CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Watertoetsdocument, Sweco, 2 augustus 2021.pdf

Raad openbaar Wijchen 24 november 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 83052 Beslisnota Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 423.448 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

(schoonhouden – scheiden – schoonmaken)

SWNL0195946 Pagina 18 van 39

Ontwerpgrondslagen

3.2 Drooglegging en ontwatering Bij het vaststellen van de minimale aanlegpeilen zijn de volgende algemene randvoorwaarden van toepassing:  Drooglegging:  peilstijging tot aan maaiveld bij een T=100+10% bui (geen inundatie);  maximale peilstijging bij een T=10+10% bui 0,30 m;  ten opzichte van streefpeil 1,10 m drooglegging;  ontwatering:  woningen met kruipruimte: 1,0 m - onder vloerpeil;  woningen zonder kruipruimte 0,30 m – onder vloerpeil;  wijkwegen; 0,7 m -mv;  tuinen en openbaar groen 0,5 m –mv. Het vloerpeil van de woningen moet minstens 0,15 m hoger liggen dan de hoogste wegkant.

Figuur 3.1

Ontwateringsnormen

Bij de nadere uitwerking zal naast bovenstaande randvoorwaarden rekening gehouden worden met de variatie qua reliëf, de bodemopbouw en de bestaande omgeving. Dit betekent voor dit gebied dat kleine bergingssystemen ontworpen zijn, waarbij de trits vasthouden - bergen en afvoeren leidend is. 3.3 Afwatering en berging Goten Het hemelwater dat op de daken valt, dient naar de voorzijde van de woning te worden getransporteerd, waarbij het hemelwater bovengronds en onder vrij verval wordt afgevoerd naar de straat. Vervolgens is oppervlakkige afvoer via straatprofiel richting de wadi vereist. Bij het dimensioneren van het wegprofiel zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  maximum afstroomlengte is 150m;  minimumverhang is 3‰ (gewenst > 4‰);  het wegprofiel wordt ontworpen op een regenintensiteit van 30 l/sec/ha. waarbij een strook van het rijbaanprofiel van 1,00 m breedte watervoerend mag zijn. Bij een bui met een piekintensiteit van 210 l/sec/ha (Bui 09 Leidraad), mag het water niet buiten het rijbaanprofiel komen. Wadi’s De wadi’s vangen het hemelwater vanaf de weg op. Een goed doorlatende grondkoffer met een drain zorgt voor de afvoer van water. Bij hevige neerslag kan hemelwater, na berging in de wadi’s, overlopen naar oppervlaktewater.

SWNL0195946 Pagina 19 van 39

Ontwerpgrondslagen

Bij het dimensioneren van de wadi’s zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd:  de wadi’s moeten vlak worden aangelegd om een gelijkmatig over het oppervlak verdeelde infiltratie te realiseren;  minimale bergingseis is 10,0 mm (eis uit: Uitbreidingslocatie Huurlingsedam te Wijchen, Waterhuishouding- en rioleringsplan, fase 1, Grontmij, d.d. 17 juni 2008, kenmerk 11/99040446);  maximale taludhelling 1:3;  bodemdiepte 0,3 m waarvan 0,1 m waking;  minimale bodembreedte 1,0 m;  ledigingstijd wadi (droogvallende retentie) met infiltratie voldoet aan:  maximale ledigingstijd 24 uur;  de GHG mag maximaal tot 0,50 m onder de bodem van de wadi reiken;  geen ondergrondse aansluitingen op de wadi;  de wadi’s zijn begroeid met gras, hierbij is het van belang dat het gras machinaal gemaaid en afgevoerd kan worden. Ook dient een goed toegankelijke inrit voor het maaien aanwezig te zijn.  Wadi’s hebben de volgende opbouw:  infiltratiebed:  matig fijn tot matig grof zand met een M50-cijfer van circa 220 μm;  het gehalte aan organisch materiaal circa 2 à 3%. Organisch materiaal bestaat in verschillende kwaliteiten.

Voor deze toepassing dient uit te worden gegaan van redelijk stabiel organisch materiaal (dus geen vers materiaal);  het lutumgehalte dient beperkt te zijn, maximaal 1% om verstopping van de poriën in de toplaag te voorkomen;  bekalken kan de stabiliteit van de bodem verhogen en kan daardoor verslempen tegengaan. Tevens heeft bekalken tot gevolg dat de pH verhoogd wordt, waardoor de mobiliteit van de meeste metalen afneemt. De benodigde hoeveelheid kalk en de soort kan bepaald worden met methodiek zoals deze voor bemestingsadviezen wordt gehanteerd;  transportkoffer:  de koffer met drainage (transportdeel) moet met goed doorlatend materiaal worden aangevuld. Voor het transportdeel wordt de samenstelling aangehouden: organisch materiaal < 0,5 %, lutum < 1 à 2 % en een M50-cijfer van circa 230 μm.

Figuur 3.2 principe doorsnede wadi met slokop

De berging in wadi’s en bijhorende afvoerleidingen liggen in openbare ruimte en vallen onder het beheer van de gemeente. Oppervlaktewater Het beheer en onderhoud van A-watergangen, van insteek tot insteek, ligt bij het waterschap. Het beheer en onderhoud buiten het natte profiel (de oeverzone) ligt bij gemeente Wijchen dan wel het waterschap. Nadere afspraken over het beheer en onderhoud moeten nog gemaakt worden.

SWNL0195946 Pagina 20 van 39

Ontwerpgrondslagen

Berekening van compenserende waterberging De benodigde ruimte voor compenserende waterberging (zie hfd 4), wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging. Voor plannen met meer dan 5 ha extra verharding en/of waterhuishoudkundig complexe plannen wordt een aparte berekening gevraagd. Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd:  de maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/ha bruto plangebied. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen;  bij een regenbui die eenmaal per tien jaar optreedt, met 10% opslag vanwege klimaatsverandering (T=10+10% volgens Buishand en Velds) met een minimale berging van 436 m3/ha, mag de peilstijging ten opzichte van het streefpeil niet meer dan 0,30 m zijn;  bij een regenbui die eenmaal per honderd jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatsverandering (T=100+10% volgens Buishand en Veld) mag er geen inundatie optreden (NBW-norm). Het stedelijk watersysteem, bestaande uit wadi’s en leidingen, is verwerkt in een SOBEK-model en gekoppeld aan het SOBEK-model van Waterschap Rivierenland. Het model is doorgerekend met de waterschapsbui T10 en T100, waarbij de peilstijging bij T10 maximaal 0,30 m mag zijn en bij T=100 geen inundatie vanuit de watergangen mag plaatsvinden.

Een nadere beschrijving hiervan is opgenomen in hoofdstuk 4. 3.4 Afvalwatersysteem Bij het ontwerp van het afvalwatersysteem worden onderstaande uitgangspunten en richtlijnen gehanteerd:  de minimale buisdiameter is beton 300 mm;  een minimale dekking op de buis van 1,10 m (1,2 m is gewenst in verband met de huisaansluitingen);  bodemverhang beginriolen 4‰, eindriolen 2‰;  de gemiddelde woningbezetting is 2,7 inwoners;  de gemiddelde aanvoer van vuilwater is 120 l/(inw*dag);  de maximale aanvoer van vuilwater is 12,0 l/(inw*h);  het afvalwater vanuit fase 2 zal onder vrijverval aansluiten op het stelsel van fase 1;  het afsprakenkader voor riolering ‘Samen door een buis’, WSRL,19 december 2012;  Leidraad Riolering (Stichting Rioned).

SWNL0195946 Pagina 21 van 39

4

Ruimtelijke doorwerking

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de doelen en maatstaven uit hoofdstuk 3 toegepast in het plangebied. Het proces om te komen tot een gedragen oplossing voor de wateropgave binnen het stedenbouwkundigplan is afgestemd met zowel de gemeente als het waterschap. Het stedenbouwkundig plan dat gehanteerd is in het watertoetsproces (tek. S-VP-87842502-05). In figuur 4.1 is het stedenbouwkundigplan te zien waarin de kavels roze, het dakvlak paars, de wegen bruin en het openbaar groen, groen zijn weergegeven. De bestaande kavels langs de Huurlingsedam zijn mosgroen.

Fase 2

Fase 3

Fase 1

Figuur 4.1 Stedenbouwkundigplan Huurlingsedam fase 2

In tabel 4.1 is de oppervlakteverdeling van het plangebied opgenomen, daarin is rekening gehouden met een gemiddeld verhard oppervlak van 75% per kavel (incl. dakvlak). De wegen, parkeerplaatsen en voet- en fietspaden zijn als 100% verhard oppervlak meegenomen. In de groene gebieden zijn wadi’s aanwezig. Bestaande woonkavels (mosgroene vlakken) langs de Huurlingsedam en de weg zelf zijn niet meegenomen in de berekening. Deze gebieden zijn in fase 1 al meegenomen in de berekening van de waterberging.

SWNL0195946 Pagina 22 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Tabel 4-1

Oppervlakteverdeling plangebied fase 2

Omschrijving Uitgeefbaar (ca. 75% verhard) Wegen, parkeren voet- fietspaden (100% verhard) Openbaar groen (incl. wadi) Totaal

Bruto oppervlak ha

Netto verhard oppervlak ha

5,57 2,70 2,50 10,77

4,22 2,67 6,89

4.2 Hoogteligging Op basis van de GHG, die varieert van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop (rode vakken figuur 2.5) langs de Huurlingsedam en aflopend richting het oosten naar NAP +7,10 m en de bestaande weg- en terreinhoogten zijn de hoogteligging van de kavels, wegen en wadi’s bepaald. Het ontwerp van weg- en vloerpeilen, goten en wadi’s is opgenomen in bijlage 1. Dit betreft een globaal weg- en vloerpeilenplan dat nadere uitwerking verdient in een bestekfase. De Huurlingsedam is een fysieke scheiding door de hoge ligging. Het weg- en vloerpeilenplan is zo opgebouwd dat het gebied ten noord(oosten) van de Huurlingsedam afstroomt richting wadi’s en uiteindelijk richting de A-watergang in het noorden. Ten westen van de Huurlingsedam is het plan zo opgezet dat water altijd vanaf de woningen richting een wadi stroomt of direct naar het oppervlaktewater. Vloerpeilen liggen tenminste 0,30 m boven de insteek van wadi’s. Hiermee wordt ook bij extreme neerslag voorkomen dat water de woningen instroomt. 4.3 Globale afwatering hemelwater De gemeente kiest ervoor hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak, onder vrij verval af te voeren naar wadi’s en oppervlaktewater. Hemelwater vanaf perceelsverhardingen wordt bovengronds onder vrij verval aangeboden op het openbaar gebied.

Het wegwater stroomt samen met het water van perceelsverhardingen via het straatprofiel richting wadi’s binnen het plangebied of indien mogelijk via een bermpassage naar het oppervlaktewater. Het hemelwater van wegen en perceelsverhardingen die langs wadi’s liggen, stroomt via de berm rechtstreeks af naar de wadi. Wadi’s lozen het overtollige water via een slokop of vaste drempel op het oppervlaktewater. Wegen die direct langs oppervlaktewater liggen lozen het water via een bermpassage op het oppervlaktewater. Dakwater van woningen, gelegen langs oppervlaktewater, mag rechtstreeks geloosd worden op het oppervlaktewater. 4.4 Voorzuivering licht verontreinigd water en ontwerp wadi’s Gemeente Wijchen wil dat in nieuwbouwplannen regenwater van woningen en overige verharde oppervlakken zichtbaar afstroomt. In het stedenbouwkundig ontwerp is ermee rekening gehouden dat hemelwater van daken, gelegen langs oppervlaktewater, indien mogelijk rechtstreeks afstroomt op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is, zal het water, samen met water dat op overige verharde oppervlakken valt, via het straatprofiel naar wadi’s afstromen. Wadi’s fungeren ook als een zuiveringsvoorziening voor licht verontreinigd water van de wegen en parkeervoorzieningen. In de wadi’s wordt minimaal 10 mm/m2 verhard oppervlak geborgen (First-Flush). Het water kan vanuit de wadi infiltreren naar de ondergrond.

De ondergrond binnen het plangebied is beperkt geschikt voor infiltratie door de aanwezigheid van een minder goed doorlatende deklaag van klei. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Voor het plan wordt uitgegaan van wadi’s die vertraagd afvoeren naar het oppervlaktewater via een drainage. Indien de wadi volledig gevuld is zal deze via een slokop overstorten op het oppervlaktewater. Dit principe is in figuur 4.2 weergegeven.

SWNL0195946 Pagina 23 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Figuur 4.2 Werking wadi met slokop

In tabel 4.2 is het ontwerp van de wadi’s opgenomen. De ligging van de wadi’s is in figuur 4.3 weergegeven en deze zijn ook terug te vinden op de tekening in bijlage 1 evenals de aanleghoogte van de wadi’s, de slokops en de afvoerleidingen.

Figuur 4.3 Ligging wadi's

Voor het bepalen van de afmetingen van de wadi’s zijn afstroomgebieden per wadi bepaald. In figuur 4.4 zijn deze gebieden weergegeven.

SWNL0195946 Pagina 24 van 39

Ruimtelijke doorwerking

17 12 13

14

16

11

9 15

10 8

7 6

5

4 3

Legenda

2

bestaand

bp15

bp6

bp1

bp16

bp7

bp10

bp17

bp7a

bp11

bp2

bp8

bp12

bp3

bp9

bp13

bp4

huurlingsedam

bp14

bp5

1

Figuur 4.4 Afstroomgebieden fase 2 Tabel 4-2 Ontwerp wadi's

Wadi bp1 bp2 bp3 bp4 bp5 bp6 bp7 bp8 bp9 bp10 bp11 bp12 bp13 bp14** bp15 bp16** bp17** Totaal

Lengt e (m)

breedte zone gem. (m)

Bodembreedte gem. (m)

130 73 55 65 65 33 46 53 16 61 55 75 210 240 81 193 90

5,8 4,8 5,8 4,8 4,8 4,3 4,8 5,8 11,8 4,8 4,8 4,8 3,8 2,6 4,8 2,6 2,6

4,0 3,0 4,0 3,0 3,0 2,5 3,0 4,0 10,0 3,0 3,0 3,0 2,0 2,0 3,0 2,0 2,0

Bodem Opp. Talud (m2) 1: 520 219 220 195 195 83 138 212 160 183 165 225 420 480 243 386 180

3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1 3 1 1

Bergingsdiepte (m)

Verhard oppervlak. (m2)

Beschikbare berging (m3)

Beschikbare berging (mm)

0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20 0,20

11331* 2048 5057* 2597 4724* 2084* 2325 5006* 3547 2699 2811* 5449 5840 4327 3326 6179 2648 71997

120 53 51 47 47 21 34 49 35 44 40 55 110 106 59 85 40 996,1

11 26 10 18 10 10 14 10 10 16 14 10 19 24 18 14 15 13,8

Opmerkingen:

- Boven de bergingsdiepte zit nog 0,10 waking - De beschikbare berging is inclusief taluds. - De breedte van de wadi's is een gemiddelde, in het ruimtelijk ontwerp kan hiermee gevarieerd worden. * hier is rekening gehouden met afvoer vanuit de aangrenzende gebieden van de volgende fase (bp1 4078 m2, bp3 1540 m2, bp5 1636 m2, bp6 1128 m2, bp8 895 m2, bp11 1531 m2. ** bp 14, 16 en 17 worden ingericht als bermpassage

SWNL0195946 Pagina 25 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Bij de ontwikkeling van fase 1 is in de Huurlingsedam een IT-riool aangelegd. Bij fase 1 is rekening gehouden met 0,39 ha. verharding van de Huurlingsedam en 0,25 ha. extra verharding van nieuwbouw aan de noordkant van de weg (totaal 0,64 ha.). Voor fase 2 komt daar 0,41 ha verharding bij, waarbij het totaal komt op 1,05 ha aangesloten verhard oppervlak. Dit riool heeft een diameter van Ø600 mm en stort via een drempel (NAP +7,10 m) over op een transportleiding richting het verlengde Wijchens Meer. De toename past binnen de overcapaciteit die bij de aanleg van de waterberging fase 1 is gerealiseerd. In paragraaf 4.6 is de hydraulische capaciteit van deze leiding bepaald. Een aantal wegen langs de noord-,zuid- en westrand van het plangebied, zullen direct afwateren richting het oppervlaktewater. Dit water mag niet rechtstreeks afvoeren op het oppervlaktewater. Hiervoor geldt dat minimaal 10 mm aan hemelwater moet worden geborgen, waarna het via de bodem kan wegzijgen richting het open water. In de bermen zijn daarom de bermpassages voorzien. De bermpassages dienen voorzien te zijn van een drain die afwatert richting het oppervlaktewater. Een bermpassage heeft een verlaagd talud (minimaal 2,0 m breed) aan de waterzijde dat geldt als overloop (zie figuur 4.4).

Figuur 4.5 Bermpassage

4.5 Afvoer naar oppervlaktewater De wadi’s zijn voorzien van drainage voor het ledigen van de berging. Bij hevige neerslag zal de wadi volstromen tot de hoogte van de slokops. Het teveel aan water zal via de slokops en afvoerleidingen afgevoerd worden naar het oppervlakte water. Het ontwerp van de wadi, de slokops en de afvoerleidingen is weergegeven in bijlage 1. De uitstroomvoorziening van transportleiding op de bestaande watergang langs de noord- en westkant bestaat uit een betonnen taludstuk en de bodem ter plaatse van de uitstroomvoorziening zal worden voorzien van een bodembescherming. De wadi’s bp 1, bp2, bp3 en bp 4 zijn met elkaar gekoppeld en lozen op een nieuw te graven tijdelijke watergang in het verlengde van bp4. In het verlengde van wadi 4 wordt een tijdelijke watergang gegraven. Deze tijdelijke watergang heeft een bodemhoogte NAP +6,00 m naar NAP +5,39 m ter hoogte van de aansluiting op de bestaande A-watergang. Deze watergang heeft een tijdelijke functie, totdat de volgende fase (3) wordt gerealiseerd. De watergang zal grotendeels droogvallend zijn en krijgt een profiel zoals afgebeeld in figuur 4.5. 4,90 m 1,3 m 1: 1,5 0,98 m

1: 1,5

0,7 m

Figuur 4.6 Profiel tijdelijke watergang

SWNL0195946 Pagina 26 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Het systeem van wadi’s, slokops en afvoerleidingen is verwerkt in een SOBEK-model. Dit model is gekoppeld aan het model van Waterschap Rivierenland. 4.6 SOBEK-model 4.6.1 Huidige situatie Waterschap Rivierenland (WSRL) heeft een deel van het SOBEK-model van het stroomgebied Land van Maas en Waal ter beschikking gesteld. Uit dit model is een uitsnede genomen waaraan het ontwerp van het stedelijk watermodel van het plangebied is gekoppeld. Deze uitsnede heeft als randvoorwaarde in het westen de stuw ter hoogte van de Ruffelseweg / Nieuwe Lagestraat met een streefpeil van NAP +5,50 m en achter de stuw een boundary met een constant value van NAP +4,0 m. Het model is vervolgens doorgerekend met een lege bui om het model te stabiliseren en een restartfile te maken. Vervolgens is het model doorgerekend met WSRL bui 1 x 10 jaar (zie bijlage 3) om een indruk te krijgen hoe het huidige watersysteem reageert. Uit deze berekening blijkt dat het waterpeil in de huidige situatie richting het noordoosten oploopt tot NAP +5,91 m en naar het uiterste noorden tot NAP +6,31 m. De opstuwing wordt vooral veroorzaakt door een duiker die met tegenschot ligt met een bodemhoogte van NAP +5,90m en door het knooppunt waarop het onverhard en verhard oppervlak op het model is gezet. Het waterpeil in het verlengde Wijchens Meer ten zuiden van fase 1 loopt op tot NAP +5,96 m bij bui 1 x 100 jaar.

4.6.2 Nieuwe situatie Zoals al eerder beschreven zijn er drie fasen te onderscheiden. Fase 1 is al gerealiseerd, voor fase 2 wordt het bestemmingsplan opgesteld en in de toekomst is een uitbreiding mogelijk met fase 3. Om ook deze laatste fase mogelijk te maken is bij het ontwerpen van het watersysteem rekening gehouden met deze toekomstige ontwikkeling, zodat het watersysteem ook de afvoer van die fase kan verwerken. Daarom zijn er zijn twee modellen gemaakt, een zonder fase 3 en een met fase 3. Algemeen Het nieuwe watersysteem van wadi’s en afvoerleidingen is in een SOBEK-model verwerkt en gekoppeld aan het model van WSRL. De wadi’s zijn in het model opgenomen volgens de in tabel 4-2 weergegeven afmetingen. De weerstand in de wadi is Strickler (ks) 30 (m^ 1/3 m.s^1). De afvoerleidingen, zoals in bijlage 1 weergegeven, zijn eveneens opgenomen in het model. De leidingen zijn in het model opgenomen met een weerstand van White Colebrook 0,003. De slokop is als een internal weir opgenomen. Deze is aangesloten op een drain en/of op een afvoerleiding richting het oppervlaktewater. Door de ontwikkeling van het plangebied neemt het verhard oppervlak toe en het onverhard oppervlak af.

In het ‘model zonder fase 3’ is het extra verhard oppervlak van de unpaved nodes x 626 en x 650 afgetrokken met respectievelijk 4,65 ha en 3,28 ha voor de huidige uitbreiding (fase 2) en 13,7 ha voor nieuwe toekomstige uitbreidingen (alleen in het ‘model met fase 3’) (eveneens van x 650 unpaved node). Dit is in mindering gebracht op het onverhard oppervlak van grasland. Het verhard oppervlak van het stedelijk gebied is aangesloten op de wadi’s binnen het plangebied. Het verhard oppervlak van de gebieden die via de bermpassage, bp 14 en bp 17, afwateren op de watergang is rechtstreeks op de watergang gezet. Bij het verhard oppervlak is rekening gehouden met 1 mm berging op het verhard oppervlak. Daarnaast is ermee rekening gehouden dat ook bij toekomstige uitbreidingen 10 mm berging per m2 verhard oppervlak gerealiseerd wordt in wadi’s. Deze berging telt dus mee als berging voor het totaal ontwerp. Het model is vervolgens doorgerekend met dezelfde randvoorwaarden als het model van WSRL en dezelfde bui.

SWNL0195946 Pagina 27 van 39

Ruimtelijke doorwerking

In figuur 4.7 is uitsnede van het model opgenomen.

Figuur 4.7 SOBEK-model watersysteem plangebied

Bij een eerste doorrekening (gerekend met het totaal van fase 2 en 3) waarbij geen aanpassingen aan het watersysteem zijn doorgevoerd, bleek dat zowel de huidige watergang als de duikers teveel opstuwing te veroorzaken. Daarom zijn alle duikers in de watergang vervangen door nieuwe duikers met een doorsneden van 2000 x 1000 mm. De onderzijde van deze duikers liggen 0,10 m boven de bodem van de nieuwe watergang. Ook is de afmeting van de watergang aangepast door er een half accoladeprofiel van te maken. In figuur 4.8 is een principeprofiel weergegeven. De huidige bodembreedte is gelijk gebleven maar aan de zuidkant van watergang is een verlaagde berm op +5,55 m NAP aangebracht met talud van 1:3 conform ecologische profielen van WSRL, de berm is minimaal 2 m breed. Daarnaast ligt het onderhoudspad van minimaal 4 m breed en een minimale hoogte van NAP +6,00 m. Dit onderhoudspad sluit, waar nodig, via een talud 1:3 aan op een wegberm van 0,50 m langs nieuwe woonwijk. De insteek van de wegberm ligt veelal op NAP +7,17 m.

Figuur 4.8 Principe dwarsprofiel nieuwe situatie A-watergang

SWNL0195946 Pagina 28 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Waar mogelijk is de plasberm verbreed naar 3 m (zie bijlage 3). Naast verbreding van de watergang is in het model rekening gehouden met de (toekomstige) aanleg van 1,23 ha wateroppervlak rond het ‘kasteel’ aan de zuidwestkant van het plangebied en met 0,13 ha extra waterberging aan de noordoostkant van het plangebied. Deze waterberging valt binnen fase 3 van de uitbreiding van Huurlingsedam en dient in het ontwerp meegenomen te worden als waterberging. Model inclusief fase 3 Uit de berekening van bui 10 blijkt het waterpeil richting het noordoosten te stijgen tot +5,83 ter hoogte van de duiker onder de Huurlingsedam (zie B in figuur 4.7) en NAP +5,90 m in het uiterste oosten van de huidige B-watergang. In bijlage 3 is een overzicht van de minimum- en maximale waterpeilen opgenomen. In vergelijking met de huidige situatie stijgt het waterpeil tot de duiker onder het fiets- voetpad richting de Oosterweg tot NAP +5,79 m en ter hoogte van de Huurlingsedam naar NAP +5,84 m (zie ook figuur 4.9). Dit is lager dan de huidige NAP +5,91 m, maar net boven de gewenste 0,30 m peilstijging ten opzichte van het streefpeil.

Figuur 4.9 Peilstijging nieuwe situatie

Door de toename aan verhard oppervlak vindt er versnelde afvoer plaats richting het verlengde Wijchens Meer. Ter vergelijking is de afvoer van de huidige en de toekomstige situatie in een grafiek geplaatst. De afvoer begint met een piek waarbij de maximale afvoer ter hoogte van de Huurlingesedam (zie B in figuur 4.7) 0,48 m3/s is in de nieuwe situatie en 0,05 m3/s in de huidige situatie. Ter hoogte van de instroom in het verlengde Wijchens Meer (zie A in figuur 4.7) is de afvoer 0,22 m3/s in de nieuwe situatie en 0,17 m3/s in de huidige situatie. Op basis van de afvoernorm 1,5 l/s/ha zou bij een totaal bruto oppervlak van circa 141,16 ha afwaterend oppervlak op deze watergang, de afvoer 0,212 m3/s mogen bedragen. In de nieuwe situatie ligt de afvoer net 0,008 m3/s boven deze afvoernorm. De gemeten waarden is echter in een pieksituatie. Het daggemiddelde ligt onder deze norm. Daarmee wordt voldaan aan de afvoernorm van een gemiddelde 1,5 l/s/ha. In figuur 4.10 is het verschil tussen oude- en het nieuwe afvoerdebiet ter hoogte van het verlengde Wijchens Meer weergegeven. In figuur 4.11 is het afvoerdebiet ter hoogte van de Huurlingsedam opgenomen.

SWNL0195946 Pagina 29 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Figuur 4.10 Afvoer ter hoogte van instroom Wijchens Meer

Figuur 4.11 Afvoerdebiet ter hoogte van de Huurlingsedam

Uit de berekening blijkt dat het waterpeil bij een T=100 ter hoogte van de Huurlingsedam stijgt tot NAP +5,99 m en in het oosten tot NAP +6,08 m. Het water blijft binnen het profiel van de watergangen. Op het verlengde Wijchens Meer stijgt het waterpeil onder deze omstandigheden tot circa NAP +6,09 m. Model zonder fase 3 In het model zonder fase 3 is geen extra berging aangelegd rond het ‘kasteel’ en is ook de extra waterberging in het noordoosten niet meegenomen. Daarnaast is het profiel van de B-watergang richting het oosten niet aangepast, maar is daar uitgegaan van het huidige profiel.

SWNL0195946 Pagina 30 van 39

Ruimtelijke doorwerking

In bijlage 3 zijn de wijzigingen per model aangegeven. Uit de berekening blijkt dat het waterpeil bij een T=10 stijgt tot NAP +5,72 m ter hoogte van de Huurlingsedam en tot NAP +5,76 m in het oosten van de B-watergang. Bij het doorrekenen van de T=100 stijgt het waterpeil bij de Huurlingsedam tot NAP +5,80 m en in het oosten tot NAP +5,85 m. Ter hoogte van het verlengde Wijchens Meer stijgt het waterpeil in beide situaties tot respectievelijk NAP +5,90 en +5,96 m. Op het IT-riool (beton 600 mm) in de Huurlingsedam is extra verhard oppervlak (0,41 ha.) aangesloten door de ontwikkeling van fase 2. Deze leiding loost via een interne drempel op een transportleiding die uitkomt in het Wijchens Meer. Uit de hydraulische berekening blijkt dat deze leiding robuust genoeg is, het waterpeil in de leiding stijgt tot circa +7,82. In bijlage 3 is een doorsnede van deze leiding opgenomen bij een T=100 situatie. In bijlage 3 zijn resultaten van de berekening opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat de peilstijging bij een T=10 voldoet aan de gestelde eisen en dat bij een T=100 geen inundatie vanuit de watergangen plaats vindt.

Uit de berekeningen blijkt eveneens dat het noodzakelijk is om de verbindingssloot tussen de instroom van de A-watergang en het verlengde Wijchens Meer (zie figuur 4.12) verbreedt moet worden om gebruik te kunnen maken van de aanwezige extra bergingsruimte die in fase 1 in het verlengde Wijchens Meer is gerealiseerd. Deze watergang dient met 3 m verbreed te worden. Invloed op de omgeving Uit de berekening blijkt dat het waterpeil bij een T=100 situatie in het model met fase 3 tijdelijk stijgt tot circa NAP +6,00 m. Het laagste maaiveld grenzend aan de A-watergang is circa NAP +6,30 m. Door de toename aan verhard oppervlak zal een versnelde afvoer uit het plangebied optreden. Hierdoor zal vaker een hogere waterstand in de watergang optreden dan in de huidige situatie het geval is. Deze waterstand blijft binnen het profiel van de watergang en dus is er geen sprake van inundatie. 4.7 Bergingsopgave Het verhard oppervlak in fase 2 is 6,89 ha en voor fase 3 is dit geschat op 13,7 ha. Volgens de standaardrekenregels (waterberging 436 m3/ha verhard oppervlak met maximale peilstijging van 0,30 m) van het waterschap, zou voor fase 2 (6,89 ha. x 436 m3/ha) 3.004 m3 waterberging gerealiseerd moeten worden. De berging van 765 m3 in de wadi’s (dit is exclusief de bermpassages) mag hiervan afgetrokken worden. Voor fase 2 is dan 2.239 m3 (3.004 – 765) waterberging vereist.

Dit komt neer op 0,75 ha wateroppervlak. Voor fase 3 is dit (13,7 ha. x 436 m3/ha) 5.973 m3 waterberging. De berging van 1.370 m3 in de wadi’s (totaal 10 mm berging in wadi’s per m2 verhard oppervlak) mag hiervan afgetrokken worden. Voor fase 3 is dan 4.603 m3 (5.973 – 1.370) waterberging vereist. Dit komt neer op 1,53 ha wateroppervlak. Totaal is voor fase 2 en 3 2,28 ha wateroppervlak vereist. Bij het bepalen van de afvoer uit het plangebied zijn in het SOBEK-model de watergangen verbreedt met circa 3 m (plasberm inclusief talud) (zie ook de dwarsprofielen in bijlage 4). De plasberm doet volledig mee voor de bergingsopgave. In fase 2 zal de A-watergang verbreed worden vanaf de te graven tijdelijke watergang (zie figuur 4.12) tot aan de aansluiting op het verlengde Wijchens Meer. Dit betreft de profielen 2, 26, 27 en 29. De totale lengte van dit deel is ca. 1.000 m. Hiermee is 3000 m2 waterberging gerealiseerd. In fase 3 zal de verbreding van de B-waterging, vanaf de tijdelijk te graven watergang in fase 2, verder richting het oosten plaats vinden over een lengte van circa 490 m. Dit komt neer op 1.470 m2 extra waterberging. Daarnaast is in fase 3 nog een extra waterberging voorzien van ca. 1.300 m2, deze berging zorgt voor vermindering van peilstijging na realisatie van fase 3. Rond het ‘Kasteel’ zal bij realisatie van fase 3 1,23 ha waterberging aangebracht worden.

Totaal wordt in fase 2 en 3 1,807 ha waterberging aangelegd.

SWNL0195946 Pagina 31 van 39

Ruimtelijke doorwerking

Bij de ontwikkeling van fase 1 is 2,5 ha waterberging gerealiseerd. Op basis van het verhard oppervlak van fase 1 is circa 9.150 m2 extra waterberging aanwezig voor fase 2 en 3. Totaal zal na realisatie van bovengenoemde waterbergingen 2,722 ha waterberging aanwezig zijn. Daarmee wordt voldaan aan de berekende bergingsopgave van 2,28 ha.

Figuur 4.12 Te realiseren waterbergingen

De berging in wadi’s en bijhorende afvoerleidingen liggen in openbare ruimte en vallen onder het beheer van de gemeente. De berging van 10 mm is een opgave die als ‘berging in riolering’ opgenomen moet worden in het VGRP / BRP van gemeente Wijchen om de berging ook te borgen in het gemeentelijk beleid. 4.8 Conclusies en aanbevelingen ten aanzien van het hemelwaterontwerp 4.8.1 Oppervlaktewater Waterschap Rivierenland heeft tijdens het watertoetsoverleg aangegeven dat goed gekeken moet worden waar nieuwe waterberging gerealiseerd wordt. De waterberging wordt gerealiseerd door de bestaande A-watergang te voorzien van een plasberm. Deze berm ligt net boven streefpeil. Er wordt één nieuwe (tijdelijke)watergang gegraven deze wordt met uitzondering van de uitmonding boven streefpeil aangelegd. Zoals blijkt uit de uitgevoerde boringen en de zandbanenkaart ligt de zandondergrond vrij dicht onder het maaiveld. De bodem van enkele bestaande watergangen snijden in de huidige situatie het Pleistocene zand aan en staan daardoor in verbinding met het eerste watervoerend pakket. Het is niet bekend of in de bestaande A-watergang maatregelen tegen wegzijging genomen zijn. Bij het graven van nieuwe, dan wel aanpassen van bestaande watergangen is er een risico dat het Pleistocene zand (opnieuw) wordt aangesneden, waardoor wegzijging ontstaat.

Bij nadere uitwerking dient hier speciaal aandacht aan te worden besteed.

SWNL0195946 Pagina 32 van 39

Ruimtelijke doorwerking

4.8.2 Grondwateroverlast (drooglegging en ontwatering) Om grondwateroverlast te voorkomen, is het belangrijk de waterhuishouding in het plangebied op orde te hebben en te houden. De inrichting van het plangebied moet dan ook afgestemd zijn op de geohydrologische situatie binnen het plangebied. Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in het plangebied op basis van de TNO-peilbuizen tussen NAP +5,36 m en NAP +6,22 m schommelt (gemiddelde waarde NAP +5,79 m). De grondwaterstand gemeten tijdens het veldonderzoek is aangetroffen op circa NAP +5,70 m. Het MORIAmodel geeft hogere GHG’s, deze varieert in het gebied van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m. Op basis van de boringen, de aangetroffen grondwaterstanden en de GHG vanuit het MORIA-model zijn de GHG’s ingeschat voor het bepalen aanleghoogte van de wadi’s, wegen en vloeren. Delen van het plangebied dienen opgehoogt te worden om aan de ontwateringseis te voldoen. Weg- en vloerpeilen zijn opgenomen in bijlage 1. 4.8.3 Oppervlaktewater(kwaliteit) en veiligheid Gestreefd wordt naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem.

Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar bodem of oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater, afkomstig van daken, dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen, zoals omschreven in de Dubo-bepalingen, maar ook door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Licht verontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken, wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een wadi. Voor de volksgezondheid en de flora en fauna is een goede waterkwaliteit van belang. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wordt in sterke mate bepaald door de diepte en de mogelijkheid van doorstroming. De wadi’s kunnen na een hevige regenbui tijdelijk vol staan. In het stedelijk gebied is veiligheid dan ook een belangrijk aspect. Door het toepassen van een minimaal talud van 1:3 en een maximale diepte van 0,30 m is voldoende rekening gehouden met het aspect veiligheid. Alle vloerpeilen liggen daar >0,30 meter boven. Het is belangrijk het afstromend water naar en in de wadi’s schoon te houden. Daarom wordt geadviseerd speciale hondenuitlaat stroken aan te leggen die niet in direct contact komen met afstromend water. Het gevaar op besmetting door verontreinigd water is daardoor te verkleinen.

4.8.4 Beheer en onderhoud De bestaande A-watergang langs fase 2 krijgt een ander profiel om de afvoer en berging te realiseren van fase 2 en de toekomstige fase 3. Het bestaande onderhoudsregime van het waterschap ligt langs de noordkant en blijft gehandhaafd. Langs de zuidkant van de A_watergang is eveneens een onderhoudspad voorzien, vanwaar het onderhoud kan plaatsvinden van een deel het profiel en het overige groen. Langs de waterloop geldt een ruimte van 4 m (onderhoudsstrook) aan weerszijde waarlangs onderhoudsmaterieel vrij kan bewegen zonder obstakels. 4.9 Afvalwater Het vuilwater zal in fase 2 via een droogweerafvoer (DWA) verzameld worden. In fase 1 is een rioolgemaal ontworpen en een uitlegger 400 mm aangelegd in de Huurlingsedam ter hoogte van De Brink (put D08, b.o.b. +3,0 m NAP), waarop ook het afvalwater uit Huurlingsedam fase 2 aangesloten wordt.

SWNL0195946 Pagina 33 van 39

5

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

5.1 Watertoets Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij onder andere bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten, buitenplanse omgevingsvergunningen, buitentoepassingverklaringen van een beheersverordeningen en ontheffingen voor een bestemmingsplan. Voor overige plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het nationaal bestuursakkoord water (2003 en 2008). De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. Het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) regelt de verplichte waterparagraaf in de toelichting bij genoemde ruimtelijke plannen en het overleg met de waterbeheerder (wateradvies). De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening wordt gehouden met eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 5.2 Gemeentelijk beleid en waterbeheer Er zijn veel beleidstukken over water vastgesteld.

Zowel provincie, waterschap als gemeente stellen waterbeleid vast. Het gemeentelijk waterbeleid (strategische waternota en uitvoeringsplan) omvat thema's en uitgangspunten voor een meer duurzaam waterbeheer binnen de gemeente Wijchen. In het kader van de watertoets moet een vertaalslag worden gemaakt naar de concrete plansituatie. Tevens beschikt de gemeente over een Gemeentelijk Rioleringsplan GRP, waarin de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor grondwater, hemelwater en afvalwater. Het GRP is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Gemeente Wijchen valt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Het waterschap geeft in het kader van de Waterwet vergunning af voor lozing van op het oppervlaktewater en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt de waterbeheerder het onderhoud van A-watergangen. Op grond van de Waterwet (art. 3.5 en 3.6) heeft de gemeente de zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemelwater en grondwater. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking.

Ook heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structurele gevolgen van grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen dan wel beperken, tenzij dit niet doelmatig is of een verantwoordelijkheid van provincie of waterschap. Daarnaast heeft de gemeente op grond van de Wet milieubeheer (art. 10.33) de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt, naar een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.

SWNL0195946 Pagina 34 van 39

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

5.3 Huidig watersysteem 5.3.1 Ligging Aan de zuidoostkant van Wijchen, tussen de Oosterweg en de wijk Kerkeveld, ligt woningbouwlocatie Huurlingsedam. Deze uitbreidingswijk wordt in verschillende fasen ontwikkeld. De eerste fase is inmiddels in uitvoering en grotendeels afgerond. Met de tweede fase wordt nu gestart. 5.3.2 Bodemopbouw De bodem in het plangebied bestaat uit kalkloze poldervaaggronden (Rn95C). Deze gronden bestaan uit zware zavel en lichte klei. In het oosten liggen ooivaaggronden (bodemcode KRd1) en poldervaaggronden (bodemcode Rn67C). Deze gronden bestaan respectievelijk uit lichte zavel en lichte kleigronden. In het noordoosten liggen kalkloze poldervaaggronden bestaande uit zware klei (bodemkode Rn44C). Uit de zandbanenattentiekaart blijkt dat de dikste deklaag aangetroffen wordt in het zuidwestelijk en noordelijk deel van het plangebied (pleistoceen zand op 3 tot 4 m –mv). Geheel zuidwestelijk wordt het beddingzand zand aangetroffen op circa 1,5 tot 2 m –mv. In het zuidoosten en oostelijk deel wordt het Pleistocene zand aangetroffen op 0 tot 1,0 m –mv. De deklaag heeft een k-waarde van <0,2 m/dg en is daarmee slecht doorlatend. Infiltratie van regenwater naar de ondergrond is daardoor slechts beperkt mogelijk. 5.3.3 Geohydrologie Op basis van de peilbuisgegevens uit dinoloket loopt de grondwaterstand in noordelijke richting iets op.

Dit blijkt ook uit de isohypsenkaart van provincie Gelderland Op basis van de boringen en de aangetroffen grondwaterstanden lijkt het grondwater op circa NAP +5,70 m aanwezig te zijn. Dit is circa 0,20 m boven het peil van het oppervlaktewater. De GHG vanuit het MORIA-model van Waterschap Rivierenland is, naast de hoogteligging van het plangebied, mede bepalend voor de aanlegpeilen van wegen en woningen. Door het verschil in reliëf van het plangebied is ook het verschil in GHG groot. De GHG varieert in het gebied van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m. 5.3.4 Oppervlaktewater Het plangebied ligt in afwateringsgebied Citters 1 en in peilvak CIT02b met een streefpeil van NAP +5,50 m. De waterpeilen worden gereguleerd door een stuw ter hoogte van de Ruffelseweg / Nieuwe Lagestraat met een stuwpeil van NAP +5,50 m. Ten zuiden van de bestaande nieuwbouw (Huurlingsedam fase 1) ligt een brede waterpartij die onderdeel uit maakt van het Wijchens Meer. Deze waterpartij is bij de ontwikkeling van fase 1 vergroot met 2,5 ha. De bodem van de watergangen lopen in noordoostelijke richting op tot boven het streefpeil van +5,50 m NAP. Hierdoor kunnen tijdens droge perioden de watergangen droog vallen. Het inlaten van water is hier niet mogelijk.

De watergangen binnen het plangebied zijn door provincie Gelderland aangemerkt als water met specifieke ecologische doeleinden (SED-wateren). Op grond van de SED-status worden de watergangen in een ecologisch profiel bracht. Daarmee wordt voldaan aan het ‘stand stil – step forward’-principe van het provinciaal waterhuishoudingsplan. 5.4 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie is gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en voorkomen van schade aan volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. In onderstaande paragrafen is een samenvatting opgenomen.

SWNL0195946 Pagina 35 van 39

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

5.4.1 Wateroverlast ontwatering/drooglegging De inrichting van het plangebied is afgestemd op de geohydrologische situatie binnen het plangebied. Op basis van de boringen, de aangetroffen grondwaterstanden en de GHG vanuit het MORIA-model zijn weg- en vloerpeilen bepaald. Om aan de ontwateringseis te voldoen wordt het vloerpeil minimaal NAP +7,60 m in de noordwesthoek en NAP +8,60 m. Het minimale wegpeil is NAP +7,20 m. Delen van het plangebied worden dan ook opgehoogt om aan de ontwateringseis te voldoen. Bij een waterpeil van NAP +5,50 m en een minimaal maaiveld van NAP +7,2 m wordt tevens voldaan aan de droogleggingseis. 5.4.2 Afkoppeling en waterberging De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Daarvoor wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gehanteerd. Daarnaast wordt hergebruik van regenwater gestimuleerd, bijvoorbeeld voor beregening, toiletspoeling of wasmachine. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van het plangebied is aanleg van gescheiden HWA- en DWA-afvoer (hemelwater- en droogweerafvoer). De voorkeur gaat uit naar het infiltreren van regenwater in de bodem. Een groot deel van het plangebied bestaat echter uit minder goed doorlatende grond.

Daardoor is infiltratie slechts beperkt mogelijk binnen het plangebied. Daarom is gekozen om wadi’s aan te leggen. In deze wadi’s kan licht verontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken, zoals daken, terreinen en wegen, gezuiverd worden om vervolgens vertraagd af te vloeien naar oppervlaktewater. 5.5 Toekomstige situatie 5.5.1 Stedenbouwkundige ontwikkelingen In onderhavig plan is het watertoetsproces doorlopen voor fase 2 van woningbouwlocatie Huurlingsedam. Fase 2 van dit plan betreft een ontwikkelingen van woningen en bijbehorende ontsluitingswegen en –paden. In dit plan is uitgegaan van een gemiddelde van 75% verhard per kavel en wegen en paden 100% verhard. Dit levert een toename van 6,92 verharding op in het plangebied. 5.5.2 Hemelwaterafvoer De gemeente kiest ervoor hemelwater afkomstig van verhard oppervlak onder vrij verval af te voeren naar wadi’s en oppervlaktewater. Hemelwater vanaf perceelsverhardingen wordt bovengronds onder vrij verval aangeboden op het openbaar gebied. Het wegwater stroomt samen met het water van perceelsverhardingen via het straatprofiel richting wadi’s binnen het plangebied of indien mogelijk via een bermpassage naar het oppervlaktewater. Het hemelwater van wegen en perceelsverhardingen die langs wadi’s liggen, stroomt via de berm rechtstreeks af naar de wadi.

Wadi’s lozen het overtollige water via een slokop of vaste drempel op het oppervlaktewater. Wegen die direct langs oppervlaktewater liggen lozen het water via een bermpassage op het oppervlaktewater. Dakwater van woningen, gelegen langs oppervlaktewater, mag rechtstreeks geloosd worden op het oppervlaktewater. Wadi’s fungeren ook als een zuiveringsvoorziening. In de wadi’s wordt minimaal 10 mm/m 2 verhard oppervlak geborgen (First-Flush). Het water kan vanuit de wadi infiltreren naar de ondergrond. De ondergrond binnen het plangebied is beperkt geschikt voor infiltratie door de aanwezigheid van een minder goed doorlatende deklaag van klei. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Voor het plan wordt uitgegaan van wadi’s die vertraagd afvoeren naar het oppervlaktewater via een drainage. Indien de wadi volledig gevuld is, zal deze via een slokop overstorten op het oppervlaktewater. Voor de afvoer van water uit de oostelijke wadi’s 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 is een nieuwe (tijdelijke) droogvallende watergang opgenomen voor afvoer naar het oppervlaktewater. Deze watergang heeft een bodembreedte van 0,70 m en een talud van 2:3 en een bodemhoogte van +6,00 m NAP.

SWNL0195946 Pagina 36 van 39

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

5.5.3 Waterberging Bij de ontwikkeling van woningbouwlocatie Huurlingsedam zijn drie fasen te onderscheiden. Fase 1 is ontwikkeld, voor fase 2 is onderhavig bestemmingsplan opgesteld en in de toekomst is een uitbreiding mogelijk met fase 3. Om ook deze laatste fase (3) mogelijk te maken is bij het ontwerpen van het watersysteem rekening gehouden met deze toekomstige ontwikkeling, zodat het watersysteem in de toekomst voldoet aan de eisen wat betreft de afvoer en waterberging. Het verhard oppervlak van het stedelijk gebied (fase 2) is aangesloten op de wadi’s binnen het plangebied. De randen van het plangebied wateren af via bermpassages. Deze wateren af op oppervlaktewater. Bij het verhard oppervlak is rekening gehouden met 1 mm berging op het verhard oppervlak en 10 mm berging in de wadi’s in fase 2. Daarnaast is rekening gehouden dat ook bij toekomstige uitbreidingen (fase 3) 10 mm berging per m2 verhard oppervlak gerealiseerd wordt in wadi’s. Om te beoordelen of het watersysteem voldoet aan de gestelde eisen, is een SOBEK-model opgesteld. In dit model is voor de uiteindelijke situatie (fase 2 en 3) rekening gehouden met 13,7 ha aangesloten verhard oppervlak voor fase 3.

Bij een eerste doorrekening waarbij geen aanpassingen aan het watersysteem zijn doorgevoerd (referentie berekening), bleek dat zowel de huidige watergang als de bestaande duikers teveel opstuwing te veroorzaken. In de modelberekening zijn vervolgens de volgende maatregelen aangebracht. Om teveel opstuwing in de watergang te voorkomen, zijn alle duikers in de watergang vervangen door nieuwe duikers met een doorsneden van 2000 x1000 mm (bxh). De onderzijde van deze duikers liggen 0,10 m boven de bodem van de nieuwe watergang. Ook is de afmeting van de watergang aangepast door er een half accoladeprofiel van te maken. De huidige bodembreedte blijft gelijk, maar aan de zuidkant van watergang is een verlaagde berm op NAP +5,55 m aangebracht met talud van 1:3 conform ecologische profielen van WSRL, de plasberm is minimaal 2 m breed en ligt net boven streefpeil. Daarnaast ligt het onderhoudspad van minimaal 4 m breed en een minimale hoogte van V+6,00 m X. Dit onderhoudspad sluit, waar nodig, via een talud 1:3 aan op een wegberm van 0,50 m langs nieuwe woonwijk. De insteek van de wegberm ligt veelal op NAP +7,17 m. Het verhard oppervlak in fase 2 is 6,89 ha en voor fase 3 is dit geschat op 13,7 ha. Volgens de standaard rekenregels (waterberging 436 m3/ha verhard oppervlak met maximale peilstijging van 0,30 m), van het waterschap zou voor fase 2 (6,89 ha.

x 436 m3/ha) 3.004 m3 waterberging gerealiseerd moeten worden. De berging van 765 m3 in de wadi’s (dit is exclusief de bermpassages) mag hiervan afgetrokken worden. Voor fase 2 is dan 2.239 m3 (3.004 – 765) waterberging vereist. Dit komt neer op 0,75 ha wateroppervlak. Voor fase 3 is dit (13,7 ha. x 436 m3/ha) 5.973 m3 waterberging. De berging van 1.370 m3 in de wadi’s (totaal 10 mm berging in wadi’s per m2 verhard oppervlak) mag hiervan afgetrokken worden. Voor fase 3 is dan 4.603 m3 (5.973 – 1.370) waterberging vereist. Dit komt neer op 1,53 ha wateroppervlak. Totaal is voor fase 2 en 3 2,28 ha wateroppervlak vereist. Bij het bepalen van de afvoer uit het plangebied zijn in het SOBEK-model de watergangen verbreedt met circa 3 m (plasberm inclusief talud) (zie ook de dwarsprofielen in bijlage 4). De plasberm doet volledig mee voor de bergingsopgave. In fase 2 zal de A-watergang verbreed worden vanaf de te graven tijdelijke watergang (zie figuur 4.12) tot aan de aansluiting op het verlengde Wijchens Meer. Dit betreft de profielen 2, 26, 27 en 29. De totale lengte van dit deel is ca. 1.000 m. Hiermee is 3000 m2 waterberging gerealiseerd. In fase 3 zal de verbreding van de B-waterging, vanaf de tijdelijk te graven watergang in fase 2, verder richting het oosten plaats vinden over een lengte van circa 490 m. Dit komt neer op 1.470 m2 extra waterberging.

Daarnaast is in fase 3 nog een extra waterberging voorzien van ca. 1.300 m2 deze berging zorgt voor vermindering van peilstijging na realisatie van fase 3 en 1,23 ha. extra waterberging rond het ‘Kasteel’. Totaal wordt in fase 2 en 3 1,807 ha waterberging aangelegd.

SWNL0195946 Pagina 37 van 39

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

Bij de ontwikkeling van fase 1 is 2,5 ha waterberging gerealiseerd. Op basis van het verhard oppervlak van fase 1 is circa 9.150 m2 extra waterberging aanwezig voor fase 2 en 3. Totaal zal na realisatie van bovengenoemde waterbergingen 2,722 ha waterberging aanwezig zijn. Daarmee wordt voldaan aan de berekende bergingsopgave van 2,28 ha. In onderstaand figuur zijn de te verbreden watergangen weergegeven.

Uit de berekeningen blijkt dat de peilstijging bij een T=10 voldoet aan de gestelde eisen en dat bij een T=100 geen inundatie vanuit de watergangen plaats vindt. Op het IT-riool (beton 600 mm) in de Huurlingsedam is extra verhard oppervlak aangesloten door de ontwikkeling van fase 2. Deze leiding loost via een interne drempel op een transportleiding die uitkomt in het verlengde Wijchens Meer. Uit de hydraulische berekening blijkt dat deze leiding robuust genoeg is, het waterpeil in de leiding stijgt tot circa +7,82. Voor berging en vertraagde afvoer zijn veertien wadi’s ontworpen en drie bermpassages. In deze systemen is 996 m3 berging aanwezig. De berging van 10 mm is een opgave die als ‘berging in riolering’ opgenomen moet worden in het VGRP / BRP van gemeente Wijchen om de berging ook te borgen in het gemeentelijk beleid. 5.6 Afvalwaterafvoer Het vuilwater zal in fase 2 via een droog weer afvoer (DWA) verzameld worden. In fase 1 is een rioolgemaal ontworpen en een uitlegger 400 mm aangelegd in de Huurlingsedam ter hoogte van De Brink (put D08, b.o.b. +3,0 m NAP), waarop ook het afvalwater uit fase 2 aangesloten wordt. 5.7 Beheer en onderhoud De bestaande A-watergang langs fase 2 krijgt een ander profiel om de afvoer en berging te realiseren van fase 2 en de toekomstige fase 3. Het bestaande onderhoudsregime van het waterschap ligt langs de noordkant en blijft gehandhaafd.

Langs de zuidkant van de A_watergang is eveneens een onderhoudspad voorzien vanwaar het onderhoud kan plaatsvinden van een deel het profiel en het overige groen. Langs de waterloop geldt een ruimte van 4 m (onderhoudsstrook) aan weerszijde waarlangs onderhoudsmaterieel vrij kan bewegen zonder obstakels. Details rondom het beheer en onderhoud zullen in onderling overleg met gemeente en waterschap moeten worden vastgelegd in een beheer en onderhoudsplan.

SWNL0195946 Pagina 38 van 39

Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting)

5.8 Waterkwaliteit en waterveiligheid Gestreefd wordt naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar bodem of oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken, dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen, zoals omschreven in de Dubo-bepalingen, maar ook door beperking van de toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Licht verontreinigd hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een wadi. Voor de volksgezondheid en de flora en fauna is een goede waterkwaliteit van belang. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wordt in sterke mate bepaald door de diepte en de mogelijkheid van doorstroming. De wadi’s kunnen na een hevige regenbui tijdelijk vol staan. In het stedelijk gebied is veiligheid dan ook een belangrijk aspect. Door het toepassen van een minimaal talud van 1:3 en een maximale diepte van 0,30 m is voldoende rekening gehouden met het aspect veiligheid. Het is belangrijk het afstromend water naar en in de wadi’s schoon te houden. Daarom wordt geadviseerd speciale hondenuitlaat stroken aan te leggen die niet in direct contact komen met afstromend water.

Het gevaar op besmetting door verontreinigd water is daardoor te verkleinen. In wadi’s worden geen waterspeelplaatsen voor kinderen aangelegd. Natuurwaarden De gemeente streeft naar behoud van natuurwaarden en biodiversiteit. Natuurlijke grondwaterstanden worden behouden; de (natte) natuurwaarden sluiten hierop aan. Bouwplan en toekomstige beheer van de planlocatie mag geen verstoring geven van de vereiste (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit. Het plangebied ligt in een SED-vlak. Het beleid van provincie Gelderland is erop gericht de natuurwaarden van wateren met de aanduiding SED (specifiek ecologische doelstelling) te beschermen en te herstellen. Met Waterschap Rivierenland is afgestemd dat verdiepen van de watergang is niet wenselijk, maar het veranderen van de watergang kan, mits de breedte op waterlijn bij lage afvoeren niet groter wordt. Op grond van de SED-status wordt de watergang in een ecologisch profiel bracht. Daarmee wordt voldaan aan het ‘stand stil – step forward’-principe van het provinciaal waterhuishoudingsplan. 5.9 Overleg met waterbeheerder In het kader van het watertoetsproces heeft overleg plaatsgevonden. Op 9 april 2014, 20 juni, 23 september en 16 en 23 november 2016 hebben de ontwikkelaar, de gemeente en het waterschap bij elkaar gezeten om de waterhuishouding in het plangebied door te nemen.

Opmerkingen en aanpassingen naar aanleiding van deze overleggen zijn in onderhavige rapportage zijn verwerkt.

SWNL0195946 Pagina 39 van 39

Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan

SWNL0195946

8

18

g e w r ste

6

18

Oo

.17 +6 30 . +6

.23

+6

.11

+6

Huurlingsedam

.14

+7

2

17

+6

.18

+6

.09

+6

2

+

+6

.93

+6

.5 +6

8 6.1

.60

8

.6 +6

.09 +6

.31

.61 +6

.38

.71

+6

+6

9

.6 +6 +6 8 7.8

.25

+7

.08 +7

.49

+6

.51

+

2

.8 +6

.81 +6

.32

+6

1 6.6

+

.89

+6

0

+5.7

+

.82

+6

7 6.6

.84

+6

.60

2 7.1

+

+7

.76

VP+7.90 +6

.68

+6

0

40 7

+6

+

+6

+7

.16

0

.2 +7

VP+7.60

5

.1 +7

7

.6 +6

.19 +7

4

VP+7.60

VP+8.10

+6

160/

4

3

.88

VP+8.10

SO

+6

.08 +7

9 7.0

+7.10

+7

0 VP+7.75

.21

7 8.2

1

.11 +7

.08

0 7.0

+7

+

+8

.46 +77.83 +

7 7.7

+

+7.3

SO

.70

+8

VP+8.30

.71

8

+

.32

.30

+8

+8.62

VP+8.40

.02

+

+8.4 5

.46

+8

.50

+8

VP+7.80

.24 +8

.35

.01

+8

13

+8.00 SO

2 7.9

+8

VP+8.60 .66 +8

VP+8.55

+7

+8.1 0 8.4

BP7

+8

Huurlingsedam

.32

+8

.88

+7

+7.30

.33 +7.88 +7

160/

+8

.03

+8.00 .49 +77.70 +

VP+8.70

SO

.73

7 7.8

VP+8.20

VP+8.70

5

.97

+

9

+8.00

.3 +8

+7

1 7.8

+8.20

.4 +7

+

.47 +8

.11 +8

+8

0

Verklaring Plangrens +7.15

Bestaande hoogte

VP+7.65

Vloerpeilhoogte

.39 +8

+8.45

+8.50

Afschot rijbaan

3 8.2

+

Aanleghoogte

+7.20 .52

+7.10

Goot met afvoerrichting

10

BP13 Wadi met nummer en bodemhoogte

+6.90 250/+5.80

Drainage/duiker met diameter / b.o.b.-hoogte HWA inspectieput

10B

19 13 25 31 11 15 17 21 23 27 29 33

SO

15

37 43 35 39 41 45

HWA slok-op put met hoogte

+7.10

Uitstroombak

BP15 5

5

16

2

265

302a

292

290

tuin

g erwe Oost

eg ew

+7

bos 302

300

269 263

257

afs

VP+7.70

10A

.15

+7

.1 +7

277 bos

273

Gra

.20

7

VP+7.80

279

+6.90

394

372

188 186 370

bos

+7

.25

7

VP+7.80

.90

+

+8.2

.23

.2 +7

+6

.7 +8

+7

1

.33 +7

9

6 7.8

15A

7

.1 +7

+7

+7

.45 +7

BP10

160/+6.40

.22 +7

+7

.20

.94 +7

+8.00

.27 +8

.30

+8

.3SO8

.25 .23

6

.79

.32

25+08 / +7

.18

7

.01

.2 +7

+7

+8.20

+8.45

+8

.2 +7 +7

+7

.47

+8

+7.87

3 7.1

.22 .23 +7

.59

+8

VP+7.70+

+7

.17 +7

.24 +8

.40

+7

+7.44

r Mulde

+7

+7.66

+7.37

.21

+7

+

VP+7.70

VP+7.80

.36

.19 +7

6 7.1

VP+7.70

9

SO

+7.67

+

+

+7.20

1 7.2

VP+7.80

.2 +7

+7

+7.30

+

+7.10

+

+

+7.47 .23 7

4 7.3

8 7.2

+7

+7.45

315/+5.80

SO

.32

+7

3 7.2

+7

7

.29

8

.1 +7

+8

415

6.4 /+

.51 +777 . +7

+

.25 +7

+7.20

.2 +7

.94 +6

SO

2 7.9

+7.20

.26

.65

VP+8.15

VP+8.15

.85

+7

9

+7.30

0

.41

.24

+8

259

160

+7.30

+6

VP+8.10

+

+7

.1 +7

.96

3 7.8

+7

+7.95

+7

.17

+7.47

+7

VP+8.60

.28

.35 +7

+7

+7.9

.67

.94

+7.85

.79

+7.10

+

+7.10

160

.23

+8

+

+6

8

+7

.64

+7.70

.95

0

0 7.6

.40

+8

+8.15 +8.12

.9 +6 +6

250/+5.8

+7

2

.4 +7

+7.70

+7

VP+7.60

0

+8

BP8 +7.30

.26 +8

.49

.31

+8

S

SO

+7.10

BP13

.20

31

+

+7.52

+6.4

.2 +7

SO

9

VP+8.30

+6.90

.20

.87

.6 +7

SO

.00 5/+6

0

VP+8.10

.75

.07

+8

+7

VP+8.10

5.80

315/+5.80

+7.20

+7.20

.49 +7

+6

+

.07

220

3

.98 +6.25 +7

.70

0 6.7

+

207 209

.2 +7

7 +7.4

+

+6

VP+8.00

.78

VP+7.75

7

+7

.18 +7

.69

.28

+8

6 8.2

.21

+8.25

+7.20

.27

+7

2 7.0

+7.30

+7

.6 /+6 5 1 3

+8.00

+7.5 5

.26

.43

+7.40

VP+7.65

+8

VP+8.30

5 +7.4

+ 315/

+7.31

.25 +7

+7.4

+7

0

VP+7.65

+7

.05

+7.3

+

+

.16

+

5 6.7

.04 +8

.77

+7.28

7 7.1

+7

.02

SO

.63

.05

+8

+7

SO

+8.00 +6

5.80

.33

+7

.34

VP+7.60

6 6.9

+7

315/+

VP+7.65

SO

+6

+7

VP+7.90

0

+

VP+7.60 +7.10

.66

+6

+7.70

+7.2

1

.2 +7

5 7.3

1

0 +6.4 160/ +5.70+7.40 315/

+7

.24 +8

.83

.92 +66.248 + .2 +7

+7.10

+7.30

.73

+

5

BP9

+6

+7.70

.10

.2 +8

0 +7.4

5

+7.4

+7.90 .70

VP+7.80

.40

+

.11

+8

3 8.2

+8

0 6.7

.64

VP+8.10

.12 +7

.60

VP+8.00

+

+

+

.88

+7

.49 +7

.89

+6

+7.70

+6

3 7.7

6 6.8

1 6.6

160/+6.60

+

5

+7.40

3 7.1

VP+7.90 .6 +6

.94

SO

+

6

4

.15

+

5 6.6 .7 +6

.70

+

4 6.9

.67

+7

+6.90

2 6.9

.78

VP+7.90

BP12

.03

+7

+7

2

+7

3

+7.30 .6 +6

.81

4

.9 +7

500

.01

+7.10

.56

+6

VP+7.60

.49

+7

.14

.60

+7.60

+7

9 7.0

Huurlingsedam

.32 +7

+7

+6

.00

.20

Zuider

.71

250/+6

.30 +7 40 .60 .20 +7 /+6. /+5 5 160 31 . 40 +7

+7

.8 +7

9 7.5

BP11 +6

9 6.6

.67

.11

+8

2B

0

.4 +7

.6 +5

+7.10 +7

dreef

VPVP+7.80

VPVP+7.60

+

+7

+

+7.80

VP+8.10

SO

7

.59

+6

3

.7 +6

+8.30 +8.40

0 +6

.9 +6

.2 +7

+6

VP+8.00

.88

.84 +6

+7

.52

+6

.58

9 6.7

+

.55

+7.90

+7

.91

+7.70

2

.5 +5

.15 +8

.19 +8

7 +7.2+07.0

VP+7.90

+7.80

.01 +7

+

+7.65

2 +7.6 2 +7.7

+7.30 +7.57

.74 +6

+

+

+7.5

2 7.0

.70

+7

+7.45

+7

+7

.64 +6

4 6.6

.66

.23

VOOR AANSLUITING ZIE BLAD 2

+

+

+6

2 6.7

+7

0 +5.8 500/ 0 +5.8 0 +7.4

+7.70

6 6.5

160/

+7.70

0

.32

+8.42

+ 7 6.8

.66

.79 +7 7.67 +

8 6.9

+

+7.7

3

.5 +6

+7

+8.00

+6

.19

+7

3 6.9

+8.32

+6

+

+7.30

SO

.49

.85

.75

+8.10

2 7.0

7

.4 +7

+6

0

1

5 +7.4

+7

+8.10

+6

.50

+6

+5.8

.62

44

.3 +7

+6

.34

0

250/7.30

+7

2

.5 +6

+8.50

.82

.51

.2 +7

160/+7.30

.22

+7

600

+6

172

.24

144

140

2B

+7

+

.05

.96

+7

+6

+6

+7.36

.21

+7

.85

8

.16

0

.1 +7

+7

+7.10

.23

Watergang bodemhoogte +6.50 bodembreedte 0.50m taluds 1:1 3 .8 +6

+

315

+5.70

SO

.03

+7

6 7.0

.01

+

+7

0 7.0

+

2

.9 +6

+7

.05

+7

+

2 7.0

.06 +7

13

17

15A

15

33

25 16

24 26

28 30

17

19

W.I.U

304

54 56

58 60 62 64

66 68 70 72

21

25 27 29

43 45

31 33

35 37 39

49 51 53

55

41

57

88 86

23

24

26 28

27

26A

52 54

302 . W.I.U

56 58 60 62

85 87 66

99 101

103 105

107 109 111

113 115

68

70

300 129 131

72

95 97

133

135

74

93

137

139 80

hens Wijc

66

2 4014 1381 136

89 91

r 62 64

. W.I.U

64 81 83

71

65 67

47 49

54

76

69

48 50

78

20 22

57 59 61 63

40 42 44 46

141

112

16 18

53 55

14

51

43 45

38

36

114

12

35 37

30 32 34

119 117

10

33

39 41

16 18 20 22

123 121

8

31

50

12 14

127 125

4 6

21 23 27 29

32

21

4

15 13

9 7

5 3

26 28 30 24

134

15

10

42 44 48

52

13

3 5 7

12 8 10

6

50

76

7 9 11

42 44 46 48

38 40

80 78

5

16 14

21 19 17 15

3

3 5

304A

20 22

32 34 36

13 11 9 7

11 9

6 4

37 39 41 43

29 31 33

23

57 55 53 51

16 18

12 14

84 82

13 11

12 10 8 6 4

19 21 4 6 8 10

128

130

132

Maatvoering in meters, tenzij anders vermeld Materialen in mm, tenzij anders vermeld Hoogtematen in meters t.o.v. N.A.P., tenzij anders vermeld 5

10

15

20m

DEFINITIEF

Schaal 1:500 Opdrachtgever

V.O.F. Huurlingsedam

+7.10

.91 +6

.93 +6

.03

.04 +7

+7

.86

+6

+

8 6.9

+

7 6.9

+6

.96

Project

Huurlingsedam Onderdeel

Situatie met waterhuishoudkundig plan

8 6.8

't Slotje

+

4 .08

56 58

mee

't Slotje .05 +7

29

33 35

60

0

.35

.79

25 27

58

SO

+7

+6

.

74

91TRA

83 79 77 73 71 67 65 61 59 55 53 49 57 51 75 81 69 63

+7

54

56

+7

9 6.7

+6

.14

+7

.1 +7 Mu+7ld er .31

315 +7.10

4

52

+7.55

46 48 50 52

31

25

.19

21 23

18

46

9 7.0

13

14 16

42

+

+7

11 7 9

5

3

19 17

.17 +7

.26

.52

.93

42 44

34 36 38 40

7 5 3

.29

+7

+5.70

+6

30 32

26 28

17 19

6 8 10 12

14 16

18 20 22 24

26 28

30 32

34 36 38 40

42 44

46 48 50 52

Projectnummer

Tekeningnummer

350832

350832-T001-D1 -01

56 58

Datum van uitgave

Ontwerpfase

Contractnummer

22-11-2016

Blad

Van

Schaal

Formaat

Kantoor

Get.

1

2

1:500

1189x594

ZWOLLE

BB

www.sweco.nl

54

Versie

© Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden

Gez.

Acc.

350832-T001-D1

2 6.7

18 20 22 24

14 16

13 11

.10 +7

de Huurinck

54

64

4

SO

36

11 15

91TRA

.92

+6

30

dreef

+

.2 +7

+ 315 /+5.70

37 43 35 39 41 45

28

6 8 10 12

15

Zuider

9

7

4 6.9

13 19 25 31 11 15 17 21 23 27 29 33

83 79 77 73 71 67 65 61 59 55 53 49 57 51 81 75 69 63

4

+7.60 .03

't Slotje

Blad 1

10A

18

VP+7.70

S

10

10B

17 15

6 7.1

8

22 20

+

Blad 2

S

.44 +7

32 30 28 26 24

.17

+7

4

VP+7.70

7

VP+7.70

.74

4

+7

.7 +7

+

.57 +7

1

.76

+7

.71

4

+

0 7.9

.72

+

+7

7 7.8

0 7.8

0

.9 +7

4

.88

0

.83

+7

.05 +8

+8

.8 +7

+7

.90 +7

+7

SO

5 .9 +7

.18

+7

+8 6

.4 +8

+8.5

0

.94

BP5

+7.9

0

160/

0

+7.9

2

SO

VP+8.50

315 +7

+8.17

+7.00

.95

SO

+7

+7.90

+8.00

.83 +7

+8.00

+7.80

.80

+7

.45

+8

VP+8.20

160/+7.00

VP+8.35

+7.80

.00 +8

.96

+

.84

SO+7

.82 +7

.83 +7

VP+8.30

7 7.6

+

VP+8.40

VP+8.30

+

+7

.99 +7

.8 +7

+8.20 .81

0

+7

.8 +7

3 7.8

+7

.72

160

.75

+7

VP+8.30

+7

VP+8.30 6

.7 +7

.78

+7

+7

25

.79

+

.05 +8

S

.

+7 .04 +8

.08

+8

Blad 2

Blad Blad 1 1

0

VP+8.60

W.I.U

.74 +7

.7 +7

7 7.7

.91

+

VP+8.60

+7

VP+8.60

.08 +8

. W.I.U

. W.I.U

r mee hens Wijc

.83

Maatvoering in meters, tenzij anders vermeld Materialen in mm, tenzij anders vermeld Hoogtematen in meters t.o.v. N.A.P., tenzij anders vermeld

+7

SO

.09

+8

0 7.7

3 7.7

+

+

Huurlingsedam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=bc876309-048b-4e81-ae98-49dd04e70ae7