CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8: Proefsleuvenonderzoek Tussen Kasteel en Wijchens Meer 2020 (ZAN 916)

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202219.741 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Tussen het kasteel en het Wijchens meer ligt een heleboel archeologie. Archeologisch proefsleuvenonderzoek langs de oostrand van het centrum van Wijchen.   

916

Tussen het Kasteel en het Wijchens Meer ligt een heleboel archeologie. Archeologisch proefsleuvenonderzoek langs de oostrand van het centrum van Wijchen.       :  

Zuidnederlandse Archeologische Notities

916

Amsterdam 2021 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave VUhbs archeologie te Amsterdam

Colofon Opdrachtgever: Project: Plangebieden: Plaats documentatie: Objectcode: CIS-code: Centrumcoördinaten:

Status: Auteur: Bijdragen: Omslagontwerp:

Gemeente Wijchen Wijchen-Tussen Kasteel en Wijchens Meer Europaplein, Bolster, Meerdreef. VUhbs archeologie Dependance Beesd WIJ-TKWM-20 4875783100 Europaplein:178.560/424.335 Bolster: 178.580/424.225 Meerdreef: 178.385/424.140 Concept J.C.G. van Kampen K.A. Hebinck M.H. Kriek

ISBN:

978-90-8614-903-2

©VUhbs archeologie, februari 2021. De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam

2

              4.1 Locatie proefputten 4.2 Werkwijze tijdens het onderzoek 



              

7 8 11 12 12 14

 Koen Hebinck 5.1 Inleiding 5.2 Achtergrond 5.3 Bodemopbouw 5.4 Conclusies

15

  6.1 Algemeen 6.2 Europaplein 6.3 Bolster 6.4 Meerdreef 6.5 Conclusie

21 21 21 25 27 29

         

15 16 18 20

30



32



33



34

 

35

36

  

 14.1 Inleiding 14.2 Vindplaats 1 14.3 Vindplaats 2 14.4 Vindplaats 3 14.5 Vindplaats 4 14.6 Conclusie en advies

37 39 39 40 41 42 43 44

3

   Bijlage 1 Overzicht archeologische perioden Bijlage 2 Beantwoording onderzoeksvragen Bijlage 3 Determinatielijst aardewerk  Kaartbijlage 1 Kaartbijlage 2 Kaartbijlage 3 Kaartbijlage 4

45

Allesporenkaart vlak 1 Europaplein Allesporenkaart vlak 2 Europaplein Allesporenkaart Bolster Allesporenkaart Meerdreef

4

 In de zomer van 2020 heeft VUhbs archeologie in opdracht van de gemeente Wijchen een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het oostelijke deel van het centrum van Wijchen. In de nabije toekomst zullen hier verschillende deelgebieden ontwikkeld worden ten behoeve van nieuwbouw. Hierbij zal de ondergrond diepgaand worden geroerd met als gevolg dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zullen worden. Aangezien uit eerdere onderzoeken in het centrum van Wijchen bekend is dat het centrum een veelvoud aan archeologische vindplaatsen herbergt, bestond de verwachting dat ook in de deelgebieden binnen het onderhavige onderzoeksterrein archeologische vindplaatsen in de ondergrond aanwezig waren. Het was vooral de vraag om wat voor sites het ging en in hoeverre deze nog intact waren. In de directe omgeving van de onderzochte locaties zijn vindplaatsen aangetroffen uit het Neolithicum, Bronstijd, Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen. Aan het einde van de Vroege Middeleeuwen krijgt het huidige Wijchen vorm en vanaf dat moment is het centrum eigenlijk continu bewoond. Opvallend is dat het onderzoek vooral sporen en vondsten heeft opgeleverd uit de Volle Middeleeuwen en later. Sporen uit de eerdere perioden zijn, tegen de verwachting in, nauwelijks aangetroffen.

Binnen de twee zuidelijke deelgebieden zijn de resten aangetroffen van de nederzetting Wijchen waarvan tijdens twee andere opgravingen in aangrenzende zones ook al resten zijn aangetroffen. Binnen deze vindplaatsen zijn ook aanwijzingen gevonden voor activiteiten of bewoning in de prehistorie en dan met name de Bronstijd. Daarnaast zijn ook enkele vondsten gedaan die wijzen op menselijke aanwezigheid in de Laat Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Gezien hun relatie met de middeleeuwse voorganger van het huidige Wijchen en feit dat over middeleeuws Wijchen nog veel vraagtekens bestaan als het gaat om de vorm van de nederzetting en de activiteiten die hierbinnen werden ontplooid, zijn de vindplaatsen in de twee zuidelijke deelgebieden als behoudenswaardig aangemerkt. Voor de grootste vindplaats in het noordelijke deel van het plangebied geldt dat deze qua datering en informatiewaarde grotendeels overeenkomen met de resultaten uit de twee zuidelijke deelgebieden. Wel lijkt de aard van de vindplaats anders te zijn dan in het zuidelijke deel. Het betreft zeer waarschijnlijk een omgreppelde nederzetting uit de Volle Middeleeuwen. Hoewel een dergelijke nederzettingsvorm op de zuidelijke zandgronden van Nederland algemeen voorkomt, is het voor Wijchen vrij bijzonder.

In deze periode lijkt de nederzetting Wijchen, waartoe dus ook de sporen en vondsten uit de twee zuidelijke deelgebieden lijken te behoren, namelijk al een meer urbaan karakter te hebben. Als gevolg van deze ogenschijnlijke discrepantie in de aard van de vindplaatsen is ook deze vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. Naast de vindplaats uit de Volle Middeleeuwen is in het noordelijke deelgebied ook een groot spoor aangetroffen dat waarschijnlijk wat jonger is. Het betreft mogelijk een grote gracht, maar helaas kan momenteel niet worden uitgesloten dat het ook een vijver of ander watervoerende/waterhoudende structuur is geweest. Aangezien er op historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen zijn gevonden voor een dergelijke structuur op deze locatie, wordt aangenomen dat het spoor in ieder geval ouder is dan 200 jaar. Ook deze vindplaats is als behoudenswaardig aangemerkt. In het uiterste noorden van het terrein is nog een laatste vindplaats aangetroffen. Het betreft wat muurwerk dat tot een keldertje lijkt te horen alsmede een rand van een mogelijke bakstenen fundering. Verondersteld wordt dat het hier gaat om de resten van een woning die hier omstreeks het midden van de 20ste eeuw heeft gestaan. Deze vindplaats is als niet behoudenswaardig aangemerkt daar de informatiewaarde hiervan zeer gering is.

Op het moment van schrijven is behoud in situ voor geen van de als behoudenswaardige vindplaatsen mogelijk. Een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving is daarom de beste methode om de aangetroffen resten alsnog te behouden, zij het ex situ. De exacte oppervlakte van hetgeen op deze wijze onderzocht dient te worden is als gevolg van een aantal onduidelijkheden met

5

betrekking tot de exacte omvang van de ontwikkelingen niet vast te stellen. Daarbij komt dat ten tijde van het veldwerk nagenoeg alle onderzoekslocaties nog in gebruik waren als parkeerterrein. Daar de parkeerdruk in het centrum van Wijchen vrij hoog is, was de ruimte om de proefsleuven in aan te leggen vrij beperkt. Hoewel een groot aantal van de onderzoeksdoelen zijn gehaald, blijkt het lastig. de aangetroffen vindplaatsen te begrenzen. Deels is dit het gevolg van de beperkte vrijheid bij het bepalen van de locatie van de proefsleuven. Een andere oorzaak voor de onzekerheid is de impact en omvang van de recente verstoringen binnen de deelgebieden. Deze zijn plaatselijk mogelijk vrij groot, waardoor het niet zeker is dat hier nog in situ liggende archeologische resten kunnen worden aangetroffen. Wanneer het selectieadvies, wordt overgenomen door het bevoegd gezag, zal de opgraving onder andere over dit vraagstuk opheldering moeten verschaffen. Het selectieadvies luidt dan ook dat de middeleeuwse vindplaatsen als behoudenswaardig moeten worden beschouwd. Enkel voor de vindplaats uit de Late Nieuwe Tijd geldt dat deze als niet behoudenswaardig is gekwalificeerd.

6





Vanaf dinsdag 14 juli tot en met vrijdag 17 juli 2020 heeft VUhbs archeologie in opdracht van de gemeente Wijchen een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het oostelijke deel van het centrum van Wijchen (fig. 1.1). Het onderzoek maakt deel uit van een groot ontwikkelingsproject dat bekend staat onder de naam Tussen Kasteel en Wijchens Meer (TKWM). In het kader van dit project zullen grootschalige grondroerende werkzaamheden plaatsvinden in drie deelgebieden (Europaplein, Bolster en Meerdreef) die nu hoofdzakelijk in gebruik zijn als parkeerterrein (fig. 1.2).1 Hierbij bestaat een zeer reële kans dat tijdens deze werkzaamheden in de grond aanwezige archeologische resten beschadigd of vernietigd worden. Hoewel voorafgaand aan het onderzoek vrijwel niets bekend was over de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen binnen de te onderzoeken zones, was duidelijk uit andere archeologische onderzoeken in de directe omgeving dat rekening gehouden moet worden met vindplaatsen vanaf het Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd.

Fig. 1.1. Wijchen-TKWM. De verschillende deelgebieden binnen Wijchen. Inzet: Wijchen binnen Nederland. Bron: Topografische Dienst Nederland.

1

In het PvE staat de Bolster omschreven als de Oosterweg. Omdat het terrein lokaal echter bekend staat als De Bolster (naar de gelijknamige basisschool die hier tot enkele decennia geleden heeft gestaan) is in dit rapport gekozen om met dit toponiem te werken.

7

Fig. 1.2. Wijchen-TKWM. Uitsnede van de demarcatiekaart van het centrum met daarop de nieuwbouwplannen.

Zoals gezegd was de gemeente Wijchen opdrachtgever voor het archeologisch onderzoek. Namens haar was dhr. N. Bos het aanspreekpunt. Naast de rol van opdrachtgever had de gemeente ook de rol van het bevoegd gezag op zich genomen. Hierin werd zij vertegenwoordigd door mevr. E. van der Linden. Het veldwerk is uitgevoerd door een veldteam van VUhbs archeologie dat onder leiding stond

8

van Johan van Kampen. Daarnaast waren, wisselende samenstelling, Martijn van Haasteren, Jelle van Hemert en Ernst Maas bij het veldwerk betrokken. De fysisch geografische situatie is bestudeerd door Koen Hebinck en in samenspraak met de projectleider beschreven. Bij de verdere uitwerking zijn verschillende mensen geraadpleegd voor de determinatie van het vondstmateriaal. Hierbij heeft Alline Sinke het handgevormde aardewerk bestudeerd en is het gedraaide aardewerk door Valentijn van den Brink gedetermineerd. De munten zijn gedetermineerd door Tim Wagner en het overige metaal door Jelle van Hemert. De beschrijving van de vondsten, alsmede de determinatie van de overige vondstcategorieën is verricht door Johan van Kampen. In de volgende hoofdstukken zal na een korte beschrijving van het vooronderzoek en de doelstellingen worden ingegaan op het onderzoek zelf. Eerst zullen de gebruikte methoden en technieken bij zowel het veldwerk als de uitwerking worden besproken (hoofdstuk 4). Vervolgens zal worden ingegaan op de resultaten van het onderzoek, waarbij hoofdstuk 5, de beschrijving van de landschappelijke situatie, een kader biedt voor de verdere resultaten. Deze zijn verwoord in de hoofdstukken 6 tot en met 12. Hoofdstuk 6 behelst de beschrijving van de aangetroffen sporen welke wordt gevolgd door de vondstbeschrijving per vondstcategorie.

De hoofdstukken 13 en 14 bevatten respectievelijk de conclusie, waardering en het advies aan de bevoegde overheid ten aanzien van de verder te nemen stappen inzake de archeologie binnen de deelgebieden.





Binnen de verschillende deelgebieden heeft, met uitzondering van een klein proefputtenonderzoek in het verleden, geen gravend archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Een regulier bureauonderzoek en een hier aan gekoppeld booronderzoek zijn ook achterwege gelaten. De reden hiervoor is dat in de directe omgeving van de deelgebieden al veel gravend onderzoek is uitgevoerd, waardoor een vrij goed beeld bestaat van hetgeen in de deelgebieden te verwachten viel op het gebied archeologische vindplaatsen. Daarbij komt dat een booronderzoek in dezen alleen zinvol zou zijn geweest voor het in kaart brengen van eventuele grootschalige verstoringen. Aangezien het grootste deel van de deelgebieden echter bestraat was, zou dit onnodig veel werk met zich meebrengen. Daarbij komt dat de aard en omvang van de verstoringen middels een proefsleuvenonderzoek toch beter in kaart kon worden gebracht. Wel is in het kader van het opstellen van een archeologische verwachting in het PvE een inventarisatie gemaakt van de belangrijkste onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied.2 Als achtergrond voor het onderhavige onderzoek is de passage uit het PvE met betrekking tot de nabijgelegen onderzoeken overgenomen en waar relevant aangevuld. De onderzoekszones beslaan globaal het zuidoostelijke deel van het huidige centrum.

In de directe omgeving hiervan en iets verder naar het oosten zijn een aantal grotere en kleinere onderzoeken uitgevoerd die een beeld geven van hetgeen er verwacht kan worden tijdens het proefsleuvenonderzoek. Bij zowel het onderzoek aan de Valendries, de nabijgelegen begeleiding aan de Konijnsweg/Lijsterbesstraat, als tijdens de opgravingen op de Oostflank zijn aanwijzingen gevonden voor menselijke activiteiten in het Mesolithicum.3 Hierbij gaat het primair om losse vondsten, vondstconcentraties en 14C-dateringen en niet zo zeer om sporen. De oudste periode waaruit zowel sporen als vondsten zijn aangetroffen is het laat-Neolithicum. Omstreeks het begin van het 3de millennium voor Chr. is er in de microregio van Wijchen sprake van een, voor die tijd, intensieve bewoning. Tijdens het onderzoek onder de Marktpromenade, grenzend aan de westrand van deelgebied Europaplein, is hier een deel van een ven aangetroffen, waarlangs 2 3

Van Kampen 2020. Verhelst 2011/Hesseling 2017/Van Kampen 2017.

9

waarschijnlijk bewoning plaatsvond.4 Daarnaast veronderstelt men hier ook nog een crematiegraf uit dezelfde periode te hebben gevonden.5 Ook ten zuiden van deelgebied Bolster zijn tijdens de opgraving op de Oostflank veel sporen en vondsten uit deze periode aangetroffen.6 Ook nu was er weer sprake van een ven dat men in het Laat-Neolithicum heeft benut.7 Direct ten noorden van deelgebied Europaplein zijn minder duidelijke aanwijzingen voor bewoning in het 3de millennium voor Chr., maar het is goed mogelijk dat ook hier sprake is van enige vorm van menselijke activiteit omstreeks 5000 jaar geleden.

Fig. 2.1. Wijchen-TKWM. Uitsnede van de topografische kaart van het centrum van Wijchen met daarop het plangebied en de meest relevante onderzoeken voor het plangebied. A Markt (Merovingisch grafveld/neolithisch ven); B Tienakker ((laat-)Romeinse en Merovingische bewoning); C Oostflank (Bewoning en/of sporen uit Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen); D Westflank (Merovingische bewoning/Volle Middeleeuwen); E Meesterplaats (Neolithicum en Middeleeuwen); F Martensterrein (Bronstijd/Romeinse tijd); G Dorsvlegel (Bronstijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen); H Wijchens Meer (Romeinse en middeleeuwse resten); I Molenberg (Romeins grafveld); J Konijnsweg/Lijsterbesstraat (Mesolithicum, Neolithicum en Middeleeuwen); K Deelgebied Europaplein; L Deelgebied Bolster, M Deelgebied Meerdreef. 4

Heeren/Hazenberg 2010. Idem. 6 Van Kampen 2017. 7 Idem. 5

10

Vervolgens lijkt er sprake te zijn van een terugloop in de bevolking of in ieder geval in de bewoningsintensiteit rond het huidige centrum van Wijchen. In de Bronstijd zien we weer wat aanwijzingen voor bewoning in de vorm van enkele verspreide erven. Zo zijn bij de opgravingen op het Martensterrein en de Oostflank sporen en structuren uit de Midden Bronstijd aangetroffen.8 Sporen uit de Vroege Bronstijd zijn ook aangetroffen, maar zijn schaars.9 Ook de Late Bronstijd is tot op heden niet sterk vertegenwoordigd binnen het centrum van Wijchen, maar niet afwezig. Bij de begeleiding op de Dorsvlegel zijn verschillende sporen uit deze periode gevonden. Ook de IJzertijd is in dit deel van Wijchen nog vrij ondervertegenwoordigd, hoewel het zeer waarschijnlijk is dat de zone rondom het plangebied ook in deze tijd werd bevolkt. Dit blijkt uit losse vondsten, maar ook verder buiten het centrum zijn opgravingen bekend waarbij sporen uit de IJzertijd zijn gevonden.10 In de Romeinse tijd neemt de bevolking in aantal weer wat toe. Zowel op het Martensterrein als de Tienakker zijn verschillende woon(stal)huizen gevonden.11 Voor het gebied rond de Tienakker is het zelfs waarschijnlijk dat hier een villa heeft gestaan.

Ook laat het grafveld onder de Molenberg zien dat er sprake is van ten minste één nederzetting in de Romeinse tijd.12 Echter een complete nederzetting uit de Romeinse tijd is vooralsnog niet opgegraven in het centrum van Wijchen. In de laat-Romeinse tijd is ook nog steeds sprake van bewoning. Onder andere op de Oostflank, de Markt en aan de Esdoornstraat zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van respectievelijk huizen (nederzetting) en graven uit deze periode.13 Dit is op zichzelf vrij bijzonder, want in deze periode vindt er op een zekere schaal ontvolking plaats in het rivierengebied. Echter, in de Merovingische periode zien we een daadwerkelijke toename van de bewoningsintensiteit. Zowel op de Oost- en Westflank, als op de Tienakker zien we bewoningssporen uit deze periode.14 Deze vindplaatsen clusteren zich rond het grote grafveld dat ter hoogte van de Marktpromenade is gevonden. Na de Merovingische tijd is er vermoedelijk alleen nog maar sprake van groei, waarbij Wijchen aan het begin van de Volle Middeleeuwen mogelijk nog een belangrijke rol speelt in de regio op het gebied van IJzerproductie.15 In deze en de opvolgende periode heeft Wijchen een ander karakter dan de gebruikelijke nederzettingen uit deze periode.

Het gaat hierbij niet om losse erven met een agrarische functie, maar waarschijnlijk om een vroeg dorp waarbij handel en ambachten ook tot het economische spectrum behoren.





De hiervoor genoemde onderzoeken maken duidelijk dat binnen het plangebied een veelvoud aan vindplaatsen aangetroffen zouden kunnen worden. Om een degelijke inschatting te kunnen maken van de kosten voor eventuele opgravingen was de belangrijkste doelstelling van het onderzoek inzicht te krijgen in de aard en omvang van de eventuele aanwezige vindplaatsen binnen het plangebied. Een tweede doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de mate waarin deze vindplaatsen behoudenswaardig zijn.

8

Verhelst 2011. Van Kampen 2017. 10 Zie onder andere Heirbaut 2011 en Schurmans/Oosterbaan 2016. 11 Heirbaut/Van Enckevort 2011; Verhelst 2011. 12 Hendriks, J./M. Magnée-Nentjes 2008. 13 Heeren/Hazenberg 2010; Van Kampen 2017. 14 Bink 2010; Heirbaut/Van Enckevort 2011; Van Kampen 2017, Van Kampen in voorbereiding. 15 Van Kampen 2017. 9

11

Om deze doelstellingen te bereiken zijn in het PvE een aantal onderzoeksvragen geformuleerd.16 Aan de hand van de antwoorden hierop moet met behulp van een aantal criteria per vindplaats worden bepaald in hoeverre deze behoudenswaardig zijn. Aangezien behoud in situ binnen de huidige plannen niet mogelijk is, zal voor behoudenswaardige vindplaatsen automatisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving worden geadviseerd. De beantwoording van de onderzoeksvragen vindt grotendeels plaats in de lopende tekst van dit rapport. Voorts zijn de vragen voorzien van een antwoord in bijlage 2.









Voorafgaand aan het veldwerk was in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag een puttenplan opgesteld. Het merendeel van de proefsleuven diende aangelegd te worden in gebieden die nu nog in gebruik zijn als parkeerterrein. Aangezien de parkeerdruk in het centrum van Wijchen groot is, was het van belang dat de overlast door het graven van de proefsleuven tot een minimum werd beperkt. In eerste instantie was een conceptputtenplan opgesteld dat middels een veldbezoek met het bevoegd gezag en de opdrachtgever is bijgesteld. Naast de uitdaging om de overlast voor de bevolking van Wijchen vormde de aanwezige riolen en overige nutsleidingen een extra complicerende factor bij het plannen van de werkputten. Uiteindelijk is een puttenplan vastgesteld zoals dat in figuur 4.1 is weergegeven. Dit plan wijkt op een aantal belangrijke punten af van het PvE. Het PvE is namelijk opgesteld voordat de definitieve ontwikkelingsplannen voor het centrum bekend waren. Op dat moment was nog sprake van grootschaliger bodemingrepen waarbij het volledige parkeerterrein op het Europaplein (in het PvE is dit opgedeeld in Europaplein Noord en Zuid) alsmede een groter gebied langs de Meerdreef ontwikkeld zou worden. Toen de definitieve plannen eenmaal bekend waren is besloten om geen verdere wijzigingen aan te brengen in het PvE daar de onderzoeksmethoden hetzelfde zijn gebleven.

Fig. 4.1. Wijchen-TKWM. Het oorspronkelijke puttenplan, geprojecteerd op een luchtfoto van Wijchen. In geel het feitelijke ontwikkelingsgebied. In groen het gebied dat in een eerdere fase ook onderdeel uitmaakte van het project.

Ondanks de zorgvuldige planning met betrekking tot de locatie van de proefsleuven deden zich tijdens het veldwerk toch enige complicerende factoren voor die een wijziging in het bestaande puttenplan tot gevolg hadden. Ook is tijdens het veldwerk besloten om nog twee aanvullende putjes te graven op het terrein van de Bolster. In figuur 4.2 is het resultaat van deze wijzigingen weergegeven. In totaal is een 16

Van Kampen 2020, 18-19.

12

oppervlakte van 394 m2 onderzocht. Hoewel dit slechts een fractie lijkt van de initiële oppervlakte van de verschillende deelgebieden, blijkt uit het kaartje in figuur 4.2 dat de deelgebieden Europaplein en Bolster een redelijke dekkingsgraad hebben. Zeker wanneer men in ogenschouw neemt dat in bij de oppervlakteberekening voor het Europaplein ook het voormalige gemeentehuis is meegenomen. Dit gebouw heeft echter diepe kelders waardoor hier geen intacte archeologische resten zullen worden aangetroffen. Voor het deelgebied Bolster geldt feitelijk hetzelfde. Bij de bouw- en sloopwerkzaamheden van de basisschool is het plangebied tot enige diepte geroerd. Twee sleuven binnen dit deelgebied waren dan ook specifiek gericht op het bepalen van de impact van deze werkzaamheden, daar door het onderzoek op de Oostflank (direct ten zuiden) en de Meesterplaats (direct ten westen) al bekend was dat binnen deelgebied Bolster sprake was van een vindplaats waarbinnen de resten van het middeleeuwse Wijchen waarbij ook nog resten uit het Neolithicum, Bronstijd verwacht kunnen worden.17

Fig.

4.2.

Wijchen-TKWM.

Uiteindelijk

Europaplein;

Rechtsboven

puttenplan. Linksboven

Bolster; Links Meerdreef.

De enige locatie waarvoor geldt dat hier een relatief klein oppervlak is onderzocht, is het deelgebied Meerdreef. Hier zijn slechts twee putten aangelegd, waarvan werkput 1, zeer klein is. De reden hiervoor is dat de beschikbare ruimte om de put aan te leggen zeer beperkt was als gevolg van de aanwezigheid van een aantal bomen. Daarbij komt dat hier heel erg veel bovengrond verwijderd diende te worden, waardoor er simpelweg geen ruimte was om de vrijkomende grond in depot te zetten. Evengoed kon wel worden vastgesteld dat ook in dit deel nog sporen aanwezig zijn en is een beeld verkregen van de mate van verstoring. Voorts is ook de andere werkput in dit deel (werkput 8 17

Van Kampen 2017; Te Kiefte 2020.

13

een kwartslag gedraaid ten opzichte van het oorspronkelijke idee. Kennelijk ligt op de locatie waar de put oorspronkelijk gepland was een riool dat is aangesloten op het gebouw van Wessels Uitvaartverzorging. Dit stond echter niet op de KLIC, waardoor de put pas in het veld, toen mensen van Wessels ons hierop wezen, is aangepast. Op zich maakt dit niet uit daar de proefsleuf uit het onderzoek van de Oostflank uit 2009 doorloopt tot in het zuidelijke deel van dit deelgebied. Hierdoor zijn we in staat om een vrij goed beeld te krijgen van de archeologische situatie in het deelgebied Meerdreef. 



De dag voordat de werkputten in een bepaald deelgebied moesten worden aangelegd, is de bestrating verwijderd door een team van Gebr. Van Venroij B.V. uit Weert. De vlakaanleg geschiedde, afhankelijk van de locatie waar gegraven werd, met een mobiele kraan of met een 8-tons rupskraantje. In beide gevallen werden deze geleverd door Willems Winssen B.V. De werkputten zijn in de volgorde van nummering aangelegd. Nadat het werk in een put was afgerond werd deze vrijwel direct gedicht en, indien mogelijk, nog dezelfde dag herbestraat. Tijdens de aanleg van de werkputten is eerst het funderingszand onder de bestrating verwijderd. Dit was niet nodig bij de putten in het deelgebied Meerdreef daar deze locatie begroeid is met gras. Voorts is eigenlijk overal dezelfde methode gehanteerd. Hierbij werd de bovengrond (bouwvoor en plaggendek) in lagen van 5-15 cm verwijderd waarbij het hierdoor ontstane tussenvlak met de detector is afgezocht op metaal en visueel is geïnspecteerd op overige vondsten. Relevante metaalvondsten zijn hierbij driedimensionaal ingemeten. Overige vondsten zijn in vakken van 5 bij 4 m verzameld en alle vondsten zijn per laag geadministreerd. Het vlak is aangelegd op het eerste leesbare sporenniveau. In de regel was dit op het gele stuifzand dat zich onder een bruin humeus akkerdek bevond (zie ook hoofdstuk 5).

De sporen zijn vervolgens ingekrast en het vlak is gefotografeerd, waarna het vlak is N G(g) ingemeten met behulp van een GPS (GeoMax Zenith16). Indien inhoud nodig om meer zicht te krijgen op aard, datering of conservering van de aanwezige vindplaatsen zijn selectief sporen gecoupeerd. Coupes 121 2305 zijn getekend op millimeterpapier op een schaal van 1:20. Ook zijn ze aardewerk ingemeten. baksteen/dakpan 8 1753 Het PvE schreef voor dat aan de kopse kanten van iedere glas 3 16 werkput respectievelijk een profielkolom en een langer profiel kleipijp 6 35 gedocumenteerd diende te worden. De informatie die hieruit werd metaal ferro 7 1018 verkregen diende te worden aangevuld met boringen.18 Het doel metaal non-ferro 14 221 hiervan was het bepalen van de noodzaak voor de aanleg van een monster pollen 1 tweede vlak. In het veld bleek een dergelijke werkwijze echter niet natuursteen 23 2638 noodzakelijk daar in de meeste profielen ofwel de Laag van Wijchen slak 9 1157 ofwel het pleistocene terras is aangesneden (zie ook hoofdstuk 5). tegel 2 12 Uiteindelijk is enkel in de werkputten 7 en 9 plaatselijk een tweede 105 vlak aangelegd. Verder kon overal worden volstaan met de aanleg van verbrande leem 5 één vlak. Wel zijn in de werkputten 2, 5, 6, en 7 boringen geplaatst 199 9260 om te zien of er sprake was van diepere sporen-of vondstenniveaus.

totaal Ook deze zijn doorgezet tot in de Laag van Wijchen of in het terras. Na het veldwerk zijn alle vondsten gewassen en ingevoerd in een database. Voor een tweetal metaalvondsten geldt dat niet duidelijk was wat de aard hiervan was. Deze zijn schoongemaakt. Voorts zijn de behoudenswaardige Tabel 4.1. Wijchen-TKWM. Overzicht van het aantal vondsten en 18

Van Kampen 2020, 20-21.

het gewicht per vondstcategorie.

14

metaalvondsten geconserveerd. In totaal zijn 198 vondsten verzameld en is één pollenbak geslagen (tabel 4.1). De vondsten zijn, met uitzondering van enkele stukken metaal allemaal geselecteerd voor analyse, conservering en deponering. Vondsten zijn gewogen en ingevoerd in een database of in Excelbestanden.

5

FYSISCHE GEOGRAFIE

Koen Hebinck 5.1

INLEIDING

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het landschap van het onderzoeksterrein en de directe omgeving daarvan. Binnen het onderzoeksterrein zijn verdeeld over de elf proefsleuven en putten zestien profielkolommen gedocumenteerd die een beeld geven van de natuurlijke bodemopbouw (fig. 5.1). Daarnaast zijn verschillende boringen gezet voor de diepere bodemopbouw en zijn ook de dagzomende, natuurlijke lagen in het vlak beschreven. De profielen zijn met de hand opgeschaafd, ingekrast en gedocumenteerd. Hierbij zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden. Alle lagen in de profielen zijn beschreven op basis van textuur, kleur, het gehalte organische stof, andere lithologische en bodemkundige verschijnselen en eventuele insluitsels van natuurlijke of archeologische aard.19

Fig. 5.1. Wijchen-TKWM. Locatie van profielen en boringen op het puttenplan. Linksboven

Europaplein;

Rechtsboven

Bolster; Links Meerdreef. 19

Beschreven is volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB, Bosch 2007), die gebaseerd is op de NEN5104 (Nederlands Normalisatie Instituut 1989).

15

Fig. 5.2. Wijchen-TKWM. Paleogeografische kaart van de omgeving van Wijchen (naar Cohen et al 2012). Schaal 1:100.000. A stuwwal en fluvioglaciale afzettingen; B pleniglaciaal terras (Kreftenheye 4); C Laagterras (Kreftenheye 5); D laat-glaciale meandergordel; E Terras X (Kreftenheye 6); F laat-glaciale restgeulen (naar Pons 1966); G rivierduinen; H stroomgordel Preboreaal; I stroomgordel Neolithicum; J stroomgordel Bronstijd; K stroomgordel IJzertijd; L stroomgordel Romeinse tijd; M stroomgordel post-romeins; N Holoceen kleidek; O water; P hoofdwegen; Q spoorweg; R gemeentegrens; S onderzoeksgebied.

5.2

ACHTERGROND

Het onderzoeksgebied ligt in het oosten van het Midden-Nederlandse Rivierengebied. Dit gebied maakte gedurende het grootste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (116.000 – 11.700 jaar geleden) deel uit van de riviervlakte van de Rijn en de Maas. Tijdens het grootste deel van het Weichselien hadden deze rivieren een vlechtend rivierpatroon en werd er onder periglaciale omstandigheden vooral grof zand en grind afgezet in brede, in oudere sedimenten ingesneden dalen. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye.20 Vanaf het Laat-Glaciaal tot in het Vroeg20

TNO-GDN 2020c.

16

Holoceen werd door inmiddels meanderende, maar zich nog steeds insnijdende rivieren, op deze sedimenten een pakket zandige klei afgezet, waarin bodemvorming heeft kunnen plaatsvinden. Deze laag staat bekend als de Laag van Wijchen. De top van deze pleistocene afzettingen ligt ten zuiden van het onderzoeksgebied op een diepte van 1 tot 2 m –mv.21 In het Laat-Glaciaal trad een relatief korte periode van felle koude op (Jonge Dryas; 12.850 – 11.700 jaar geleden). Door een toename van de piekafvoeren als gevolg van seizoenale sneeuwsmelt veranderde het rivierpatroon van de Rijn en de Maas gedurende deze periode tijdelijk terug van meanderend naar vlechtend en ontstond door de voortgaande insnijding een iets lagergelegen terras. Zeer bepalend voor het gebied rondom Wijchen en zeker ook voor het plangebied is de vorming van de rivierduinen. Door onregelmatige waterafvoer en het ontbreken van vegetatie kon in de Jonge Dryas rivierzand uit de droge beddingen van de vlechtende rivieren opwaaien. De duinen die op deze manier zijn ontstaan worden rivierduinen genoemd. De rivierduinafzettingen uit deze periode horen bij de Formatie van Boxtel en zijn ingedeeld in het Laagpakket van Delwijnen.22 Door de overwegend zuidwesten winden zijn de rivierduinen vooral ten noordoosten van de rivierbeddingen uit de Jonge Dryas te vinden, op het Laagterras en op de Laag van Wijchen.

De laat-glaciale afzettingen van de Laag van Wijchen vormen hiermee de scheiding tussen de fluviatiele afzettingen van de Formatie van Kreftenheye en de eolische afzettingen van het Laagpakket van Delwijnen. In de omgeving van Wijchen is in deze periode ten noordoosten van de riviervlakte van de Maas een brede zone met rivierduinen ontstaan (fig. 5.2). Aan het begin van het Holoceen veranderde, door het verbeterde klimaat, het rivierpatroon van vlechtend naar meanderend. In het begin van het Holoceen sneed de meanderende Rijn zich nog in de oudere afzettingen, waardoor in het rivierdal van de Rijn een getrapt terrassenlandschap ontstond. Geleidelijk gaan de Rijn en de Maas over van insnijdend naar aggraderend. Het punt waar de insnijding overging in accumulatie wordt de terrassenkruising genoemd. In het westen van de delta vindt deze verandering plaats onder invloed van de holocene zeespiegelstijging en is deze het eerst merkbaar. In het oosten van de delta, waar ook het onderzoeksgebied ligt, wordt deze verandering gestuurd door een toename van de sedimentlast in de Rijn en vindt deze pas later plaats.23 In de omgeving van het onderzoeksgebied passeerde de terrassenkruising rond 5000 jaar geleden.24 Vanaf die tijd is het terrassenlandschap geleidelijk afgedekt door jongere afzettingen.

Deze fluviatiele afzettingen uit het Holoceen behoren tot de Formatie van Echteld.25 De Maas ligt waarschijnlijk al vanaf het Vroeg-Holoceen min of meer op de plek waar de rivier nu ligt. Aanvankelijk dus als insnijdende rivier, maar na het passeren van de terrassenkruising ongeveer 5000 jaar geleden begint de Maas te accumuleren. Rond deze tijd krijgt de Maas een zijtak die van belang is voor de ontwikkeling van Wijchen en het plangebied; het Wijchens Maasje. Het Wijchens Maasje was actief van 3578 tot 1263 jaar voor Chr.26 Deze tak van de Maas volgt grotendeels de zuidelijke grens van de rivierduinafzettingen en ligt direct ten zuiden van het plangebied (fig. 5.2). Vanuit het Wijchens Maasje zijn mogelijk alleen in het zuidwestelijke deel van het plangebied (oever)afzettingen afgezet. Ook kan hier de flank van het rivierduin zijn aangesneden en kan het lagere deel van het rivierduin bij overstromingen vanuit deze rivier zijn geërodeerd of verspoeld. Bij het onderzoek op De Oostflank is de bleken dat op de lagere delen van het duin verspoeling vanuit het Wijchens Maasjes heeft plaatsgevonden, maar dat erosie hier slechts beperkt is.27 Op de hogere delen van het duin zullen geen fluviatiele afzettingen zijn afgezet. 21

Cohen et al, 2009. TNO-GDN 2020a. 23 Erkens 2009, 58. 24 Stouthamer et al. 2011, 229. 25 TNO-GDN 2020b. 26 Cohen et al. 2012 27 Van Kampen 2017, 32. 22

17

De hierboven geschetste ontwikkeling heeft er voor gezorgd dat de rivierduinen gedurende het Holoceen hoger gelegen zandeilanden vormen binnen het rivierlandschap. De rivierduinen kennen door deze hogere ligging relatief lage grondwaterstanden. Hierdoor hebben zich in deze zones podzolgronden kunnen vormen. Als gevolg van de rijke mineralogische samenstelling van de rivierduinzanden zijn hierin vooral moderpodzolen (holtpodzolgronden) gevormd. In de fijne, goed gesorteerde duinzanden kan ook gemakkelijk verstuiving optreden. Hierdoor zijn op het rivierduincomplex van Wijchen grote gebieden met stuifduinen te vinden die in het Holoceen zijn ontstaan en is ook in het centrum van het huidige Wijchen stuifzand afgezet. Op de Oostflank, ten zuidoosten van het huidige onderzoeksgebied, is gebleken dat hier voornamelijk in al in het Neolithicum maar vooral vanaf de Midden Bronstijd stuifzand is afgezet.28 Op het Martensterrein, ten noordoosten van het onderzoeksgebied, wordt verondersteld dat hier het meeste stuifzand is afgezet in het Midden en Laat Neolithicum.29

5.3

BODEMOPBOUW

In het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied bestaat de bodem in werkput 8 onder het recent geroerde en deels opgebrachte pakket uit een dik pakket lichtgeelgrijs, zwak siltig, matig fijn zand. In het bovenste deel zijn dunne bruine bandjes zichtbaar die zijn ontstaan door inspoeling (fig. 5.3). Dit betreft het eolisch afgezette rivierduinzand. Op een diepte van 1.80 à 1.90 m -mv (ca. 7.50 m NAP) gaat dit met en scherpe grens over in sterk siltig zand. Werkput 1 ligt in het uiterste zuidwesten en lager dan werkput 8. Hier ontbreekt het rivierduinzand en gaat het antropogene pakket dat bestaat uit een recent geroerde bovenlaag met daaronder twee oudere akkerlagen, op 7.00 à 6.90 m NAP direct over in het sterk siltige zand. Dit sterk siltige zand moet gezien worden als zandige oeverafzettingen van het meanderende riviersysteem uit het Laat-Glaciaal (Allerød) zoals die ook op de Oostflank zijn waargenomen.30 Fig. 5.3. Wijchen-TKWM. Profiel 8.1 met rivierduinzand op zandige oeverafzettingen.

28

Van Kampen 2017, 32. Verhelst, 2011, 49. 30 Van Kampen 2017, 29. 29

18

In het centrale (werkput 2, 3 5 10 en 11) en noordelijke deel (werkput 4, 6 en 9) van het onderzoeksgebied is de bodemopbouw in de meeste profielen in grote lijnen vergelijkbaar. De top bestaat voornamelijk uit recent verstoorde en deels opgebrachte lagen. In de meeste werkputten is hieronder nog een restant van het plaggedek herkenbaar. Onder het antropogene pakket is hier net als in het zuidwestelijke deel een pakket zwak siltig rivierduinzand aanwezig. In werkput 2 en 5 is in de top hiervan een geelbruine laag aanwezig die gezien moet worden als een restant van een moderpodzol-B-horizont (fig. 5.4). In de overige profielen is de B-horizont niet (meer) aanwezig. Het (restant van het) pakket onverstoord duinzand heeft een dikte die Fig. 5.4Wijchen-TKWM. Profiel 5.1 met restant van de ligt tussen 60 cm in werkput 6 en ruim 180 cm podzol-B-horizont in de top van het rivierduinzand. in werkput 5. Vanaf een diepte van 6.46 tot 6.54 m NAP is in de werkputten 6, 9 10 en 11 zandige klei aanwezig (fig. 5.5). Dit is de laat-glaciale Laag van Wijchen. In de boringen die zijn gezet in werkput 2 en 6 zijn hieronder vanaf een diepte van 5.70 tot 6.10 m NAP sterk grindige afzettingen van het pleniglaciale rivierterras aangeboord

Fig. 5.5. Wijchen-TKWM. Profiel 9.1 met rivierduin op Laag van Wijchen.

19

Werkput 3 heeft een iets afwijkende bodemopbouw. Hier lijkt het antropogene pakket direct over te gaan in de Laag van Wijchen. De top hiervan ligt op 7.26 tot 7.04 m NAP en daarmee duidelijk hoger dan in het overige deel van het onderzoeksgebied waar de Laag van Wijchen is waargenomen. Werkput 4 wijkt af van het overige deel van het onderzoeksgebied in de zin dat hier het zand aan de basis grover is dan in de overige werkputten. Ook is hier een duidelijkere gelaagdheid in het zand zichtbaar. Waarschijnlijk is dit ook eolisch rivierduinzand, maar het grovere zand en de gelaagdheid doet ook vermoeden dat het fluviatiel zand betreft van het laat-glaciale vlechtende riviersysteem.

5.4

CONCLUSIES

De bodemopbouw zoals waargenomen bij het onderzoek past goed binnen het beeld van het landschap zoals dat verkregen is op basis van de vele onderzoeken in het centrum van Wijchen. Vrijwel het gehele onderzoeksgebied ligt op de flank van een rivierduin met daaronder de kleiige Laag van Wijchen die gevormd is in het Allerød. De top van de Laag van Wijchen ligt in het grootste deel van het onderzoeksgebied op een diepte van circa 6.5 m NAP. Opvallend is dat in werkput 3, in het oosten van het onderzoeksgebied, de top van de Laag van Wijchen duidelijk hoger ligt, namelijk op een diepte van 7.04 à 7.26 m NAP. Deze hoogte in werkput 3 komt meer overeen met 7.3 à 7.7 m NAP waarop de top van de Laag van Wijchen bij de onderzoeken in de directe omgeving is waargenomen.31 In het grootste deel van het onderzoeksgebied ligt de Laag van Wijchen echter duidelijk lager. Waarschijnlijk wordt dit verschil in hoogte veroorzaakt door een welving in de top van het pleniglaciale rivierterras en is er geen sprake van een duidelijke geul. In het zuidwestelijke deel van het plangebied ontbreekt de kleiige laag van Wijchen. Zoals ook al uit het onderzoek op de Oostflank gebleken is, is hier waarschijnlijk sprake van zandige oeverafzettingen die gevormd zijn vanuit de meanderende rivier uit het Allerød en die verder naar het noorden overgaan in de kleiige Laag van Wijchen.

De top van het rivierduin ligt tussen het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied en het centrale en noordelijke deel, waarbij werkput 5 het hoogst ligt op het duin en waar ook het dikste pakket duinzand voorkomt. Vanaf hier neemt de dikte van het pakket duinzand in noordelijke richting af. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de top van het duin in het noordelijke deel mogelijk meer is afgetopt dan het centrale deel. In het centrale deel is namelijk nog in werkput 2 en 5 een restant van de moderpodzolbodem te zien die in de top van het duinzand is gevormd in de vorm van de onderkant van de B-horizont Waarschijnlijk is in het overige deel van het onderzoeksgebied een dergelijke bodem ook gevormd maar is deze horizont nu niet meer aanwezig. Dit zal deels het gevolg zijn van bodemverstoringen, maar kan ook een meer natuurlijke oorzaak hebben. Uit meerdere onderzoeken in Wijchen is gebleken dat in meerdere perioden verstuiving op het duincomplex heeft plaatsgevonden. Holocene stuifzandlagen zoals die op de Oostflank nog wel zijn aangetroffen, zijn bij het huidige onderzoek niet waargenomen. Maar mogelijk heeft op de hogere delen van het duin in met name het centrale en noordelijke deel van het onderzoeksgebied verstuiving plaatsgevonden waarbij de top van het bodemprofiel, met ook de podzolbodem, (deels) is verdwenen.

Of en in welke mate verstuiving heeft plaatsgevonden is echter op basis van het huidige onderzoek niet met zekerheid te bepalen. Het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied ligt onderaan het rivierduin en op de oever van het Wijchens Maasje. Aanwijzingen voor verspoeling vanuit het Wijchens Maasje, zoals nog wel is waargenomen op de Oostflank, zijn hier echter niet te zien. Dit betekent dat ook dit deel van het onderzoeksgebied nog te hoog lag en niet overstroomd is vanuit het Wijchens Maasje.

31

Van Kampen 2017, 27-29; Te Kiefte 2020, 17.

20









Tijdens het veldwerk zijn in totaal 214 spoornummers uitgedeeld. Zowel natuurlijke lagen, recente verstoringen en alle overige natuurlijke en antropogene sporen hebben een individueel spoornummer gekregen. In tabel 6.1 zijn de aantallen per spoortype weergegeven. Algemeen kan worden gesteld dat in alle deelgebieden archeologische sporen zijn aangetroffen. De conservering hiervan is vrij goed, daar overal sprake is van een plaggendek of oude bouwvoor die de sporenniveaus afdekt. Wel is het zo dat de diepte ten opzichte van het huidige maaiveld sterk wisselde. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het reliëf van de natuurlijke ondergrond. In tabel 6.2 zijn de gemiddelde dieptes van het eerste sporenvlak ten opzichte van het maaiveld weergegeven. spoordefinitie

N

bouwvoor

11

1

8,65

6,5

2,15

gracht

1

2

8,6

7,55

1,05

greppel

8

3

8,4

7,2

1,2

kuil

38

4

8,1

6,9

1,2

laag

7

5

8,5

7,65

0,85

muurwerk

1

6

8,35

7

1,35

natuurlijke laag

28

7

8,4

7

1,4

natuurlijke verstoring

5

8

9,2

8,4

0,8

ophogingslaag

3

9

8,35

7,15

1,2

overig

1

10

8,55

7,2

1,35

paalkuil

91

11

8,55

7,4

1,15

plaggendek

11

ploegkrassen

2

puinlaag

1

Tabel 6.2. Wijchen-TKWM. (boven). Overzicht van de

recente verstoring

6

vlakhoogtes van vlak 1 ten opzichte van het maaiveld.

totaal

werkput

214

Tabel

hoogte maaiveld

hoogte vlak

m -mv

6.1. Wijchen-TKWM. (links). Aantal uitgedeelde

spoornummers per spoortype.

In dit hoofdstuk worden de sporen per deelgebied beschreven. Hierbij zal soms deels vooruit worden gelopen op de interpretatie van de vindplaatsen. In paragraaf 6.5 staat de interpretatie van de sporen echter centraal. Hierbij zal in eerste instantie worden gefocust op de vindplaatsen zelf. In hoofdstuk 13 worden de vindplaatsen in een breder kader beschouwd. 



Het deelgebied Europaplein bestaat uit twee delen te weten: het westelijke deel van het parkeerterrein Europaplein en het parkeerterrein ten noorden van het oude gemeentehuis aan de Kasteellaan. Binnen dit deelgebied zijn vier proefsleuven aangelegd (fig. 6.1). Twee hiervan, de werkputten 4 en 9, zijn aangelegd in twee noordwest-zuidoost stroken met parkeervakken. De putten hebben een lengte van respectievelijk twintig en 22 m. De breedte bedraagt ca. 3 m. Werkput 6 ligt eveneens op het

21

Europaplein en is beter te omschrijven als een proefput. De afmetingen van deze werkput bedragen namelijk 3 bij 3 m. Werkput 7 is gesitueerd aan de noord kant van het oude gemeentehuis. Deze put meet 10 bij 3.5 m.

Fig. 6.1. Wijchen-TKWM. Allesporenkaart vlak 1, deelgebied Europaplein met belangrijkste spoornummers en reconstructielijnen van de belangrijkste structuren. A wel/niet onderzocht; B archeologisch spoor; C natuurlijke verstoring; D subrecente aan agrarische werkzaamheden gerelateerde sporen; E muurwerk; F recente verstoring; G ophogingslaag; H natuurlijke ondergrond.

De sporen in deze werkputten bestaan uit paalkuilen, kuilen en greppels. Daarnaast is in werkput 7 nog wat muurwerk aangetroffen. Het muurwerk (S7.10, fig. 6.2) bestaat uit een deel van een keldertje en een stuk fundering. Het is gemetseld met cement, hetgeen wijst op een datering in de latere 19de eeuw of later.

Fig. 6.2. Wijchen-TKWM. Foto van

het

muurwerk

S7.10

in

werkput 7.

22

In dezelfde werkput zijn op het niveau van het eerste vlak enkele vage sporen aangetroffen, waarvan niet kan worden uitgesloten dat het nog restanten van het hier nog aanwezige plaggendek betreft. De laag die in het eerste vlak ligt, S7.1, is nog vrij ‘vuil’. Mogelijk betreft het hier een ophogingslaag. Hieronder bevindt zich schoon stuifzand (S7.23). Hierin is een tweetal greppels (S7.21 en S7.22) met een oost-westelijke oriëntatie aangetroffen (fig. 6.3). De sporen lijken op grond van een bescheiden hoeveelheid aardewerk uit de vullingen in de Volle Middeleeuwen gedateerd te mogen worden. Met name spoor S7.21 is interessant. Deze greppel heeft een breedte van minimaal 2.25 m. Omdat de put niet Fig. 6.3. Wijchen-TKWM. Allesporenkaart vlak 2 met verder naar het noorden uitgebreid kon belangrijkste spoornummers en reconstructielijnen van de worden is alleen de zuidelijke insnijding van belangrijkste structuren. het spoor gedocumenteerd. De noordelijke A wel/niet opgegraven; B archeologische sporen; C natuurlijke insnijding bevindt zich buiten de putgrens. ondergrond. Spoor S7.22 is beduidend smaller. Deze greppel heeft een breedte van 60 cm. Beide sporen zijn ongeveer 70 cm diep. Opmerkelijk is ook dat ze beide een heringraving hebben (fig. 6.4). Dit betekent waarschijnlijk dat de vindplaats waartoe ze behoren waarschijnlijk twee fasen heeft gehad.

Wanneer de greppels zelf ieder een andere fase representeren spreken we zelfs van vier fasen.

Fig. 6.4. Wijchen-TKWM. Foto van het profiel over de twee greppels S7.21 (links) en S7.22 (rechts). De ondergrens van de jongste fase is in groen gemarkeerd. Die van de oudste fase in rood.

In de werkputten 4 en 9 zijn eveneens twee greppels gevonden die qua oriëntatie, datering en afmeting overeen lijken te komen met met de greppels in werkput 7. Het betreft de sporen S4.15 en S9.12 (fig. 6.1/fig. 6.5). In het veld werd gedacht dat de greppels tot dezelfde structuur behoorden, maar wanneer de lijnen van de insnijding worden doorgetrokken blijkt dat S4.15 ruimschoots achter de zuidelijke kopse kant langsloopt. Dit betekent dat het hier niet om dezelfde sporen kan gaan.

23

Een andere grote greppel die is aangetroffen in werkput 4 is S4.16. Dit spoor is jonger dan de twee hiervoor genoemde greppels. Ook is de greppel een stuk dieper en de vulling humeuzer. Zeer waarschijnlijk oversnijdt hij de spoor S4.15, maar dit kon niet worden vastgesteld vanwege de aanwezigheid van een rioolbuis. Bij gebrek aan goed dateerbaar vondstmateriaal is een datering niet te geven. In de hogere vullingslagen is slooppuin aangetroffen, hetgeen erop duidt dat het hier vrijwel zeker niet gaat om een spoor uit de Volle Middeleeuwen. Hoe de greppel wel gedateerd moet worden is dus nog niet duidelijk. Zeker is dat hij ouder is dan 200 jaar, daar op geen enkele kaart uit deze periode een greppel op deze locatie zichtbaar is. Een laatste greppel is aangetroffen in werkput 9. Het betreft spoor S9.3. Hoewel de oriëntatie van dit spoor hetzelfde is als die van de overige greppels, Fig. 6.5. Wijchen-TKWM. Foto’s van de coupes over de sporen lijkt het een totaal ander type greppel te S4.15 (boven) en S9.12 (onder). zijn. Het spoor is namelijk maar 10 cm diep. Qua datering lijkt dit spoor wel samen te vallen met de greppels S9.12 en S4.15. Zowel in werkput 4, 6 en 9 zijn paalsporen aangetroffen. In het zuidelijke deel van werkput 4 is een rijtje ondiepe spoortjes aangetroffen (S4.6 t.m. S4.10).

Hoewel het zeer onzeker is bestaat de mogelijkheid dat deze sporen, tezamen met S4.2 en S4.3 tot een gebouwstructuur behoren (fig. 6.1).

Fig. 6.6. Wijchen-TKWM. Impressie van de paalsporen in werkput 6 en 9. Linksboven

vlak

1

werkput

6;

Rechtsboven coupe over S6.2; Links coupe over S9.19.

24

Ook in het zuidelijke deel van werkput 9 zijn wat kleine paalsporen aangetroffen, maar die lijken niet direct tot een gebouw te moeten worden gerekend. Dit is anders voor de sporen in het noordelijke deel van werkput 9 en die in werkput 6. Het betreft vrij grote ovale en ronde sporen die vooral doen denken aan paalkuilen van volmiddeleeuwse plattegronden zoals deze zijn aangetroffen op de Meesterplaats en de Oostflank. Opmerkelijk is dat de paalsporen in werkput 6 en 9 zeer licht van kleur zijn (fig. 6.6). Dit is enigszins ongebruikelijk voor middeleeuwse sporen in het centrum van Wijchen. Deze hebben doorgaans een veel bruinere kleur. Waarschijnlijk heeft dit verschil te maken met de ondergrond. Deze bestaat ter hoogte van het Europaplein uit wat grover zand. Dit heeft waarschijnlijk tot gevolg dat de mate van uitloging groter is, daar humus sneller uit kan spoelen door de grotere ruimte tussen de zandkorrels. 



Binnen het deelgebied Bolster zijn vijf werkputten aangelegd, waarvan drie vrij lange putten en twee proefputten (fig. 6.7). De lange putten zijn de werkputten 2, 3 en 5. Ze hebben lengtes van respectievelijk 19, 18 en 16 m. De breedte bedraagt ca. 3.5 m. De werkputten 3 en 5 liggen parallel aan elkaar en hebben een noordwest-zuidoostelijke orientatie. Werkput 2 is haaks op deze putten georienteerd. Voorts zijn om nog iets meer grip op de situatie te krijgen twee proefputten in het noorden en het centrale deel van het parkeerterrein aangelegd. Dit zijn de werkputten 10 en 11. Beiden hebben een afmeting van ca. 3.5 bij 3 m.

Fig. 6.7. Wijchen-TKWM. Allesporenkaart deelgebied Bolster. A wel/niet onderzocht; B archeologische sporen; C natuurlijke verstoringen; D Laag van Wijchen; E natuurlijke laag (duinzand/terras), F recente verstoringen.

25

Zoals hiervoor reeds is aangegeven was bekend dat binnen het deelgebied Bolster een basisschool heeft gestaan waaraan ook het toponiem is ontleed. Deze school had een L-vrom en besloeg daarmee een groot deel van het huidige parkeerterrein. De vrees bestond dan ook dat een groot deel van het terrein verstoord zou zijn. De schade blijkt echter mee te vallen, daar het oude landschap richting het noorden toe iets hoger ligt dan in het centrale deel en het huidige niveau in het centrale deel juist hoger ligt dan in de overige delen. Omdat er daarbij ook sprake is van een relatief dik plaggendek, bleken de meeste sporen nog redelijk tot goed intact te zijn. Verder is het zo dat de sloopput van de basisschool zich lijkt te beperken tot de countouren van de bebouwing, waardoor hierbuiten nagenoeg geen verstoring van de bodem heeft plaatsgevonden. Dit resulteert in een beeld van een goed geconserveerde vindplaats bestaande uit een nederzetting uit de Middeleeuwen. Op basis van vondstmateriaal uit de sporen en lagen binnen deze putten kan geconcludeerd worden dat de aangetroffen sporen behoren tot een vindplaats die zijn oorsprong ken in de Vroege Middeleeuwen en mogelijk zelfs in de Laat Romeinse tijd. In werkput 2 zijn in het noordelijke en zuidelijke deel sporen aangetroffen. Deze kenden alle een goede conservering (fig. 6.8 A).

Fig. 6.8. Wijchen-TKWM. Impressie van de aard en conservering van de sporen ter hoogte deelgebied Bolster. A coupe over S2.3; B overzicht vanuit het oosten van werkput 5; C coupe over S3.5; D coupe over S11.2.

Ter hoogte van het centrale deel van de werkput heeft de basisschool gestaan. Hier is het vlak ca. 40 cm lager aangelegd onder de verstoring. Het spreekt voor zich dat paalkuilen en kuilen zoals deze aan de noord- en zuidzijde waren aangetroffen hier niet meer aanwezig waren daar de dieptes van deze sporen niet hoger dan 40 cm uitvielen. Evenwel kunnen in deze zone waterputten verwacht worden.

26

Ook nu weer zijn de onderzoeken op de Oostflank en de Meesterplaats, maar ook een proefput van Bureau Archeologie en Monumenten uit Nijmegen, leidend als het gaat om de verwachting voor het aantreffen van deze sporen. In de zone die tot dezelfde vindplaats wordt gerekend op de Oostflank zijn vijf waterputten gevonden.32 Het onderzoek op de Meesterplaats heeft eenzelfde aantal putten opgeleverd.33 Het proefputtenonderzoek is ongeveer twee decennia geleden uitgevoerd en hierbij is binnen deelgebied Bolster een waterput aangesneden.34 Het onderhavige onderzoek heeft geen waterputten opgeleverd. Wel zijn enkele grotere kuilen aangetroffen in werkput 5. Deze sporen zijn uitgeboord, maar uit de boringen bleek dat deze niet dieper zijn dan een halve meter. Mogelijk betreft het in het geval van de sporen S5.5 en S5.41, hutkommen, maar waterputten zijn het zeer waarschijnlijk niet. Ook voor werkput 5 kan gesteld worden dan de sporen goed zijn geconserveerd. Om te voorkomen dat hier sporen van plattegronden onbewust verkeerd zouden worden gecoupeerd, is besloten om hier zeer terughoudend te couperen daar de conservering en aard van de sporen al duidelijk was (fig. 6.8 B). Enkel S5.2, een spoor waar twijfel over bestond omwille van de lichte vulling, is gecoupeerd. Dit spoor bleek een natuurlijke oorsprong te hebben.

De sloopput van de school bleek zich ook in werkput 3 en 11 voort te zetten. In werkput 3 bleek bijna de gehele put verstoord door de activiteiten omtrent de sloop. Alleen in het uiterste westen van de put bleek nog een stukje, vrijwel ongeroerd archeologisch niveau over. Dit lag beduidend lager dan het niveau in de overige putten, maar dit lijkt vooral het gevolg van het natuurlijke relief. In dit stukje is slechts één spoor (S3.5) aangetroffen (fig. 6.8 C). In deze paalkuil is geen materiaal aangetroffen, maar de laag hierboven lijkt onderdeel van een plaggendek te zijn. Hieruit is een scherf Pafrathaardewerk gekomen. Hieruit kan voorzichtig de conclusie worden getrokken dat het hier een spoor betreft uit de Volle Middeleeuwen of eerder. Dit geldt zeer waarschijnlijk niet voor de paalkuilen in werkput 11. Deze lijken op basis van de kleur en textuur in een latere periode dan de Middeleeuwen thuis te horen (fig. 6.8 D). Opmerkelijk is een noordwest-zuidoost lopende greppel in werkput 10 (S10.2). Dit is het enige spoor dat hier is aangetroffen. Het vlak was moeilijk te lezen als gevolg van de aanwezigheid van een oude grespijp direct boven het vlak en een grote hoeveelheid boomwortels in het vlak. Evengoed zijn er geen aanwijzingen dat er sporen zijn gemist.

Uit de greppel is geen materiaal afkomstig, maar de licht grijze kleur wijst wel op een oude, vermoedelijk middeleeuwse datering. 

 

De putten aan de Meerdreef zijn niet groot, maar zoals gezegd, zijn de doelen wel gehaald (fig. 6.9). Werkput 1 is de kleinste. Deze bevindt zich in het uiterste zuidewesten van het deelgebied. Het uiteindelijke deel van de werkput dat op het archeologische niveau kon worden aangelegd heeft een afmeting van slechts 2 bij 2 m. Zoals eerder aangegeven vormde de diepte van de put in combinatie met de beperkte ruimte een grote belemmering bij de aanleg. Daarom is besloten om eerst de helft van de put aan te leggen. Hierbij bleek echter op grote diepte een dikke middenspanningskabel te liggen. Deze lag dusdanig ongunstig dat ook niet verder gegraven kon worden. Daar er voldoende informatie was verzameld voor een waardestelling is in overleg met het bevoegd gezag besloten hier niet verder te graven. Werkput 8 ligt paralel aan de Meerdreef tegen de noordelijke rand van het deelgebied aan en meet 12 bij 4 m.

32

Van Kampen 2017. Te Kiefte 2020. 34 Wildenberg 2008. 33

27

Fig. 6.9. Wijchen-TKWM. Allesporenkaart deelgebied Meerdreef. A wel/niet onderzocht; B archeologische sporen. NB: individuele spoornummers zijn op deze kaart niet aangeduid daar de dichtheid van de sporen te groot is om een onderscheid te kunnen maken.

Het hoogteverschil tussen de vlakken is vrij groot. Dit heeft te maken met het feit dat dit deelgebied zich op de flank van het rivierduin bevindt richting het Wijchens Meer. Tegenwoordig is dit hoogteverschil op een andere, meer getrapte wijze, aanwezig. De ophogingen in het onderhavige deel van het deelgebied en bijvoorbeeld onder de Meerdreef zelf hebben het zicht op het oorspronkelijk relief ontnomen. Het onderzoek maakt duidelijk dat dit in de de ondergrond echter nog goed bewaard is. In beide putten zijn goed geconserveerde sporen aangetroffen. Het gaat hierbij om kuilen en paalkuilen (fig.

Fig. 6.10. Wijchen-TKWM. Impressie van de aarde en conservering van de sporen in deelgebied Meerdreef. Geheel boven: vlakfoto werkput 1; Links deel: van het vlak in werkput 8; Rechts: coupe over S8.27.

28

6.10). Op grond van de dateringen van het materiaal dat in de werkputten is aangetroffen wordt verondersteld dat de sporen in deze put gedateerd dienen te worden in Middeleeuwen. Hierbij ligt het accent op de Vroege en Volle Middeleeuwen. 



Binnen het plangebied zijn vrijwel in iedere werkput sporen aangetroffen. De sporen zijn over het algemeen goed geconserveerd en redelijk intact. Hetgeen wellicht opmerkelijk te noemen is wanneer men zich realiseert dat het onderzoeksgebied zich midden in een dorp bevindt dat een centrumfunctie in de regio vervult. Men zou verwachten dat de vele activiteiten die hier binnen hebben plaatsgevonden in de laatste twee eeuwen wel wat sporen hebben nagelaten, maar dit blijkt niet het geval. De aanwezigheid van een plaggendek in de meeste putten zal zeker hebben bijgedragen aan de goede bewaartoestand van de sporen.

Fig. 6.11. Wijchen-TKWM. Overzicht van de verschillende in de tekst genoemde onderzoeken waarvan de resultaten zeer waarschijnlijk in relatie staan tot de vindplaatsen die zijn aangetroffen tijdens het onderhavige onderzoek. NB1. De locatie van het onderzoek Marktpromenade kan iets afwijken van de realiteit. De plot is gerelateerd aan de topografie, daar de exacte coördinaten niet beschikbaar waren. NB2: de kleuren van archeologische en andere sporen zijn in overeenstemming met het overige kaartmateriaal. Echter, de sporen archeologische sporen op de marktpromenade hebben een lichtbruine kleur. Het was helaas niet mogelijk dit aan te passen. Bron: Heeren/Hazenberg 2010, 178, fig. 14.7; Te Kiefte 2020, bijlage 2.

29

Wanneer we de sporen interpreteren, kunnen we concluderen dat de de vindplaatsen die in de deelgebieden Bolster en Meerdreef zonder twijfel zullen behoren aan de middeleeuwse vindplaats, de voorloper van het huidige Wijchen, die op de Oostflank en de Meesterplaats zijn aangesneden. Deze conclusie wordt ook ondersteund door een projectie van de proefsleuven op een kaart waarop ook de genoemde onderzoeken op zijn weergegeven (fig. 6.11). Het ziet er naar uit dat het landschap in de Middeleeuwen bestond uit een rug met een noordwest-zuidoostelijke orientatie. Dit blijkt met name uit de vlakhoogtes in deelgebied Bolster. Hieruit blijkt duidelijk dat het landschap in noordoostelijke richting wat zakt. E.e.a. is ook in overeenstemming met de resultaten op de Oostflank.35 Hoe de sporen in het deelgebied Europaplein moeten worden geinterpreteerd is niet duidelijk. Hoewel de sporen qua datering overeen lijken te komen met de sporen in de overige deelgebieden, lijkt het voorkomen van greppels op een andere aard of gebruik van de vindplaats te wijzen. Een eenduidige verklaring is hiervoor niet te geven. In hoofdstuk 13 worden verschillende scenario’s gegeven voor de interpretatie van deze middeleeuwse sporen. Een ander punt waarop het deelgebied Europaplein afwijkt van de overige deelgebieden is dat het ook na de Volle Middeleeuwen nog duidelijk in gebruik is gebleven.

De grote gracht die is aangetroffen in het noordelijke deel van werkput 4 is hier een getuige van. Het gegeven dat deze dezelfde orientatie lijkt te hebben als de greppels uit de Middeleeuwen is een argument dat het dateringsverschil tussen beide perioden niet heel groot zal zijn. Wel is het zo dat het een zeer grote greppel is. Mogelijk heeft deze iets te maken met het kasteel van Wijchen dat ca. 200 m ten noorden van deze gracht bevindt. In een nog latere fase staat in het noordelijke deel van het deelgebied Europaplein een huis waarvan een deel van de fundering is aangetroffen. Hiervan werd op grond van het gebruikte cement al vermoed dat het niet heel oud zou zijn. Dit wordt ook bevestigd door het kaartmateriaal. Op het kadastraal minuutplan uit 1832 is op deze locatie nog niets te zien. Echter op het kaartmateriaal uit het begin van de 20ste eeuw is duidelijk zichtbaar dat hier een huis staat (fig. 6.12). We moeten dus concluderen dat Fig. 6.12. Wijchen-TKWM. Overzicht van deelgebied de funderingen niet ouder zullen zijn dan 100 Europaplein geplot op een uitsnede van een topografische kaart uit 1930. Bron: www.Topotijdreis.nl jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=474c86be-e753-4eb4-992c-8ca422d23dca