Bijlage 8: Proefsleuvenonderzoek Tussen Kasteel en Wijchens Meer 2020 (ZAN 916)
Tekst van het document
Tijdens het veldwerk zijn in totaal 121 fragmenten aardewerk aangetroffen. Deze zijn voor zo ver mogelijk gedetermineerd. De gegevens zijn ingevoerd in een database en weergegeven in bijlage 3. Helaas gaat een determinatie in de meeste gevallen niet verder dan een bepaling van het baksel. Dit is met name het gevolg van het feit dat de scherven hoofdzakelijk uit wandscherven bestaan. In totaal zijn slechts negentien randscherven aangetroffen. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om handgevormd aardewerk terwijl het gedraaide aardewerk, inclusief kogelpotten, met 67 % ruimschoots in de meerderheid is. Wanneer we kijken naar de datering van het aardewerk valt op dat nagenoeg al het aardewerk in de Middeleeuwen gedateerd kan worden. Hierbij ligt het zwaartepunt rond het einde van de Vroege 35
Van Kampen 2017.
30
Middeleeuwen en in de Volle Middeleeuwen. Het gaat hierbij voornamelijk om blauwgrijs Elmpter aardewerk en Pingsdorf aardewerk. Hierbij gaat het, voor zo ver mogelijk zowel om gebruiksaardewerk als transport- of opslagaardewerk. Van deze laatste categorie is in werkput 9 een fraai fragment van een groot voorraadvat aangetroffen (V60, fig. 7.1 A). Opmerkelijk is dat Paffrath aardewerk, waarvan de algemene datering grotendeels samenvalt met die van het Elmpt en Pingsdorf aardewerk, nagenoeg niet is aangetroffen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het baksel van het Paffrath aardewerk bestaat uit schilfers. Hierdoor zal het sneller fragmenteren dan het aardewerk met veel hardere baksels uit de regio’s rond Elmpt en Pingsdorf.
Fig. 7.1. Wijchen-TKWM. Selectie van het aardewerk dat tijdens het veldwerk is gevonden. A Versierde scherf van een Elmpter voorraadvat (V60); B randscherf van Karolingisch rood aardewerk (V2); C bodemfragment van een Siegburgkan (V3).
Interessant is dat er ook twee scherven Karolingisch rood aardewerk (V2, fig. 7.1 B en V57) zijn aangetroffen. Dit materiaal wordt niet vaak aangetroffen. Ook in Wijchen waar een duidelijke component van de bewoning in de Karolingische tijd moet worden gezocht, komt het niet veel voor. Opmerkelijk is ook dat dat, hoewel in de directe omgeving van de deelgebieden zeer veel vindplaatsen uit de prehistorie zijn aangetroffen, aardewerk uit deze perioden nagenoeg volledig ontbreekt. Het gros van het handgevormde aardewerk moet gedateerd worden in de laat-Romeinse tijd of in de Vroege Middeleeuwen. Dit aardewerk kenmerkt zich door partikels vulkanisch materiaal als onderdeel van de magering. Dit wijst op een herkomstgebied van dit aardewerk uit het Eifelgebied. Hierbij is het productiecentrum Mayen een goede kandidaat. Ook in de latere fasen van de Middeleeuwen kunnen we spreken van enige mate van activiteit in de deelgebieden. Zo is er naast een enkele scherf proto-steengoed (V30) uit werkput 5, wat aardewerk uit de bekende steengoed producerende centra in Duitsland gevonden. In eerste instantie gaat het om ongeglazuurd aardewerk uit Siegburg (fig. 7.1 C), maar in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd circuleert ook materiaal uit Frechen en Langerwehe.
Dit komt echter maar in zulke beperkte hoeveelheden voor dat we moeten concluderen dat de deelgebieden in deze perioden waarschijnlijk niet zijn bewoond en alleen in gebruik zijn geweest als bijvoorbeeld akker. Hoewel het aangetroffen aardewerk vrijwel uitsluitend uit lagen en niet uit sporen afkomstig is, geeft het een zeer duidelijk beeld van de datering van de aangetroffen vindplaatsen. Het gegeven dat
31
materiaal uit alle perioden tot aan de laat-Romeinse tijd ontbreekt, mag zeker als indicatie worden gezien dat de bewoningsintensiteit in deze periode zeer laag is. Vermoedelijk moet dit verklaard worden vanuit het idee dat de nederzettingen in deze perioden, met uitzondering van de middenRomeinse tijd, hoofdzakelijk bestonden uit losse erven. Er vanuit gaande dat deze redelijk verspreid door het landschap lagen, is het niet heel verwonderlijk dat in de sleuven nagenoeg geen aardewerk uit deze perioden is aangetroffen. Voor de periode na de Volle Middeleeuwen geldt waarschijnlijk dat het karakter van de bewoning van Wijchen een ander karakter aannam. Waarschijnlijk vond er vanaf dat moment enige verstening van de bebouwing plaats en concentreerde de bewoning zich in het huidige centrum en hiermee dus net buitend de onderzochte deelgebieden. Ook zal een verandering in de afvalstromen kunnen worden gezien als de oorzaak van het lage aantal scherven uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Waarschijnlijk werd afval vanaf die tijd meer centraal ingezameld.
De hoeveelheid grof keramisch materiaal dat tijdens het veldwerk is aangetroffen is met acht stuks niet groot te noemen. In tabel 8.1 zijn de determinaties weergegeven. De meest opvallende vondsten zijn de stukken Romeins materiaal en het grote stuk van een kloostermop (V60) uit greppel S9.12. Op grond van het hieruit verzamelde aardewerk wordt voor dit spoor een datering in de Volle of Late Middeleeuwen aangenomen. Deze datering wordt in die zin ondersteund door de vondst van de baksteen. Bakstenen van een dergelijk groot formaat komen in de regel vroeg in de geschiedenis voor en zijn dan vooral gebruikt bij de bouw van vroege kloosters of burchten. v
wp sn
cat N type
15
4
1 1 indet
998
afmetingen
nvt
2 1 indet
G(g)
datering
opmerkingen
10 ROM
zeer klein fragment
10 NT
zeer klein fragment
26
5
998
1 1 dakpan
?x?x1,2
43 NT
fragment golfpan
35
7
998
1 1 baksteen
nvt
95 NT
fragment baksteen
57
9
998
1 1 dakpan
nvt
76 ROM
mogelijk fragment tegula
2 1 indet
nvt
5 NT
zeer klein fragment
60
9
12
1 1 baksteen
?x14x7,5
1320 ME
fragment kloostermop
67
9
12
1 1 dakpan
?x?x2,5
194 ROM
fragment imbrex
Tabel 8.1. Wijchen-TKWM. Overzicht van het aangetroffen baksteenmateriaal.
De Romeinse dakpanfragmenten moeten vrijwel zeker worden gezien als hergebruikt materiaal dat in de omgeving is verzameld op de plaats waar in de Romeinse tijd een stenen gebouw heeft gestaan. Van oudsher wordt op de Tienakker een Romeinse villa vermoed. Nu is de exacte locatie van deze Romeinse steenbouw nog onderwerp van discussie, maar het lijdt geen twijfel dat deze in het zuidwesten van het centrum van Wijchen gezocht moet worden. Dit wordt ook ondersteunt door een vergelijking tussen de schaarse hoeveelheid Romeins dakpanmateriaal dat tijdens het onderhavige onderzoek is aangetroffen en het materiaal dat tijdens het onderzoek aan de Dorsvlegel is gevonden.36 Het materiaal van de Dorsvlegel is net als het materiaal dat tijdens dit project is verzameld uitsluitend afkomstig uit het plaggendek. Hoewel het onderzoek qua oppervlakte en verzamelwijze vergelijkbaar is, is het materiaal van dat van de Dorsvlegel afkomstig is veel groter in aantal en gewicht. Dit is een 36
Van Kampen in voorb.
32
duidelijk argument om de bron van het dakpanmateriaal, i.e. de Romeinse steenbouw, in de buurt van de Dorsvlegel en dus de Tienakker te plaatsen.
In totaal zijn tijdens het veldwerk 21 metaalvondsten gedaan. Een deel hiervan bleek niet analyse waardig daar het vondstmateriaal geen relevantie voor het onderzoek had. Het gaat hierbij ondermeer om spijkers en een verzekeringsplaatje van een brommer. In het evaluatierapport is de deselectie van deze vondsten voor verder onderzoek, conservering en deponering beargumenteerd.37 De geselecteerde metaalwaar wordt in dit hoofdstuk gepresenteerd. In totaal gaat het om een zestal vondsten. Hiervan zijn drie vondsten munten. Het betreft een tweetal duiten (V25 en V62, fig. 9.1 A/B) uit de 17de eeuw. V25 is geslagen in Friesland en V62 is afkomstig uit Utrecht. De derde munt is een laatRomeinse solidus van keizer Maximianus Herculius uit 305-306 na Chr. (V40, fig. 9.1 C). Alle munten zijn afkomstig uit het plaggendek en staan waarschijnlijk niet in relatie tot de onderliggende vindplaatsen.
Fig. 8.1. Wijchen-TKWM. De munten die tijdens het project zijn aangetroffen. A duit uit Friesland (V25); B duit uit Utrecht (V62); laat-Romeinse Solidus (V40).
Tijdens de aanleg van werkput 5 is in de laag die in het vlak ligt S5.1, een randfragment van een bronzen bord aangetroffen (V22, fig. 9.2 A). Waarschijnlijk gaat het hier om middeleeuws vaatwerk, hoewel een latere datering niet kan worden uitgesloten. De laatste twee metaalvondsten die tijdens het project zijn aangetroffen zijn beiden afkomstig van het Europaplein. Toevalligerwijs is de datering van de beide stukken nagenoeg gelijk. Waarschijnlijk komen ze allebei uit de Romeinse tijd. In werkput 4 is een zeer bijzondere en waarschijnlijk unieke riemgeleider aangetroffen (V21, fig. 9.2 B Het betreft een paardenhoofd op een ruitvormig vlak met bolletjes op de punten. Het vlak is sterk verbogen, maar de kromming zal een stuk kleiner of niet bestaand zijn geweest toen het stuk nog werd gebruikt. Onder het ruitvormige vlak bevindt zich een dikke band die op de plaat is bevestigd en zodoende een halve ring vormt waardoor de riemen die rond een paard hingen, werden geleid. Voor dit stuk is nog geen parallel gevonden, maar het is vrij zeker dat het hier een riemgeleider uit de midden-Romeinse tijd betreft.
37
Van Kampen 2020.
33
Zoals gezegd wordt voor V43 een gelijkaardige datering aangenomen (fig. 9.2 C). Het is een stukje van een bronzen armband. De armband had een vrij brede band waarop een reliëf van meerdere banden op is aangebracht. Dergelijke armbanden komen in de Romeinse tijd ook in zilver voor.
Fig. 9.2. Wijchen-TKWM. Overige metaalvondsten. A randfragment bord (V22); B zij en schuin aanzicht riemgeleider (V21), C fragment bronzen armband (V43).
Hoewel geen van de metaalvondsten relevant lijkt voor de vindplaatsen die zijn aangetroffen binnen de deelgebieden, geven ze wel aan dat de conservering van metaal in de ondergrond redelijk tot goed te noemen. De munten zijn goed leesbaar en ook het overige metaal is vrij goed geconserveerd. Zeker wanneer in ogenschouw genomen wordt dat het materiaal in een zandige ondergrond is bewaard. Doorgaans is het metaal in het zand sterk aangetast en gecorrodeerd. Zeker metaal dat in contexten als plaggendekken en de bouwvoor wordt aangetroffen is vaak slecht van kwaliteit. Het feit dat de metaalwaar van het huidige project juist in vrij goede staat verkeert, kan gezien worden als goede indicator voor de algemene kwaliteit van de vindplaatsen.
Binnen de groep van 23 natuursteen vondsten vormt tefriet met veertien stukken de grootste groep. Deze steensoort is vanaf de Bronstijd tot in de Middeleeuwen gebruikt als maalsteen. Het vrij zachte poreuze karakter van de steen maakt het makkelijk te bewerken. Daarbij is het een lichte steensoort. Een eigenschap die waarschijnlijk heeft bijgedragen aan de langdurige populariteit van tefriet als maalsteen. Hoewel in slechts één van de fragmenten tefriet (V60) nog vaag een deel van de vorm van een maalsteen herkend kan worden, is het zeker dat de overige stukken ook fragmenten van maalstenen afkomstig zijn. Tefriet leent zich namelijk niet echt voor een ander gebruik.
34
De overige natuursteenvondsten bestaan uit zandsteen, kwartsitische zandsteen, kwartsiet, en leisteen. De twee leisteenfragmenten (V20 en V60) zijn waarschijnlijk gebruikt als dakbedekking. Voor het laatste vondstnummer geldt dat dit waarschijnlijk van een nieuwtijds gebouw afkomstig is. Het is gevonden in recente ploegkrassen in werkput 4. Het fragment met vondstnummer V60 is gevonden in de middeleeuwse greppel S9.12. Het fragment stamt echter vrijwel zeker uit een eerdere periode. De dikte van de leisteen doet denken aan de dikke Romeinse dakleien. Vermoedelijk betreft het hier net als het baksteen, hergebruikt materiaal van een Romeinse vindplaats in de buurt. Het overige natuursteen vertoont niet direct sporen van bewerking of gebruik. Een mogelijke uitzondering hierop is een groot, afgerond stuk zandsteen (V69) dat in het plaggendek van werkput 4 is aangetroffen.
In alle deelgebieden is slakmateriaal aangetroffen. Het gaat hierbij steevast om smeedhaardslakken welke zijn ontstaan bij het bewerken van ijzer. Aanwijzingen voor productie van ijzer zoals dit destijds op de Oostflank kon worden aangetoond, zijn nog niet gevonden.38 De slak die is aangetroffen in kuil S8.11 in het deelgebied Meerdreef moet wellicht worden beschouwd als zwerfvuil. Het betreft slechts een klein stukje. Dit lijkt niet het geval te zijn voor de slakken in de andere deelgebieden. Met name in werkput 2 in kuil S2.3 lijkt het materiaal als afval te zijn gedeponeerd. Dit spoor leverde drie grote stukken op met een gewicht van 237 gram. Uit greppel S9.12 zijn slechts twee slakken afkomstig, maar zij vertegenwoordigen een gezamenlijk gewicht van 541 gram. Ook dit lijkt materiaal te zijn dat als afval in de greppel terecht is gekomen.
Fig. 11.1. Wijchen-TKWM. Selectie van het gevonden slakmateriaal. 38
Van Kampen 2017.
35
Op grond van de huidige kennis lijkt het slakmateriaal te moeten worden gerekend tot de bewoning in de Volle of het begin van de Late Middeleeuwen. Dit sluit aan bij het beeld van de Oostflank waar ook smeedhaardhaard slakken uit volmiddeleeuwse contexten bekend zijn.39 Of er ook een verband is tussen de ijzerproductie uit de Karolingisch-Ottoonse tijd en de ijzerbewerking uit de wat latere periode is op dit moment niet te zeggen. Wel kan gesteld worden dan het ambacht van ijzersmeden in volmiddeleeuws Wijchen vrij frequent werd beoefend.
Onder de overige materiaalcategorieën vallen in dit geval de materiaalgroepen die omwille van hun geringe aantal of beperkte mogelijkheden met betrekking tot de datering niet uitvoerig besproken dienen te worden. In dit geval zijn het drie groepen die binnen het keramisch materiaal vallen, te weten: kleipijpen, tegels en verbrand leem. De belangrijkste kenmerken zullen hier worden opgesomd. Kleipijpen In totaal zijn zes fragmenten van kleipijpen gevonden. Ze zijn aangetroffen in subrecente sporen of lagen. Het gaat om een drietal fragmenten van dikke stelen uit de werkputten 1 (V1), 4 (V20) en 9 (V44). Het laatst genoemde vondstnummer bevat ook een kleine dubbelconische pijpenkop. Op het hielmerk is wel een merkteken aangebracht, maar dit is niet meer te ontcijferen. De dikte van deze stelen en de vorm van de pijpenkop wijzen op een datering omstreeks het midden van de 17de eeuw. In werkput 5 is in de bovengrond een fragment van een jongere, waarschijnlijk 18de -eeuwse pijpenkop gevonden (V29). Ook hierop is een stempel aanwezig, maar ook deze is niet meer leesbaar. In een van de paalkuilen in werkput 11 is een stukje van een kop gevonden (V70). Gezien de dikte van de ketelwand zal het hier eveneens om een wat jonger exemplaar gaan. Vermoedt wordt dat ook dit kopje in de 18de eeuw thuishoort.
Tegel De twee aangetroffen tegelfragmenten zijn afkomstig uit het plaggendek in werkput 4. Het betreft in beide gevallen sterk verweerde fragmenten van witte aardewerken tegels. V15 was dusdanig verweerd dat de dikte niet meer kon worden vastgesteld. V19 was in een iets betere conditie. Hiervan bedraagt de dikte 0.7 cm. De tegels waren voorzien van een witte glazuurlaag. Vanwege het ontbreken van verdere kenmerken zijn de scherven niet nader te dateren dan de Nieuwe Tijd, waarbij wel een voorkeur bestaat voor de latere fase hiervan. Verbrand leem Het verbrand leem dat is aangetroffen bestaat uit vijf fragmenten. Deze zijn aangetroffen in werkput 2 (V8 en V13) en in werkput 8 (V51 en V56). Het materiaal is afkomstig uit kuilen. De kleur varieert van grijs tot en met oranje hetgeen wijst op verschillende omstandigheden tijdens het verhittingsproces. De oranje stukken zullen meer zijn blootgesteld aan zuurstof, terwijl dat bij het grijze stuk (V8) grotendeels zal hebben ontbroken. Er zijn geen twijgindrukken op de leem waargenomen, waardoor het niet mogelijk is om te bepalen of het hier om wandfragmenten of bijvoorbeeld om ovenfragmenten gaat.
39
Boreel 2020, 72-74.
36
Bij het archeologisch onderzoek in het kader van het project Tussen Kasteel en Wijchens Meer is voor alle de deelgebieden (Europaplein, Bolster en Meerdreef) bevestigd dat hier archeologische resten in de grond aanwezig zijn. Het lijkt erop dat we te maken hebben met een viertal, en mogelijk zelfs vijf, vindplaatsen. Voor zover we nu kunnen zien gaat het voor de deelgebieden Meerdreef en Bolster om sporen en vondsten van dezelfde vindplaats. Het betreft hier de middeleeuwse voorganger van het huidige Wijchen. In het kader van de waardering wordt dit vindplaats 1 genoemd. Bij opgravingen in aangrenzende terreinen zijn van deze bewoningskern al meerdere stukken opgegraven. De bewoning vangt hier aan omstreeks het einde van de laat-Romeinse tijd en loopt door tot het einde van de Late Middeleeuwen. Ook hierna vind nog bewoning plaats, maar deze is tot nog toe in Wijchen archeologisch moeilijk grijpbaar gebleken. In de vroegste fase zal deze bewoning bestaan hebben uit losse erven, maar in de loop van de Vroege Middeleeuwen moet het er langzamerhand uit zijn gaan zien als een dorp waarbinnen men verschillende ambachten ontplooide. Zo zijn bij de opgraving op de Oostflank aanwijzingen gevonden voor ijzerproductie in de Karolingisch-Ottoonse periode. Wat later heeft men in de zone op en rond de Bolster zich bezig gehouden met het smeden van ijzer.
Hoe de verdere nederzetting eruit heeft gezien is niet duidelijk, want hoewel we inmiddels een redelijk beeld hebben van de omvang van het vroegste Wijchen is het tot op heden niet mogelijk gebleken om het uiterlijk van deze nederzetting meer vorm te geven. Wellicht zal hier in de toekomst verandering in komen. Eén spoor op de Bolster is iets lastiger te rijmen met de overige bevindingen. Dit is de greppel die in werkput 10 is aangetroffen. Greppels en greppelsystemen zijn, met uitzondering van wegen (zie onder) vrij zeldzaam is het middeleeuwse sporenbestand in het centrum van Wijchen. Hoe deze greppel geïnterpreteerd moet worden, is dan ook onzeker. Interessant is dat hij haaks lijkt te staan op greppel S9.3 (fig. 13.1) en mogelijk dus ook op de andere greppelsystemen die ten noorden van de Bolster zijn aangetroffen op het Europaplein. De daar aangetroffen sporen roepen al net zo veel, zo niet meer vraagtekens op dan de greppel S10.2. De jongste vindplaats bevindt zich in het noordelijke deel en betreft een huis uit het begin van de 20ste eeuw (vindplaats 2 van het onderhavige onderzoek). De andere twee zekere vindplaatsen beslaan mogelijk een groot deel van dit deelgebied en strekken zich naar alle waarschijnlijkheid ook uit buiten de grenzen hiervan. De sporen van de oudste vindplaats, vindplaats 3, bestaan uit een aantal (paal)kuilen en greppels.
Deze lijken op grond van het hieruit verzamelde vondstmateriaal alle tussen het einde van de Vroege en het begin van de Late Middeleeuwen gedateerd te moeten worden. Met name de greppels zijn interessant. Op zichzelf misstaan dergelijke greppels niet bij een agrarische nederzetting op het zuidelijke zandgrondengebied, zij het dat S7.22 wel erg breed is. In Wijchen zijn tot op heden echter nauwelijks greppels uit deze periode aangetroffen en lijkt de aard van de bewoning, zoals hiervoor is beschreven voor vindplaats 1, ook anders te zijn dan die van een agrarische nederzetting bestaande uit losse erven. In het geval van vindplaats 3 is de koppeling met de bewoning van vindplaats 1 niet makkelijk te maken. Behalve de overeenkomsten in datering van deze sporen zijn er geen verbindende elementen. Dit is opmerkelijk daar de sporen onder de marktpromenade ook tot dezelfde nederzetting behoren als die van de Oostflank en de Meesterplaats. Men mag dan ook aannemen dat resten hiervan, in ieder geval een aanzienlijk deel van het Europaplein in de ondergrond aanwezig zijn. Vervolgens mag dan ook worden verondersteld dat deze bewoning op het Europaplein zich goed laat vergelijken met die van de overige locaties. Dit laatste is vooralsnog echter niet het geval. Er lijkt sprake te zijn van een zeer groot en meerfasig greppelsysteem waarbinnen bewoning plaatsvond.
Hoe deze bewoning moet worden gezien is lastig te bepalen en hangt voor een groot deel samen met het verloop van het greppelsysteem buiten de onderzochte zones. Wanneer we de greppels zoals die in de proefsleuven zijn aangetroffen, doortrekken buiten de putgrenzen blijkt dat de sporen S4.15 en S9.12 dezelfde oriëntatie
37
hebben, maar wel uit elkaar liggen. Het is de vraag in hoeverre de sporen S7.21 en S7.22 aansluiten op deze sporen. Gezien de opvulling, kleur en datering van de laatst genoemde sporen is het zeker niet uitgesloten de verschillende greppels bij elkaar horen. Even is gedacht dat ze mogelijk aansluiten op de greppels die zijn aangetroffen tijdens het onderzoek bij de Markt of Marktpromenade. Op de overzichtstekening zoals deze door Heeren en Hazenberg is weergegeven zijn hierop enkele greppels met een noord-zuid oriëntatie te zien welke als ‘middeleeuws’ zijn aangeduid. Het is verleidelijk om deze sporen te verbinden met de greppels die op het Europaplein zijn aangetroffen. De greppels uit het onderzoek uit de jaren ’80 van de vorige eeuw lijken echter te moeten worden gezien als karrensporen. Zo loopt de breedste greppel in het noorden uit in meerdere smalle greppeltjes. Een vergelijkbare situatie is later aangetroffen op de Oostflank waar kon worden vastgesteld dat het karrensporen betreft behorend tot de voorloper van de Oosterweg. Het is echter zeker dat de greppels op het Europaplein niet behoren tot een weg. Ook sluiten ze, met uitzondering van greppel S9.3, niet aan op de overige onderzoeken.
Gezien het ogenschijnlijke afwijkende karakter van deze vindplaats in vergelijking tot de overige onderzoeken, wordt de hypothese geformuleerd dat hier een omgreppeld terrein ligt met een andere aard en mogelijk andere sociale status dan de overige bewoning binnen de middeleeuwse nederzetting Wijchen.
Fig. 13.1. Wijchen-TKWM. Overzicht van de aangetroffen sporen in relatie tot de andere opgravingen in de omgeving van het plangebied. De greppels zijn voorzien van reconstructielijnen ter illustratie van het mogelijke verloop.
38
Deze hypothese wordt mogelijk ondersteund door de vierde vindplaats. Dit is de veronderstelde gracht S4.16 die in werkput 4 is aangetroffen. Dit laatmiddeleeuwse of nieuwtijdse spoor betreft zeer waarschijnlijk een gracht, maar waar hij naar toe loopt is niet duidelijk. Het is theoretisch mogelijk dat het spoor, net als S4.15, achter de zuidelijke kopse kant van werkput 9 langs loopt, maar het is evengoed mogelijk dat het spoor voor werkput 9 al afbuigt in noordelijke of zuidelijke richting. Indien het eerste het geval is, spreken we hier van een omgreppeld of beter, omgracht terrein met een zeer lange gebruiksperiode. Hierbij is een relatie met het kasteel, alhoewel de vraag is welke, zeker niet ondenkbaar. Wanneer spoor S4.16 echter eerder afbuigt of zelfs helemaal geen gracht is, spreken we hier van twee vindplaatsen zonder onderlinge relatie. Hiervoor is reeds opgemerkt dat het enige spoor dat aan lijkt te sluiten op een van de omringende onderzoeken, spoor S9.3 is. Deze greppel loopt loodrecht aan op de greppel die centraal over de Meesterplaats ligt (fig. 13.1). Echter ook van dit spoor is niet duidelijk wat de functie is. Een mogelijk vijfde vindplaats wordt gevonden in het zuidelijke deel van werkput 4. Het betreft het mogelijke gebouw. Het gebouw kent een licht uitgevoerde wand met dakdragende centrale middenstaanders.
Een mogelijk vergelijkbaar gebouw is aangetroffen tijdens het onderzoek op de Oostflank.40 Hier is het gebouw in de Merovingische periode geplaatst. Een dergelijke datering is voor de sporen in werkput 4 zeker mogelijk. Echter de beperkte hoeveelheid beschikbare gegevens laat niet toe om hier uitsluitsel te geven over de juistheid van een interpretatie als gebouw. Hierom en vanwege het feit dat een gebouw uit deze periode wel gezien kan worden als onderdeel van de vindplaats ‘middeleeuws Wijchen’, wordt deze vijfde vindplaats niet apart gewaardeerd in hoofdstuk 14. Dit geldt wel voor vindplaats 1 en 3 daar deze qua aard af lijken te wijken van het regulier beeld van deze nederzetting.
Tijdens het onderzoek in het kader van het ontwikkelingsproject Tussen Kasteel en Wijchens Meer zijn in totaal vier vindplaatsen onderscheiden. Vindplaats 1 betreft de nederzetting Wijchen waarvan de sporen zijn aangetroffen in de deelgebieden Bolster en Meerdreef. Vindplaats 2 betreft een stenen gebouw uit de 20ste eeuw dat zich in de noordelijke punt van het deelgebied Europaplein bevindt. Vindplaats 3 beslaat vrijwel het volledige deelgebied Europaplein en behoort waarschijnlijk ook tot de middeleeuwse nederzetting Wijchen, maar is omwille van een ogenschijnlijk ander karakter als aparte vindplaats aangemerkt. Vindplaats 4 tenslotte betref een mogelijke laatmiddeleeuwse of nieuwtijdse gracht. Ook deze bevindt zich op het Europaplein en strekt zich zeer waarschijnlijk uit in het omliggende gebied. Mogelijk is nog een vijfde vindplaats aangetroffen. Hiervoor is echter in het voorgaande hoofdstuk beargumenteerd dat deze waarschijnlijk tot de middeleeuwse nederzetting Wijchen gerekend mag worden en derhalve geen waardering behoeft. De overige drie vindplaatsen zullen in de nu volgende tekst worden gewaardeerd aan de hand van enkele vaste criteria. Hierbij zal bij vindplaats 1 een korte toelichting worden gegeven op de criteria. Daar deze toelichting grotendeels hetzelfde zal zijn voor de overige vindplaatsen, zal deze daar niet herhaald worden.
In eerste instantie worden de vindplaatsen gewaardeerd op fysieke kwaliteit. Wanneer de vindplaats hierbij 5 of 6 punten scoort, wordt deze in principe als behoudenswaardig aangemerkt. Bij een lagere score wordt vervolgens ook gekeken naar de criteria die betrekking hebben op de inhoudelijke kwaliteit om te voorkomen dat minder goed geconserveerde, maar evengoed zeer informatieve vindplaatsen worden afgeschreven. Is de score bij de inhoudelijke kwaliteit een hoger score behaalt van 8 punten of hoger, wordt de vindplaats alsnog als behoudenswaardig aangemerkt. 40
Van Kampen 2017, 375-376.
39
Waardering gebaseerd op belevingsaspecten De criteria “schoonheid” en “herinneringswaarde” hebben vooral betrekking op zichtbare monumenten. De waardering gebaseerd op belevingsaspecten is hier dus niet van toepassing. Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gemiddeld (totaalscore 4). Het criterium gaafheid betreft de bewaringstoestand van de archeologische stratigrafie en van de sporen. De conservering van de sporen is in de meeste gevallen goed te noemen. Deze zijn vrijwel overal bewaard onder een plaggendek, waardoor de mate van verstoring gering is. Cultuurlagen zijn echter niet aangetroffen. Deze en mogelijk ook de top van de sporen zijn opgenomen in het plaggendek. Ook de hoeveelheid recente verstoringen lijkt zich te beperken tot een klein aantal rioleringen en nutsleidingen. Uitzondering hierop is de zone waar de basisschool de Bolster heeft gestaan. Deze is echter goed te begrenzen. Deze zaken leiden tot een gemiddelde score van de vindplaats op dit criterium. Het criterium conservering heeft betrekking op de bewaringstoestand van het anorganisch en organisch vondstmateriaal. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit goed geconserveerde scherven met een lage fragmentatiegraad. Ook de conservering van het weinige metaal dat is aangetroffen is redelijk tot goed te noemen.
Gezien de ondergrond (zand) mag er van uit gegaan worden dat organische resten (plantaardig en dierlijk) met name onder het grondwaterniveau goed geconserveerd zijn. Het grondwaterniveau verschilt vanwege de omvang van de vindplaats sterk. In het zuidelijke deel lijkt de grondwaterspiegel zich dieper dan 1 m onder het archeologische niveau te bevinden. In het noordelijke deel komt het water soms wat eerder naar boven. Dit is afhankelijk van de dikte van het stuifzand, de hoogte van de Laag van Wijchen en het grind van het terras. Evengoed kan gesteld worden dat organische resten, met uitzondering van pollen enkel bewaard zullen zijn gebleven in de diepere sporen als waterputten. Op dit punt scoort de vindplaats dan ook gemiddeld.
Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten De zeldzaamheid van de vindplaats wordt als hoog bestempeld. Het gebeurt niet vaak dat de voorlopers van moderne woonkernen onderzocht kunnen worden, daar deze vaak al volledig overbouwd zijn. Het gegeven dat Wijchen zijn oorsprong al lijkt te hebben in de Merovingische periode (of eerder) en daarna continu bewoond is geweest, maakt de vindplaats zeer bijzonder. Daarbij komt dat het onderzoek van grotere delen in dit soort gebieden al helemaal zeldzaam is. Tot slot geldt dat middeleeuws Wijchen een nederzetting lijkt te zijn van een totaal andere aard en karakter dan het merendeel van de tot nu toe opgegraven nederzettingen uit deze periode. De informatiewaarde van de vindplaats is afhankelijk van de stand van kennis over vergelijkbare vindplaatsen in dezelfde regio. Deze wordt dus bepaald door de bijdrage die een eventuele opgraving van de vindplaats kan leveren aan de vermeerdering van onze kennis over het verleden. De informatiewaarde van de vindplaats is hoog aangezien er nog weinig onderzoeken op vergelijkbare vindplaatsen zijn uitgevoerd. De ensemble- of contextwaarde wordt bepaald door de archeologische of landschappelijke context van de nabije omgeving. Deze is in het geval van deze specifieke vindplaats zeer hoog aangezien vindplaats 1 onderdeel uitmaakt van het middeleeuwse Wijchen.
Hoewel hier al meer stukken van zijn opgegraven, is er nog veel onbekend en is de ensemblewaarde dus zeer hoog te noemen. Het punt representativiteit is in deze niet relevant. Dit criterium wordt doorgaans pas bekeken wanneer op de overige inhoudelijke criteria niet of erg laag gescoord wordt en behelst een studie van
40
de bekende en vergelijkbare vindplaatsen in een bepaald gebied. Aangezien de vindplaats op de overige punten de maximale score heeft behaald is dit punt niet van toepassing. Waarden
Criteria
Scores
Beleving
Schoonheid
Nvt
Herinneringswaarde
Nvt
Totaal
Nvt
Gaafheid
2
Conservering
2
Totaal
4
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
Nvt
Totaal
9
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Tabel 14.1. Wijchen-TKWM. Waardering van vindplaats 1.
Waardering gebaseerd op belevingsaspecten De waardering gebaseerd op belevingsaspecten is hier niet van toepassing. Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gemiddeld (totaalscore 3). Van het muurwerk lijkt enkel de diepere delen als kelders etc. bewaard te zijn gebleven. In het profiel is nog een laagje baksteen gezien dat mogelijk tot de verdere fundering behoort, maar er wordt uitgegaan van een vrij grondige sloop, waardoor er niet veel resteert van het muur werk. De bewaringstoestand wordt dan ook als laag ingeschat. Over de conservering valt weinig te zeggen, daar vondstmateriaal dat met deze vindplaats wordt geassocieerd niet is aangetroffen. Er mag, gezien de relatief jonge datering van de vindplaats van minder dan 100 jaar, worden aangenomen dat de conservering van het meeste materiaal nog goed is. De vraag is echter hoeveel zal worden aangetroffen, daar de afvalstromen in de 20ste eeuw over het algemeen goed gereguleerd waren.
Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten De vindplaats kan niet als zeldzaam worden beschouwd daar in de regio en daarbuiten nog talloze woningen uit de eerste helft van de 20ste eeuw bestaan. Ook de informatiewaarde van de funderingen is gering, daar er zeer waarschijnlijk nog bouwtekeningen en foto’s bestaan van het gebouw die veel informatiever zijn dan de resterende funderingen. De informatiewaarde van de vindplaats is afhankelijk van de stand van kennis over vergelijkbare vindplaatsen in dezelfde regio. Deze wordt dus bepaald door de bijdrage die een eventuele opgraving van de vindplaats kan leveren aan de vermeerdering van onze kennis over het verleden. De informatiewaarde van de vindplaats is hoog aangezien er nog weinig onderzoeken op vergelijkbare vindplaatsen zijn uitgevoerd.
41
De ensemblewaarde kan als hoog bestempeld worden daar het gebouw deel uitmaakt van het huidige Wijchen. De vraag is alleen in hoeverre hier dan sprake is van een archeologische vindplaats, daar de vindplaats nog steeds in gebruik is. Op het punt representativiteit wordt laag gescoord daar de funderingen of het gebouw zeker niet representatief zijn voor Wijchen. Hiervoor zijn betere, nog staande gebouwen aanwezig. Waarden
Criteria
Scores
Beleving
Schoonheid
Nvt
Herinneringswaarde
Nvt
Totaal
Nvt
Gaafheid
1
Conservering
2
Totaal
3
Zeldzaamheid
1
Informatiewaarde
1
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
1
Totaal
5
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Tabel 14.2. Wijchen-TKWM. Waardering van vindplaats 2.
Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gemiddeld (totaalscore 4). De conservering van de sporen is in de meeste gevallen goed te noemen. Deze zijn vrijwel overal bewaard onder een plaggendek, waardoor de mate van verstoring gering is. Cultuurlagen zijn echter niet aangetroffen. Deze en mogelijk ook de top van de sporen zijn opgenomen in het plaggendek. Ook de hoeveelheid recente verstoringen lijkt zich te beperken tot een relatief klein aantal rioleringen en nutsleidingen. Deze zaken leiden tot een gemiddelde score van de vindplaats op dit criterium. Qua conservering kan gesteld worden dat voor vindplaats 3 feitelijk hetzelfde geldt als voor vindplaats 1. Anorganisch materiaal is redelijk tot goed geconserveerd en organisch materiaal waarschijnlijk alleen onder het grondwaterniveau. Dit bevindt zich op ca. 1.4 m onder het opgravingsvlak. Hierdoor komen we ook voor dit punt uit op een gemiddelde score. Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten Op het punt zeldzaamheid gelden ook nu dezelfde argumenten als bij vindplaats 1. Wel kan nog worden aangevuld dat voor de vindplaats, binnen het middeleeuwse Wijchen, ook enige mate van uniciteit lijkt te gelden. Grote greppelstructuren zijn tot op heden nog niet aangetroffen in Wijchen.
De informatiewaarde van de vindplaats is hoog aangezien er nog weinig onderzoeken op vergelijkbare vindplaatsen zijn uitgevoerd. Daarbij komt dat de greppelstructuren naar alle waarschijnlijkheid meer inzicht kunnen verschaffen in de structuur van het vol- en laatmiddeleeuwse Wijchen.
42
De ensemblewaarde is wederom zeer hoog aangezien vindplaats 1 onderdeel uitmaakt van het middeleeuwse Wijchen. Hoewel hier al meer stukken van zijn opgegraven, is er nog veel onbekend en is de ensemblewaarde dus zeer hoog te noemen. Het punt representativiteit is in deze niet relevant. Dit criterium wordt doorgaans pas bekeken wanneer op de overige inhoudelijke criteria niet of erg laag gescoord wordt en behelst een studie van de bekende en vergelijkbare vindplaatsen in een bepaald gebied. Aangezien de vindplaats op de overige punten de maximale score heeft behaald is dit punt niet van toepassing. Waarden
Criteria
Scores
Beleving
Schoonheid
Nvt
Herinneringswaarde
Nvt
Totaal
Nvt
Gaafheid
2
Conservering
2
Totaal
4
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
Nvt
Totaal
9
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Tabel 14.3. Wijchen-TKWM. Waardering van vindplaats 3.
Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gemiddeld (totaalscore 5). De vindplaats bestaat uit een spoor, te weten een grote (mogelijke) gracht uit het einde van de Late Middeleeuwen of de Nieuwe Tijd. Van het spoor en alleen de top te zijn verdwenen door opname in de bovengrond. Ook nu lijkt het te gaan om een plaggendek. Wel is er sprake van enige verblauwing, waardoor niet alle lagen even goed leesbaar zijn. Een deel van het spoor en dus de vindplaats zal zijn verstoord door de aanleg van de aanwezige riolen. De conservering is goed te noemen. Hoewel vondstmateriaal uit de gracht zeer schaars is, mag worden aangenomen dat dit in goede conditie verkeert. Dit blijkt onder meer uit de zeer humeuze lagen in het spoor. Dit wijst doorgaans op een goede conservering. Het spreekt voor zich dat botanische en andere organische resten in deze lagen ook goed zijn bewaard. Derhalve wordt op dit punt maximaal gescoord. Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten Een gracht van dit formaat is, met uitzondering van de grachten van het kasteel, uniek in Wijchen. Derhalve geldt een maximale score op het punt zeldzaamheid. De informatiewaarde van de vindplaats is hoog aangezien de vraagstukken over de aard, datering en samenhang met de omringende vindplaatsen nog niet beantwoord is. De ensemblewaarde is hoog.
Verondersteld wordt dat het spoor op een of andere wijze samenhangt met het middeleeuwse Wijchen. Dit vanwege de overeenkomsten in oriëntatie met de
43
greppels van vindplaats 3. Er bestaat zelfs een mogelijkheid dat we hier te maken hebben met een spoor dat in relatie staat tot het kasteel. Het punt representativiteit is in deze niet relevant. Dit criterium wordt doorgaans pas bekeken wanneer op de overige inhoudelijke criteria niet of erg laag gescoord wordt en behelst een studie van de bekende en vergelijkbare vindplaatsen in een bepaald gebied. Aangezien de vindplaats op de overige punten de maximale score heeft behaald is dit punt niet van toepassing. Waarden
Criteria
Scores
Beleving
Schoonheid
Nvt
Herinneringswaarde
Nvt
Totaal
Nvt
Gaafheid
2
Conservering
3
Totaal
5
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
Nvt
Totaal
9
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Tabel 14.4. Wijchen-TKWM. Waardering van vindplaats 4.
In de voorgaande paragrafen zijn de verschillende vindplaatsen gewaardeerd. Deze waardering heeft er toe geleid dat de vindplaatsen 1, 3 en 4 als behoudenswaardig zijn aangemerkt. Voor deze vindplaatsen wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving aanbevolen. Hierbij geldt dat voor het deelgebied Meerdreef wordt geadviseerd dit zoveel mogelijk integraal op te graven. Voor het deelgebied Bolster wordt geadviseerd ook dit gebied integraal op te graven. Een uitzondering geldt voor de sloopput van de Bolster. Voor dit deel van het plangebied wordt geadviseerd om dit te onderzoeken met een lange sleuf van een bakbreedte door het centrum van de put. Ter hoogte van eventuele waterputten kan dan worden uitgebreid. Voor het Europaplein wordt een integrale opgraving geadviseerd voor het gebied ten zuiden van het voormalige gemeentehuis. Hierbij zou het wenselijk zijn als aanwezige nutsvoorzieningen die voor de nieuwbouw niet meer nodig zijn en worden verlegd, al buiten gebruik zijn gesteld zodat hier tijdens de opgraving geen rekening mee gehouden dient te worden. Het noordelijke deel van het deelgebied Europaplein dat grenst aan de Kasteellaan, zal volgens de huidige plannen vooral worden gebruikt als parkeerterrein. In dit geval is een integrale opgraving wellicht overbodig en kan men zich beperken tot de contouren van de nieuwbouw.
Wanneer echter blijkt dat in het kader van het aanbrengen of verleggen van rioleringen toch grotere delen zullen worden geroerd is een integrale opgraving noodzakelijk. Dit gezegd hebbende kan men zich afvragen of de vragen omtrent de aard van de greppels in dit deel beantwoord kunnen worden wanneer slechts een klein deel wordt onderzocht. Daarom wordt ook hier een integrale opgraving geadviseerd. Behoud in situ is voor een klein deel weliswaar mogelijk, maar gezien de diepgaande verstoring van het voormalige gemeentehuis aan meerdere zijden, is het de vraag in hoeverre behoud in situ hier een meerwaarde is.
44
Bink, M., 2010: Wijchen-Centrum, Westflank Oude Klapstraat, Fase 1 Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, ’s Hertogenbosch, (BAAC rapport A-09.0061). Bosch, J.H.A., 2007: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode. Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2, Utrecht (TNO-rapport NITG 2007-U-R0246/A). Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik/A.H. Geurts 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn–Maas Delta. Digitale Dataset, http://easy.dans.knaw.nl. Erkens, G., 2009: Sediment dynamics in the Rhine catchment. Quantification of fluvial response to climate change and human impact, Utrecht (Nederlandse Geografische Studies 388). Flokstra, L.M. 2008: Plangebied Don Emanuelstraat te Wijchen; een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Amsterdam (RAAP-notitie 2627). Heeren, S./T. Hazenberg (eds), Voorname dames, stoere soldaten en eenvoudige lieden. Begravingen en nederzettingssporen uit het Neolithicum, de laat-Romeinse tijd en Middeleeuwen te Wijchen-Centrum, Leiden (Hazenberg Archeologische Serie 1). Heirbaut,E.N.A./H. van Enckevort (eds), 2011: De verdwenen villa van De Tienakker. Archeologisch onderzoek naar het Romeinse verleden van Wijchen, Nijmegen (Archeologische Berichten Wijchen Rapport 4). Hesseling, E., 2014: Konijnsweg/Lijsterbesstraat te Wijchen, Gemeente Wijchen.
Archeologische begeleiding conform protocol opgraven, Weesp, (RAAP-rapport 2934). Heirbaut, E.N.A., 2011: Sieraden op de brandstapel. Onderzoek naar een crematiegrafveld uit de MiddenIJzertijd en middeleeuwse bewoningssporen op het sportpark te Woezik-Noord, gemeente Wijchen, Nijmegen, (Archeologische Berichten Wijchen-Rapport 12). Kampen, J.C.G. van, (ed), 2017: Wonen op een toplocatie. Bewoning op een rivierduin aan de oevers van het Wijchens Meer in het Neolithicum, de Bronstijd, Romeinse tijd en de Middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 69). Kampen, J.C.G. van, (ed), 2020: Programma van Eisen, archeologisch proefsleuvenonderzoek Tussen Kasteel en Wijchens Meer, Amsterdam. Kampen, J.C.G. van, (ed), 2020: Evaluatierapport Tussen Kasteel en Wijchens Meer, Amsterdam. Kampen, J.C.G. van, in voorb: Resten in het riooltracé op de Dorsvlegel. Kiefte, D. te, 2020: Wonen en handelen op het rivierduin in plangebied De Meesterplaats te Wijchen. Bewoningssporen en vondstmateriaal vanaf het laat -neolithicum tot in de volle middeleeuwen, Weesp (RAAPrapport 3983).
45
Nederlands Normalisatie-instituut, 1989: Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Delft. Schurmans, M.D.R./J. Oosterbaan, 2016: Archeologisch onderzoek te Wijchen-Bijsterhuizen, vindplaats 11. Resten uit het Mesolithicum tot en met de Bronstijd en nederzettingen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, Amsterdam, (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 64). Seinen, P, 2011: Rapport Wijchense Meer, Veldhoven, (Mergor in Mosam Rapport, 98-08-20). Stouthamer, E./K.M. Cohen/M.J.P. Gouw, 2011: Avulsion and its implications for fluvial-deltaic architecture: Insights from the Holocene Rhine-Meuse Delta. In: S.K. Davidson/S. Leleu/C.P. North (eds). From River to Rock Record: The preservation of fluvial sediments and their subsequent interpretation. (Society for Sedimentary Geology, Special Publication 97). TNO-GDN 2020a. Laagpakket van Delwijnen. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 15-10-2020 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/laagpakket-van-delwijnen. TNO-GDN, 2020b: Formatie van Echteld. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 15-10-2020 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/formatie-van-Echteld. TNO-GDN, 2020c: Formatie van Krefetnheye.
In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 15-10-2020 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/formatie-van-kreftenheye. Verhelst, E.M.P., 2011: Wroeten in de Valendries. Bewoningssporen uit de Late Bronstijd en de Vroeg Romeinse tijd op het Martensterrein in Wijchen, Weesp (RAAP-rapport 2125). Wildenberg, J.J.A.J., 2008: Programma van Eisen Oostflank, Wijchen, Nijmegen (Bureau Monumenten en Archeologie Gemeente Nijmegen G280).
46
BIJLAGE 1
OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE PERIODEN
1 Is er binnen het plangebied sprake van één of meer behoudenswaardige vindplaatsen? Zo nee, geef hier een verklaring voor. Binnen het plangebied zijn 4 tot 5 vindplaatsen aangetroffen. Het gaat hierbij om het middeleeuwse dorp Wijchen (vindplaats 1 en 5), een huis uit de late Nieuwe Tijd (vindplaats 2), een mogelijk omgreppeld terrein dat qua datering samenvalt met het middeleeuwse wijchen (vindplaats 3) en een mogelijke gracht uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe Tijd (vindplaats 4). 2 Indien er sprake is van behoudenswaardige resten, kunnen deze dan worden onderverdeeld in meerdere vindplaatsen? Zo ja, beschrijf van deze vindplaatsen de aard en de datering en, indien mogelijk, de omvang. Zie antwoord op vraag 1. 3 Wat is de diepteligging van de archeologische resten? De diepteligging van de archeologische resten varieert sterk als gevolg van het oorspronkelijke relief van het rivierduin waarop Wijchen is gelegen. Zo liggen de resten in het uiterste noorden en zuiden met een diepte van soms meer dan 1 m -mv dieper dan de resten in het centrale deel van het plangebied. Hier variert de diepte van ca. 40 tot 80 cm - mv.
4 Zijn de aangetroffen resten te relateren aan de resultaten van de overige onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied? Zo ja, beschrijf deze relatie en geef aan in hoeverre het onderhavige onderzoek heeft bijgedragen aan de kennis van de reeds bekende vindplaatsen. Met name de vindplaatsen 1, 3 en 5 vinden duidelijk aansluiting op de onderzoeken uit de buurt. Het gaat hierbij dan om de onderzoeken waarbij middeleeuwse resten zijn aangetroffen. Deze behoren allemaal tot het middeleeuwse dorp Wijchen. Het onderhavige onderzoek heeft aanwijzingen gegeven dat verder onderzoek een waardevolle aanvulling kan geven op de wijze waarop het dorp gedurende de Middeleeuwen vorm heeft gekregen. Daarbij lijkt het erop dat er binnen het dorp ten minste één terrein is geweest dat een andere functie had. Opmerkelijk genoeg zijn oudere vindplaatsen uit de Romeinse tijd of eerder niet aangetroffen. Wel is duidelijk dat deze in de buurt moeten liggen, maar dat is reeds bekend. 5 Is het mogelijk om aan de hand van de gegevens van het onderhavige onderzoek een beeld te schetsen van het lokale reliëf door de eeuwen heen? Zo ja, hoe zag het landschap eruit in de belangrijkste perioden van bewoning? Zoals gezegd lijkt het plangebied in de pre-middeleeuwse fase niet bewoond te zijn geweest.
Verder lijkt het zo dat het loopvlak ook in deze perioden op het zelfde niveau heeft gelegen als in de Middeleeuwen. Verder blijkt het zo te zijn dat het duin vanuit het noorden richting het zuiden langzaam omhoog loopt. Waarschijnlijk heeft de top ter hoogte van de opgraving Oostflank gelegen. Vervolgens loopt het duin vrij steil in zuidelijke richting naar beneden. Ook in westelijke richting duikt het landschap waarschijnlijk iets, getuige de resultaten van het onderzoek aan de Meesterplaats. 6 Zijn in het deelgebied Europaplein noord resten aanwezig die ofwel met het kasteel van Wijchen ofwel met het Merovingische grafveld te maken hebben? Zo ja, om wat voor sporen gaat het en wat is de relatie met deze complexen? Er zijn geen sporen aangetroffen die direct in verband kunnen worden gebracht met het grafveld. Wel is het zo dat aan het Europaplein enkele sporen zijn aangetroffen waarvoor het vermoeden bestaat dat deze deel uitmaken van een Merovingisch huis. De aanwijzingen hiervoor zijn echter zeer gering in aantal.
7 Zijn er aanwijzingen dat hetzij de bewoning uit de Bronstijd, hetzij de bewoning uit de Romeinse tijd, zoals deze is aangetroffen op het Martensterrein, zich uitstrekken tot in deelgebied Europaplein zuid? Resten uit de Bronstijd zijn niet aangetroffen. Wel dient hierbij de kanttekening te worden geplaatst dat de dichtstbijzijnde sleuf tot het Martensterrein verder lag dan in eerste instantie werd gedacht. De reden hiervoor is dat het deelgebied Europaplein Zuid uiteindelijk is komen te vervallen omdat dit niet in de nabije toekomst ontwikkeld zal worden. 8 Bij het onderzoek Oostflank en Meesterpad zijn aanwijzingen gevonden voor ijzerproductie in de Karolingisch/Ottoonse periode. Zetten deze zich ook voort in het deelgebied Oosterweg? Zo ja, hoe manifesteren deze zich? Hoewel een eenduidige datering van de sporen op de Bolster niet mogelijk is, lijkt het er wel op dat ook hier in enige mate sprake moet zijn geweest van ijzerbewerking. Aanwijzingen voor productie zijn echter niet aangetroffen. 9 In hoeverre dient de zone onder het voormalige schoolgebouw in deelgebied Oosterweg als verloren te worden beschouwd? Helaas is hier geen eenduidig antwoord op te geven, daar het de verstoring in het westelijke deel (proefsleuf 2) relatief gering is en de diepere sporen hier zeker aanwezig zijn.
Echter in het noordoosten van het plangebied Bolster, ter hoogte van proefsleuf 3 is de mate van verstoring vele malen groter. Hier zijn hooguit de onderkanten van de diepste sporen als waterputten te verwachten. Gezien deze grote verschillen kan dus ook geen verwachting worden uitgesproken voor de rest van het deelgebied Bolster dat niet is onderzocht. Het is raadzaam om middels een gerichte onderzoeksstrategie tijdens een eventuele opgraving hier meer duidelijkheid in te verschaffen. 10 Zijn in deelgebied Meerdreef aanwijzingen voor activiteiten die een relatie hebben met hetzij havens, hetzij scheepvaart en visserij? Zo ja, waar bestaan deze uit en in welke perioden vonden deze activiteiten plaats? Directe aanwijzingen hiervoor zijn niet gevonden. Dit is echter voornamelijk te wijten aan het feit dat het onderzoek vrij ver van de huidige en toenmalige oevers van het Wijchens Meer is gebleven. 11 Indien er sprake is van vuursteenvindplaatsen: gaat het hier om sites uit het Mesolithicum of gaat het om jongere vindplaatsen waarbij ook gebouwstructuren verwacht mogen worden? Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats.
12 Kunnen er in de boringen aanwijzingen gevonden worden voor de loop van de kleine Elst? Omdat in vrijwel alle proefsleuven de Laag van Wijchen in de profielkolommen is bereikt en er geen aanwijzingen waren voor steentijdvindplaatsen, zijn de boringen uiteindelijk niet gezet. Evenwel geven de profielkolommen geen aanleiding om de Kleine Elst te vermoeden. Wel wordt geadviseerd om deze vraag mee te nemen bij het eventuele vervolgonderzoek. 13 Wat valt te zeggen over de stratigrafie in relatie tot de archeologische vindplaatsen? Opmerkelijk genoeg lijkt er overals sprake van een archeologisch niveau. De uitzondering hierop is vindplaats 2. Hierbij heeft men de funderingen tot aan de onderkant van het plaggendek ingegraven. De overige vindplaatsen liggen alle direct onder het plaggendek of de recente bouwvoor. Daarbij zijn geen aanwijzingen gezien voor eventueel dieper gelegen sporenniveaus. Hiermee is overigens niet gezegd dat bij een eventueel vervolgonderzoek men overal kan volstaan met de aanleg van een enkel vlak. Plaatselijk kan het nodig zijn om een extra vlak aan te leggen. Hierbij dient vooral gedacht te worden aan kleine, overstoven dellen op het duin of sporenvlakken die onder spoorconcentraties worden aangelegd.
14 In hoeverre is sprake van ruimtelijk en/of stratigrafisch gescheiden vindplaatsen, is sprake van een zgn. palimpsest? Er lijkt in geen van de deelgebieden sprake van een palimpsestvindplaats. Verder is het zo dat de vindplaatsen 1, 3 en 5 zeer waarschijnlijk tot dezelfde vindplaats behoren. In die zin is er dus geen sprake van een ruimtelijke scheiding. Wel wordt verondersteld dat binnen deze vindplaatsen verschillen aanwezig zijn in de aard ervan. 15 Wat kan er gezegd worden over de aanwezigheid van zaken als vennen in de (diepere) ondergrond en in hoeverre heeft de aanwezigheid van dergelijke (kleinschalige) depressies invloed gehad op de landinrichting in (veel) latere periodes? Het onderzoek heeft geen aanleiding gegeven om in de diepere ondergrond de aanwezigheid van vennen etc te verwachten. Evenwel kan niet volledig worden uitgesloten dat deze elders in de deelgebieden wel worden aangetroffen. De kans hierop wordt echter als uiterst klein beschouwd.
bijlage 3 aardewerkdeterminatietabel WP VN CATNR CATEGORIE 1 2 1 roodbakkend aardewerk 1 2 2 Karolingisch rood aardewerk 1 3 1 Ongeglazuurd steengoed 2 4 1 Pingsdorfaardewerk 2 5 1 Pingsdorfaardewerk 2 5 2 Pingsdorfaardewerk 2 5 3 handgevormd 2 6 1 Kogelpotaardewerk 2 6 2 Pingsdorfaardewerk 2 7 1 handgevormd 2 8 1 handgevormd 2 9 1 Kogelpotaardewerk 2 10 1 handgevormd 2 11 1 Pingsdorfaardewerk 2 11 2 handgevormd 2 11 3 handgevormd 2 11 4 handgevormd 2 12 1 Kogelpotaardewerk 2 13 1 handgevormd 3 14 1 blauwgrijs aardewerk 3 14 2 handgevormd 4 16 1 indet. 4 17 1 handgevormd 4 18 1 roodbakkend aardewerk 4 18 2 Steengoed met oppervlaktebehandeling 4 20 1 handgevormd 4 20 2 Ongeglazuurd steengoed 4 20 3 Kogelpotaardewerk 4 24 1 blauwgrijs aardewerk 4 24 2 grijsbakkend aardewerk 4 24 3 Ongeglazuurd steengoed 4 69 1 Pingsdorfaardewerk 4 69 2 Steengoed met oppervlaktebehandeling 5 26 1 roodbakkend aardewerk 5 26 2 blauwgrijs aardewerk 5 26 3 indet. 5 26 4 handgevormd 5 26 5 Pingsdorfaardewerk 5 26 6 Kogelpotaardewerk
BAKSEL Siegburg met donkere kern Paffrath-type frechen Siegburg Elmpter waar Siegburg Langerwehe Paffrath-type -
TYPE r- kr-pots1-dripi-bekpi- pi- kp- pi- kp- pi- kp- bg-kog-2 r- s2- s1- kp- bg- g- s1-dri-2 pi- s2-vel-1 r- bg- pi- kp- -
VORM pot drinkschaal beker kogelpot drinkschaal veldfles -
BEGIN EIND 1500 1950 700 900 1375 1525 900 1200 900 1200 900 1200 270 700 800 1350 900 1200 270 700 270 700 800 1350 270 700 900 1200 270 700 270 700 270 700 875 1025 270 700 1000 1200 -1100 70 -15 1150 1600 -500 1280 800 1025 1150 1375 900 1300 1450 880
700 1950 1950 270 1500 1350 1450 1550 1525 1200 1450 1950 1300
-1100 900 800
1200 1350
N 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 1 1 1 2 1 2 1 2 1 1 1 1 1 1
G(g) EVE RAND WAND BODEM OOR 3 0 0 1 0 0 28 0,08 1 0 0 0 36 0,55 0 0 1 0 5 0,03 1 0 0 0 4 0 0 1 0 0 1 0 0 1 0 0 4 0 0 1 0 0 14 0,08 1 0 0 0 3 0,08 1 0 0 0 4 0 0 1 0 0 7 0,07 1 0 0 0 7 0 0 1 0 0 8 0 0 1 0 0 1 0 0 1 0 0 7 0,05 1 0 0 0 4 0 0 1 0 0 8 0 0 1 0 0 7 0 0 1 0 0 5 0 0 1 0 0 9 0,06 1 0 0 0 3 0 0 1 0 0 2 0 0 1 0 0 35 0,13 0 0 1 0 7 0 0 1 0 0 13 0 0 2 0 0 27 0 0 1 0 0 4 0 0 1 0 0 7 0 0 1 0 0 77 0,23 0 0 2 0 46 0,05 1 0 0 0 12 0,04 1 1 0 0 12 0 0 0 0 1 73 0 0 2 0 0 32 0 0 1 0 0 6 0 0 1 0 0 1 0 0 1 0 0 45 0 0 1 0 0 36 0,02 0 0 1 0 26 0 0 1 0 0
5 5 5 5 5 6 7 7 7 7 7 7 7 7 7 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 8 9 9 9 9 9 9 9 9 9
29 29 29 30 30 31 32 33 33 35 36 36 38 42 42 45 45 45 45 45 45 45 45 46 46 46 47 48 50 52 53 56 39 39 39 44 44 57 57 57 57
1 Steengoed met oppervlaktebehandeling 2 Pingsdorfaardewerk 3 Steengoed met oppervlaktebehandeling 1 Pingsdorfaardewerk 2 Proto-steengoed 1 blauwgrijs aardewerk 1 Pingsdorfaardewerk 1 Ongeglazuurd steengoed 2 blauwgrijs aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 1 Steengoed met oppervlaktebehandeling 1 handgevormd 2 blauwgrijs aardewerk 1 Pingsdorfaardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 blauwgrijs aardewerk 4 blauwgrijs aardewerk 5 blauwgrijs aardewerk 6 handgevormd 7 gladwandig aardewerk, reducerend of oxiderend (merovingisch) 8 ruwwandig aardewerk, reducerend en oxiderend (merovingisch) 1 Pingsdorfaardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 handgevormd 1 blauwgrijs aardewerk 1 Pingsdorfaardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 1 roodbakkend aardewerk 1 roodbakkend aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 Pingsdorfaardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 2 Ongeglazuurd steengoed 1 handgevormd 2 roodbakkend aardewerk 3 blauwgrijs aardewerk 4 indet.
frechen Siegburg Elmpter waar Siegburg Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Paffrath-type Elmpter waar Elmpter waar Paffrath-type Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Siegburg Paffrath-type -
s2- pi- s2- pi- s5- bg- pi- s1- bg- bg- bg- bg- s2- bg- pi- bg- bg- bg- bg- gw- rw- pi- bg- bg- pi- bg- bg- r- r-kogbg- bg- pi- bg- s1-kanr- bg- -
kogelpot kan -
1600 900 1400 900 1200 1025 900 1400 1025 1025 1025 1025 1300 270 1025 900 880 1025 1025 880 270 450 450 900 1025 270 1025 900 1025 1025 1150 1150 1025 1025 900 1025 1280 270 1150 880
1950 1200 1500 1200 1300 1450 1200 1500 1450 1450 1450 1450 1950 700 1450 1200 1300 1450 1450 1300 700 750 750 1200 1450 700 1450 1200 1450 1450 1950 1350 1450 1450 1200 1450 1500 700 1950 1300
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 3 3 1 5 1 1 1
12 5 2 6 9 18 2 14 45 25 6 11 2 3 26 7 8 7 26 10 87 32 33 5 13 16 5 3 4 9 3 7 32 33 9 87 16 28 8 14 1
0 0,04 0,05 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0,08 0 0 0 0 0,2 0 0,2 0 0 0 0 0 0 0,08 0 0 0 0 0 0 0 0,02 0 0 0
0 1 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0
1 0 0 1 1 1 1 0 1 1 1 1 1 1 1 0 1 1 1 1 0 1 0 1 1 1 1 1 1 0 1 1 1 1 3 3 1 4 1 1 1
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9
57 57 57 57 58 59 60 60 60 60 61 61 61 61 61 64 64 64 64 65 65 66 67
5 Pingsdorfaardewerk 6 Pingsdorfaardewerk 7 Karolingisch rood aardewerk 8 roodbakkend aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 1 roodbakkend aardewerk 1 Pingsdorfaardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 blauwgrijs aardewerk 4 blauwgrijs aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 blauwgrijs aardewerk 4 blauwgrijs aardewerk 5 blauwgrijs aardewerk 1 blauwgrijs aardewerk 2 blauwgrijs aardewerk 3 blauwgrijs aardewerk 4 indet. 1 handgevormd 2 blauwgrijs aardewerk 1 Pingsdorfaardewerk 1 blauwgrijs aardewerk
Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Elmpter waar Paffrath-type Elmpter waar
pi- pi- kr- r-kogbg- r-kogpi- bg- bg- bg- bg- bg- bg- bg- bg- bg- bg- bg-pot-5 bg-kog-2 pi- bg- -
kogelpot kogelpot pot kogelpot -
900 900 700 1150 1025 1150 900 1025 1025 1025 1025 1025 1025 1025 1025 1025 1025 1150
1200 1200 900 1350 1450 1350 1200 1450 1450 1450 1450 1450 1450 1450 1450 1450 1450 1300
-500 880 900 1025
270 1300 1200 1450
2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 4 2 1 1 1 1 1 1 1
2 2 10 6 22 3 23 56 119 243 122 21 3 66 121 55 4 58 4 14 9 8 39
0 0 0 0 0,07 0 0,15 0 0 0,2 0 0 0 0 0 0,12 0 0 0 0 0,08 0 0
0 0 0 0 1 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 2 0 0 0 0 1 0 0
2 1 1 1 0 1 0 1 1 0 1 1 1 1 4 0 1 1 1 1 0 1 1
0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
178.480
424.420
9
9.3
9.11
9.12
9.2 9.4
9.21
9.15
7.10 7.21
7
9.17 9.14
9.20 9.19
9.10
9.18
9.16
6
7.22
7.21
6.4 6.3 6.2
4 4.6 4.7
4.12 4.8
4.14 4.15
4.5 4.17
4.10
4.13
4.15 4.16
4.5
424.290
4.9
0
178.630 A
B
C
D
E
F
F
Kaartbijlage 1: Allesporenkaart deelgebied Europaplein vlak 1. A wel/niet onderzocht; B archeologisch spoor; C natuurlijke verstoring; D subrecente aan agrarische werkzaamheden gerelateerde sporen; E muurwerk; F recente verstoring; G ophogingslaag; H natuurlijke ondergrond.
25 m
178.480
424.420
9
9.12 7.22
7
7.21
424.290
9.13
0
178.630 A
B
Kaartbijlage 2: Allesporenkaart deelgebied Europaplein vlak 2. A wel/niet onderzocht; B archeologisch spoor.
25 m
178.630
424.260
10 10.2
2.3
2.4
2.12 2.6
2.5
2 2.10
3.5 2.11 2.8 11.2
11 11.4 5.2
5
5.4 5.7
5.12
5.3
5.14
5.13
5.25
5.15
5.6
5.26
5.8
5.28 5.21
5.18
5.29 5.37
5.35
5.16 5.17
5.36
5.41 5.42
5.19
5.45 5.41
5.27
5.20
5.27
5.19 5.30 5.38
5.32 5.43
5.39
5.40
5.44 5.34
424.215
5.33
0
178.520
A
3
11.3
B
C
D
E
F
Kaartbijlage 3: Allesporenkaart deelgebied Bolster vlak 1. A wel/niet onderzocht; B archeologisch spoor; C natuurlijke verstoring; D Laag van Wijchen; E natuurlijke laag (duinzand/terras); F recente verstoring.
25 m
178.430
424.170
8 8.27 8.34
8.35
8.36 8.37
1
1.3
8.31 8.33 8.25 8.13 8.16
8.32 1.2
8.23
8.12 8.19 8.14
8.11 8.9
8.8 8.3 8.7 8.4 8.10
8.30 8.29 8.18 8.20 8.17 8.24 8.5 8.26
424160
8.15
8.2
8.6 8.21 8.28 8.22
0
178.350