Bijlagen bij toelichting_Bijlage 8 Verkennend archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Wezelsedijk - Wezelseberg, Wijchen, Gemeente Wijchen G. M. H. Benerink
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Wezelsedijk - Wezelseberg, Wijchen, Gemeente Wijchen G. M. H. Benerink
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Wezelsedijk - Wezelseberg, Wijchen, Gemeente Wijchen G. M. H. Benerink SOB Research Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek ©SOB Research Heinenoord, november 2020 ISBN/EAN: 978-94-6192-787-3 SOB Research Project nr.: 2790-2009
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Wezelsedijk - Wezelseberg, Wijchen, Gemeente Wijchen
Inhoud 1.
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Planontwikkeling Archeologisch onderzoek Opdrachtverlening en fasering Doel van het onderzoek Onderzoeksteam
3 3 4 5 5
2.
Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken
7
2.1 2.2 2.3 2.4
Archeologisch Bureauonderzoek Archeologisch Verwachtingsmodel Veldonderzoek Uitwerking en rapportage
7 7 7 8
3.
Archeologisch Bureauonderzoek
9
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Geologische gegevens Archeologische gegevens Historische gegevens Luchtfoto’s Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologisch Verwachtingsmodel
9 13 16 21 23 23
4.
Resultaten veldonderzoek
25
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Inleiding Booronderzoek Bodemopbouw Archeologische indicatoren Deselectie vondstmateriaal
25 25 25 28 29
5.
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
31
5.1 5.2
Samenvatting en conclusies Aanbevelingen
31 32
Literatuur
33
Verklarende woordenlijst
35
1
Bijlage 1
Administratieve gegevens
37
Bijlage 2
Archeologische en geologische tijdschaal
39
Bijlage 3
Overzicht Boorgegevens
41
2
1. Inleiding 1.1 Planontwikkeling Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningprocedure (omgevingsvergunning) voor de realisatie van 4 nieuwe, vrijstaande woningen met bijgebouwen en enige bijbehorende infrastructuur ter plaatse van de hoek van de Wezelsedijk en de Wezelseberg te Wijchen (Gemeente Wijchen). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0.57 hectare. De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bouwput voor de nieuwe woningen en bijgebouwen, tot op een diepte van circa 1.0 meter beneden het maaiveld, de aanleg van een ontsluitingsweg, en de aanleg van kabel- en leidingsleuven. Het bestaande perceel zal worden opgesplitst in een viertal woonpercelen met vier vrijstaande woningen, waarvan twee met een losstaand bijgebouw (zie Afbeelding 4). De oppervlakte van de nieuwe bebouwing (inclusief bijgebouw) bedraagt respectievelijk circa 136, 128, 133 en 140 vierkante meter.
Afbeelding 1. De ligging van het plangebied (rode stip) in Nederland.
1.2 Archeologisch onderzoek Op de kaart van het vigerende bestemmingsplan ‘Geconsolideerde versie Buitengebied en herziening 2014’ 1 wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie - 2). 2 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 28 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 120 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld. In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de vergunningprocedure voor de planontwikkeling moest dan ook een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen (IVO-Overig) worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. 1
Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Wijchen geconsolideerd op 23 februari 2015. Deze archeologische verwachting is gebaseerd op de Archeologische Beleidskaart voor de Gemeente Wijchen, Kaartbijlage 2, Blad 2, waarop ter plaatse van het plangebied en de omgeving daarvan een zone wordt weergegeven met een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden; zie Goossens & Flokstra, 2008.
2
3
1.3 Opdrachtverlening en fasering Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 17 juni 2020) heeft Arqui Bouwmanagement B.V. op 6 september 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 17 september 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 5 boringen gezet tot een diepte van 2.5 meter beneden het maaiveld. De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport dat op 18 september 2020 ter beoordeling is voorgelegd aan de Gemeente Wijchen. Na de ontvangst van de beoordeling van het conceptrapport door de archeologisch adviseur van de gemeente, op 2 november 2020, is de gevraagde aanpassing in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt.
Afbeelding 2. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: PDOK, 2020. Schaal 1: 25.000.
4
1.4 Doel van het onderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was om op basis van de bestaande archeologische, historische en geologische informatie de gespecificeerde archeologische verwachting voor deze locatie nader vast te stellen. Daarnaast zijn gegevens verzameld over de (sub-)recente bouwgeschiedenis ter plaatse van het plangebied en is een inventarisatie gemaakt van de als gevolg van de planrealisatie te verwachten bodemverstoringen. Het doel van het verkennend booronderzoek (IVO-Overig) was om deze gespecificeerde archeologische verwachting nader te toetsen. Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw, de kans op de aanwezigheid van archeologische resten en de diepteligging daarvan en de kans dat mogelijk aanwezige archeologische resten als gevolg van de met de planrealisatie samenhangende bodemverstoringen verloren zouden kunnen gaan.
1.5 Onderzoeksteam Het onderzoek is uitgevoerd door: G. M. H. Benerink J. E. van den Bosch
bureauonderzoek, veldonderzoek en rapportage eindredactie en interne autorisatie
Afbeelding 3. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. De bestaande bebouwing is grijs gemarkeerd. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 2.000.
5
Afbeelding 4. De toekomstige situatie met de geplande nieuwbouw ter plaatse van het plangebied. Bron: Buro Waalbrug, d.d. 12 februari 2020.
6
2. Onderzoekssysteem: gehanteerde methoden en technieken 2.1 Archeologisch Bureauonderzoek Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek was het verwerven van informatie, op basis van bestaande bronnen, over bekende of te verwachten archeologische waarden, ter plaatse - of in de omgeving - van het plangebied, om op basis daarvan een gespecificeerde, archeologische verwachting vast te stellen. In het kader van de uitvoering van het Archeologisch Bureauonderzoek zijn diverse archieven geraadpleegd, waaronder de archieven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3), Dans Easy (KNAW), TNO-GDN (DINO-loket), het Kadaster Geo-Informatie en de AWN, Afdeling Regio Nijmegen. Daarnaast is er over het plangebied en de directe omgeving daarvan nadere archeologische en historische informatie vergaard uit meerdere bronnen. Het Archeologisch Bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4002 Bureauonderzoek.
2.2 Archeologisch Verwachtingsmodel Op basis van de bij het Archeologisch Bureauonderzoek verworven informatie is het Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Dit betreft de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische vondstcomplexen (mogelijke aard, gaafheid en ouderdom), in relatie tot de geologische ondergrond (mogelijke diepteligging en context).
2.3 Veldonderzoek 2.3.1 Booronderzoek Op basis van het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak is ter plaatse van het plangebied het booronderzoek (IVO-Overig, verkennend en karterend) uitgevoerd. Dit ter toetsing en aanvulling van het op basis van het bureauonderzoek opgestelde Archeologische Verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (versie 4.1, 2018) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Er zijn 5 boringen uitgevoerd. De boringen zijn tot een maximale boordiepte van 2.4 - 3.0 meter beneden het maaiveld uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 12 centimeter. Voor het diepst gelegen traject beneden 2 meter onder het maaiveld, waarin kleiige zandlagen of kleilagen zijn aangetroffen, is een gutsboor met een diameter van 3 centimeter gebruikt. In overleg met de bevoegde overheid diende bij een intacte bodemopbouw direct te worden overgestapt op een karterende boormethode. Vanwege de kleine omvang van het plangebied en het ontbreken van een specifieke verwachting is conform de ‘Leidraad voor karterend booronderzoek’ volgens ‘standaardmethode E1’gewerkt 3, waarbij dus een Edelmanboor met een diameter van 15 centimeter is gebruikt en het boorresidu vervolgens is gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm.
Het gehanteerde boorgrid (de dichtheid van - en de afstand tussen de boringen) was afdoende voor de karterende boormethode. Bij iedere boring zijn de verschillende geologische afzettingen ingemeten ten opzichte van het maaiveld. De NAP-hoogte van het maaiveld en de locaties van de boringen zijn bepaald met gebruikmaking van een GPS (Sokkia Rover GRX1). De maximale onnauwkeurigheid van dit meetsysteem bedraagt +/- 3 centimeter.
3
Tol, et al., 2012: 38-39 en 46.
7
Door middel van boringen kan de aard en de mate van intactheid van de bodemopbouw worden bepaald en kan inzicht worden verkregen in de geologische opbouw van een gebied. Dit is vooral van belang omdat de bewoningsmogelijkheden in Nederland tot de Romeinse Tijd volledig afhankelijk waren van de landschappelijke situatie. Ook voor wat betreft de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen was er, ondanks de toegenomen mogelijkheden om door middel van bedijking, afdamming of kanalisering het landschap vorm te geven, nog steeds sprake van een sterke relatie tussen het natuurlijke landschap en de mogelijkheden tot bewoning. Booronderzoek is geen valide methode voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Wel kan met een booronderzoek de stratigrafie en de aard van mogelijk archeologisch interessante grondlagen globaal worden bepaald. Soms kunnen ook direct al archeologische indicatoren worden getraceerd. Indicatoren voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen zijn onder meer de aanwezigheid van houtskool, verbrand bot, aardewerkfragmenten, potgruis, vuursteen, puin of verstoorde grondlagen. 2.3.2 Oppervlaktekartering Bij een oppervlaktekartering wordt een terrein onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten op het maaiveld.
In gebieden waar archeologisch belangrijke lagen op geringe diepte beneden het maaiveld liggen kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering zinvol zijn. Vooral recent geploegde akkers bieden goede mogelijkheden voor de toepassing van deze onderzoeksmethodiek. Ter plaatse van het plangebied was ten tijde van het veldonderzoek begroeiing aanwezig. De uitvoering van een oppervlaktekartering was daarom niet mogelijk.
2.4 Uitwerking en rapportage Na het onderzoek zijn de onderzoeksgegevens uitgewerkt en geanalyseerd. Tevens is een advies opgesteld, op basis waarvan een beslissing kan worden genomen ten aanzien van de noodzaak tot een vervolgonderzoek of een planaanpassing. Ter afronding van het Archeologisch Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek is het nu voorliggende eindrapport opgesteld. De documentatie is in beheer bij SOB Research. Na de definitieve oplevering van het eindrapport zullen het rapport en de digitale informatie worden aangeleverd aan het landelijke E-depot (Danseasy) en zal het rapport tevens worden gedeponeerd in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3). Alle kaarten in het rapport zijn zuid (onder) - noord (boven) georiënteerd, of wanneer dat niet het geval is, voorzien van een noordpijl.
8
3. Archeologisch Bureauonderzoek 3.1 Geologische gegevens 3.1.1 Inleiding Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving daarvan, is gebruik gemaakt van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Tiel Oost (39 O). 4 Deze door de Rijks Geologische Dienst in 1984 gepubliceerde kaart en de bijbehorende toelichting bieden een gedegen beeld voor wat betreft de geologische opbouw in dit deel van Nederland. Daarnaast is gebruik gemaakt van de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en van de Geomorfologische kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) en is het archief van TNO-GDN (DINOloket) geraadpleegd. Een nadeel bij het gebruik van de kaarten is de relatieve grofschaligheid van de informatie. De informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en paleogeografische situatie. 3.1.2 Regionale geologische context Het plangebied ligt net buiten de bebouwde kom van Wijchen. Wijchen ligt in het rivierengebied ingeklemd tussen de Waal in het noorden en de Maas in het zuiden en is daardoor langdurig beïnvloed door sedimentatie vanuit de voorgangers van deze rivieren. Voornamelijk de Rijn heeft dikke pakketten grind, zand en klei afgezet.
In de ondergrond zijn oude rivierafzettingen aanwezig van de Rijn die behoren tot de Formatie van Kreftenheye en zijn afgezet tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 - 11.700 jaar geleden). De rivieren hadden in deze periode een vlechtend patroon met meerdere geulen en een onregelmatige afvoer. Vanaf het Laat Glaciaal (circa 15.000 11.700 jaar geleden) tot in het Vroeg Holoceen (vanaf circa 11.700 jaar geleden) begonnen de rivieren te meanderen. Op het zand en grind van de Formatie van Kreftenheye werd een pakket compacte, zandige klei afgezet, de Laag van Wijchen. Deze Laag van Wijchen wordt gevormd door klei die tijdens overstromingen in de riviervlakte werd afgezet en waar vervolgens zand op werd afgezet. De afzetting van zand vanuit de rivierbedding zorgde in het rivierengebied voor het ontstaan van lokale rivierduinen. De rivierduinen stammen uit de Jonge Dryas (circa 12.700 - 11.700 jaar geleden). In deze periode was het tijdelijk heel koud en droog en hadden de rivieren deels weer een vlechtend patroon gekregen, zodat een groot deel van de overstromingsvlakte een groot deel van het jaar droog lag en onbegroeid bleef. Op deze manier was weer zand beschikbaar dat door de wind is weggeblazen en elders is afgezet. Het rivierduinzand bestaat uit matig gesorteerd, matig grof zand en wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen.
Verder van de rivier af is fijner zand afgezet. Dit (vaak lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 - 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. 5 3.1.3 Geologische opbouw ter plaatse van het plangebied Op de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Kaartblad Tiel Oost (39O) wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met de code S-Kr (zie Afbeelding 5). Op basis daarvan en op basis van de bij eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek verzamelde gegevens, moet worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een bodemopbouw kan worden verwacht met (stuifzand-) Afzettingen van de Formatie van Kootwijk, op (rivierduin-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, al dan niet op (rivier-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye..
4 5
Verbraeck, 1984 Melis, 2020
9
De omringende zone, die wordt weergegeven met de code Kre, betreft een zone met rivierduinafzettingen (Formatie van Kreftenheye), mogelijk plaatselijk bedekt met een dunne laag middeleeuse (stuifzand-) Afzettingen van de Formatie van Kootwijk. De uitgebreide zone ten noorden van het plangebied met de code k, betreft holocene komafzettingen (Betuwe Formatie).
Afbeelding 5. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Tiel Oost (39 O). Schaal 1: 25.000.
Op basis van de bij de Geologische Kaart van Nederland behorende profielkaarten - en met name op basis van Profiel D - D’ -, kunnen uitspraken worden gedaan over de te verwachte diepteligging van de verschillende afzettingen en de daarmee samenhangende diepteligging van mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen (zie Afbeelding 5 en 6). De top van de Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye kan dagzomend worden aangetroffen, mogelijk kan plaatselijk sprake zijn van een dunne afdekking met stuifzand dat is afgezet aan het begin van de Late Middeleeuwen (Afzettingen van de Formatie van Kootwijk).
10
Afbeelding 6. Het meest zuidelijke, uitvergrote deel van Profiellijn D - D’ (Profielen behorende bij de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Tiel Oost (39O)). Deze zuidwest - noordoost georiënteerde profiellijn (van links naar rechts) betreft een dwarsdoorsnede, op een afstand van 2.5 kilometer ten westen van het plangebied. De met het plangebied vergelijkbare geologische situatie is gemarkeerd met een rode punt. Horizontale schaal 1: 25.000, verticale schaal 1: 250.
Afbeelding 7. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland.. Bron: PDOK, 2020. Schaal 1: 10.000
11
Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het grootste deel van het plangebied een zone met de code B57 weergegeven (zie Afbeelding 7). Dit betreft een zone met ‘rivierduin’. Ter plaatse van het meest noordwestelijke deel van het plangebied wordt en zone weergegeven met de code M42. Dit betreft een zone met ‘terrasvlakte’. Opmerkelijk is dat ten zuiden van het plangebied een zone wordt weergegeven met de code L51. Dit betreft een zone met ‘dekzandwelvingen’. Dit komt niet overeen met de Geologische Kaart, op basis waarvan een afdekking met stuifzand van de Formatie van Kootwijk wordt verwacht en niet een afdekking met dekzand van de Formatie van Twente. Op de Bodemkaart van Nederland (Archis3/ Alterra) wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met de code Zd30 (zie Afbeelding 8). Dit betreft een zone met een ‘duinvaaggrond’. Duinvaaggronden komen hoofdzakelijk voor op jonge duinen en stuifzanden. Duinvaaggronden betreffen schrale gronden met weinig tekenen van bodemvorming. De aanwezigheid van een duinvaaggrond ter plaatse van het plangebied zou eerder wijzen op de aanwezigheid van stuifzand (Formatie van Kootwijk), dan op dekzand.
Afbeelding 8. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
12
In het DINO-loket (TNO-GDN) zijn de boorgegevens gearchiveerd van boringen die in het verleden zijn uitgevoerd. In het kader van het onderzoek zijn de gegevens geanalyseerd van 2 in het DINOloket gearchiveerde boringen, die in het verleden in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. Dit betreft Boring nr. B39H0930 (100 meter ten westen van het plangebied) en B39H0941 (25 meter ten noorden van het plangebied). De ter plaatse van deze boringen aangetroffen bodemopbouw komt op hoofdlijnen overeen met de bodemopbouw die op basis van de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000 kon worden verwacht. Op basis van de analyse en de interpretatie van de boorgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van Boring nr. B39H0930 sprake is van een bodemopbouw met een laag fijn zand (tot 0.2 meter beneden maaiveld) op een pakket met uiterst grof zand (tot ten minste 1.5 meter beneden maaiveld). Dit betreft Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, waarbij het grove zand een rivierafzetting betreft en het fijne zand een eolische afzetting. Ter plaatse van Boring nr. B39H0941 werd een bodemopbouw aangetroffen met een laag fijn zand (waarvan het bovenste segment sterk humeus) met een dikte van 1.0 meter, op een laag zandige klei met een inschakeling van gyttja, tot op een diepte van 2.0 meter beneden het maaiveld.
Hieronder werd opnieuw een laag fijn zand aangetroffen (tot een diepte van circa 2.7 meter beneden het maaiveld), op een pakket met zeer en uiterst grof zand (tot een diepte van tenminste 5 meter beneden het maaiveld). De onderste laag betreft (rivier-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye met mogelijk daarop een laag eolisch (rivierduin)zand. De kleilaag betreft vermoedelijk de Laag van Wijchen. De bovenste zandlaag betreft een eolische afzetting.
3.2 Archeologische gegevens Voor een overzicht van de reeds bestaande kennis ten aanzien van archeologische vindplaatsen ter plaatse - en in de omgeving - van het plangebied zijn onder meer de Archeologische Beleidskaart, Kaartbijlage 2, Blad 2, van de Gemeente Wijchen en het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3) geraadpleegd.
Afbeelding 9. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Wijchen, Kaartbijlage 2, Blad 2. Het plangebied ligt ter plaatse van een zone met een hoge archeologische verwachting (lichtoranje zone) en maakt onderdeel uit van een gemeentelijke vindplaats (zwarte arcering). Bron: Goossens & Flokstra, 2008.
13
Op de Archeologische Beleidskaart, Kaartbijlage 2, Blad 2, van de Gemeente Wijchen, wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten (zie Afbeelding 9). 6 Bovendien is het plangebied gelegen ter plaatse van een zone die op deze kaart is aangeduid als een gemeentelijke vindplaats. Ter plaatse van het plangebied werd nog geen geregistreerd archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden wel geregistreerde archeologische onderzoeken uitgevoerd. Waar deze onderzoeken tot resultaten hebben geleid is op de kaart van Archis3 een archeologische vondstlocatie weergegeven.
Afbeelding 10. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische onderzoeken (geel gemarkeerd), die zijn uitgevoerd in de omgeving van het plangebied (oranje gemarkeerd en rood omkaderd). Bron: Archis3, 2020.
Op de kaart van Archis3 (het centrale archief voor de bekende archeologische vindplaatsen in Nederland) worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische monumenten weergegeven. Op deze kaart wordt in de directe omgeving van het plangebied wel een archeologisch monument (AMKterrein) weergegeven (zie Afbeelding 8). Dit AMK-terrein wordt ook weergegeven op de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Wijchen (zie Afbeelding 9). Het betreft Monument nr. 12.651, dat is gelegen op circa 450 meter ten westen van het plangebied in het Leursche Bos. Ter plaatse van dit AMK-terrein zijn resten aanwezig van een nederzettingsterrein uit de IJzertijd, met mogelijk resten van een urnenveld. De overige, op grotere afstand van het plangebied gelegen archeologische monumenten zijn buiten beschouwing gelaten. Op de kaart van Archis3 worden ter plaatse van het plangebied geen archeologische vondstlocaties weergegeven. Op deze kaart worden in de directe omgeving van het plangebied wel een aantal archeologische vondstlocaties weergegeven (zie Afbeelding 11). Dit betreft:
6
Huizer et al., 2009
14
- Vondstlocatie A (Zaakidentificatie nr. 2753906100). Dit betreft het reeds vermelde AMK-terrein (Monument nr. 12.651) in het Leursche Bosch in 1976. Het betreft de vondst van spinklosjes, slingerkogels, handgevormd aardewerk en een bronzen ring uit de IJzertijd. - Vondstlocatie B (Zaakidentificatie nr. 2839061100). Ter plaatse van deze locatie te Woezik werden in 1968 door Stiboka enkele vondsten gemeld. Het betreft een randfragment van een potbeker uit de periode van het Laat Neolithicum B - Vroege Bronstijd en een tweede niet nader te dateren fragment handgevormd aardewerk. - Vondstlocatie C (Zaakidentificatie nr. 3108556100). Ter plaatse van deze vindplaats te Achterlo bij de blokhut werden in 1974 fragmenten aangetroffen van Hilversum-Drakenstein-Laren aardewerk uit de Midden Bronstijd. - Vondstlocatie D (nr. 2709129100). Ter plaatse van deze locatie langs de Woeziksestraat werd een randfragment van handgevormd aardewerk uit de Vroege Bronstijd aangetroffen, alsook een aantal vuurstenen werktuigen en bewerkingsafval, daterend uit het Neolithicum. - Vondstlocatie E (Zaakidentificatie nr. 3086484100). Hier werd in 1960 op de Wezelsche Berg een lanspunt uit de Romeinse Tijd aangetroffen, alsook een urn uit de Vroege IJzertijd. - Vondstlocatie F (nr. 3213394100).
Bij een veldkartering en booronderzoek, die in 2003 werden uitgevoerd door RAAP, werden ter plaatse van de Hoefsestraat aardewerkfragmenten aangetroffen uit de Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen. De vondsten werden zowel in de huidige bouwvoor, alsook tot op een diepte van 0.85 meter beneden het maaiveld aangetroffen. Verondersteld wordt dat ter plaatse de resten van een nederzettingsterrein uit deze periode zijn gelegen. - Vondstlocatie G (Zaakidentificatie 3067027100): In 1973 zijn hier bij graafwerkzaamheden fragmenten handgevormd aardewerk en menselijke crematieresten aangetroffen. De resten kunnen worden gerelateerd aan een grafveld dat in elk geval in de Midden IJzertijd in gebruik is geweest. - Vondstlocatie H (Zaakidentificatie nr. 2801825100): Ter plaatse van deze locatie (Woezikse Zand) is door de AWN in 1990 een zware rechthoekige fundering van baksteen- en mergelblokken aangetroffen. Deze gebouwstructuur is gedateerd in de Vroege Nieuwe Tijd. - Vondstlocatie I (Zaakidentificatie nr. 3108783100): Ter plaatse van deze vondstlocatie, gelegen ten westen van de Katholieke school te Woezik werd in 1951 een opgraving uitgevoerd door de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Bij het onderzoek zijn diverse grondsporen uit de Prehistorie aangetroffen. Daarnaast is aardewerk uit verschillende perioden aangetroffen.
Dit betreft onder meer enkele fragmenten van Klokbeker- en Potbeker-aardewerk, daterend uit het Laat Neolithicum en vooral handgevormd aardewerk uit de Vroege IJzertijd. Daarnaast is in de bouwvoor ook aardewerk aangetroffen uit de Vroege en Volle Middeleeuwen. De overige, op grotere afstand van het plangebied gelegen archeologische vondstlocaties zijn buiten beschouwing gelaten. Hoewel de exacte locatie niet bekend is, moet nog vermeld worden dat ook het bekende vorstengraf van Wijchen, een wagengraf uit de Vroege IJzertijd, is aangetroffen op de Wezelsche Berg tijdens graafwerk in 1897. Dit uitzonderlijke graf, waarin de resten waren bijgezet van een welgesteld persoon, bevatte de bronzen onderdelen van een verbrande houten wagen. Er wordt vermoed dat de wagen en andere grafgiften samen met de overleden persoon op de brandstapel zijn verbrand en vervolgens in de grafheuvel zijn bijgezet. Deze vondsten zijn opgenomen in de collectie van Museum Het Valkhof te Nijmegen. 7
7
https://www.archeologieopdekaart.nl/ijzertijd/wijchen/pointofinterest/detail
15
Afbeelding 11. De ligging van de in Archis3 geregistreerde archeologische vondstlocaties (gemarkeerd met donkergrijze stippen), in de omgeving van het plangebied (oranje gemarkeerd en rood omkaderd). Bron: Archis3, 2020.
3.3 Historische gegevens Het plangebied ligt ter plaatse van de hoek Wezelsedijk/ Wezelseberg en dit gebied behoorde als onderdeel van de Wezelsche Berg oorspronkelijk tot het dorpsgebied van Woezik en de Gemeente Wijchen. De beide wegen waaraan het plangebied is gelegen betreffen twee oude wegen die reeds worden weergegeven op de oudste beschikbare kaarten. In het kader van de analyse van de historische informatie zijn de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832, de Militaire Topografische Kaart uit 1868 en de Topografische Kaart uit 1894, 1918, 1928, 1957, 1966 en 1998 geraadpleegd. Op de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 worden de wegen ‘Wezelschen Dijk’ aan de westzijde en ‘Woeziksche Straat’ aan de zuidzijde al bij naam weergegeven (zie Afbeelding 12). Ook de weg aan de noordzijde van het plangebied, die nu de Wezelseberg heet wordt op deze kaart al weergegeven (zonder benaming). Zowel ten westen alsook ten noorden van de locatie van het plangebied worden op deze kaart al kleine boerenerven weergegeven. Het perceel ter plaatse van het huidige plangebied was destijds nog onontgonnen heidegrond, in gemeenschappelijk eigendom van ‘het Dorp van Wijchen’.
Op de Militaire Topografische Kaart uit 1868 is zichtbaar dat het perceel dat was gelegen ter plaatse van het grootste deel van het plangebied inmiddels was ontgonnen en als akker in gebruik was (zie Afbeelding 13). Vermoedelijk heeft deze ontginning plaatsgevonden in de periode tussen 1850 en 1868. Ter plaatse van het meest zuidoostelijke deel van het plangebied lag toen nog een onontgonnen heideperceel. Op deze kaart worden ook reliëfcontouren aangeduid, waaruit kan worden opgemaakt ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied toen een kleine lokale opduiking was gelegen, mogelijk een stuifduin of een hoger gelegen kop van een rivierduin. Ook ten oosten van de locatie van het plangebied wordt een hoger gelegen kop weergegeven. Aan het eind van de 19de eeuw werd nog een overeenkomstig beeld weergegeven en was de situatie ter plaatse van het plangebied onveranderd (zie Afbeelding 14).
16
Afbeelding 12. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832. Bron: https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl, 2020. Schaal 1: 2.500.
Afbeelding 13. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Militaire Topografische Kaart uit 1868. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
17
Op de Topografische Kaart van 1918 wordt voor het eerst een veranderde situatie weergegeven (zie Afbeelding 15). Ter plaatse van de heidegrond ten zuiden van het plangebied - en ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied - was toen een verkaveling aanwezig in meerdere kleine percelen. Deze waren voor een deel met bos aangeplant en bestonden voor een deel nog uit heidegrond. Getuige de aanwezige reliëfaanduiding waren de verhogingen in het landschap hier nog grotendeels aanwezig. In deze tijd moet ook de bebouwing aan de oost- en zuidzijde van het plangebied zijn gerealiseerd, terwijl de bebouwing ten noorden van het plangebied niet meer wordt weergegeven. Tussen 1918 en 1928 waren de percelen die op de eerdere kaarten nog worden aangeduid als heidegrond, omgevormd tot akkerpercelen (zie Afbeelding 16).
Afbeelding 14. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1894. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
18
Afbeelding 15. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1918. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
Afbeelding 16. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1928. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
19
Ergens in de periode tussen 1928 en 1957 moet de huidige situatie binnen het plangebied tot stand zijn gekomen. Daarbij ontstond ook het perceel dat als zodanig het onderhavige plangebied vormt (zie Afbeelding 17). De natuurlijke verhogingen ter plaatse van de zuidzijde en de oostzijde van het plangebied worden op de Topografische Kaart uit 1957 nog steeds weergegeven en het perceel aan de zuidzijde was toen nog begroeid met bos. Mogelijk is bij de totstandkoming van het huidige perceel het zuidoostelijke deel van het plangebied enigszins geëgaliseerd.
Afbeelding 17. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1957. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
Tussen 1957 en 1966 heeft ten zuiden van het plangebied nog een ingrijpende verandering plaatsgevonden. De natuurlijke verhoging met bos is hierbij geheel verdwenen. Een vergelijk met het Actueel Hoogtebestand van Nederland (zie Afbeelding 20) leert dat deze vermoedelijke zandrug geheel is afgegraven. De natuurlijke verhoging aan de oostzijde van het plangebied is nog wel aanwezig. Sinds deze tijd lijkt het perceel binnen het plangebied ook definitief tot een weideperceel te zijn omgevormd en zal deze slechts nog incidenteel zijn geploegd. Op de Topografische Kaart uit 1998 wordt voor het eerst een gebouw ter plaatse van het plangebied weergegeven. Dit betreft de bestaande overkapping voor de paarden. Het perceel is sindsdien in gebruik als paardenweide.
20
Afbeelding 18. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1966. Bron: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 10.000.
3.4 Luchtfoto’s In het kader van het onderzoek zijn meerdere luchtfoto ‘s geraadpleegd. Dit betrof onder meer een foto die is genomen op 19 september 1944 (zie Afbeelding 19) en een foto die is genomen op 28 april 1989 (ROBAS, fotonummer 39830). Op de luchtfoto uit 1944 is zichtbaar dat er toen ter plaatse van het plangebied geen bebouwing aanwezig was en dat het perceel begroeid was met gras. Langs de westelijke, noordelijke en oostelijke perceelsgrens was een houtwal aanwezig. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied zijn enkele lichtere verkleuringen zichtbaar die duiden op een verhoogde ligging. Vaag lijkt er ook sprake van licht gekleurde, lijnvormige, min of meer rond verlopende elementen die mogelijk op kleine walletjes duiden. Hoewel dit jonge structuren zouden kunnen betreffen zou ook sprake kunnen zijn van aanwijzingen voor archeologische structuren. Op de luchtfoto uit 1989 zijn geen aanvullende bijzonderheden zichtbaar.
21
Afbeelding 19. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitvergrote uitsnede van een luchtfoto van 19 september 1944. Bron: https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf, 2020.
Afbeelding 20. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De oranje en gele zones betreffen de hoger gelegen zones, de blauwe en groene zones betreffen de lager gelegen zones. Bron: AHN (http://www.ahn.nl), 2020.
22
3.5 Actueel Hoogtebestand Nederland In het kader van het onderzoek is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd (zie Afbeelding 20). Het maaiveld ligt ter plaatse van het plangebied op een hoogte van circa 7.95 - 8.75 meter +NAP, geleidelijk oplopend vanaf noordwestelijke naar zuidelijke richting. Alleen ter plaatse van het meest zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt het maaiveld juist weer iets lager te zijn gelegen. Ten zuidoosten van het plangebied is duidelijk sprake geweest van een afgraving van de oorspronkelijke rug. Dit werd reeds geconstateerd in Hoofdstuk 3.3, waarbij deze afgraving tussen 1957 en 1966 kan worden gedateerd. Vermoedelijk heeft deze afgraving dus ook ter plaatse van het meest zuidoostelijke deel van het plangebied plaatsgevonden.
3.6 Archeologisch Verwachtingsmodel Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met rivierduin-afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Mogelijk is er tevens sprake van een dunne afdekking met stuifzandafzettingen van de Formatie van Kootwijk. Vanwege de grotendeels 19de eeuwse ontginning van het perceel mag worden verwacht dat er geen of slechts in geringe mate een akkerdek is gevormd. De natuurlijke afzettingen zullen dus dagzomend aanwezig zijn. In deze regio kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode van het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe Tijd. In deze regio zijn tot nu toe archeologische resten aangetroffen uit alle perioden van het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe Tijd. Het deel van het rivierduin-complex waarop het plangebied is gelegen is bijzonder rijk aan archeologische vindplaatsen uit de periode van het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. In principe kunnen archeologische resten uit alle perioden dagzomend worden aangetroffen. Echter, er zou sprake kunnen zijn van een afdekking met stuifzand, waardoor archeologische resten bedekt kunnen zijn geraakt. Bij onderzoek ter plaatse van Wijchen-Oostflank is aangetoond dat omvangrijke verstuivingen al plaatsvonden zo vroeg als het Neolithicum. 8 De meeste grootschalige verstuivingen zullen echter gedurende de Late Middeleeuwen en (Vroege) Nieuwe Tijd hebben plaatsgevonden.
Voor mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen geldt dat vrijwel alle in deze regio bekende complextypen uit de voornoemde perioden aanwezig zouden kunnen zijn Het zou immers kunnen gaan om nederzettingsterreinen, activiteitenzones, grafvelden, maar ook om akker- en/of weidegebieden, enz. Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische sporen kunnen op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek geen conclusies worden getrokken. Op een luchtfoto uit 1944 zijn mogelijk archeologische structuren waargenomen ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het plangebied. Ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt sprake te zijn geweest van de afgraving van de hier oorspronkelijk aanwezige zandrug. Het is niet bekend of het hier gaat om een hoger gelegen deel van het rivierduin, of een jonger stuifduin. In het laatste geval kunnen oorspronkelijk afdekte archeologische resten nog bewaard zijn gebleven. In het eerste geval zouden mogelijk aanwezige archeologische resten hier kunnen zijn verstoord. Er zijn geen directe aanwijzingen dat ter plaatse van het overige deel van het plangebied ook omvangrijke bodemverstoringen hebben plaatsgevonden.
Gezien het feit dat het een jonge ontginning betreft zal er wel ten minste sprake zijn van een ondiepe verstoring van de dagzomende natuurlijke afzettingen, maar ingegraven archeologische sporen kunnen daarbij nog bewaard zijn gebleven. Archeologisch vondstmateriaal zal in dat geval in de aanwezige bouwvoor zijn opgenomen.
8
Van Kampen, 2012
23
24
4. Resultaten veldonderzoek 4.1 Inleiding Ten tijde van het booronderzoek (IVO-Overig) was ter plaatse van het plangebied een paardenweide aanwezig. Langs de westelijke perceelsgrens was sprake van een klein bijgebouw in de vorm van een overkapping voor de paarden. De uitvoering van een oppervlaktekartering was door de aanwezige begroeiing niet mogelijk. Het maaiveld lag ter plaatse van de boorlocaties op een hoogte van circa 8.30 - 8.75 meter +NAP.
Afbeelding 21. Een foto van het plangebied ten tijde van het booronderzoek op 17 september 2020. De foto is genomen vanuit westelijke richting.
4.2 Booronderzoek Er zijn gelijkmatig verspreid over het plangebied 5 boringen uitgevoerd, tot een diepte van circa 2.4 3.0 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 22 en 23). Bij het plaatsen van de boringen is rekening gehouden met de locaties van de geplande nieuwbouw. Boring nr. 1, 2, 3 en 5 zijn daarbij elk ter plaatse van de een geplande woninglocatie geplaatst. Boring nr. 4 werd uitgevoerd ter plaatse van de geplande uitvalsweg (zie Afbeelding 4 en 22).
4.3 Bodemopbouw Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een bodemopbouw aanwezig is met Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Tevens is ter plaatse van het meest noordelijke deel van het plangebied, de zone rondom Boring nr. 5, waarschijnlijk sprake van een afdekking met Afzettingen van de Formatie van Kootwijk.
25
Afbeelding 22. Het plangebied (rood omkaderd) en de locaties van de boringen (blauw gemarkeerd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. Bron GBKN: Esri Nederland, 2020. Schaal 1: 1.000.
De Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye zijn, met uitzondering van de locatie ter plaatse van Boring nr. 5, direct beneden de bouwvoor/ subrecent verstoorde bovenlaag aangetroffen. Deze afzettingen bestonden overwegend uit matig gesorteerd, matig grof zand. Op een diepte van 1.5 - 2.4 meter beneden het maaiveld (circa 6.3 - 6.8 meter +NAP werd ter plaatse van Boring nr. 1, 2, 4 en 5 een humeuze zandlaag (paleosol) aangetroffen. Deze humeuze zandlaag bevatte nog zichtbare houtresten, mogelijk van wortels. Onder deze laag werd ter plaatse van Boring nr. 2, op een diepte van 2.25 - 2.95 meter beneden het maaiveld, een kleilaag aangetroffen, met een zandige klei en een inschakeling van gyttja. Ook ter plaatse van Boring nr. 5 werd op een diepte van 1.50 – 1.75 meter beneden het maaiveld een kleilaag aangetroffen. Vermoedelijk betreft dit Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, Laagpakket van Wijchen,. Het bovenliggende pakket met overwegend matig grof zand betreft dan (rivierduin-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Ter plaatse van Boring nr. 5 was sprake van een lichte afwijking ten opzichte van de andere boringen. Hier werd op een diepte van 1.15 - 1.25 meter beneden het maaiveld (7.05 - 7.15 meter +NAP) een paleosol vastgesteld, een vaalgrijs bodemniveau met enkele houtskoolspikkels.
Dit betekent dat de bovenliggende zandafdekking mogelijk van Holocene ouderdom is en dus stuifzand zou betreffen Afzettingen van de Formatie van Kootwijk).
26
Boring nr. 5 betreft de meest noordelijk boring en is vermoedelijk uitgevoerd ter plaatse van de flank van het rivierduin op de overgang naar de terrasvlakte. Opvallend is wel dat het humeuze bodemniveau van de Laag van Wijchen ter plaatse van Boring nr. 5 juist het hoogste was gelegen. Dit kan twee oorzaken hebben. Ten eerste kan door het naar het zuiden toe dikker wordende zandpakket de onderliggende kleiafzettingen hier meer zijn ingeklonken. Ten tweede lijkt hier op de klei-afzetting - en voorafgaand aan de bodemvorming boven de Laag van Wijchen - nog plaatselijk een eolische afzetting te zijn afgezet.
Afbeelding 23. Grafische weergave van Boring nr. 1 t/m 5.
Ter plaatse van de meest westelijke boringen (Boring nr. 2 en 5) is een grijze gevlektheid vastgesteld in de top van de natuurlijke afzettingen. Ter plaatse van Boring nr. 5 werden daarin ook houtskoolspikkels vastgesteld. Mogelijk gaat het om bioturbatie vanuit een oorspronkelijk bovengelegen oudere laag, die later geheel in de bouwvoor is opgenomen.
27
Afbeelding 24. Links een foto van het boorsegment van Boring nr. 2, op een diepte van 2.10 - 2.50 meter beneden het maaiveld. Rechts een foto van het boorsegment van Boring nr. 4, op een diepte van 2.10 - 2.50 meter beneden het maaiveld.
4.4 Archeologische indicatoren Er werden in enkele boringen (mogelijke) archeologische indicatoren aangetroffen. - Ter plaatse van Boring nr. 2 werd op een diepte van 2.36 - 2.72 meter beneden het maaiveld (6.01 6.37 meter +NAP) enkele houtskoolspikkels vastgesteld. Aangezien het een dieper niveau in een verder ‘schone’ kleilaag betreft (Laag van Wijchen) wordt aangenomen dat deze houtskool op natuurlijke wijze in de afzetting is opgenomen, mogelijk gerelateerd aan het vulkanisme in de Eiffel. - Ter plaatse van Boring nr. 5 werd in de bouwvoor een fragment van de ketel van een tabakspijp aangetroffen. Het fragment is niet nader te dateren dan in de Nieuwe tijd (ca. 1600 - 1900). - Ter plaatse van Boring nr. 5 werd op een diepte van 0.50 - 0.65 meter beneden het maaiveld (7.65 7.8 meter +NAP) een klein fragmentje van handgevormd aardewerk aangetroffen (circa 5 mm). Het fragment kan niet nader worden gedateerd dan in de periode van het Neolithicum t/m Middeleeuwen. De laag betreft een zandlaag (C-horizont) met vermoedelijk enige bioturbatieverschijnselen. Ook hierin werden houtskoolspikkels vastgesteld.
28
Daarbij dient te worden opgemerkt dat het booronderzoek niet was gericht op het opsporen van archeologische indicatoren. Daarvoor is deze methode niet geschikt. De afwezigheid van archeologische indicatoren in boringen kan dan ook niet worden beschouwd als een indicatie dat er geen archeologische resten aanwezig zijn.
4.5 Deselectie vondstmateriaal Omdat het vondstmateriaal alleen bestond uit houtskoolspikkels en een klein aardewerkfragment, is het materiaal, conform Protocol 4001, PS06, Tabel 1 van de KNA 4.1, niet verzameld of meegenomen.
29
30
5. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 5.1 Samenvatting en conclusies Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningprocedure (omgevingsvergunning) voor de realisatie van 4 nieuwe, vrijstaande woningen met bijgebouwen en enige bijbehorende infrastructuur ter plaatse van de hoek van de Wezelsedijk en de Wezelseberg te Wijchen (Gemeente Wijchen). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0.57 hectare. De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bouwput voor de nieuwe woningen en bijgebouwen, tot op een diepte van circa 1.0 meter beneden het maaiveld, de aanleg van een ontsluitingsweg, en de aanleg van kabelen leidingsleuven. Het bestaande perceel zal worden opgesplitst in een viertal woonpercelen met vier vrijstaande woningen, waarvan twee met een losstaand bijgebouw (zie Afbeelding 4). De oppervlakte van de nieuwe bebouwing (inclusief bijgebouw) bedraagt respectievelijk circa 136, 128, 133 en 140 vierkante meter. Op de kaart van het vigerende bestemmingsplan ‘Geconsolideerde versie Buitengebied en herziening 2014’ wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie - 2).
Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 28 van de bestemmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraag van een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 120 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld. In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de vergunningprocedure voor de planontwikkeling moest dan ook een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen (IVO-Overig) worden uitgevoerd, als eerste stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus. Op basis van de door SOB Research opgestelde offerte (d.d. 17 juni 2020) heeft Arqui Bouwmanagement B.V. op 6 september 2020 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd en is het daarop gebaseerde, gespecificeerde Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld. Vervolgens is - ter toetsing en ter aanvulling van het Archeologisch Verwachtingsmodel - op 17 september 2020 het veldonderzoek (IVO-Overig) uitgevoerd. Daarbij zijn 5 boringen gezet tot een diepte van 2.5 meter beneden het maaiveld.
De verkregen gegevens, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in een conceptrapport dat op 18 september 2020 ter beoordeling is voorgelegd aan de Gemeente Wijchen. Na de ontvangst van de beoordeling van het conceptrapport door de archeologisch adviseur van de gemeente, op 2 november 2020, is de gevraagde aanpassing in het rapport verwerkt en is het rapport definitief gemaakt. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek en het IVO-Overig kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met een subrecente bouwvoor/ verstoorde bovenlaag, op (rivierduin-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye op de Laag van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye. Ter plaatse van het noordelijke deel van het plangebied lijkt sprake te zijn van de aanwezigheid van middeleeuwse (stuifzand-) Afzettingen van de Formatie van Kootwijk. De huidige bouwvoor is ingesneden tot in de C-horizont van de natuurlijke afzettingen. 2. Archeologische resten uit het Laat Paleolithicum kunnen worden verwacht op en in de top van de Laag van Wijchen (vanaf een diepte van circa 1.5/ 2.2 meter beneden het maaiveld) en/of in de top van de (rivierduin-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye (direct beneden de bouwvoor/ subrecent verstoorde bovenlaag).
31
Archeologische resten uit de periode van het Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd kunnen worden verwacht in de top van de (rivierduin-) Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye (direct beneden de bouwvoor/ subrecent verstoorde bovenlaag). 3. Ter plaatse van het plangebied is geen bebouwing aanwezig geweest in de periode tussen 1811 en het einde van de 20ste eeuw, toen de paardenstalling is gebouwd. De wegen Wezelsedijk, Wezelseberg en Oud Woeziksestraat dateren al wel van vóór 1811, evenals het ten westen van het plangebied gelegen boerderijerf. Het perceel zelf was nog tot in het midden van de 19de eeuw onontgonnen heidegrond. Vanaf deze tijd werd het in gebruik genomen als landbouwgrond. 4. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat oorspronkelijk binnen het plangebied sprake was van een meer geaccidenteerd terrein door duinvorming, zowel op basis van oude Topografische Kaarten als het Actueel Hoogtebestand Nederland. Met name ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt enige afgraving te hebben plaatsgevonden, vermoedelijk aan het eind van de jaren ‘50 of begin jaren ’60 van de 20ste eeuw. Hoe omvangrijk deze afgraving /egalisering qua oppervlakte en diepte is geweest, is niet bekend. 4. Ter plaatse van Boring nr.
5 werd in het zandpakket (matig grof zand) een oud bodemniveau met houtskoolspikkels vastgesteld op een diepte van circa 1.15 meter beneden het maaiveld. De ouderdom van deze laag dateert in elk geval uit het Holoceen, maar kan wegens het ontbreken van archeologische vondsten niet worden bepaald. In de andere boringen is deze laag niet aangetroffen, mogelijk is ter plaatse van Boring nr. 5 de laaggelegen flank van het rivierduin aanwezig. 5. Ter plaatse van Boring nr. 2 en 5 in het westelijke deel van het plangebied werd in de top van het rivierduin gevlektheid vastgesteld die mogelijk op bioturbatie vanuit een oorspronkelijk aanwezige oudere laag duidt. In deze vlekken werd ter plaatse van Boring nr. 5 enkele houtskoolspikkels en een klein fragmentje handgevormd aardewerk aangetroffen. Dit impliceert dat de C-Horizont aan deze kant van het plangebied mogelijk nog redelijk intact is en dat ingegraven sporen daar nog aanwezig zouden kunnen zijn. 6. Ter plaatse van Boring nr. 5 werd in de bouwvoor een fragment van een tabakspijp aangetroffen. Deze vondst heeft waarschijnlijk een relatie met het aan de overzijde van de straat gelegen boerderijerf dat reeds dateert uit de periode van vóór 1811.
5.2 Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek en booronderzoek (IVO-Overig) moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie zou kunnen leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen hier immers al direct beneden de bouwvoor worden verwacht, vanaf een diepte van 0.25 meter beneden het maaiveld. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Als volgende stap in de Archeologische Monumentenzorgcyclus dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van het in het conceptrapport opgenomen advies en het daarop volgende overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente is uiteindelijk bepaald dat daarbij kan worden volstaan met de aanleg van tien proefsleuven met een omvang van 10 x 4 meter en een gezamenlijke oppervlakte van 400 m² (dekkingsgraad 7 % van het plangebied). Voor het IVO-P dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld waarin de eisen en randvoorwaarden m.b.t. het onderzoek zijn vastgelegd en dat voorafgaand aan het onderzoek moet zijn goedgekeurd door de Gemeente Wijchen.
32
Literatuur -
Goossens, E. & L. M. Flokstra: Archeologiebeleid Gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828); RAAP Archeologische Adviesbureau, Weesp: 2008
-
Heunks, E.: Gemeente Wijchen, een archeologische beleidsadvieskaart (RAAP-rapport 797); RAAP Archeologische Adviesbureau, Amsterdam: 2002
-
Kampen, J. van: 10.000 jaar Wonen en Werken in Wijchen. Sporen van nederzettingen en werkplaatsen vanaf het Midden Mesolithicum tot en met de Late Middeleeuwen (Zuidnederlandse Archeologische Notities 283); VUhbs Archeologie, Amsterdam: 2012
-
Melis, J.: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven en Archeologische Opgraving Plangebied Woeziksestraat 450, Wijchen, Gemeente Wijchen; SOB Research, Heinenoord: 2020
-
Mulder, E. F. J. de, M. C. Geluk, I. L. Ritsema, W. E. Westerhof en T. E. Wong: De ondergrond van Nederland; Groningen: 2003
-
Robas-producties/Topografische Dienst: Foto-atlas van Gelderland; Den Ilp: 1989
-
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE): Archeologisch Informatie Systeem (Archis3); RCE, Amersfoort: 2020
-
Tulp, C.: Wijchen, Paschalishof Gemeente Wijchen (Gld.). Een Archeologische Opgraving; De Steekproef, Zuidhorn: 2011
-
Tol, A. J., et al.: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek (versie 2.0. Geactualiseerd op 4 december 2012); SIKB: 2012
-
Verbraeck, A.: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000. Blad Tiel West (39W) en Tiel Oost (39O); Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 1984
Geraadpleegde internetsites: - http://maps.bodemdata.nl - http://pdokviewer.pdok.nl - http://www.hisgis.nl - http://www.ikme.nl - http://www.ruimtelijkeplannen.nl - http://www.topotijdreis.nl - https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer - https://archis.cultureelerfgoed.nl - https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl - https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf - https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens - https://www.google.nl - https://www.nationaalarchief.nl
33
34
Verklarende woordenlijst antropogeen
door menselijk handelen
C14 datering
bepaling van het gehalte aan radioactieve koolstof (C14) van organisch materiaal (hout, houtskool, schelpen, etc.) waaruit de ouderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren voor 1950 A.D.
dekzand
Tijdens het Pleistoceen door de wind afgezette zandafzettingen
differentiële klink
verschijnsel waarbij zones door geologische of fysische processen laag of hoog ten opzichte van elkaar komen te liggen; ook wel omgekeerde klink of reliëfinversie genoemd
dy
organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken
erosie
verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door de inwerking van wind, ijs of stromend water
estuarium
een min of meer trechtervormige monding van een rivier, die binnen het bereik van getijdestromingen ligt
eutroof veen
veen dat is ontstaan in een voedselrijk milieu
fluviatiel
onder invloed van een rivier
geul
rivier- of kreekbedding
gorzenlandschap
gebied dat boven het gemiddelde hoogwaterpeil ligt en pas bij de hoogste vloeden onderloopt
gyttja
organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken
Hollandveen
Alle veenpakketten die gedurende het Holoceen zijn ontstaan met uitzondering van het basisveen. De definitie van ‘Hollandveen’ betreft dus in feite bijna alle veenpakketten die gedurende de afgelopen 8.000 jaar zijn ontstaan
Holoceen
jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: circa 10.000 jaar voor Chr. tot heden)
in situ
bewaard gebleven binnen de oorspronkelijke context/ locatie; dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten
klink
maaivelddaling van veen- en kleigronden door ontwatering, oxidatie van organisch materiaal en krimp
lagunair, lagune
ondiepe baai, beschermd tegen open zee door een strandwal of haf
35
marien
het milieu waar sedimentatie plaatsvindt die direct wordt beïnvloed door de zee
meanderen
zich bochtig door het landschap slingeren (van waterlopen)
mesotroof veen
veen, dat in matig voedselrijk milieu is ontstaan
modderklei
afzettingen in het perimariene gebied, bestaande uit kleiige venen en venige kleien
moernering
veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof (turf)
oligotroof veen
veen dat is ontstaan in voedselarm, relatief droog milieu
oxidatie
(traag) verbrandingsproces van organisch materiaal in reactie met zuurstof
perimarien
het milieu, waarin de sedimentatie wordt beïnvloed door de zee (via het rivieren kreekstelsel), maar waar mariene afzettingen van betekenis ontbreken
Pleistoceen
geologisch tijdperk dat ongeveer 2.6 miljoen jaar geleden begon. De tijd van de IJstijden, maar ook van gematigd warme perioden. Het Pleistoceen eindigde met het begin van het Holoceen
pollenanalyse
statistische studie van stuifmeelkorrels en sporen, die in sedimenten gevonden worden. Doel is onder meer milieureconstructie
regressiefase
periode waarin het water zich terugtrekt (als gevolg van een daling van de zeespiegel, of als gevolg van sluiting van strandwallencomplex) na een transgressiefase
sediment
afzetting gevormd door bezinksel of neerslag
sondeerijzer
lange, dunne metalen 'prikstok', die onder meer wordt gebruikt om antropogene sporen te op te sporen
strandwal
een onder directe invloed van de zee ontstane zandrug evenwijdig met de kustlijn, meestal aan de rand van een strandvlakte
strandvlakte
een door de directe werking van de zee ontstane zandvlakte langs de kust
stroomrug
restant van een door zand- en klei-afzettingen verlandde, oude stroomgeul. Door differentiële klink meestal hoger gelegen dan de omgeving
transgressiefase
fase waarin de invloed van de zee zich landinwaarts uitbreidt (als gevolg van stijging van de zeespiegel of als gevolg van erosie van het strandwallencomplex)
verlandingsklei
klei die aan het einde van een transgressiefase wordt afgezet
36
Bijlage 1 Administratieve gegevens Projectnaam:
SOB Research Project nr. Opdrachtgever:
Uitvoerder:
Bevoegde overheid:
Archeologisch adviseur van de bevoegde overheid:
Aanleiding onderzoek: Opdracht: Veldonderzoek: Conceptrapport: Definitief rapport: Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Huidig grondgebruik: Toekomstige situatie: Kaartblad: Geologie: Geomorfologie: Bodemtype: Grondwatertrap: NAP-hoogte maaiveld: Coördinaten plangebied:
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Plangebied Wezelsedijk/ Wezelseberg, Wijchen, Gemeente Wijchen 2790-2009 Arqui Bouwmanagement Blauwe Hof 4318, 6602 ZV Wijchen Contactpersoon: de heer M. Leenders Tel.: 06 - 50221419 E-mail: mleenders@arqui.nl SOB Research, Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek Hofweg 13, Heinenoord Postbus 5060, 3274 ZK Heinenoord Tel.: 0186 - 604 432/ 0575 - 476439 E-mail: sobresearch@wxs.nl Website: https://www.sobresearch.nl College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Wijchen Kasteellaan 27, 6602 DB Wijchen Tel.: 088 - 4327000 Mevrouw E. van der Linden, Beleidsadviseur Archeologie Werkorganisatie Druten Tel.: 088 - 4327906 Mob.: 06 - 55270352/ E-mail: e.van.der.linden@drutenwijchen.nl Bestemmingsplanwijziging /aanvraag omgevingsvergunning. 6 september 2020 17 september 2020 18 september 2020 5 november 2020 Gelderland Wijchen Wijchen Wezelsedijk, Wezelseberg Kadastrale Gemeente Wijchen, Sectie L, nr. 44. Paardenweide. Bebouwing en tuin. 39O Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Rivierduin. Duinvaaggrond. VIII Circa 7.95 - 8.75 meter +NAP. Zuidwest: 178.021/ 426.284 Zuidoost: 178.091/ 426.239 Noordwest: 178.054/ 426.345 Noordoost: 178.129/ 426.293
37
Oppervlakte plangebied: Kaart plangebied: CMA/ AMK-status: CAA -nr.: CMA -nr.: ARCHIS-Monument nr.: ARCHIS-Vondstmelding nr.: ARCHIS-Waarneming nr.: ARCHIS-Onderzoeksmelding nr.: Deponering: