CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie ecologie planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen - bijlage V

Raad openbaar Wijchen 1 februari 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 129638 beslisnota raad Onderzoek naar een gedragen visie op wind- en zonne-energie in Wijchen17.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BIJLAGE: ECOLOGIE PLANMER RES GMR ARNHEM-NIJMEGEN

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Notitie ecologie planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen planMER RES GMR Arnhem-Nijmegen Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 134281 Definitief 12 mei 2023 134281/23-008.077 L. Bovend’aerde MSc Ir. W.B. Roosen, R. de Jong MSc T. Reimer MSc

Paraaf

Bijlage(n)

1

I II

Kenschets en IHD van relevante Natura 2000-gebieden Effectenbeoordeling per alternatief op kaart

INTRODUCTIE

De Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (hierna: de regio) heeft een bod gedaan om 1,62 TWh duurzame elektriciteit grootschalig op te wekken in 2030. Dit is de bijdrage van de regio aan de nationale opgave van 35 TWh duurzame elektriciteit op land. Dit bod is vastgelegd in de RES 1.0. Met dit bod zet de regio een eerste stap op weg naar de 3,5 TWh die nodig is voor de Gelderse doelstelling van 55 % CO2-reductie in 2030. De regio wil deze doelstelling onder andere realiseren door de ontwikkeling van zonnevelden, grootschalig zon op dak en windturbines. In het bod is hiervoor uitgegaan van een verhouding van 89 % opgesteld vermogen aan zonnevelden en zon op dak, en 11 % opgesteld vermogen aan windturbines. De regio heeft erkend dat de verhouding tussen zon en wind in het bod uit de RES 1.0 niet evenwichtig is. De capaciteit van het elektriciteitsnet wordt namelijk niet optimaal benut. Daarnaast zorgt de verhouding uit de RES 1.0 tussen zon en wind voor hogere kosten, omdat elektriciteitsnetten uitgebreid en verzwaard moeten worden, enkel voor de inpassing van zonne-energie. In de RES 1.0 hebben de deelnemers afgesproken te werken aan een betere verhouding tussen zon en wind. Daarom verkent de regio extra gebieden boven op de zoekgebieden voor wind om tot een meer evenwichtige verhouding te komen tussen wind en zon. Dit legt de regio vast in de RES 2.0.

Om dit te verkennen is een planMER opgesteld. Voor dit planMER zijn vier alternatieven ontwikkeld om de effecten van windturbines en zonnevelden in de regio vanuit verschillende invalshoeken te onderzoeken. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt welke gebieden in de regio geschikt, geschikt te maken en niet geschikt zijn voor opwek van grootschalige duurzame energie. Voor meer achtergrondinformatie over het voornemen en het vervolgproject wordt verwezen naar het hoofdrapport planMER.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

In deze notitie worden de ecologische effecten van windturbines en zonnevelden onderzocht. Deze notitie is een integraal onderdeel van het hoofdrapport planMER. In hoofdstuk 2 wordt de referentiesituatie beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de onderzoeksaanpak, waarna in hoofdstuk 4 de vier alternatieven worden beoordeeld op de effecten. Ten slotte geeft hoofdstuk 5 inzicht in de vervolgstappen, aanbevelingen en leemten in kennis ten aanzien van ecologie.

2

HUIDIGE SITUATIE

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie ten aanzien van natuur van het plan- en studiegebied. Hierbij wordt ingegaan op aanwezige Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (GNN/GO inclusief ganzenrustgebieden en ecologische verbindingszones), overige natuurgebieden (weidevogelgebied) en beschermde soorten. In het hoofdrapport van het planMER zijn de autonome ontwikkelingen opgenomen. Dit vormt samen met de huidige situatie de referentiesituatie.

2.1

Natura 2000-gebieden

Algemeen Natura 2000 is een door de Europese Commissie ingesteld netwerk van natuurgebieden, waarin flora en fauna voorkomen die belangrijk zijn vanwege hun internationale betekenis voor natuur en biodiversiteit. Met de Natura 2000 worden deze natuurwaarden beschermd aan de hand van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze richtlijnen bepalen welke natuurwaarden beschermd moeten worden. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. Relevante gebieden De relevante Natura 2000-gebieden voor dit onderzoek zijn enerzijds de gebieden op relatief korte afstand van het plangebied. Het gaat om de Natura 2000-gebieden gelegen binnen het maximale verstoringsbereik1 van het voornemen (<1,5 km), alsook eventuele Natura 2000-gebieden die zelf buiten dit verstoringsbereik liggen, maar waarvan de aangewezen populaties gebruik kunnen maken van de zone binnen dit bereik als onderdeel van hun leefgebied. Anderzijds zijn ook alle Natura 2000-gebieden met voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen het depositiebereik van het project (depositiebereik nog niet bekend) relevant.

De relevante Natura 2000-gebieden op Nederlands grondgebied zijn in ieder geval (zie Afbeelding 2.1): - De Bruuk (Habitatrichtlijngebied); - Rijntakken (Habitat- en Vogelrichtlijngebied); - Sint Jansberg (Habitatrichtlijngebied); - Veluwe (Habitat- en Vogelrichtlijngebied). Daarnaast bevinden zich binnen het maximale verstoringsbereik van het voornemen (1,5 km contour van plangebied) ook een aantal Natura 2000-gebieden op Duits grondgebied. Ook deze zijn relevant voor de toetsing (zie onderstaand kader). Het gaat in ieder geval om de volgende gebieden (zie afbeelding 2.1): - NSG Emmericher Ward (Habitatrichtlijngebied); - NSG Salmorth, nur Teilfläche (Habitatrichtlijngebied); - Rhein-Fischschutzzonen zwischen Emmerich und Bad Honnef (Habitatrichtlijngebied); - Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein (Vogel- en habitatrichtlijngebied); - Wyler Meer (Habitatrichtlijngebied). N.B. Wat betreft stikstofdepositie, zijn in ieder geval de hierboven genoemde nabijgelegen Natura 2000gebieden op Nederlands grondgebied relevant. De Bruuk, Rijntakken, Sint Jansberg en Veluwe beschikken 1

In deze toetsing wordt uitgegaan van een maximaal effectbereik van 1,5 km. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden.

2 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

immers allen over stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds te maken hebben met een overbelasting door stikstof, waardoor elke projectbijdrage relevant kan zijn. In de wijdere omgeving (ook aan de Duitse zijde) zijn daarnaast nog meer Natura 2000-gebieden met een dergelijke stikstofgevoeligheid. Gezien op voorhand niet bekend is wat het maximale bereik is van stikstofdeposities gerelateerd aan het voornemen (dit moet volgen uit een projectspecifieke stikstofberekening met AERIUS en kan >10 km bedragen), is het mogelijk dat voor dit criterium naast bovengenoemde Natura 2000-gebieden ook een aantal verder gelegen Nederlandse en/of Duitse Natura 2000-gebieden relevant zijn. Deze zijn voor de globale toetsing in het planMER beoordeling nog niet meegenomen. Een AERIUS berekening is in het kader van het planMER immers nog niet uitgevoerd, omdat in deze fase van het planMER nog geen specifieke locatiekeuzes worden gemaakt. Deze berekening en de hieruit volgende beoordeling van eventuele verder gelegen Natura 2000-gebieden wordt wel meegenomen in een latere fase, wanneer een concreet voorkeursalternatief bekend is en hiervoor stikstofberekeningen zijn uitgevoerd (projectMER). Toetsing buitenlands Natura 2000 In de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt geen onderscheid gemaakt naar effecten op bepaalde nationale Natura 2000-gebieden.

Vanuit dit kader dient het geheel aan effecten op alle Natura 2000-gebieden, die mogelijkerwijs in hun natuurlijke kenmerken kunnen worden aangetast, te worden meegenomen. Dit betekent dat voor die soorten waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen en de gunstige staat van instandhouding zou kunnen worden aangetast door een activiteit, alle relevante Natura 2000-gebieden in de toetsing dienen te worden meegenomen. Met andere woorden: indien uit de toetsing blijkt dat ook in een buitenlands Natura 2000-gebied natuurlijke kenmerken kunnen worden aangetast, dan dient het bevoegd gezag dit in haar overweging voor het vaststellen van het kavelbesluit mee te nemen. Een kenschets van de genoemde Nederlandse en Duitse Natura 2000- gebieden en een overzicht van de hier geldende instandhoudingsdoelstellingen (IHD) is opgenomen in bijlage I. Het zijn bovengenoemde Nederlandse en Duitse Natura 2000-gebieden die worden meegenomen in de beoordeling voor het planMER (zie hoofdstuk 4). In een latere fase, bij concrete plannen voor de ontwikkeling van windturbines of zonnevelden moeten de effecten op de aangewezen habitattypen en soorten van deze Natura 2000-gebieden nog nader worden onderzocht.

Hierbij dient onder meer te worden onderzocht in hoeverre de gekozen locatie voor windturbines en/of zonnevelden leefgebied vormt voor de aangewezen soorten (nader onderzoek nodig naar waar deze soorten precies voorkomen in het gebied). Bij de realisatie van windparken gaat daarbij bijzondere aandacht uit naar de wespendief (zie onderstaand kader). Verder is van belang dat de effecten in de afzonderlijke regio’s in cumulatie doorwerken op hetzelfde Natura 2000-gebied. De effecten van het realiseren van windturbines rond de Veluwe en/of Rijntakken dient dan ook in cumulatie met overige reeds aanwezige/geplande windturbines in deze omgeving te worden getoetst. Wanneer effecten op de aangewezen habitattypen of soorten kunnen leiden tot het potentieel niet behalen van de IHD van het betreffend Natura 2000-gebied is voor het voornemen nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling en een vergunning Wnb nodig. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning worden geweigerd (tenzij aan de ‘ADC-criteria’1 voldaan wordt).

Deze beoordeling op projectniveau, met inachtneming van cumulatieve effecten, zal worden meegenomen in een later fase van het project, wanneer een concreet voorkeursalternatief met projectgebied en uitvoeringslocaties bekend is (projectMER).

1

Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied gewaarborgd blijft (C).

3 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Wespendief De Wespendief is een aandachtspunt voor de ontwikkeling van windturbines. Uit eerdere effectenonderzoeken voor windparken nabij Natura 2000-gebied de Veluwe, bleek de Wespendief de meest beperkende soort (belangrijkste aandachtsoort) voor het plaatsen van windturbines nabij dit natuurgebied. De Veluwe vormt binnen Nederland het kerngebied van de Wespendief en de kwaliteit van het gebied is bepalend voor de dichtheden van deze soort. Het uitgangspunt bij het plaatsen van windturbines is dat de populatie Wespendieven op de Veluwe (specifiek gezegd: het instandhoudingsdoel voor het Natura 2000gebied) niet achteruit mag gaan als gevolg van aanvaringen met windturbines. Volgens de Natura 2000doelstellingen zouden er minimaal 100 broedparen aanwezig moeten zijn. Dat zijn er nu naar schatting 94. Het ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga heeft in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van windturbines op en rondom de Veluwe op het instandhoudingsdoelstelling van de Wespendief [lit. 3]. Als wordt uitgegaan van een 1 %-mortaliteitsnorm van 0,36 Wespendiefslachtoffers per jaar, leiden windturbines op de Veluwe in alle scenario’s tot een overschrijding van de 1 %-norm. Hieruit blijkt dat op de Veluwe en binnen een zone van 1 km rond de Veluwe, geen windturbines ontwikkeld kunnen worden (in ieder geval in de periode tot 2030).

Gedeputeerde Staten Gelderland hebben in december 2022 een besluit genomen hoe om te gaan met windparken op en rondom de Veluwe. Windparken op de Veluwe en één kilometer daaromheen worden uitgesloten. In de zone van 1-8 kilometer rondom de Veluwe is er op korte termijn nog ruimte voor 1-2 windparken. De provincie is in overleg met initiatiefnemers, gemeenten en provincies Flevoland, Overijssel en Utrecht hoe de beperkte ruimte het beste kan worden verdeeld. Voor de langere termijn wordt er gekeken naar innovatieve maatregelen (zoals zwarte wiek, cameradetectie) om meer ruimte te creëren.

Afbeelding 2.1 Natura 2000-gebieden in en nabij het plangebied

4 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

2.2

Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)

2.2.1

GNN

Algemeen Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is een gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten. Het GNN bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS (ecologische hoofdstructuur) en bevat tevens zoekgebied voor te realiseren nieuwe natuur. Enkele weidevogelreservaten maken deel uit van het GNN. De overige weidevogelgebieden hebben in de verordening een aparte aanduiding ‘Weidevogelgebied’ gekregen. Deze weidevogelgebieden zijn beschreven onder ‘overige natuurgebieden’ (paragraaf 2.3). Relevante gebieden Binnen het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorend tot het natuurnetwerk van de provincie Gelderland. Een klein aantal van de gebieden is tevens aangeduid als ‘verkenningsgebied voor windenergie’; gebied waar de effecten van windturbines op de kernkwaliteiten van het GNN op voorhand als beperkt worden ingeschat. Het gaat om gebieden rond Malden, ten westen van Wijchen, ten noorden van Beuningen, nabij Wijchen en Bemmel, ten oosten van Renkum en ten noordoosten van Westervoort. De ligging van deze gebieden is weergegeven op afbeelding 2.2.

Afbeelding 2.2 Gelders Natuur Netwerk in het plangebied

5 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

2.2.2

GO

Algemeen De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond. De ecologische verbindingszones (EVZ’s) maken deel uit van de GO, evenals rustgebieden voor overwinterende ganzen. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. EVZ De ecologische verbindingszones (EVZ's) zijn een bijzonder onderdeel van de kernkwaliteiten van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO). De EVZ’s moeten voor een deel nog in de Groene Ontwikkelzone (GO) worden gerealiseerd. Doordat deze zones ook gebieden verbinden, kunnen de EVZ's in de GNN doorlopen. Ganzenrustgebieden De provincie en haar partners (zoals gemeenten, belangenorganisaties en samenwerkingsverbanden) geven door het vaststellen van rustgebieden invulling aan de internationale verplichting tot duurzame instandhouding van de ganzenpopulatie.

In de rustgebieden voor winterganzen waarborgt de provincie de noodzakelijke rust voor ganzen en is er een schadevergoedingsregeling voor eventueel optredend landbouwschade. Ook het behoud van de openheid is voor de rustgebieden essentieel. Relevante gebieden Het GO strekt zich uit in de regio Arnhem-Renkum-Nijmegen en in het zuiden van het plangebied tussen Druten en Groesbeek. In het plangebied bevinden zich een aantal belangrijke rustgebieden voor ganzen. Deze gebieden situeren zich voornamelijk rond de Waal en de IJssel (uiterwaarden). Tussen Arnhem en Nijmegen, en van Horssen tot Heumen, strekken zich een aantal belangrijke ecologische verbindingszones (EVZ). De GO gebieden, inclusief EVZ’s en ganzenrustgebieden, zijn weergeven in afbeelding 2.3.

6 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Afbeelding 2.3 Groene Ontwikkelingszones (GO) met aanduiding van EVZ’s en ganzenrustgebieden in het plangebied

2.3

Overige natuurgebieden

2.3.1

Weidevogelgebieden

Algemeen Nederland heeft een internationale verplichting tot het beschermen van weidevogels. Weidevogels gedijen goed in het open (veen)weidelandschap. Het gaat slecht met de weidevogels. Door verstedelijking en intensieve landbouw is er verlies van geschikt leefgebied. De provincie vindt zowel de weidevogels als het karakteristieke cultuurlandschap waarin zij verblijven belangrijk. Daarom beschermt zij deze landschappen tegen inbreuken op de openheid en verstoring van de rust met als doel de leefgebieden van weidevogels te beschermen. De aangewezen weidevogelgebieden betreffen landbouwgebieden waar de provincie de eigenaren wil stimuleren om bij de bedrijfsvoering rekening te houden met weidevogels. In deze gebieden stelt de provincie subsidies beschikbaar ten behoeve van weidevogelvriendelijk agrarisch beheer. Relevante gebieden Binnen het plangebied bevinden zich vier weidevogelgebieden. Het gaat om ‘De Meilanden’, ten westen van Elst en de gebieden ‘De Bemmen’, ‘Giesbeeksche Broek’ en ‘Lage Veldslagen’, alle drie gelegen tussen Duiven en Giesbeek. Deze zijn aangeduid op kaart in afbeelding 2.4.

7 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Afbeelding 2.4 Ligging weidevogelgebied in het plangebied

2.4

Beschermde soorten

2.4.1

Algemeen

Soortbescherming in Nederland is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten. In de Wet natuurbescherming (Wnb) is een onderscheid gemaakt tussen Vogelrichtlijnsoorten (bescherming inheemse vogelsoorten), Habitatrichtlijn-soorten (Europees beschermde soorten - exclusief vogelsoorten) en andere beschermde soorten (overige, nationaal beschermde soorten).

2.4.2

Relevante soorten

Gezien de grootte van het plangebied, is het niet mogelijk om op niveau van alle individuele beschermde soorten een analyse te doen van het (potentieel) voorkomen. In het kader van deze planMER-toetsing, wordt daarom gefocust op de voornaamste risicosoorten voor de ontwikkeling van grootschalige duurzame energie, met andere woorden: de soorten die bepalend (kunnen) zijn voor de vergunbaarheid van windturbines en/of zonnevelden in deze regio. Het gaat dan om vogels (voor windturbines en zonnevelden) en vleermuizen (voor windturbines), gezien het voornemen het leefgebied van deze soorten geheel of gedeeltelijk ongeschikt kan maken en de soorten in aanvaring kunnen komen met windturbines. Effecten op andere diersoorten dan vogels en vleermuizen zijn bij de realisatie van windturbines en/of zonnevelden over het algemeen zeer beperkt tot afwezig. Voor deze soorten (bijvoorbeeld kleine ongewervelde dieren) gelden naar verwachting enkel zeer lokale effecten door het (tijdelijk) verstoren en/of fysiek verdwijnen of ongeschikt worden van habitat ter plaatse van de panelen/mast met fundering. Dergelijke effecten vallen veelal voldoende te mitigeren en/of compenseren. Deze soorten worden daarom niet verder beschouwd in voorliggende toetsing voor het planMER. Deze

8 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

soorten dienen wel in beschouwing genomen te worden in een later fase van het project, wanneer een concreet voorkeursalternatief met projectgebied en uitvoeringslocaties bekend is (projectMER). Vogels Bij realisatie zonnevelden Voor de realisatie van een zonneveld zijn vooral belangrijke vogelleefgebieden relevant. Het gaat daarbij onder andere om natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en andere gebieden die deel uitmaken van het GNN), weidevogelgebieden en belangrijke broed- en foerageergebieden, en rust- en slaapplaatsen van vogels. De ligging van deze gebieden zijn reeds beschreven in de voorgaande paragrafen (2.1-2.3). Bij realisatie windturbines Sovon heeft in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzocht waar veel vogelsoorten voorkomen die kwetsbaar zijn voor windparken. Met gegevens over de verspreiding, aantallen en vliegbewegingen van deze vogelsoorten zijn kaarten (zie Afbeelding 2.5) gemaakt met gebieden waar naar verwachting de risico’s van windturbines op kwetsbare soorten het grootst zijn [lit. 1]. Voor heel Nederland is een dergelijke kaart gemaakt waarbij locaties met minimaal risico op landelijke schaal het cijfer 0 krijgen, locaties met maximaal risico voor vogels op landelijke schaal krijgen het cijfer 100.

Voor elke regio is vervolgens een kaart gemaakt waarbij het relatief risico ten aanzien van vogels is becijferd, gewogen ten opzichte van dit landelijk risico. Op basis van deze kaart is te zien dat het relatieve risico voor vogels in het plangebied schommelt tussen 4 % en 65 % van het landelijk risico. De hoogste risicozones binnen het plangebied bevinden zich in het oosten van de regio, in de zone langs de Waal en de Nederrijn. Een aantal relatief laag-risicozones zijn te vinden in het westen en het uiterste noorden van de regio. N.B. Bij de interpretatie van de kaarten is een aantal kanttekeningen te plaatsen. Deze kaarten laten niet de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels zien. En ook niet de sterfte, of verstoring als er een windturbine in het gebied zou komen te staan. Het is een verwachting van een risico bij plaatsing van windturbines op een bepaalde plek. Deze verwachting is berekend op basis van wat men weet over de aanwezigheid van soorten en de kennis van hun leefgebiedseisen. Daarnaast geven de kaarten alleen een beeld van de voor windturbines kwetsbare vogelsoorten.

9 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Afbeelding 2.5 Risicokaart broedvogels en niet-broedvogels i.r.t. windturbines; deelkaart regio Arnhem Nijmegen; Het kaartbeeld geeft in kleuren het relatieve verschil weer tussen gebieden van de kans dat windturbines een negatief effect zullen hebben op zowel broed− als niet−broedvogelpopulaties. In roodtinten de gebieden met de hoogste kans, in oranje en geel de gebieden met de laagste kans. Cumulatief kaartbeeld voor alle vogelsoorten uit de soortenmatrix, gewogen met de kwetsbaarheidsscore. Relatieve schaal van 1 (weinig risico voor aanwezigheid gevoelige soorten) tot 100 (hoog risico voor aanwezigheid gevoelige soorten). Voor nadere uitleg van de interpretatie en de beperkingen van deze kaartbeelden zie Sovon−rapport 2021/09. [lit. 1,2]

Vleermuizen Vleermuissoorten die relatief vaak als aanvaringslachtoffer bij windturbines worden aangetroffen zijn ‘aerial hawkers’. Het betreft met name soorten die in open omgeving op grotere hoogte jagen. In Nederland lopen vooral gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis aanvaringsrisico. Deze soorten komen verspreid in heel Nederland, in verschillende type landschappen en gebieden voor. De hoogste dichtheden worden veelal geteld in en rond natuurgebieden en kleinschalige landschapselementen, zoals bomenrijen en waterlopen. Onderstaande kaart (Afbeelding 2.6) geeft een impressie van de mogelijk voor vleermuizen belangrijke gebieden.

10 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Afbeelding 2.6 Gebieden met potenties voor vleermuizen

3

ONDERZOEKSAANPAK

Dit hoofdstuk beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectanalyses voor wind- en zonne-energie. De ingreep-effectrelaties en het beoordelingskader uit het hoofdrapport planMER vormen hiervoor de basis.

3.1

Effecten op Natura 2000-gebieden

Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van instandhoudingsdoelstelling die in het aanwijzingsbesluit en de wijzigingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen kunnen zowel habitattypen, habitatsoorten als vogelsoorten betreffen. Ontwikkelingen zoals de realisatie van windturbines en/of zonnevelden zijn enkel vergunbaar wanneer deze niet leiden tot significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van de aangewezen soorten en habitats van deze gebieden. Om te beoordelen of dergelijke voorzieningen zijn toegestaan moeten de effecten op de aangewezen natuurwaarden worden getoetst en beoordeeld. Voor de effectbeoordeling van het criterium effecten op Natura 2000-gebieden zijn twee beoordelingsschalen gehanteerd. Dit is een beoordelingsschaal voor stikstof en een beoordelingsschaal voor overige effecten, zoals oppervlakteverlies en verstoring. Hiervoor is gekozen, omdat de effecten van stikstofdepositie doorgaans dominant zijn ten opzichte van de overige effecttypen zoals verstoring. Ook heeft atmosferische stikstofdepositie een grotere reikwijdte dan overige effecttypen. Door de beoordelingsschalen te splitsen, blijft voldoende inzicht bestaan in alle effecten.

Natura 2000 - stikstofdepositie Stikstofemissie als gevolg van de realisatie van windturbines en zonnevelden kan zorgen voor stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Aan de onder Natura 2000-gebieden beschermde habitattypen zijn kritische depositiewaarden (KDW) gekoppeld. Bij stikstofdepositie boven de KDW op één of

11 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

meerdere stikstofgevoelige habitattypen geldt een negatieve (-) beoordeling. Bij stikstofdepositie onder de KDW geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling, omdat er wel een effect aanwezig is, maar deze niet de grenswaarden overschrijft1. Voor stikstof geldt de verwachting dat geen van de alternatieven zorgt voor een permanente stikstofdepositie. De effecten zijn naar verwachting alleen tijdelijk, tijdens de aanlegfase. Daarom is in dit planMER geen sterk negatief (--) effect van toepassing. Indien er geen effecten worden verwacht geldt een neutrale (0) beoordeling. Tabel 3.1 toont de beoordelingsschaal voor stikstof in het kader van het criterium Natura 2000-gebieden.

Tabel 3.1 Beoordelingsschaal Natura 2000 - stikstof Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een meetbare verandering van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt mogelijk tot (tijdelijke) stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde op een of meerdere stikstofgevoelige habitattypen. Extra onderzoek moet uitwijzen hoe groot de gevolgen zijn voor de natuur

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt mogelijk tot (tijdelijke) stikstofdepositie boven de kritische depositiewaarde op een of meerdere stikstofgevoelige habitattypen. Extra onderzoek moet uitwijzen of significante gevolgen op de IHD te voorkomen zijn

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

Natura 2000 - overige effecten De ontwikkeling van windturbines en zonnevelden kan zorgen voor effecten op Natura 2000, zoals verstoring en aanvaring. Het gaat hierbij om de effecten op de aangewezen soorten en leefgebieden (habitats) van de Natura 2000-gebieden. Tabel 3.2 toont de beoordelingsschaal voor de overige effecten die relevant zijn in het kader van het criterium Natura 2000 - overige effecten. Bij ligging binnen Natura 2000-gebieden of binnen een 1 km zone van het Natura 2000-gebied Veluwe (Wespendief) geldt voor windturbines een sterk negatieve (--) beoordeling. Deze zone van 1 km rond de Veluwe is al uitgesloten op basis van de harde belemmeringen. Voor de Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijn geldt verder binnen een zone van 1,5 km 2 een negatieve (-) beoordeling. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie mogelijk plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden, maar ook door de werking van slagschaduw op de habitattypen. Bij ligging binnen de 10 km contour3 van vogelrichtlijngebieden geldt een licht negatief effect (0/-). In en om het plangebied zijn Natura 2000-gebieden de Rijntakken en Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein aangewezen als vogelrichtlijngebieden. Voor de overige gebieden geldt een neutrale (0) beoordeling.

Op projectMER-niveau is nader onderzoek nodig om te bepalen wat de effecten zijn van de windturbines op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van de betreffende Natura 2000-gebieden. Voor zonnevelden geldt een sterk negatieve (--) beoordeling bij ligging binnen Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn als habitatrichtlijn geldt verder binnen een zone van 1,5 km een licht negatieve (0/-) beoordeling, omdat de effecten naar verwachting tijdelijk zijn (onder aan verstoring

1

Voor elk project dat stikstof veroorzaakt, moeten de stikstofgevolgen tot op een afstand van 25 km berekend worden. Dit volgt uit de uitspraak van de Raad van State van 5 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1299). Effecten kunnen dus in theorie plaatsvinden op een afstand van 25 km van het project.

2

In deze toetsing wordt uitgegaan van een maximaal effectbereik van 1,5 km als maximale verstoringsbereik. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie mogelijk plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden.

3

Deze 10 km zone is gebaseerd op de zone waarbinnen een aantal belangrijke foerageergebieden voor de Natura 2000 populaties aanwezig zijn. Deze zone is geen harde, wettelijke grens, maar is vastgelegd in het ecologisch onderzoek op basis van observaties van locaties waar belangrijke slaapplaatsen en foerageergebieden voorkomen.

12 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

door aanlegwerkzaamheden). Voor de overige gebieden geldt ten aanzien van de ontwikkeling van zonnevelden een neutrale (0) beoordeling. Hierbij is eveneens nader onderzoek nodig bij concrete projecten.

Tabel 3.2 Beoordelingsschaal Natura 2000 - overige effecten Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen ontwikkeling leidt niet of tot een zeer beperkt effect op Natura 2000gebieden ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling van windturbines vindt plaats binnen 10 km van vogelrichtlijngebieden. Voor zonnevelden vindt de ontwikkeling plaats binnen 1,5 km van habitatrichtlijngebieden. Dit leidt mogelijk tot negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling van windturbines vindt plaats binnen een zone van 1,5 km van habitatrichtlijngebieden. Dit leidt mogelijk tot significant negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied

--

sterk negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in Natura 2000-gebieden en leidt tot significante negatieve gevolgen voor één of meerdere IHD van het Natura 2000-gebied. Voor windturbines vindt de ontwikkeling ook plaats binnen de 1 km zone rond de Veluwe (Wespendief)

3.2

Effecten op GNN

Voor het GNN zijn zogenaamde kernkwaliteiten en natuurontwikkelingsdoelen vastgesteld, waarin aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied worden beschreven. Hoewel het GNN door de provincie Gelderland wordt aangemerkt als 'niet kansrijk' voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie, wordt in de beleidslijn Windenergie van de provincie ook gesteld dat deze gebieden niet geheel op voorhand worden uitgesloten. Volgens de provinciale Omgevingsverordening (artikel 2.42) is binnen het GNN een andere bestemming dan natuur (zoals wind- of zonne-energie) alleen mogelijk indien (i) er sprake is van groot openbaar belang, (ii) er geen reële alternatieven aanwezig zijn en (iii) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en het oppervlak van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt, en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Windturbines hebben over het algemeen een grotere impact op de kernkwaliteiten, doordat ook ruimtebeslag binnen het vliegruim optreedt, er sprake is van slagschaduw en een aanvaringsrisico ontstaat voor vliegende doelsoorten (vogels en vleermuizen). Voor windturbines binnen GNN geldt een negatieve (-) beoordeling.

Specifiek voor windturbines geldt dat deze onder voorwaarden zijn toegestaan in de hiervoor voorziene verkenningsgebieden, waar de effecten op de kernkwaliteiten op voorhand als beperkt worden ingeschat. Deze delen van het GNN liggen langs rijkswegen. Oprichting van windturbines is in deze delen van het GNN mogelijk als samen met de realisatie van de windturbines maatregelen worden getroffen die per saldo aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN voorkomen. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. Voor het plaatsen van windturbines in het verkenningsgebied voor windenergie in het GNN dient het oppervlak van natuur dat verloren gaat voor 200 % gecompenseerd te worden. Deze gebieden zijn beoordeeld als licht negatief (0/-) voor windturbines. Dit geldt ook voor een zone van 1,5 km rond GNN gebied, in verband met de externe werking. De overige gebieden zijn voor windturbines beoordeeld als neutraal (0) voor dit criterium. Voor zonnevelden geldt een negatieve (-) beoordeling bij ligging binnen GNN. Een licht negatieve (0/-) beoordeling is van toepassing van ligging in een zone van 1,5 km rond GNN. De overige gebieden zijn voor windturbines en zonnevelden beoordeeld als neutraal (0) voor dit criterium.

Er is geen sprake van een sterk negatieve (--) beoordeling, omdat nader onderzoek nodig is om te bepalen wat de kernkwaliteiten zijn van

13 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

het GNN. Hiermee kan bepaald worden of voldaan kan worden aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening. Tabel 3.3 toont de beoordelingsschaal voor effecten op GNN-gebieden.

Tabel 3.3 Beoordelingsschaal effecten op GNN-gebieden Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen activiteiten vinden plaats op meer dan 1,5 km van GNN, er is naar verwachting geen sprake van gevolgen voor de kernkwaliteiten van GNN

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling van windturbines en zonnevelden vindt plaats binnen een zone van 1,5 km rond GNN of voor windturbines in verkenningsgebieden voor wind binnen GNN. Externe werking kan zorgen voor verstoring

-

negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van GNN. Maatregelen kunnen mogelijk worden genomen om aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN te voorkomen

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

3.3

Effecten op Groene Ontwikkelingszones (inclusief EVZ’s en ganzenrustgebieden)

Voor dit onderdeel wordt beoordeeld of het voornemen plaatsvindt binnen de grenzen van de provinciale GO, waaronder ecologische verbindingszones (EVZ) en ganzenrustgebieden1, en of er sprake is van effecten op de kernkwaliteiten en waarden van deze gebieden. In de GO is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van de ontwikkeling van wind- of zonne-energie. Nieuwe kleinschalige ontwikkelingen zijn in bepaalde delen onder voorwaarden wel mogelijk. Zo geldt in ganzenrustgebieden een 'ja, mits'-beleid. Winturbines en zonnevelden zijn hier weliswaar enkel toegestaan indien (artikel 2.51b): (1) uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt en (2) na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Indien niet aan de voorwaarden uit artikel 2.51b kan worden voldaan volgt een sterk negatieve (--) of negatieve (-) beoordeling. Op het detail- en schaalniveau van dit planMER is een dergelijke negatieve beoordeling niet van toepassing, omdat hiervoor nader onderzoek nodig is. Over het algemeen geldt dat windturbines en/of zonnevelden binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied), mits het nemen van gepaste mitigerende en compenserende maatregelen, haalbaar zijn.

Er is daarom alleen sprake van een licht negatieve (0/-) beoordeling bij ligging binnen GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebied). Een neutrale (0) beoordeling is van toepassing bij ontwikkelingen buiten GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden). Tabel 3.4 toont de beoordelingsschaal voor effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden).

1

In het Natuurbeheerplan 2023 van de provincie Gelderland is opgenomen dat rustgebieden voor overwinterende ganzen onderdeel uitmaken van de GO, te raadplegen via https://www.gelderland.nl/themas/natuur/natuur-beheren-enontwikkelen/natuurbeheerplan-waar-welke-natuur.

14 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Tabel 3.4 Beoordelingsschaal effecten op GO (inclusief EVZ en ganzenrustgebieden) Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

de voorgenomen activiteiten vinden niet plaats binnen GO, EVZ of ganzenrustgebieden. Er is naar verwachting geen sprake van gevolgen voor de kernkwaliteiten van deze gebieden

0/-

licht negatief effect

de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van GO, EVZ of ganzenrustgebieden. Dit heeft mogelijk negatieve effecten op deze gebieden

-

negatief effect

niet van toepassing

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

3.4

Effecten op weidevogelgebieden

Bij de realisatie van zonnevelden en/of windturbines binnen de grenzen van weidevogelgebied treedt per definitie aantasting van de kernkwaliteiten van dit gebied op. Voor de weidevogelgebieden geldt op basis van artikel 2.51a in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd op 21 december 2022) dat een nieuw bestemmingsplan in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toestaat. Hier kan middels de bepalingen in artikel 1a.2 niet van worden afgeweken. Weidevogelgebieden zijn daarom als harde belemmering opgenomen bij de bepaling van de alternatieven. Het onderdeel effecten op weidevogelgebieden is dus niet beoordeeld in dit planMER.

3.5

Effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming

De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van het voorkomen in of nabij hotspotgebieden voor de voornaamste risicosoorten, namelijk vogels en vleermuizen. Op basis van risicokaarten is een beoordeling op hoofdlijnen gedaan van de te verwachten impact van het voornemen op deze soortgroepen en het risico op overtreding van de Wnb verbodsbepalingen (aantasting/vernietiging essentieel leefgebied. sterfte). Het risico voor vogels varieert op landelijke schaal van 0 % tot 100 %. In het plangebied schommelt dit tussen de 4 % en 65 % van het landelijk risico. hoogste risicozones binnen het plangebied bevinden zich in het oosten van de regio, in de zone langs de Waal en de Nederrijn. Een aantal relatief laag-risicozones zijn te vinden in het westen en het uiterste noorden van de regio. Voor windturbines is onderscheid te maken tussen effecten op vogels en vleermuizen. Opgemerkt dient te worden dat de risicokaarten niet de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels en vleermuizen laten zien. Het is een verwachting van een risico bij plaatsing van windturbines op een bepaalde plek. Derhalve is een sterk negatieve (--) beoordeling niet van toepassing. Er is tevens geen negatieve (-) beoordeling van toepassing. Dit komt omdat er op basis van het detail- en schaalniveau van dit planMER geen regionaal onderzoek mogelijk is naar de aanwezigheid van vogels en vleermuizen.

Door alle gebieden licht negatief (0/-) te beoordelen wordt voorkomen dat gebieden mogelijk ten onrechte worden aangemerkt als niet geschikt voor windturbines. Bovendien wordt op deze manier recht gedaan aan het feit dat negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten bij de ontwikkeling van windturbines. Hierbij geldt wel de algemene opmerking dat meer vleermuizen zijn te verwachten rond natuurgebieden (Natura 2000, GNN/GO) en structuren in het landschap die een vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen vormen. Bij de realisatie van windturbines binnen 200 m1 van bijvoorbeeld bomenrijen, hagen, bossen, bosranden, waterlopen en oevers is de kans op negatieve effecten dus groter. Een neutrale (0) beoordeling is niet van toepassing in dit planMER omdat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten door de ontwikkeling van windturbines.

1

In reviewstudies wordt vaak de algemene aanbeveling gegeven om uit voorzorg een afstand van ongeveer 200 m te vrijwaren rond deze zones waar regelmatig relatief veel vleermuizen aanwezig zijn (vliegroutes/foerageergebied). In bijlage V is opgenomen om welke reviewstudies het gaat.

15 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

Bij de realisatie van zonnevelden zijn de grootste effecten te verwachten voor vogels. Dit is dan ook de belangrijkste risicogroep voor dit type projecten. Aanleg van zonnevelden of het plaatsen van zonnepanelen kan de betreffende locatie geheel of gedeeltelijk ongeschikt maken als leefgebied voor vogels. Het gaat om verlies en aantasting van foerageer-, broed-, rust- en slaapplaatsen op land en water. Dit risico is het hoogst in belangrijke vogelgebieden, zoals Natura 2000 vogelrichtlijngebieden, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Effecten op de lokale populatie zijn echter veelal te mitigeren (bijvoorbeeld opstelling en locatie afstemmen op belangrijke vogelgebieden) en/of te compenseren (bijvoorbeeld uitbreiden of kwaliteitsimpuls geven leefgebied elders). Natuurgebieden met waarden voor vogels krijgen daarom de een licht negatieve (0/-) beoordeling. In alle overige gebieden zijn geen noemenswaardige effecten van zonnevelden op vogelpopulaties te verwachten. De overige gebieden krijgen een neutrale beoordeling (0). Een sterk negatieve (--) of negatieve (-) beoordeling is op basis van de beschikbare informatie in dit planMER niet van toepassing voor zonnevelden. Tabel 3.5 toont de beoordelingsschaal voor de effecten op beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming.

Tabel 3.5 Beoordelingsschaal effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming Toelichting algemeen

Specificatie voor criterium

0

geen of zeer beperkt effect

het voornemen levert geen wezenlijke bijdrage of risico’s voor de lokale populaties

0/-

licht negatief effect

de ontwikkeling van windturbines leidt potentieel tot vernietiging van essentieel leefgebied/verblijfplaatsen van beschermde soorten of meer dan incidentele sterfte van individuen. Voor zonnevelden geldt een mogelijk negatief effect bij ligging in belangrijke vogelgebied (Natura 2000 vogelrichtlijngebieden, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. Het voornemen heeft (mogelijk) een negatief effect op één of meerdere onder de Wnb beschermde soorten. Nader onderzoek is nodig om de effecten te onderzoeken

-

negatief effect

niet van toepassing

--

sterk negatief effect

niet van toepassing

4

EFFECTANALYSE EN -BEOORDELING

Dit hoofdstuk presenteert voor wind- en zonne-energie de effectanalyse op gebiedsniveau en de effectbeoordeling van de alternatieven. Elke paragraaf presenteert per criterium de effectanalyse op gebiedsniveau. De effectanalyses resulteren per aspect in een toelichtende effectbeoordeling en een effectbeoordeling in de vorm van kaarten die aangeven welke gebieden binnen het plangebied vanuit het betreffende criterium: - sterk negatief (--) (rode kleur); - negatief (-) (oranje kleur); - licht negatief (0/-) (gele kleur); - neutraal (0) (lichtgrijze kleur). Tevens wordt deze effectbeoordeling samengevat in een tabel, waarbij in de tabel per alternatief en criterium één effectbeoordeling wordt toegekend. Voor elk criterium geldt per alternatief dat de meest negatieve beoordeling de uiteindelijke beoordeling voor het gehele alternatief is. Hiermee wordt de worstcase situatie voor elk criterium getoond (bijvoorbeeld als een alternatief deels (0) en deels (-) scoort op een criterium, dan is het eindoordeel voor dat alternatief een (-)).

16 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

4.1

Effectanalyse- en beoordeling effecten op Natura 2000-gebieden

4.1.1

Stikstof

In het kader van Natura 2000-gebieden zijn de effecttypen verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie relevant. De werkzaamheden voor de aanleg van een windturbines en/of zonnevelden worden uitgevoerd met (zwaar) materieel dat stikstofemissies veroorzaakt. De emissies leiden mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie. Ook in de gebruiksfase kan sprake zijn van een beperkte bijkomende stikstofdepositie als gevolg van onderhoudswerkzaamheden aan de windturbines en/of zonnevelden (materieel). In de omgeving van het projectgebied zijn Natura 2000-gebieden aanwezig met voor stikstof gevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds kampen met overbelasting door stikstof (in ieder geval De Bruuk, Rijntakken, Sint Jansberg en Veluwe; daarnaast ook Nederlandse en Duitse gebieden op grotere afstand van het plangebied). Voor deze gebieden kan een kleine (tijdelijke) depositiebijdrage van het project al snel relevant zijn.

Of en in welke mate stikstofdeposities afkomstig van het project leiden tot negatieve effecten op Natura 2000 habitattypen en leefgebied, is afhankelijk van verschillende factoren waaronder de locatie van het voornemen (afstand tot Natura 2000 gevoelige habitattypen/leefgebieden), de opstelling en schaal van het voornemen (aantal en locatie van windturbines/zonnevelden), wijze van realisatie en beheer (materieelkeuze, duur van aanleg, frequentie van beheer). Een stikstofberekening met AERIUS geeft een indicatie van deze te verwachten stikstofeffecten. Een dergelijke AERIUS berekening is in dit planMER echter nog niet uitgevoerd, omdat in deze fase van het planMER nog geen specifieke locatiekeuzes worden gemaakt. Hierdoor kunnen vooralsnog geen conclusies getrokken worden over de onderscheidende effecten van bepaalde alternatieven en locaties ten aanzien van dit eventuele stikstofeffect. Op projectniveau dient dit nader onderzocht te worden. Wel kan vanuit kennis van eerdere zonneveld- en windturbineprojecten en expert judgement worden gesteld dat, de depositie van het voornemen ongeacht het gekozen alternatief naar verwachting beperkt is en deposities in de realisatiefase (aanlegfase) grotendeels te mitigeren zijn met maatregelen zoals het gebruik van aangepast (elektrisch) materieel.

In het kader van het planMER wordt daarom aangenomen dat alle alternatieven (voor zowel windturbines als zonnevelden) zorgen voor een kleine en tijdelijke, doch (deels) te mitigeren, projectbijdrage. De alternatieven krijgen daarmee allen een voorlopige beoordeling licht negatieve (0/-) beoordeling voor de effecten door stikstofdepositie. Omdat dit voor het gehele plangebied gelijk is, is dit niet op kaart weergegeven.

4.1.2

Overige effecten

Effecten bij realisatie windturbines en/of zonneveld in Natura 2000 (relevant voor Veluwe & Rijntakken) Binnen het plangebied zelf bevinden zich twee Natura 2000-gebieden, namelijk de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden Veluwe en Rijntakken. Bij realisatie van windturbines en/of zonnevelden binnen één van deze Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van volgende effecten: - oppervlakteverlies habitat/verlies leefgebied soorten; - barrièrewerking (verstoring van vliegbewegingen vogels/vleermuizen); - verstoring van rust-, foerageer- en/of broedgebieden; - mortaliteit door aanvaringen. Gezien voor de aangewezen habitattypen van beide Natura 2000-gebieden telkens een behoud- dan wel een uitbreidingsdoelstelling geldt, is bij ruimtebeslag binnen deze habitattypes sowieso sprake van een

17 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

negatief gevolg voor de IHD. Alternatieven met ruimtebeslag (door zonnevelden en/of windturbines) binnen de Natura 2000-habitattypen van Veluwe of Rijntakken krijgen daarom een sterk negatieve beoordeling (--). Voor aangewezen soorten (vogelsoorten en habitatsoorten) van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken is de beoordeling van negatieve gevolgen voor de IHD afhankelijk van zowel het type effect dat optreedt (verlies leefgebied, barrièrewerking, verstoring en/of aanvaring) als de huidige staat en trend van de populatie. Voor soorten waarvan de IHD in de huidige situatie reeds (ruimschoots) worden gehaald en waarvan de populatietrend stabiel of positief is, geldt dat ze waarschijnlijk enige mate van verlies leefgebied of verstoring kunnen verdragen vooraleer dit een negatief effect heeft op de instandhouding van de populatie. Voor soorten waarbij de IHD in de huidige situatie niet worden gehaald en/of waarbij sprake is van negatieve populatietrend (op basis van informatie beheerplan) kan elke vorm van ruimtebeslag/verstoring/aanvaring al snel leiden tot (significant) negatieve gevolgen op de IHD. Dit laatste geldt voor meervleermuis en een aantal vogelsoorten van zowel de Veluwe als Rijntakken. Met gepaste maatregelen (zoals een stilstandvoorziening of compensatie leefgebied) zijn deze effecten mogelijk wel (deels) te mitigeren.

De verwachting is in ieder geval dat voor zonnevelden, waarbij enkel sprake is van ruimtebeslag en eventueel verstoring, maatregelen kunnen worden genomen om significant negatieve gevolgen op de IHD te voorkomen. Alternatieven met zonnevelden binnen het Natura 2000-gebied, krijgen daarom een negatieve beoordeling (--). Voor windturbines is op basis van recent onderzoek door Altenburg & Wymenga [lit. 3] geconcludeerd dat windturbineprojecten op Natura 2000-gebied Veluwe ook met inachtneming van mitigerende maatregelen tot een te hoge sterfte (overschrijding van de 1 %-norm1) leiden voor wespendief (de meest kritische soort van het gebied), waardoor significant negatieve gevolgen voor de IHD niet kunnen worden uitgesloten. Alternatieven waarbij windturbines binnen het Natura 2000-gebied (Veluwe) van deze soort worden gerealiseerd krijgen daarom een sterk negatieve beoordeling (--). Voor het gebied Rijntakken is een dergelijk onderzoek voor windturbines in het gebied (nog) niet uitgevoerd. Ook binnen dit gebied kan bij realisatie van windturbines echter sprake zijn van significante aanvaringsslachtoffers onder de aangewezen (niet-)broedvogels van het gebied. Vooralsnog is in theorie de realisatie van windturbines binnen dit gebied juridisch mogelijk, mits maatregelen worden genomen om de effecten op de aangewezen soorten te mitigeren.

Alternatieven met windparken binnen Natura 2000 Rijntakken krijgen daarom een sterknegatieve beoordeling (--). Effecten bij realisatie windturbines en/of zonnevelden nabij Natura 2000 (relevant voor alle Natura 2000gebieden binnen verstoringcontour) Bij de realisatie van windturbines of zonnevelden buiten Natura 2000-gebied zelf kunnen alsnog effecten op de IHD van nabijgelegen Natura 2000-gebieden optreden. Dit is enerzijds het geval wanneer het park wordt voorzien buiten Natura 2000-gebied, maar de verstoring afkomstig van het park reikt tot in Natura 2000gebied. Dit is dus wanneer binnen het maximale verstoringbereik van 1,5 km2 zich een Natura 2000-gebied bevindt. Anderzijds is dit het geval wanneer aangewezen soorten van Natura 2000-gebied gebruik maken van gebieden buiten de contouren van het Natura 2000-gebied als (essentieel) onderdeel van hun leefgebied. Dan kunnen ook initiatieven met een verstoringscontour tot in dit buiten-Natura 2000 gelegen leefgebied, een negatief effect hebben op de IHD van de betreffende soorten. Dit verstoringseffect is relevant voor alle Natura 2000-gebieden gelegen binnen of op korte afstand (<1,5 km) van het plangebied én alle Natura 2000-gebieden waarvan de aangewezen soorten gebruik maken van leefgebied binnen of op

1

De '1 %-norm voor additionele sterfte' houdt in: Voor een soort wordt eerst bepaald wat de gemiddelde jaarlijkse natuurlijke sterfte is in het te beschouwen gebied (dat kan een land zijn, een regio of een Natura 2000-gebied). Vervolgens wordt berekend of, als gevolg van de te beoordelen activiteit (hier windturbines), de extra jaarlijkse sterfte gemiddeld meer dan 1 % bedraagt van de natuurlijke sterfte. Deze 1%-norm wordt gehanteerd als uitgangspunt om te bepalen of de te verwachten aantallen aanvaringslachtoffers door windturbines de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten voor de instandhouding waarvoor het gebied is aangewezen.

2

In deze toetsing wordt uitgegaan van een maximaal effectbereik van 1,5 km. Dit is gebaseerd op de meest verstorende werkzaamheden die in het kader van de realisatie plaatsvinden, namelijk heiwerkzaamheden.

18 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

korte afstand van het plangebied. Het betreft alle Nederlandse en Duitse Natura 2000-gebieden genoemd in paragraaf 2.1. Habitatrichtlijngebieden (HR) Het merendeel van de relevante Nederlandse en Duitse Natura 2000-gebieden (namelijk De Bruuk, Sint Jansberg, NSG Emmericher Ward, NSG Salmorth, nur Teilfläche, Rhein-Fischschutzzonen zwischen Emmerich und Bad Honnef en Wyler Meer) betreft habitatrichtlijngebieden. Voor deze gebieden gelden doelstellingen voor habitattypen en een aantal habitatsoorten gebonden aan zeer specifieke habitats binnen het Natura 2000-gebied zelf (zeggekorfslak, vliegend hert, kamsalamander en een aantal vissoorten; zie ook bijlage I). Verstoring is voor deze gebieden enkel relevant wanneer de verstoring tot in het Natura 2000-gebied zelf reikt, dus wanneer het zonnevelden of windturbines op <1,5 km van het gebied wordt gerealiseerd. Naar verwachting is de realisatie van zonnevelden en windturbines in deze zone onder voorwaarden (gepaste mitigerende maatregelen) mogelijk. Alternatieven die voorzien in windparken binnen 1,5 km van deze habitatrichtlijngebieden krijgen daarom de beoordeling negatief (-), voor zonnevelden zijn de verstorende effecten minder ernstig. Hiervoor geldt een licht negatieve (0/-) beoordeling.

Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (VHR) De Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken en het Duitse Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein, zijn allen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In deze gebieden is ook sprake van aangewezen (niet-)broedvogels en (binnen Veluwe en Rijntakken) de aangewezen habitatrichtlijnsoort meervleermuis, die ook gebruik maken van leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied. In en nabij deze drie Natura 2000-gebieden is mogelijk sprake van veel vliegbewegingen van vogels/meervleermuis die dagelijks tussen hun slaapplaatsen en foerageergebieden vliegen. De realisatie van zonnevelden in deze overvliegzones hoeft geen knelpunt te vormen voor het behalen van de IHD, aangezien dit geen obstakel vormt voor de overvliegende soorten. Voor zonnevelden geldt daarom enkel het verstoringsaspect, dat maximaal 1,5 km reikt. Voor alternatieven waarbij een zonneveld wordt gerealiseerd nabij (maar buiten) de Natura 2000-gebied Veluwe, Rijntakken of Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein geldt daarom net als voor initiatieven nabij de Habitatrichtlijngebieden dat enkel binnen 1,5 km van het gebied een negatieve beoordeling wordt gegeven (-). Vanaf een afstand van meer dan 1,5 km geldt een neutrale beoordeling (0).

Bij de plaatsing van windturbines in de omgeving van Vogel- en Habitatrichtlijngebieden kan echter wel sprake zijn van barrièrewerking (verstoring vliegroute) en aanvaringsrisico’s, met name voor de aangewezen vogelsoorten. De mate waarin negatieve effecten optreden is sterk afhankelijk van de locatie en het type project (zoals het aantal turbines en de grootte van turbines). Over het algemeen geldt hoe hoger de windturbines, hoe hoger het aanvaringsrisico en dus hoe groter het negatief effect. Voor de Veluwe is dit effect van windturbines rond de Veluwe berekend in het eerder genoemde onderzoek van Altenburg & Wymenga [lit. 3]. Op basis van de meest recente resultaten van dit onderzoek en het hieruit voorkomend handelingsperspectief1, is geconcludeerd dat bij de realisatie windturbines binnen een zone van 8 kilometer rond de Veluwe negatieve gevolgen voor de goede instandhouding van de wespendief kunnen optreden, ook na het nemen van mitigerende maatregelen. De zone van 1 tot 8 km rond de Veluwe is niet separaat beoordeeld. Wel is met een contour aangegeven waar deze zone ophoudt. Effecten op de Wespendief zijn hier niet uitgesloten, maar nader onderzoek naar de IHD is nodig.

De Natura 2000-gebieden Rijntakken en Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein zijn beide aangewezen voor broedvogels, waarvan de verspreiding tijdens het broedseizoen beperkt blijft tot de leefgebieden binnen het Natura 2000-gebied zelf, of hooguit tot een halve kilometer daarbuiten. Een aantal van de aangewezen nietbroedvogels van deze gebieden kan echter op grotere afstand van het Natura 2000-gebied foerageren. Ganzen kunnen bijvoorbeeld tot maximaal 30 kilometer afstand van de slaapplaats foerageren [lit. 4]. Binnen 10 kilometer van slaapplaatsen in de directe omgeving (grootste slaapplaats in de Rhederlaag, kleinere 1

De provincies en RES regio’s gaan in een gezamenlijk proces komen tot een verdere uitwerking en keuzes ten aanzien van de mogelijkheden voor windenergie op en rondom de Veluwe (joint fact finding). Hiertoe wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een (bovenregionaal) ruimtelijk afwegingskader, ruimtelijk perspectief en handelingsperspectief er op is gericht om zoveel mogelijk energie(systeem)rendement te behalen, op juiste plekken met juiste mitigerende maatregelen.

19 | 36

Witteveen+Bos | 134281/23-008.077 | Definitief

slaapplaatsen in de Hondsbroeksche Pleij, Meinerswijk en Immerlooplas) liggen veel geschikte foerageergebieden. Het is daarom aannemelijk dat het overgrote deel van de aangewezen ganzen van Rijntakken en Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein binnen 10 km afstand van deze slaapplaatsen foerageert. Naar verwachting is de realisatie van windturbines in deze zone onder voorwaarden (gepaste mitigerende maatregelen) mogelijk. Bij ligging binnen de 10 km contour van vogelrichtlijngebieden geldt een licht negatief effect (0/-). In en om het plangebied zijn Natura 2000-gebieden de Rijntakken en Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein aangewezen als vogelrichtlijngebieden. Voor de overige gebieden geldt een neutrale (0) beoordeling. Op projectMER-niveau is nader onderzoek nodig om te bepalen wat de effecten zijn van de windturbines op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van de betreffende Natura 2000-gebieden.

4.1.3

Beoordeling alternatieven

Stikstof In het kader van het planMER wordt daarom aangenomen dat alle alternatieven (voor zowel windturbines als zonnevelden) zorgen voor een kleine en tijdelijke, doch (deels) te mitigeren, projectbijdrage. De alternatieven krijgen daarmee allen een voorlopige beoordeling licht negatieve (0/-) beoordeling voor de effecten door stikstofdepositie. Omdat dit voor het gehele plangebied gelijk is, is dit niet op kaart weergegeven. Er dienen in een latere fase, op projectniveau, AERIUS-berekeningen uitgevoerd te worden met de meest recente versie van AERIUS voor zowel de aanleg- als en gebruiksfase, om de precieze gevolgen van stikstof door het gekozen alternatief inzichtelijk te maken. Pas dan kan beoordeeld worden wat de werkelijke milieueffecten zijn. De effectbeoordeling voor dit onderdeel kan daarmee negatiever worden (de stikstofdeposities zijn zodanig hoog dat mitigatie en/of compensatie niet voldoende is om negatieve gevolgen IHD te voorkomen). Overige effecten Onderstaand is per type energietechniek (windturbines en zonnevelden) op kaart (afbeelding 4.1, 4.2 en 4.3) aangegeven welke deelgebieden binnen het plangebied een sterk negatieve (--), negatieve (-) dan wel een neutrale (0) beoordeling krijgen voor het criterium Natura 2000 - overige effecten. Hierbij zijn de harde belemmeringen uitgesloten.

In bijlage II zijn de verschillende alternatieven op deze beoordelingskaarten geprojecteerd. Windturbines Voor de alternatieven Landschap en Leefomgeving geldt dat minstens een deel van het zoekgebied voor windturbines is gelegen binnen Natura 2000 habitattypen, waardoor significant negatieve gevolgen voor IHD ook na het nemen van mitigerende maatregelen niet zijn uit te sluiten. Deze alternatieven krijgen daarom de beoordeling sterk negatief (--). De alternatieven Natuur en RES 1.0 liggen niet binnen de Natura 2000-gebieden, maar omvat zoekgebieden voor windturbines binnen 1,5 km rond Natura 2000-gebieden. Deze alternatieven is daarom voor beide windturbinetypen beoordeeld als negatief (-).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=a104e6fb-8759-48cd-bd49-78bb6ec578e9