief de meest negatieve beoordeling van een (deel)zoekgebied is toegekend. Dit geeft een worst-case inschatting voor elk alternatief. Een groot deel van het zoekgebied bevindt zich vaak binnen een zone met een minder negatieve beoordeling. Naast de tabel is het daarom van belang ook de achterliggende effectbeoordelingskaarten te bekijken (zie bijlage II). Deze geven weer binnen welke (deel)zoekgebieden de effectbeoordeling geldt.
Tabel 4.5 Overzicht effectbeoordeling 120 m windturbines
166 m windturbines
Zonnevelden
Alternatief*
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
1.0
LS
NA
LO
effecten op Natura 2000-gebied stikstofdepositie
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
effecten op Natura 2000-gebied - overige effecten
-
--
-
--
-
--
-
--
--
--
0/-
--
effecten op GNNgebieden
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
-
-
0/-
-
effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden)
0/-
0/-
0
0/-
0/-
0/-
0
0/-
0/-
0/-
0
0/-
effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0
0/-
* Alternatieven: 1.0 = RES 1.0, LS = Landschap, NA = Natuur, LO = Leefomgeving
4.6
Cumulatieve effecten
Een belangrijk punt is cumulatie van effecten. Behalve het realiseren van de aanvullende doelstellingen volgend vanuit de RES GMR Arnhem-Nijmegen, spelen in de regio reeds meerdere grootschalige duurzame energie initiatieven. Deze initiatieven kunnen tezamen een cumulatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in de omgeving. Zo is de stikstofdepositie afkomstig van één zonneveld of windpark in het kader van het RES naar verwachting dermate beperkt dat negatieve gevolgen voor de nabijgelegen habitattypen/leefgebieden in principe niet optreden. Wanneer echter tegelijkertijd een ander initiatief ook leidt tot stikstofdepositie op dezelfde habitattypen/leefgebieden, dan kan het gecombineerd effect van beide deposities wel leiden tot negatieve gevolgen voor één of meerdere van deze habitattypen/leefgebieden. Eenzelfde redenering geldt voor het verstorend effect op aangewezen en beschermde soorten. Het is dan ook van belang dat de reeds vergunde/geplande projecten met ecologische effecten in dezelfde omgeving/op dezelfde soorten (voornamelijk andere windparkinitiatieven en/of initiatieven met een hoge depositie in de projectomgeving) worden meegenomen in de uiteindelijke ecologische beoordeling van een concreet initiatief.
34 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
Gegevens betreffend de reeds vergunde/geplande projecten in de regio waarmee gecumuleerd dient te worden, zijn in deze planMER fase nog niet bekend. In een vervolgfase van een initiatief, zodra een voorkeursalternatief is gekozen, dienen bij de beoordeling op projectniveau wel de relevante vergunde/geplande initiatieven in de omgeving te worden meegenomen waarbij dit cumulatief effect in rekening wordt gebracht.
5
VERVOLGSTAPPEN, AANBEVELINGEN EN LEEMTEN IN KENNIS
Voorliggende ecologische toetsing in het kader van het planMER betreft een toetsing op hoofdlijnen. Nog niet alle ecologisch relevante data zijn in deze fase betrokken en/of bekend. Zo is in deze fase nog geen kennis over de stikstofdeposities die gepaard gaan met het voornemen, de exacte verstoringsvorm en contour van het voornemen, de beschermde soorten (vogels en vleermuizen, maar ook overige soorten) die voorkomen binnen het plangebied van het voornemen, et cetera. Deze informatie is wel relevant om uiteindelijk tot een vergunbaar project te komen. In een vervolgfase van het project zijn daarom nog een aantal vervolgonderzoeken en/of vervolgstappen nodig: 1 Nader soortgericht veldonderzoek Naast voorliggende globale toetsing van het voornemen op planMER niveau, is in een latere fase (wanneer het voorkeursalternatief bekend is) voor de realisatie van een zonne- of windpark ook een toetsing op projectniveau noodzakelijk. Hierbij wordt voor de gekozen variant nader onderzocht welke beschermde gebieden en soorten (kunnen) voorkomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Hiervoor is nader soortgericht veldonderzoek nodig (bijvoorbeeld habitatscan, vogel en vleermuistellingen). 2 Onderzoek stikstofdepositie Stikstofberekening zijn in de planMER fase nog niet uitgevoerd.
In een latere fase, op projectniveau, dienen AERIUS-berekeningen uitgevoerd te worden met de meest recente versie van AERIUS voor zowel de aanlegals en gebruiksfase, om de precieze gevolgen van stikstof door het gekozen alternatief inzichtelijk te maken. Vervolgens kan beoordeeld worden wat de werkelijke milieueffecten zijn als gevolg van stikstofemissies. Op basis hiervan kunnen zo nodig gepaste maatregelen worden voorgesteld (denk aan aangepaste werkwijze en materieel). 3 Beoordeling cumulatieve effecten Gegevens betreffende de reeds vergunde/geplande projecten in de regio waarmee gecumuleerd dient te worden, zijn in de planMER fase nog niet bekend. In een vervolgfase van het project, zodra een voorkeursalternatief is gekozen, dienen bij de beoordeling op projectniveau wel de relevante vergunde/geplande initiatieven in de omgeving te worden meegenomen waarbij dit cumulatief effect in rekening wordt gebracht. De beoordeling voor de verschillende ecologische criteria dient hier zo nodig op te worden aangepast. 4 Juridische vervolgstappen Uit het nader onderzoek op projectniveau (zie punt 1 tot en met 3) moet blijken of het project werkelijk haalbaar is en welke juridische vervolgstappen nodig zijn.
Afhankelijk van de uiteindelijke locatiekeuze zijn in het kader van het natuurbeleid mogelijk een aantal vervolgstappen nodig: - vergunning Wnb ten aanzien van stikstofdepositie - bij stikstofdepositie binnen hiervoor gevoelige Natura 2000 habitattypen/leefgebieden); - natuurversterkingsplan als onderdeel bestemmingsplan (compensatieplan) - bij ruimtebeslag binnen GNN/GO; - activiteitenplan (mitigatie- en compensatieplan) en Ontheffing Wnb ten aanzien van vogels en vleermuizen en mogelijk ook voor andere soorten - nader soortgericht onderzoek moet uitwijzen voor welke soorten/functies/aantallen en welke verstoringseffecten.
35 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
6 1 2 3
4
5 6 7
8 9
LITERATUUR Sierdsema H., Foppen R., van Els P., Kampichler C. & Stahl J. 2021. Achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels. Sovon-rapport 2021/09. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sovon (2021). Gevoeligheidskaart vogels, https://stats.sovon.nl/pub/publicatie/18101, geraadpleegd op 01-02-2023. E. Klop, J. Stahl, H. Sierdsema, P. Alefs, J. Latour 2020. Windenergie op en rondom de Veluwe. Effecten op Wespendief en andere soorten. A&W-rapport 20-140 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwalden. Nolet, B.A., J.M. Baveco & H. Kuipers, 2009. Evaluatie opvangbeleid 2005-2008 overwinterende ganzen en smienten. Deelrapport 2. Een model¬berekening van de capaciteit van opvanggebieden voor overwinterende ganzen en smienten. Alterra, Wageningen. Eurobats Advisory Committee (2005), https://www.eurobats.org/official_documents/advisory_committee/10th_meeting_advisory_committee. Winkelman J.E., Kistenkas F.H. & Epe MJ. (2008). Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Alterra rapport 1780. Wageningen. Rodrigues L., Bach L., Dubourg-Savage M-J., Goodwin J. & Harbusch C. (2008). Guidelines for conservation of bats in wind farm projects. EUROBATS Publication Series No.3. UNEP EUROBATS Secretariat, Bonn, Germany. Natural Engeland (2009a). Bats and onshore wind turbines - Interim guidance. Technical Information Note TIN051.
Hundt L., ed. (2012). Surveying proposed onshore wind turbine developments. Chapter 10 in: Bat Surveys, Good Practice Guidelines, 2nd edition. Bat Conservation Trust.
36 | 36
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief
I BIJLAGE: KENSCHETS EN IHD VAN RELEVANTE NATURA 2000-GEBIEDEN I.1
De Bruuk
De Bruuk is een Habitatrichtlijngebied. Het is een moerasgebied in het bekken van Groesbeek, dat wordt gevoed door kwelwater. Het is een voorbeeld van het zogenaamde meden- of madenlandschap, dat wordt gekenmerkt door een kleinschalige afwisseling van hooimoerassen, struwelen, houtwallen en natte bossen. De hooimoerassen zijn deels voorbeelden van het blauwgrasland, deels van het veldrusschraalland. Het gebied is aangewezen voor zes habitattypen:
Tabel I.1 Aangewezen habitattypen Habitattype
Habitatsubtype
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
H6230 - Heischrale graslanden
definitief
=
=
C
5.05, W
H6410 - Blauwgraslanden
definitief
>
>
B2
5.05, W
H6430A - Ruigten en zomen
moerasspirea
definitief
=
=
C
H7140A - Overgangs- en trilvenen
trilvenen
definitief
=
=
C
definitief
=
=
C
definitief
=
>
C
H7230 - Kalkmoerassen H91E0C - Vochtige alluviale bossen
I.2
beekbegeleidende bossen
Kernopgave
Rijntakken
Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied en omvat 4 deelgebieden: - Uiterwaarden IJssel; - Uiterwaarden Neder-Rijn; - Gelderse Poort; - Waal. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder- Rijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hoog gelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor.
De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar: - de natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden; - de laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden; - de Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen. Het gebied Rijntakken is aangewezen voor 14 habitattypen, 11 habitatsoorten, 12 broedvogels en 30 nietbroedvogels:
Tabel I.2 Aangewezen habitattypen Habitattype
Habitatsubtype
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
definitief
>
>
C
3.06
definitief
>
=
B
3.02,W
H3270 - Slikkige rivieroevers
definitief
>
>
H6120* Stroomdalgraslanden
definitief
>
>
A3
H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3260B - Beken en rivieren met waterplanten
grote fonteinkruiden
Kernopgave
3.04,W 3.13,SG
H6430A - Ruigten en zomen
moeraspirea
definitief
=
=
C
H6430B - Ruigten en zomen
harig wilgenroosje
definitief
=
=
C
H6430C - Ruigten en zomen
droge bosranden
definitief
>
>
C
H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
glanshaver
definitief
>
>
A1
3.13,SG
H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
grote vossenstaart
definitief
>
>
C
3.09,W
definitief
>
>
C
H9120 - Beukeneikenbossen met hulst H91E0A* - Vochtige alluviale bossen
zachthoutooibossen
definitief
=
>
B2
3.07,W
H91E0B* - Vochtige alluviale bossen
essen-iepenbossen
definitief
>
>
V2
3.07,W
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleidende bossen
definitief
=
=
B1
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Habitattype
Habitatsubtype
H91F0 - Droge hardhoutooibossen
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
definitief
>
>
A3
Kernopgave 3.14
Tabel I.3 Aangewezen habitatsoorten Soort
Status doel
Populatie
Omvang leefgebied
kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
H1095 - Zeeprik
Definitief
>
>
>
C
H1099 Rivierprik
Definitief
>
>
>
C
H1102 - Elft
Definitief
>
=
=
C
H1106 - Zalm
Definitief
>
=
=
C
H1134 Bittervoorn
Definitief
=
=
=
C
H1145 - Grote modderkruiper
Definitief
>
>
>
H1149 - Kleine modderkruiper
Definitief
=
=
=
H1163 Rivierdonderpad
Definitief
=
=
=
H1166 Kamsalamander
Definitief
>
>
>
H1318 Meervleermuis
Definitief
=
=
=
C
H1337 - Bever
Definitief
>
=
>
A1
H1355 - Otter
Aanmelding
Kernopgaven
Tabel I.4 Aangewezen broedvogels Soort
Status doel
Aantal broedparen
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
A004 - Dodaars
definitief
45
=
=
C
A017 - Aalscholver
definitief
660
=
=
C
A021 - Roerdomp
definitief
20
>
>
B1
A022 - Woudaap
definitief
20
>
>
B2
A119 Porseleinhoen
definitief
40
>
>
B1
3.12,W
A122 Kwartelkoning
definitief
160
>
>
B2
3.12,W
A153 - Watersnip
definitief
17
=
=
C
A197 - Zwarte stern
definitief
240
=
=
B1
A229 - IJsvogel
definitief
25
=
=
C
A249 Oeverzwaluw
definitief
680
=
=
B1
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Kernopgaven
3.08,SG,SB,W
3.06
Soort
Status doel
Aantal broedparen
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
A272 - Blauwborst
definitief
95
=
=
C
A298 - Grote karekiet
definitief
70
>
>
B1
Kernopgaven
3.08,SG,SB,W
Tabel I.5 Aangewezen niet-broedvogels Soort
Status doel
Populatie
Populatie waarde
Instandhoudings doelstelling
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
A005 - Fuut
definitief
570
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
B1
A017 Aalscholver
definitief
1300
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
B1
A037 Kleine zwaan
definitief
100
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
C
3.10
A038 Wilde zwaan
definitief
30
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
B2
3.10
A041 Kolgans
definitief
180100
maximum
Slaap- en rustplaats
=
=
A041 Kolgans
definitief
35400
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
A043 Grauwe gans
definitief
21500
maximum
Slaap- en rustplaats
=
=
A043 Grauwe gans
definitief
8300
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
A045 Brandgans
definitief
5200
maximum
Slaap- en rustplaats
=
=
A045 Brandgans
definitief
920
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
A048 Bergeend
definitief
120
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
B2
A050 Smient
definitief
17900
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
B2
3.10; 3.12,W
A051 Krakeend
definitief
340
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A052 Wintertaling
definitief
1100
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A053 Wilde eend
definitief
6100
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A054 Pijlstaart
definitief
130
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A056 Slobeend
definitief
400
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Kernop gaven
3.10 A1
3.10
B2
3.10
Soort
Status doel
Populatie
Populatie waarde
Instandhoudings doelstelling
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
Kernop gaven
A059 Tafeleend
definitief
990
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
B1
3.12,W
A061 Kuifeend
definitief
2300
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A068 Nonnetje
definitief
40
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
B1
3.12,W
A125 Meerkoet
definitief
8100
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
B2
A130 Scholekster
definitief
340
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
C
A140 Goudplevier
definitief
140
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
A142 Kievit
definitief
8100
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
B2
A151 Kemphaan
definitief
1000
maximum
Foerageergebied
=
=
B1
A156 Grutto
definitief
690
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A160 Wulp
definitief
850
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A162 Tureluur
definitief
65
gemiddelde
Slaap- en rustplaats en foerageergebied
=
=
C
3.12,W
A702 Toendrariet gans
definitief
125
gemiddelde
Foerageergebied
=
=
C
A702 Toendrariet gans
definitief
2800
maximum
Slaap- en rustplaats
=
=
I.3
Sint Jansberg
De Sint Jansberg is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het betreft een landgoed op het zuidelijk deel van de Nijmeegse stuwwal dat bestaat uit oude loofbossen, naaldbossen en bronnetjesbossen. Karakteristiek van de stuwwallen zijn de scheefgestelde lagen in de bodem. Bij de slechtdoorlatende lagen treedt het afstromende grondwater uit in de vorm van bron- en kwelzones. In het gebied liggen verschillende brongebieden en veenmoerassen. Aan de voet van het gebied, bij Plasmolen, ligt een moerassige laagte. Er zijn veelal steile hellingen en daardoor scherpe overgangen aanwezig van droog naar zeer nat. Het gebied is aangewezen voor vijf habitattypen en twee habitatsoorten:
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
3.12,W
3.12,W
Tabel I.6 Aangewezen habitattypen Habitattype
Habitatsubtype
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
H7210 Galigaanmoerassen
definitief
=
=
C
H9120 - Beukeneikenbossen met hulst
definitief
=
>
C
definitief
=
>
C
definitief
=
>
C
definitief
=
>
C
H9260A - Eikenhaagbeukenbossen
hoge zandgronden
H91D0 - Hoogveenbossen H91E0C - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleidende bossen
Kernopgave
Tabel I.7 Aangewezen habitatsoorten Soort
Status doel
Populatie
Omvang leefgebied
kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
H1016 - Zeggekorfslak
definitief
=
=
>
C
H1083 Vliegend hert
definitief
>
>
>
I.4
Kernopgaven
6.13
Veluwe
De Veluwe is een Vogel- en Habitatrichtlijngebied dat bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. Het gebied is aangewezen voor 19 habitattypen, 7 habitatsoorten en 10 broedvogels:
Tabel I.8 (sub-)Habitattypen van de Veluwe
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
definitief
>
>
A2
6.08; 6.09
H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
definitief
=
=
B2
6.08; 6.09
H2330 Zandverstuivingen
definitief
>
>
A2
6.08; 6.09; 6.12
Habitattype
Habitatsubtype
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Kernopgave
Status doel
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve bijdrage
H3130 Zwakgebufferde vennen
definitief
=
=
C
H3160 - Zure vennen
definitief
=
>
B1
6.03,W
Habitattype
Habitatsubtype
Kernopgave
H3260A - Beken en rivieren met waterplanten
waterranonkels
definitief
>
>
B
5.01,W
H4010A - Vochtige heiden
hogere zandgronden
definitief
>
>
B2
6.09
H4030 - Droge heiden
definitief
>
>
A2
6.08; 6.09
H5130 Jeneverbesstruwelen
definitief
=
>
B
6.09
H6230* - Heischrale graslanden
definitief
>
>
A2
6.09
H6410 Blauwgraslanden
definitief
>
>
C
H7110B* - Actieve hoogvenen
heideveentjes
definitief
>
>
B2
H7140A Overgangs- en trilvenen
trilvenen
definitief
=
=
C
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
definitief
>
>
A1
H7230 Kalkmoerassen
definitief
=
=
C
H9120 - Beukeneikenbossen met hulst
definitief
>
>
A3
H9190 - Oude eikenbossen
definitief
>
>
A4
H91D0* Hoogveenbossen
definitief
=
=
C
definitief
=
>
B1
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleidende bossen
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
6.04,W
6.13
Tabel I.9 Habitatrichtlijnsoorten Veluwe Soort
Status doel
Populatie
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
H1042 Gevlekte witsnuitlibel
definitief
>
>
>
C
H1083 Vliegend hert
definitief
>
>
>
H1096 Beekprik
definitief
>
>
>
H1163 Rivierdonderpa d
definitief
>
>
=
H1166 Kamsalamander
definitief
=
=
=
H1318 Meervleermuis
definitief
=
=
=
B2
H1831 Drijvende waterweegbree
definitief
=
=
=
C
Kernopgaven
6.13 B2
5.01, W
Tabel I.10 Aangewezen broedvogels Soort
Status doel
Aantal broedparen
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
A072 Wespendief
definitief
100
=
=
A
A224 Nachtzwaluw
definitief
610
=
=
B2
A229 - IJsvogel
definitief
30
=
=
B1
A233 Draaihals
definitief
(her)vestigin g
>
>
A
A236 - Zwarte specht
definitief
400
=
=
A1
A246 Boomleeuwerik
definitief
2400
=
=
A2
A255 Duinpieper
definitief
(her)vestigin g
>
>
A
A276 Roodborsttapui t
definitief
1100
=
=
A1
A277 - Tapuit
definitief
100
>
>
B2
A338 - Grauwe klauwier
definitief
40
>
>
A1
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Kernopgaven
6.08; 6.12
6.08; 6.12
6.08; 6.12
6.08; 6.12
I.5
NSG Emmericher Ward
Het Naturschutzgebiete (NSG) Emmericher Ward betreft een Habitatrichtlijngebied. Het gebied omvat het ongeveer 3,7 km lange deel van de Rijn (oever) op de rechteroever van de Rijn van de jachthaven van Hüthum tot aan de staatsgrens en van de vaargeul tot rond de zomerdijk in het gebied van het natuurgebied Emmericher Ward. De oevergebieden zijn belangrijke groeilocaties voor alluviale bossen van zachthoutwilgen en oeverstruiken. Het gebied is het noordoostelijke deel van het FFH-gebied ‘Rijnvisbeschermingszones tussen Emmerich en Bad Honnef’ en vormt met zijn overwegend onontwikkelde oevers, de vlakke, zanderige (grind)oeverzones, de kalme watergebieden tussen de strekdammen en de stenige strekdammen/stijghoofden een soort springplank voor de Rijn-typische vissoorten. De Rijnstroom zelf is belangrijk voor de aankomst en het vertrek van langeafstandsmigranten en daarmee voor hun bevolking in bovenstroomse zijrivieren. Het gebied is aangewezen voor zeven habitattypen en één habitatsoort:
Tabel I.11 Aangewezen habitattypen Habitattype
Oppervlakte (ha)
H3150 - Natural eutrophic lakes with Magnopotamion or Hydrocharition-type vegetation
3.9018
H3270 - Rivers with muddy banks with Chenopodoin rubric pp and Bidention pp vegetation
1.7459
H6210 - Semi-natural dry grasslands and scrubland facies on calcareous substrates (FestucoBrometalia)
0.0246
H6430 - Hydrophilous tall herb fringe communities of plains and of the montane to alpine levels
0.5796
H6510 - Lowland hay meadows (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
1.5232
H91E0 - Alluvial forests with Alnus glutinosa and Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
11.5194
H91F0 - Riparian mixed forests of Quercus robur, Ulmus laevis a,d Ulmus minor, Fraxinus excelsior or Fraxinus angustifolia, along the great rivers (Ulmenion minoris)
0.9242
Tabel I.12 Aangewezen habitatsoorten Habitatsoort Crested newt (Triturus cristatus)
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
I.6
NSG Salmorth, nur Teilfläche
Het betreft een Habitatrichtlijngebied dat bestaat uit een grootschalig graslandcomplex tussen de Rijn en Griethauser Altrhein met oxbowemeren en hoogwatergeulen. Het is een onderdeel van het vogelreservaat 'Neder Nederrijn' met internationale betekenis als rustplaats voor wilde ganzen. Het gebied is aangewezen voor vijf habitattypen en één habitatsoort:
Tabel I.13 Aangewezen habitattypen Habitattype
Oppervlakte (ha)
H3150 - Natural eutrophic lakes with Magnopotamion or Hydrocharition-type vegetation
13.37
H3270 - Rivers with muddy banks with Chenopodoin rubric pp and Bidention pp vegetation
3.3831
H6510 - Lowland hay meadows (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
26.0781
H91E0 - Alluvial forests with Alnus glutinosa and Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
9.5566
H91F0 - Riparian mixed forests of Quercus robur, Ulmus laevis a,d Ulmus minor, Fraxinus excelsior or Fraxinus angustifolia, along the great rivers (Ulmenion minoris)
11.7693
Tabel I.14 Aangewezen habitatsoorten Habitatsoort Crested newt (Triturus cristatus)
I.7
Rhein-Fischschutzzonen zwischen Emmerich und Bad Honnef
Het gebied betreft een habitatrichtlijngebied en omvat beschermde Rijntrajecten die worden gekenmerkt door ondiepe en kalme waterzones, vooral tussen de strekdammen. De zool is van kiezelzand met een deels organische overlay. In wezen zijn de gebieden tussen de wal en de hoofdvaargeul meegerekend. De meeste van deze Rijntrajecten grenzen aan natuurgebieden. Tot het gebiedslandschap behoren de volgende trajecten, die limnologisch en in het bijzonder voor de visfauna van belang zijn: Gebied BR Keulen Rijn bij Bad Honnef Rijn aan de NSG ‘Siegmündung’ en ‘Herseler Werth’ Rijn aan de Niederkassel Rijn bij de NSG ‘Lülsdorfer Weiden’ en bij de Sürther Aue Rhein in het gebied ‘White Arch’ Rijn bij het natuurreservaat ‘Rheinaue Worringen-Langel’ Gebied BR Düsseldorf Rijn bij het natuurreservaat ‘Urdenbacher Kämpen’. Het gebied is aangewezen voor zeven habitattypen en vier vissoorten:
Tabel I.15 Aangewezen habitattypen Habitattype
Oppervlakte (ha)
H3150 - Natural eutrophic lakes with Magnopotamion or Hydrocharition-type vegetation
0.2261
H3270 - Rivers with muddy banks with Chenopodoin rubric pp and Bidention pp vegetation
94.4081
H6210 - Semi-natural dry grasslands and scrubland facies on calcareous substrates (FestucoBrometalia)
0.3413
H6430 - Hydrophilous tall herb fringe communities of plains and of the montane to alpine levels
0.0506
H6510 - Lowland hay meadows (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
3.6925
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Habitattype
Oppervlakte (ha)
H91E0 - Alluvial forests with Alnus glutinosa and Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
93.6325
H91F0 - Riparian mixed forests of Quercus robur, Ulmus laevis a,d Ulmus minor, Fraxinus excelsior or Fraxinus angustifolia, along the great rivers (Ulmenion minoris)
0.1629
Tabel I.16 Aangewezen habitatsoorten Habitatsoort Allis shad (Alosa alosa) Lampern (Lampetra fluviatilis) Great sea lamprey (Petromyzon marinus) Black salmon (Salmo salar)
I.8
Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein
De Neder-Nederrijn is een door de Rijn gevormd natuurgebied. Het gebied strekt zich uit van de Walsumer Rheinaue in het zuiden tot aan de Nederlandse grens in het noorden. Naast de recente uiterwaarden van de Rijn (dijkvoorland) omvat het ook grote gebieden in de Altaue (dijkachterland) zoals de Düffel. Talrijke waterpartijen en natte weiden zijn kenmerkend - en dit zijn leefgebieden voor vogels die slechts in enkele, meestal kustlandschappen in Duitsland voorkomen. Het belang van het vogelreservaat ligt met name in het grote aantal overwinterende poolganzen . Jaarlijks komen tot wel 200.000 mensen naar de Nederrijn. De meeste hiervan zijn kolganzen, maar ook zwarte ganzen en brandganzen zijn in grotere aantallen aanwezig. Uitgestrekte graslandgebieden en talrijke watermassa’s (backwaters en ontgravingswateren) in combinatie met de meestal milde winters bieden hen goede voorwaarden om het koude seizoen veilig te overleven. Daarnaast heeft het vogelreservaat zeldzame broedvogels zoals Zwarte Stern, kleine plevier, grutto, tureluur, slobeend en waterspuwer zijn in het hele land van bijzonder belang. Het gebied is ook erg belangrijk voor andere soorten rustvogels zoals dwerg- en wilde zwanen, veel eendensoorten en steltlopers. Het gebied is aangewezen voor 48 vogelsoorten:
Tabel I.17 Aangewezen vogelsoorten Code
Wetenschappelijke naam
Engelse naam
Soortgroep
A297
Acrocephalus scirpaceus
Reed Warbler
Birds
A247
Alauda arvensis
Skylark
Birds
A229
Alcedo atthis
Kingfisher
Birds
A054
Anas acuta
Pintail
Birds
A056
Anas clypeata
Shoveler
Birds
A050
Anas penelope
Wigeon
Birds
A055
Anas querquedula
Garganey
Birds
A394
Anser albifrons albifrons
A040
Anser brachyrhynchus
Pink-footed Goose
Birds
A042
Anser erythropus
Lesser White-fronted Goose
Birds
A257
Anthus pratensis
Meadow Pipit
Birds
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Birds
Code
Wetenschappelijke naam
Engelse naam
Soortgroep
A059
Aythya ferina
Pochard
Birds
A688
Botaurus stellaris stellaris
A045
Branta leucopsis
Barnacle Goose
Birds
A067
Bucephala clangula
Goldeneye
Birds
A149
Calidris alpina
Dunlin
Birds
A147
Calidris ferruginea
A197
Chlidonias niger
Black Tern
Birds
A081
Circus aeruginosus
Marsh Harrier
Birds
A122
Crex crex
Corncrake
Birds
A037
Cygnus bewickii
A038
Cygnus cygnus
Whooper Swan
Birds
A099
Falco subbuteo
Hobby
Birds
A153
Gallinago gallinago
Snipe
Birds
A075
Haliaeetus albicilla
White-tailed Eagle
Birds
A176
Larus melanocephalus
Mediterranean Gull
Birds
A271
Luscinia megarhynchos
Nightingale
Birds
A612
Luscinia svecica cyanecula
A152
Lymnocryptes minimus
Jack Snipe
Birds
A068
Mergus albellus
Smew
Birds
A073
Milvus migrans
Black Kite
Birds
A337
Oriolus oriolus
Golden Oriole
Birds
A094
Pandion haliaetus
Osprey
Birds
A151
Philomachus pugnax
Ruff
Birds
A274
Phoenicurus phoenicurus
Redstart
Birds
A140
Pluvialis apricaria
Golden Plover
Birds
A119
Porzana porzana
Spotted Crake
Birds
A249
Riparia riparia
Sand Martin
Birds
A276
Saxicola torquata
Stonechat
Birds
A193
Sterna hirundo
Common Tern
Birds
A397
Tadorna ferruginea
Ruddy Shelduck
Birds
A048
Tadorna tadorna
Shelduck
Birds
A161
Tringa erythropus
Spotted Redshank
Birds
A166
Tringa glareola
Wood Sandpiper
Birds
A164
Tringa nebularia
Greenshank
Birds
A165
Tringa ochropus
Green Sandpiper
Birds
A162
Tringa totanus
Redshank
Birds
A142
Vanellus vanellus
Lapwing
Birds
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Birds
Birds
Birds
Birds
I.9
Wyler Meer
Het Wijlermeer (Duits: Wyler Meer) is een meer, natuur- en recreatiegebied van 25 hectare in de Duffeltstreek, langs de Duits-Nederlandse grens bij Nijmegen. Het Wijlermeer is een oude loop van de Rijn. Aan Nederlandse kant ligt een strand dat populair is bij recreanten. Langs de westkant van het meer loopt de weg Bundesstraße 9, die bij de grensovergang overgaat in de N325 richting Nijmegen. Vanuit Duitsland komt het water via verschillende beken en weteringen vanuit de richting Kranenburg in de Große Wasserung die uitmondt in het Wijlermeer. Via een omleidingskanaal langs het Wylerbergmeer komt het water via Het Meer in de Waal. Het Wijlermeer is een overwinteringsgebied voor talrijke watervogelsoorten, waaronder het nonnetje en de grote zaagbek, zwarte stern, wintertaling, tafeleend en slobeend. Het gebied is aangewezen voor twee habitattypen:
Tabel I.18 Aangewezen habitattypen Habitattype H3150 - Natural eutrophic lakes with Magnopotamion or Hydrocharition-type vegetation H91E0 - Alluvial forests with Alnus glutinosa and Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage I | Definitief
Oppervlakte (ha) 17.616 2.39
II BIJLAGE: EFFECTENBEOORDELING PER ALTERNATIEF OP KAART In deze bijlage is per alternatief in kaart gebracht wat de beoordeling van het effect van de voorgenomen ontwikkeling per thema is. Voor meer informatie over de effecten en de achtergrond wordt verwezen naar het hoofdrapport planMER.
II.1
Natura 2000-gebieden
Alternatief RES 1.0 Deze paragraaf toont voor het alternatief RES 1.0 de invloed op Natura 2000-gebieden. Afbeelding II.1 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.2 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.3 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.1 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.2 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief RES 1.0
Afbeelding II.3 Beoordeling voor zonnevelden alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Leefomgeving Deze paragraaf toont voor het alternatief Leefomgeving de invloed op Natura 2000-gebieden. Afbeelding II.4 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.5 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.6 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.4 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.5 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Leefomgeving
Afbeelding II.6 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Landschap Deze paragraaf toont voor het alternatief Landschap de invloed op Natura 2000-gebieden. Afbeelding II.7 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.8 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.9 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.7 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.8 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Landschap
Afbeelding II.9 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Natuur Deze paragraaf toont voor het alternatief Natuur de invloed op Natura 2000-gebieden. Afbeelding II.10 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.11 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.12 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.10 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.11 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Natuur
Afbeelding II.12 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
II.2
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Alternatief RES 1.0 Deze paragraaf toont voor het alternatief RES 1.0 de invloed op het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Afbeelding II.13 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.14 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.15 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.13 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.14 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief RES 1.0
Afbeelding II.15 Beoordeling voor zonnevelden alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Leefomgeving Deze paragraaf toont voor het alternatief leefomgeving de invloed op het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Afbeelding II.16 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.17 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.18 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.16 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.17 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Leefomgeving
Afbeelding II.18 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Landschap Deze paragraaf toont voor het alternatief landschap de invloed op het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Afbeelding II.19 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.20 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.21 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.19 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.20 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Landschap
Afbeelding II.21 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Natuur Deze paragraaf toont voor het alternatief Natuur de invloed op het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Afbeelding II.22 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.23 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.24 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.22 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.23 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Natuur
Afbeelding II.24 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
II.3
Groene ontwikkelzones
Alternatief RES 1.0 Deze paragraaf toont voor het alternatief RES 1.0 de invloed op groene ontwikkelzones (GO). Afbeelding II.25 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.26 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.27 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.25 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.26 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief RES 1.0
Afbeelding II.27 Beoordeling voor zonnevelden alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Leefomgeving Deze paragraaf toont voor het alternatief leefomgeving de invloed op groene ontwikkelzones (GO). Afbeelding II.28 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.29 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.30 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.28 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.29 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Leefomgeving
Afbeelding II.30 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Landschap Deze paragraaf toont voor het alternatief landschap de invloed op groene ontwikkelzones (GO). Afbeelding II.31 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.32 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.33 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.31 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.32 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Landschap
Afbeelding II.33 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Natuur Deze paragraaf toont voor het alternatief Natuur de invloed op groene ontwikkelzones (GO). Afbeelding II.34 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.35 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.36 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.34 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.35 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Natuur
Afbeelding II.36 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
II.4
Invloed op beschermde soorten
Alternatief RES 1.0 Deze paragraaf toont voor het alternatief RES 1.0 de invloed op beschermde soorten. Afbeelding II.37 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.38 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.39 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.37 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.38 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief RES 1.0
Afbeelding II.39 Beoordeling voor zonnevelden alternatief RES 1.0
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Leefomgeving Deze paragraaf toont voor het alternatief leefomgeving de invloed op beschermde soorten. Afbeelding II.40 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.41 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.42 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.40 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.41 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Leefomgeving
Afbeelding II.42 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Leefomgeving
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Landschap Deze paragraaf toont voor het alternatief landschap de invloed op beschermde soorten. Afbeelding II.43 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.44 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.45 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.43 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.44 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief Landschap
Afbeelding II.45 Beoordeling voor zonnevelden alternatief Landschap
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Alternatief Natuur Deze paragraaf toont voor het alternatief Natuur de invloed op beschermde soorten. Afbeelding II.46 toont de beoordeling voor 120 m winturbines, afbeelding II.47 de beoordeling voor 166 m windturbines en afbeelding II.48 bevat de beoordeling voor zonnevelden.
Afbeelding II.46 Beoordeling voor 120 m windturbines alternatief natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief
Afbeelding II.47 Beoordeling voor 166 m windturbines alternatief natuur
Afbeelding II.48 Beoordeling voor zonnevelden alternatief natuur
Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Bijlage II | Definitief