Bijlage 7 Watertoetsdocument, Sweco, 2 augustus 2021.pdf
Tekst van het document
Notitie Onderwerp: Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 3 en 4 Wijchen Projectnummer: 51006051 Referentienummer: NL21-648800269-2496 Datum: 02-08-2021
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Hendriks Projectontwikkeling B.V. heeft het voornemen om de woonwijk Huurlingsedam verder uit te breiden. De realisatie is opgedeeld in vier fasen, waarvan fase 1 en 2 (nagenoeg) zijn afgerond. In januari 2021 is een watertoetsdocument voor fase 3 opgesteld. Na overleg met de gemeente is fase 3 opgedeeld in fase 3 en 4. Voorliggend document is een actualisatie van het document dat in januari is opgeleverd. Deze watertoets is van toepassing op de nieuwe fase 3, maar geeft ook een doorkijk naar fase 4. 1.2 Plangebied In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt ten zuidoosten van Wijchen tussen de Oosterweg aan de noordzijde en de wijk Kerkeveld aan de zuidwestzijde. De Graafseweg (N324) vormt de oostelijke grens en de Zuiderdreef de westelijke grens. Het bruto oppervlak fase 3 bedraagt circa 10,2 hectare; dit is exclusief het gebied voor de dassencompensatie ten noordoosten van het plangebied. Het bruto oppervlak van fase 4 bedraagt nog eens 9,0 hectare.
Figuur 1
Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland
Ligging en fasering uitbreidingswijk Huurlingsedam
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Siebe Houtsma Adviseur (stedelijk) water M +31 6 12 46 83 33 1 (15)
2
Watertoets
2.1 Doel Voor alle ruimtelijke plannen is het verplicht een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het proces van informeren, afstemmen en adviseren om tot een inhoudelijke beoordeling van de waterhuishoudkundige aspecten te komen. Doel is het expliciet en evenwichtig beschouwen van de waterhuishoudkundige gevolgen van de stedenbouwkundige ontwikkeling op het plangebied. Het resultaat van het proces is de waterparagraaf die wordt opgenomen in het bestemmingsplan. 2.2 Geraadpleegde bronnen Voor het opstellen van deze notitie is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: · Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen (SWNL0195946, 23 november 2016); · Tekening van het ruimtegebruik (“S-VP-62111400-01-15-01”, maart 2021); · Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); · Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOloket, TNO); · Bodemkaart van Nederland; · Zandbanenkaart provincie Gelderland; · Keur Waterschap Rivierenland; · Legger Waterschap Rivierenland; · Klimaateffectatlas; · Geohydrologisch bodemonderzoek (d.d. 24 april 2014). Tijdens het watertoetsproces van Huurlingsedam fase 2 is een modelberekening in Sobek uitgevoerd. In deze berekening is rekening gehouden met de realisatie van fase 3 en 4 die destijds samen vielen onder fase 3. Hierbij zijn uitgangspunten gehanteerd en afspraken gemaakt die van toepassing zijn op fase 3 en 4.
Het watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen (SWNL0195946) vormt daarmee een belangrijke bron van informatie waarnaar herhaaldelijk wordt verwezen en is daarom toegevoegd aan de bijlage (bijlage 1). 2.3 Toelichting ontwikkeling De wijk Huurlingsedam is een uitbreidingswijk in de kern Wijchen, waarvan fase 3 de een na laatste fase is. In fase 3 worden 250 woningen gerealiseerd. In de laatste fase, fase 4, zijn nog eens 220 woningen gepland.
2 (15)
3
Huidige situatie
3.1 Hoogteligging In het gebied tussen de Oosterweg en de Huurlingsedam varieert de maaiveldhoogte behoorlijk. De Huurlingsedam ligt ongeveer rond +8,0 m NAP. Het maaiveld daalt richting het noordoosten naar circa +6,50 m NAP, ter hoogte van de oost-west gelegen watergang. Richting de Oosterweg loopt het maaiveld weer op naar circa +8,0 m NAP. De watergang ligt in het dal en is daarmee duidelijk te herkennen op de hoogtekaart (figuur 2). Het maaiveld aan de westkant van het plangebied loopt van zuidwest naar noordoost op van circa +6,80 m NAP naar +7,30 m NAP; richting de watergang neemt de hoogte weer af. De woningen in fase 1, ten zuiden van de Huurlingsedam, hebben een vloerpeil van minimaal +8,20 m NAP. De bestaande woningen aan de Oosterweg hebben verschillende vloerpeilen en liggen hoger dan +7,80 m NAP.
Figuur 2
Maaiveldhoogten in en rondom het plangebied (Bron: AHN3)
3.2 Bodemopbouw Ondiepe bodemopbouw De beschrijving van de ondiepe bodemopbouw is gebaseerd op de Bodemkaart van Nederland, veldwerkgegevens die zijn verzameld voor het geohydrologisch onderzoek (bijlage 1) en boringen voor het milieukundig onderzoek. In figuur 3 is een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland weergegeven. De bodem in het noordwestelijk deel van het plangebied bestaat uit kalkloze poldervaaggronden (Rn95C). Deze gronden bestaan uit zware zavel en lichte klei. In het westen liggen ooivaaggronden (KRd1) en poldervaaggronden met code Rn67C. Deze gronden bestaan respectievelijk uit lichte zavel en lichte klei. In het noordoosten van het plangebied liggen poldervaaggronden met code Rn44C, bestaande uit zware klei.
3 (15)
Figuur 3
Bodemclassificatie en grondwatertrappen in en rondom het plangebied
Het gebied is ontstaan door afzettingen van de rivieren. Hierdoor is de bodemopbouw sterk wisselend. De dikte van de deklaag tot de Pleistocene zandondergrond is in kaart gebracht door provincie Gelderland (Zandbanenkaart, 2010). In figuur 4 is een uitsnede van de zandbanenkaart opgenomen. Uit de zandbanenkaart blijkt dat de dikste deklaag in het zuidwestelijk en noordelijk deel van het plangebied ligt (Pleistoceen zand op 3 tot 4 m onder maaiveld, in het vervolg ‘-mv’). In het zuidwesten wordt Beddingzand aangetroffen op circa 1,5 tot 2,0 -mv. In het zuidoostelijk en oostelijk deel wordt het Pleistocene zand aangetroffen op 0,0 tot 1,0 m -mv. Deze Pleistocene zanden zijn meestal afgedekt met een dunne deklaag van lichte zavel of lichte kleigronden (zie bijlage 1 ‘Verkennend bodemonderzoek 8 mei 2003’). Bovenstaande beeld komt overeen met de resultaten van de uitgevoerde boringen voor het geohydrologisch en milieukundig onderzoek (24 april 2014). Dit ondersteunt de aanname dat de zandbanenkaart een goed beeld geeft van de dikte van de deklaag. Deze deklaag heeft een k-waarde van < 0,2 m/dag en is daarmee slecht doorlatend. Infiltratie van regenwater is daardoor beperkt mogelijk. De dikte van de deklaag loopt richting de Awatergang aan de noordkant af naar circa 0,80 m.
4 (15)
Figuur 4
Zandbanenkaart (provincie Gelderland, 2010)
Diepe bodemopbouw Vanuit REGIS is informatie verzameld over de diepere bodemopbouw. De deklaag bestaat uit een Holocene afzetting van klei met een dikte van één tot circa drie meter. Daaronder is de zandige afzetting uit de formatie van Kreftenheye (Pleistoceen) aanwezig tot circa NAP +4,3 m. Deze wordt opgevolgd door matig tot grof zandige afzettingen uit de Formatie van Beegden tot NAP -23,0 m. Onder de Formatie van Beegden bevindt zich de Formatie van Peize-Waalre tot een diepte van circa NAP -42 m. In deze afzetting is op NAP -23,4 m tot -29,6 m een sterk zandig tot siltige klei afzetting aanwezig. Vervolgens komt de Formatie van Oosterhout voor tot circa NAP -84,0 m, bestaande uit matig grof zand. Vanaf NAP -84,0 m tot circa NAP -139 is de Formatie van Breda terug te vinden; deze bestaat uit fijn, siltig zand en klei en vormt de hydrologische basis. Tabel 1
Overzicht van de geohydrologische formaties en parameters
Diepte (m +NAP)
Formatie
Geohydrologische eenheid
Weerstand (dagen)
Doorlaatvermogen (m²/dag)
7 tot 6 à 4 6 à 4 tot 0 0 tot -23,0 -23,0 tot -23,4 -23,4 tot -29,5 -29,5 tot -42 -42 tot -84 -84tot -139
Holocene afzettingen Kreftenheye (krz3) Van Beegden (bez2/3) Peize - Waalre (pzwaz3) Peize - Waalre (wak2) Peize - Waalre (pzwaz5/7) Oosterhout (ooz1 / ooz2) Breda (brz1 / brk1)
Deklaag Eerste watervoerend pakket Eerste watervoerend pakket Eerste watervoerend pakket Scheidende laag Twee watervoerend pakket Twee watervoerend pakket Hydrologische basis1
80 - 240 -
120 650 18
230 15.000
500 580 2,6
1) vanwege de diepte van deze laag en de geohydrologische weerstand, wordt gesteld dat de
onderliggende formaties niet relevant zijn in het kader van dit onderzoek.
5 (15)
Op basis van bovenstaande informatie is de conclusie dat de deklaag uit lichte zavel of lichte kleigronden bestaat, die slecht doorlatend zijn. Dit betekent dat infiltratie van regenwater naar de ondergrond slechts beperkt mogelijk is. 3.3 Grondwater In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee peilbuizen met recente meetgegevens en een meerjarige meetreeks. Het gaat om peilbuis B45F0594 op circa 850 m ten zuidwesten van het plangebied en B46F0718 op circa 1.200 m ten noorden van het plangebied. Deze peilbuizen staan in het eerste watervoerende pakket. Op basis van de meting zijn de gemiddelde grondwaterstanden, de gemiddeld laagste (GLG) en de gemiddeld hoogste (GHG) bepaald met het programma Menyanthes. In tabel 2 zijn de GLG, de gemiddelde grondwaterstanden en de GHG opgenomen. Tabel 2 Peilbuis B45F0594_1 B46A0718_1
Overzicht van de grondwaterstanden X- coördinaat
Y- coördinaat
Maaiveld (m t.o.v. NAP)
GLG
Gem GWS
GHG
GT
178.260 180.060
423.160 424.230
8,60 8,39
5,25 5,89
5,36 6,21
5,38 6,38
VIII VIII
Uit tabel 2 blijkt dat het verschil tussen de grondwaterstanden van beide peilbuizen groot is. Vanwege dit verschil en de afstand van deze peilbuizen tot het plangebied is bij de uitwerking van de watertoets voor fase 2, na overleg met Waterschap Rivierenland, gekozen om de GHG vanuit het grondwatermodel MORIA te gebruiken. Dit model is niet opnieuw gekalibreerd voor het plangebied. In figuur 5 zijn de geïnterpoleerde waarden van de GHG weergegeven.
Figuur 5
GHG [m -mv] vanuit het MORIA-model van Waterschap Rivierenland
Door het verschil in reliëf van het plangebied is ook het verschil in GHG groot. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert in het gebied van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop (rode vakken in figuur 5) langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m.
6 (15)
De GHG is, naast de hoogteligging van het plangebied, mede bepalend voor de aanlegpeilen van wegen en woningen. De grondwaterstromingsrichting verloopt van oostnoordoost naar west-zuidwest. 3.4 Oppervlaktewater In het plangebied liggen verschillende watergangen die in beheer zijn van Waterschap Rivierenland. In figuur 6 zijn de watergangen in en rondom het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt in het afwateringsgebied Citters 1 en peilvak CIT02b met een streefpeil van NAP +5,50 m. Het waterpeil wordt gereguleerd door een stuw ter hoogte van de Ruffelseweg / Nieuwe Lagestraat met een streefpeil van NAP +5,50 m. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een brede waterpartij die onderdeel uitmaakt van het Wijchens Meer.
Figuur 6
Uitsnede legger Waterschap Rivierenland
Het profiel van de A-watergang is met de realisatie van fase 2 aangepast. De bodembreedte is gelijk gebleven maar aan de zuidzijde van de watergang is een verlaagde berm aangebracht met een talud van 1:3 (zie bijlage 1). Uit de metingen blijkt dat de bodembreedte 1,20 m is. De A-watergang ligt gedeeltelijk in het zand en gedeeltelijk in de klei. De B-watergangen liggen grotendeels in gebieden met een dun kleidek. Deze watergangen doorsnijden het kleipakket op een aantal plaatsen. Aan de westzijde liggen de watergangen grotendeels op locaties waar de deklaag > 3,0 m klei is. Op basis van de zandbanenkaart en de geohydrologische boringen (bijlage 1) doorsnijden de watergangen het kleipakket hier niet. Het verlengde Wijchens Meer aan de zuidzijde ligt in een zandbaan en is bij aanleg voorzien van een kleilaag ter voorkoming van wegzijging. Halverwege het projectgebied van fase 3 ligt in de huidige situatie een B-watergang. Deze tijdelijke watergang is aangelegd in fase 2. Daarnaast ligt ten noorden van het plangebied een A-watergang die ter hoogte van het plangebied van fase 3 overgaat in een Bwatergang.
7 (15)
De bodem van de watergangen lopen in noordoostelijke richting op tot boven het streefpeil van NAP + 5,50 m. Hierdoor kunnen de watergangen tijdens droge perioden droogvallen. Het inlaten van water is hier niet mogelijk. 3.5 HEN-SED-vlakken Binnen het plangebied liggen verschillende watergangen die of vervallen of (nog) aangepast moeten worden. De watergangen in het plangebied liggen voor een groot deel in een gebied dat is aangeduid als SED-vlak (zie figuur 7). Alle leggerwatergangen (A-watergangen) binnen het plangebied hebben een SED-status. Hierover is afstemming nodig tussen de provincie, het waterschap en de projectontwikkelaar. Een SED-water is water met een specifiek ecologische doelstelling. De provincie wil de natuurwaarden van deze wateren herstellen en beschermen. Voor de watertoetsprocedure Huurlingsedam fase 2 is per e-mail contact geweest met provincie Gelderland op 20 mei 2014. In reactie heeft de provincie laten weten dat het vergraven van watergangen afgestemd moet worden met de ecoloog van het waterschap en dat de ecologische doelstelling die voor de betreffende watergang geldt, versterkt moet worden. Op 17 oktober 2014 is per e-mail aan het waterschap gevraagd of bij het wijzigen van de noordelijk gelegen A-watergang de standaard waterdiepte van een A-watergang aangehouden moet worden. Daarop is telefonisch antwoord gegeven in de week van 20 oktober 2014.
Verdiepen van de watergang is niet wenselijk, maar het veranderen van de watergang kan, mits de breedte op waterlijn bij lage afvoeren niet groter wordt. Op grond van de SED-status wordt de watergang in een ecologisch profiel gebracht. Daarmee wordt voldaan aan het ‘stand stil – step forward’ principe van het provinciaal waterhuishoudingsplan.
Figuur 7
SED-vlak (oranje) in plangebied
8 (15)
3.6 Waterveiligheid Op basis van de gegevens van de klimaateffectatlas.nl is bepaald of een overstromingsrisico aanwezig is binnen Huurlingsedam. In figuur 8 is de kaart opgenomen voor een situatie aangeduid als ‘kleine kans’. Dit is een situatie die eens in de 1.000 jaar voorkomt. Uit de figuur blijkt dat op basis van de huidige maaiveldhoogtes de overstromingsdiepte in een dergelijke situatie maximaal 2,0 – 5,0 m bedraagt ter plaatse van de watergangen en 0,5 – 2,0 m ter plaatse van het overgrote deel van het plangebied. In de toekomstige situaties zullen de maaiveldhoogtes hoger liggen waardoor de overstromingsdieptes lager zullen zijn.
Figuur 8
Overstromingsgebied voor een ‘kleine kans’ (één keer per 1000 jaar)
9 (15)
4
Beleid
4.1 Beleid Waterschap Rivierenland Het waterschap geeft vergunningen af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet) en verleent ontheffing voor ingrepen in of nabij watergangen en -keringen (Keur). Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het onderhoud aan A-watergangen. Het waterschap hanteert de onderstaande beleidsregels voor nieuwe lozingen van verhard oppervlak. Beleidsregel keurartikel 3.4, nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak: · Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Daarbij geldt dat de maximale afvoer van water uit het plangebied niet meer mag zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien: 1. de T=10+10% neerslag; de peilstijging bedraagt maximaal 30 cm (met uitzondering van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden). Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak; 2. de T=100+10%-neerslag; Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak.
Algemene regel WT 5, Versnelde afvoer via nieuw verhard oppervlak: · Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4, voor het versneld afvoeren van hemelwater van nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. het totaal oppervlak aan nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied niet meer bedraagt dan 1.500 m2 en in stedelijk gebied niet meer bedraagt dan 500 m2, en 2. het geen deeluitbreiding betreft van een groter planologisch geheel/inrichting waarvoor reeds een melding is gedaan op grond van deze algemene regel. 4.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk waterbeleid (strategische waternota en uitvoeringsplan) omvat thema’s en uitgangspunten voor duurzamer waterbeheer binnen de gemeente Wijchen. Daarnaast geeft de gemeente met het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Hierin heeft de gemeente opgenomen dat perceeleigenaren hemelwater op eigen terrein dienen te verwerken. Echter, in fase 1 en 2 is de volledige waterbergingsopgave in openbaar terrein gerealiseerd. In overleg met de gemeente is afgesproken dat voor fase 3 dezelfde uitgangspunten gelden die ook in fase 1 en 2 zijn gehanteerd. De uitgangspunten en toegepaste principes voor de hele wijk zijn gelijk.
In de voorbereiding van fase 2 heeft gemeente Wijchen aangegeven regenwater van woningen en overige verharde oppervlakken bij nieuwbouwplannen zichtbaar te willen laten afstromen. In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden dat hemelwater van daken, gelegen langs oppervlaktewater, indien mogelijk rechtstreeks afstroomt op oppervlaktewater. Als dit niet mogelijk is, zal het water, samen met water dat op overige verharde oppervlakken valt, via het straatprofiel naar wadi’s afstromen.
10 (15)
5
Toekomstige situatie
5.1 Toename verhard oppervlak De toename van het verhard oppervlak is bepaald op basis van de tekening van het ruimtegebruik. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: · 90% verhard voor kavels van rijtjeswoningen; · 80% verhard voor kavels van twee-onder-een-kap woningen en hoekwoningen; · 70% verhard voor kavels met vrijstaande woningen. Voor de wegen en parkeervoorzieningen is een inschatting gemaakt op basis van een GISanalyse. In tabel 3 is een overzicht gegeven van de verharding in de toekomstige situatie. Hierbij is ook de verharding van fase 4 meegenomen. Het verhard oppervlak van fase 3 en 4 bedraagt in totaal 11,65 ha. Dit is lager dan de 13,7 ha die in het watertoetsdocument voor Huurlingsedam fase 2 is aangehouden. Tabel 3
Verwachte hoeveelheid verharding in de toekomstige situatie Fase 3 [ha] Fase 4 [ha] Toelichting Kavels 3,78 3,07 Openbaar verhard 3,38 1,42 Wegen, parkeren, voet- en fietspaden TOTAAL verhard 7,16 4,49
5.2 Watercompensatie Op basis van de bepalingen uit de Keur van Waterschap Rivierenland dient de toename aan nieuwe verhardingen gecompenseerd te worden om versnelde afvoer tegen te gaan. Voor plannen met een toename van het verhard oppervlak groter dan 5.000 m2 hanteert het waterschap de volgende uitgangspunten: · Het uitvoeren van een aparte berekening; · De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/u; · Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatsverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden; · Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatsverandering (T=10+10%) moet er voor het straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil. Voor de waterbergingseis hanteert het waterschap 436 m3 berging per ha verhard oppervlak. Vanuit eerdere fases is een bergingsoverschot aanwezig die in fase 3 en 4 benut kan worden. In tabel 4 is de benodigde en voorziene hoeveelheid waterberging van fase 1 tot en met 4 weergegeven. In totaal is de beschikbare berging 10.302 m3 en de bergingsopgave 8.085 m3 voor fase 1-4. Dit betekent dat het watersysteem, na afronding van fase 3 en 4, over een bergingsoverschot van 2.217 m3 beschikt. Belangrijk aandachtspunt is de fasering.
De aanleg van de “extra” voorziening (tabel 4) is noodzakelijk om te zorgen voor voldoende waterberging in de tijdelijke situatie (d.w.z. vóór afronding van fase 4). In overleg met de ontwikkelaar is afgesproken dat deze in het park wordt gerealiseerd. Bij de uitwerking van het watertoetsdocument voor Huurlingsedam fase 2 is een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma Sobek (zie bijlage 1). Hierbij rekening gehouden met de ontwikkeling van fase 3 en 4 door invulling te gegeven aan de waterbergingsopgave voor fase 3 en 4 (zie paragraaf 4.7 van ‘Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen’). Op 4 december 2020 is overleg met het waterschap gevoerd. In dit overleg heeft het waterschap aangegeven dat het bestaande model bruikbaar is voor de toetsing van fase 3
11 (15)
(en na de opdeling dus ook voor fase 4). Hierbij heeft het waterschap de voorwaarde gesteld dat het model, in samenwerking met een hydroloog van het waterschap, geactualiseerd moet worden. Deze actualisatie moet nog plaatsvinden. Dit wordt gedaan bij de nadere uitwerking in een waterhuishoudkundig plan. Daarnaast wordt het model gebruikt om het functioneren van het systeem bij een klimaatbui (70 mm in 2 uur) te beoordelen. Tabel 4 Overzicht benodigde en voorziene waterberging fase 1-4 Fase 1 Fase 2 Volume
Oppervlak
Opgave
Volume
Oppervlak
Fase 3
Volume
Fase 4
Oppervlak 2
Volume
Oppervlak 2
3.004 m³
68.900 m²
3.122 m³
71.599 m
1.959 m³
44.928 m
Wadi’s
996* m³
4.980 m²
283 m³
1.415 m²
415 m³
2.075 m²
Verbreding A
900 m³
3.000 m² 442 m³
1.470 m² 3.690 m³
12.300 m²
4.105 m³
14.375 m²
Voorzieningen
Verbreding B Water Kasteel Extra Totale berging Verschil
1.896 m³ +2.745 m³
9.150 m²
-1.108 m³
6.825 m²
390 m³
1.300 m²
1.115 m³
7.545 m²
-2.007 m³
+2.146 m³
*In het Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen d.d. 23 november 2016 is gerekend met een capaciteit van 765 m3 waarbij in de berekeningen al rekening gehouden is met wadi’s voor fase 3. De aangelegde wadi’s in fase 2 dragen dus ook gedeeltelijk bij aan de bergingsopgave van fase 3. 5.3 Watergangen De waterberging wordt gedeeltelijk gerealiseerd door de bestaande A-watergang te voorzien van een plasberm. Deze berm ligt net boven het streefpeil. In fase 2 is een nieuwe (tijdelijke) watergang gegraven die na/tijdens de realisatie van fase 3 wordt gedempt. Bij het vergraven van watergang is er risico op het doorsnijden van de kleilaag. Dit is voor de verdere uitwerking een aandachtspunt. Werkzaamheden in de watergang hebben invloed op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Daarom geldt voor werkzaamheden aan de watergangen in het plangebied een vergunnings- of meldplicht. In bijlage 2 is een overzicht toegevoegd van de watergangen die in fase 2 zijn gerealiseerd. Voor het profiel van de B-watergang is een nieuw voorstel gedaan (blauwe lijn in figuur 9). Op 28 juli 2021 is dit profiel aan het waterschap voorgelegd en besproken. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te gaan met het profiel onder de voorwaarde dat deel aangeduide met de donkerblauwe pijl een A-status krijgt en de natuurvriendelijke oever (lichtblauwe pijl) een B-status krijgt.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het onderhoud aan het gedeelte met A-status. Bij de aanleg van de nieuwe oevers langs de B-watergang is aandacht nodig voor de grondslag en taludhelling om ervoor te zorgen dat de stroken ook met onderhoudsmaterieel begaanbaar zijn. Daarnaast moet een beheer- en onderhoudsplan opgesteld worden. Het waterschap moet goedkeuring op dit plan verlenen. Verder moet het talud rechts van het gedeelte met A-status flauwer worden aangelegd.
12 (15)
Figuur 9 Profiel B-watergang
5.4 Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, is het belangrijk de waterhuishouding in het plangebied op orde te hebben en te houden. De inrichting van het plangebied moet dan ook afgestemd zijn op de geohydrologische situatie binnen het plangebied. Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in het plangebied op basis van de TNO-peilbuizen tussen NAP +5,36 m en NAP +6,21 m schommelt (gemiddelde waarde NAP +5,79 m). Het MORIA-model geeft hogere waarden voor de GHG, variërend van NAP +6,40 m in de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m in de ‘hoge kop’ langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m. Dit betekent dat in bepaalde delen ophoging van het plangebied nodig is om aan de ontwateringseis te voldoen. Een andere maatregel om overlast te voorkomen, is bouwen zonder kruipruimte. Het waterschap adviseert een drooglegging aan te houden van: · 0,70 m voor het maaiveld; · 1,00 m voor het straatpeil; · 1,30 m voor het bouwpeil. 5.5 Waterkwaliteit Het is van belang zo min mogelijk vervuilende stoffen toe te voegen aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater, afkomstig van daken, dient primair te worden voorkomen door beperking van de toepassing van uitloogbare materialen.
Licht verontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken, wordt alleen afgevoerd via een zuiverende voorziening, zoals een wadi. In eerdere fases is dit principe toegepast en fungeren wadi’s als een zuiveringsvoorziening voor licht verontreinigd water van de wegen en parkeervoorzieningen. In de wadi’s wordt minimaal 10 mm/m2 verhard oppervlak geborgen (First-Flush). Het water kan vanuit de wadi infiltreren naar de ondergrond. De ondergrond binnen het plangebied is beperkt geschikt voor infiltratie door de aanwezigheid van een minder goed doorlatende deklaag van klei. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk.
13 (15)
Een andere factor die invloed heeft op de waterkwaliteit, is bladval. Bladeren van bomen langs het water komen vaak in het water terecht, waardoor de waterkwaliteit verslechtert. Door hier bij de plaatsing van bomen aandacht voor te hebben, is de invloed van bladval op de waterkwaliteit gering. 5.6 Afvalwater Het vuilwater zal in fase 3 en 4 via een droogweerafvoer (DWA) verzameld worden. In fase 1 is een rioolgemaal ontworpen en een uitlegger van 400 mm aangelegd in de Huurlingsedam ter hoogte van De Brink (put D08, b.o.b. +3,0 m NAP) waarop ook het afvalwater uit Huurlingsedam fase 2 aangesloten wordt. Een verdere uitwerking volgt in het waterhuishoudkundige plan. Voor de afvalwaterproductie worden de volgende gegevens aangehouden: · 2,5 inwoners per woning; · 0,012 m3/uur afvalwaterproductie per persoon. In tabel 5 staat de afvalwaterproductie voor fase 3 en fase 4 gegeven. Tabel 5 Afvalwaterproductie
Fase 3 Fase 4 Totaal
Aantal woningen 250 220 470
DWA-productie [m³/uur] 7,50 6,60 14,10
5.6 Waterveiligheid Er ligt geen waterstaatswerk of beschermingszone in het plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dus niet van toepassing. 5.7 Klimaat De ontwikkeling ligt in een gebied waar de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) Rijk van Maas en Waal van toepassing is. De RAS is in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat Regio Rijk van Maas en Waal uiterlijk in 2050 klimaatbestendig is. Wat betreft het thema wateroverlast zal het plan bij de uitwerking van het waterhuishoudkundige plan getoetst worden aan de klimaatbui van 70 mm in 2 uur.
14 (15)
6
Conclusie
De woonwijk Huurlingsedam zal verder uit breiden. De realisatie is opgedeeld in vier fasen, waarvan fase 1 en 2 (nagenoeg) zijn afgerond. Inmiddels zijn de voorbereidingen voor fase 3 gestart. Fase 4 zal in een later stadium gerealiseerd worden. In fase 3 worden 250 woningen gerealiseerd. In fase 4 zullen dit nog eens 220 woningen zijn. Dit resulteert in 7,15 en 4,49 ha verhard oppervlak, respectievelijk. De bergingseis die hierbij hoort is 3.112 m3 en 1.959 m3. In fase 3 zullen er wadi’s gerealiseerd worden die een totale bergingscapaciteit van 283 m3 hebben. Daarnaast zorgt het verbreden van de B-watergang voor een berging van 442 m3. Met de extra bergingsvoorziening in het park van 390 m3 is er een bergingstekort van 2.007 m3 in fase 3. Een deel kan opgevangen worden door de extra berging die in fase 1 gerealiseerd is. Daarnaast dient er een tijdelijke berging gerealiseerd te worden of moet de bergingsvoorziening in het park uitgebreid worden met 370 m3.
In fase 4 zullen ook wadi’s gerealiseerd worden. Deze hebben een capaciteit van 415 m3. Daarnaast wordt rond het Kasteel een oppervlaktewaterberging gerealiseerd van 3.690 m3. Het watersysteem beschikt, na voltooiing van fase 4, over een bergingsoverschot 1.776 m3. Dit betekent dat het systeem over extra capaciteit beschikt om zwaardere buien te verwerken. De droogweerafvoer in fase 3 bedraagt 7,5 m3/uur en in fase 4 6,6 m3/uur. Dit kan aangesloten worden op de bestaande riolering.
Bijlagen: 1. Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen 2. Gerealiseerde watergangen in fase 2
15 (15)
Verantwoording Titel
Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 3 en 4 Wijchen
Projectnummer
51006051
Referentienummer
NL21-648800269-2496
Revisie
D01
Datum
02-08-2021
Auteur
Marthe Oldenhof
E-mailadres
marthe.oldenhof@sweco.nl
Gecontroleerd door
Siebe Houtsma
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Elwin Leusink
Paraaf goedgekeurd Klik of tik om tekst i n te voeren.
16 (15)
Bijlage 1
Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen
Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen Achtergronddocument Waterparagraaf
Definitief
Opdrachtgever: VOF Huurlingsedam
Sweco Nederland B.V. Arnhem, 23 november 2016
SWNL0195946
Verantwoording
Titel
:
Watertoetsdocument Huurlingsedam, fase 2 Wijchen
Subtitel
:
Achtergronddocument Waterparagraaf
Projectnummer
:
350832
Referentienummer
:
SWNL0195946
Revisie
:
Datum
:
23 november 2016
Auteur(s)
:
ing. R.L. Visser
E-mail adres
:
remco.visser@sweco.nl
Gecontroleerd door
:
ir. J.B.M. van Acker
Paraaf gecontroleerd
:
Goedgekeurd door
:
Paraaf goedgekeurd
:
Contact
:
ing. R.W. Buitelaar
Sweco Nederland B.V. Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem T +31 88 811 66 00 F +31 30 310 04 14 www.sweco.nl
SWNL0195946 Pagina 2 van 39
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2 1.3
Inleiding ......................................................................................................................... 5 Aanleiding ..................................................................................................................... 5 Doel ............................................................................................................................... 6 Leeswijzer ..................................................................................................................... 6
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................... 7 Algemeen ...................................................................................................................... 7 Uitgevoerde veldwerkzaamheden ................................................................................ 7 Hoogteligging ................................................................................................................ 7 Bodemopbouw .............................................................................................................. 8 Grondwater ................................................................................................................. 11 Oppervlaktewater ........................................................................................................ 13 HEN-SED-vlakken ...................................................................................................... 14 Huidige bebouwing / inrichting .................................................................................... 15
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Ontwerpgrondslagen ................................................................................................... 16 Doelen en maatstaven ................................................................................................ 16 Drooglegging en ontwatering ...................................................................................... 19 Afwatering en berging ................................................................................................. 19 Afvalwatersysteem ...................................................................................................... 21
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
Ruimtelijke doorwerking .............................................................................................. 22 Inleiding ....................................................................................................................... 22 Hoogteligging .............................................................................................................. 23 Globale afwatering hemelwater .................................................................................. 23 Voorzuivering licht verontreinigd water en ontwerp wadi’s ......................................... 23 Afvoer naar oppervlaktewater ..................................................................................... 26 SOBEK-model ............................................................................................................. 27 Bergingsopgave .......................................................................................................... 31 Conclusies en aanbevelingen ten aanzien van het hemelwaterontwerp .................... 32 Afvalwater ................................................................................................................... 33
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
Waterparagraaf (op te nemen in bestemmingsplan/toelichting) ................................. 34 Watertoets ................................................................................................................... 34 Gemeentelijk beleid en waterbeheer .......................................................................... 34 Huidig watersysteem ................................................................................................... 35 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan ............................. 35 Toekomstige situatie ................................................................................................... 36 Afvalwaterafvoer ......................................................................................................... 38 Beheer en onderhoud ................................................................................................. 38 Waterkwaliteit en waterveiligheid ................................................................................ 39 Overleg met waterbeheerder ...................................................................................... 39
SWNL0195946 Pagina 3 van 39
Inhoudsopgave (vervolg)
s Bijlage 1:
Stedenbouwkundig plan
Bijlage 2:
Bodemkundig onderzoek
Bijlage 3:
SOBEK-berekeningen
Bijlage 4:
Dwarsprofielen
SWNL0195946, revisie Pagina 4 van 39
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de zuidoostkant van Wijchen, tussen de Oosterweg en de wijk Kerkeveld, ligt woningbouwlocatie Huurlingsedam (voortaan ‘plangebied’). Deze uitbreidingswijk wordt in drie fasen ontwikkeld. Fase 1 is inmiddels in uitvoering en grotendeels afgerond de voorbereidingen voor fase 2 zijn gestart. VOF Huurlingsedam is betrokken bij de ontwikkeling van fase 2. De wettelijke bestemmingsplanprocedure moet voor deze ontwikkeling nog worden doorlopen. Het stedenbouwkundig plan dient in het kader van deze procedure afgestemd te worden op de eisen die gelden voor de waterhuishouding. Voor deze afstemming en voor het opstellen van het bestemmingsplan is het watertoetsproces te doorlopen. In dat kader heeft overleg plaatsgevonden op 9 april 2014, 20 juni 2016, 23 september 2016 en 16 november 2016 tussen de ontwikkelaar, gemeente Wijchen en Waterschap Rivierenland. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven met daarin het stedenbouwkundige plan voor het uitgewerkte deel van fase 2 en de ligging van fase 1 en 3. Alleen het verkaveld deel van fase 2 (231 woningen) wordt in het bestemmingsplan opgenomen.
Fase 2
Fase 3
Fase 1
Figuur 1.1 Ligging plangebied Huurlingsedam fase 1, 2 en 3, waarin fase 2 is weergegeven met daarin de detailuitwerking van de verkaveling.
SWNL0195946 Pagina 5 van 39
Inleiding
1.2 Doel Voor alle ruimtelijke plannen is het verplicht een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het proces van informeren, afstemmen en adviseren, om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van waterhuishoudkundige aspecten. Doel is het expliciet en evenwichtig beschouwen van de waterhuishoudkundige gevolgen van de stedenbouwkundige ontwikkeling op het plangebied. Het resultaat van het proces is de waterparagraaf die opgenomen wordt in het bestemmingsplan. Onderhavig watertoetsdocument is de samenvatting van het watertoetsproces dat is uitgevoerd voor het plangebied fase 2 met specifieke uitwerking zoals weergegeven in figuur 1.1. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is achtergrondinformatie over het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 volgen de waterhuishoudkundige aspecten en doelen die door het waterschap en de gemeente zijn vastgesteld voor het plangebied. In hoofdstuk 4 is het watersysteem voor het stedenbouw-kundig plan van deze fase nader uitgewerkt. In hoofdstuk 5 zijn de voorgaande hoofdstukken samengevat in de waterparagraaf voor het bestemmingsplan.
SWNL0195946 Pagina 6 van 39
2
Gebiedsbeschrijving
2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bodemopbouw en geohydrologische situatie, zoals deze is vastgesteld aan de hand van literatuur en uitgevoerde veldwerkzaamheden. Daarnaast is in het kort beschreven, waar bestaande bebouwing aanwezig is. De geïnventariseerde gegevens van de bodemopbouw, grondwaterstanden en oppervlaktewater zijn afkomstig van de volgende bronnen: Algemene Hoogtekaart Nederland (www.ahn.nl); inmeting maaiveld plangebied fase 2 en 3 inmeting op 20140505 (ontvangen op 6 mei 2014); Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000; Bodemkaart van Nederland www.bodemdata.nl; Grondwatergegevens uit DINOloket (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond), TNO; Gegevens van het Waterschap Rivierenland; Geohydrologisch bodemonderzoek van 24 april 2014. 2.2 Uitgevoerde veldwerkzaamheden In het kader van het geohydrologisch onderzoek zijn acht handboringen tot 4 m -mv uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar verschillende bodemkundige eigenschappen zoals de textuur, doorlatendheid en humus- en leemgehalten. Bijlage 2 geeft een overzicht van de ligging van deze boorpunten. Daarnaast zijn boringen beoordeeld, die afkomstig zijn van verschillende bodemkundige onderzoeken (in bijlage 2 is een overzicht van de gebruikte rapportages opgenomen).
De resultaten van de bodemkundige beoordeling van de boringen van 24 april 2014, zijn eveneens in bijlage 2 in de vorm van boorprofielen weergegeven. Beschrijving van de bodemkundige opbouw van het plangebied is in paragraaf 2.4 opgenomen. 2.3 Hoogteligging Het gebied tussen de Oosterweg en de Huurlingsedam is reliëf rijk. De Huurlingsedam ligt ongeveer rond +8,0 m NAP. Het maaiveld daalt richting het noordoosten naar circa +6,50 m NAP ter hoogte van de oost-west gelegen watergang. Richting de Oosterweg loopt het maaiveld weer op naar circa +8,0 m NAP. De watergang ligt in het dal, zoals duidelijk uit de AHN2. Het maaiveld aan de westkant van het plangebied loopt van zuid naar noord op van circa +6,80 naar circa +7,20 m NAP. De woningen in fase 1, ten zuiden van de Huurlingsedam, hebben een vloerpeil van minimaal +8,20 m NAP. De bestaande woningen aan de Oosterweg hebben een verschillende vloerpeilen en liggen hoger dan +7,80 m NAP. In figuur 2.1 is de hoogteligging van het plangebied weergegeven op basis van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN2).
SWNL0195946 Pagina 7 van 39
Gebiedsbeschrijving
Legenda AHN2 (m NAP)
6,01 - 6,50
8,51 - 9,00
11,01 - 11,50
4,41 - 4,50
6,51 - 7,00
9,01 - 9,50
11,51 - 12,00
4,51 - 5,00
7,01 - 7,50
9,51 - 10,00
12,01 - 12,50
5,01 - 5,50
7,51 - 8,00
10,01 - 10,50
12,51 - 13,00
5,51 - 6,00
8,01 - 8,50
10,51 - 11,00
13,01 - 13,50 13,51 - 14,00
Figuur 2.1
Hoogteligging (m +NAP) plangebied op basis van de AHN2.
2.4 Bodemopbouw Ondiepe bodemopbouw De beschrijving van de ondiepe bodemopbouw is gebaseerd op de Bodemkaart van Nederland, veldwerkgegevens die zijn verzameld ten behoeve van het geohydrologisch onderzoek (zie bijlage 2) en boringen voor milieukundig onderzoek (lijst van gehanteerde onderzoeken is opgenomen in bijlage 2). Uit de bodemkaart van Nederland (figuur 2.2) is afgeleid dat de bodem in het plangebied bestaat uit kalkloze poldervaaggronden (Rn95C). Deze gronden bestaan uit zware zavel en lichte klei. In het oosten liggen ooivaaggronden (bodemcode KRd1) en poldervaaggronden (bodemcode Rn67C) en ten noordoosten poldervaaggronden (bodemcode Rn44C). Deze gronden bestaan respectievelijk uit lichte zavel en lichte kleigronden.
Figuur 2.2
Uitsnede bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl)
Het gebied is ontstaan door afzettingen van de rivieren. Hierdoor is de bodemopbouw sterk wisselend. De dikte van de deklaag tot de Pleistocene zandondergrond is in kaart gebracht door provincie Gelderland (zandbanenattentiekaart 2009). In figuur 2.3 is een uitsnede van de zandbanenkaart opgenomen met daarin de locaties van de uitgevoerde boringen.
SWNL0195946 Pagina 8 van 39
Gebiedsbeschrijving
Uit de zandbanenattentiekaart blijkt dat de dikste deklaag aangetroffen wordt in het zuidwestelijk en noordelijk deel van het plangebied (pleistoceen zand op 3 tot 4 m –mv). Geheel zuidwestelijk wordt Beddingzand zand aangetroffen op circa 1,5 tot 2 m –mv. In het zuidoosten en oostelijk deel wordt het Pleistocene zand aangetroffen op 0 tot 1,0 m –mv. Deze Pleistocene zanden zijn meestal afgedekt met een dunne deklaag van lichte zavel of lichte kleigronden (zie ook bijlage 2b Verkennend bodemonderzoek 8 mei 2003). Bovenstaand beeld klopt met de acht uitgevoerde geohydrologische boringen (zie B1 – B8 in figuur 2.3) en diepere boringen uit milieukundige onderzoeken, waardoor aangenomen kan worden dat de zandbanenattentiekaart een goed beeld geeft van de dikte van de deklaag. Deze deklaag heeft een k-waarde van <0,2 m/dg en is daarmee slecht doorlatend. Infiltratie van regenwater naar de ondergrond is daardoor slechts beperkt mogelijk. De dikte van de deklaag loopt richting de A-watergang aan de noordkant af naar circa 0,80 m.
!(
A-watergang
Zandbanen_en_Zanddieptekaart_2009_v
Pleistoceen zand 0 - 1,0 m-mv
B-watergang
Verstoord (bebouwd, zand-winning, vergraven)
Pleistoceen zand 1,0 - 2,0 m-mv
C-watergang
Beddingzand onbedijkte rivieren, top tussen 1,5 - 2,0 m-mv
Pleistoceen zand 2,0 - 3,0 m-mv
Kunstwerk
Beddingzand onbedijkte rivieren, top tussen 2,0 - 3,0 m-mv
Pleistoceen zand 3,0 - 4,0 m-mv
Boringen
Beddingzand onbedijkte rivieren, dieper dan 3,0 m-mv
Figuur 2.3
Zandbanenattentiekaart (provincie Gelderland, 2009) met locaties boringen
Diepe bodemopbouw Vanuit REGIS1 is informatie verzameld over de diepere bodemopbouw ter plaatse van boring B04 (zie figuur 2.3). De deklaag bestaat uit een Holocene afzetting van klei met een dikte van één tot circa drie meter (zie ook figuur 2.2). Daaronder is de zandige afzetting uit de Formatie van Kreftenheye (Pleistoceen) aanwezig tot circa NAP +4,3 m. Deze wordt opgevolgd door
1 REGIS: Regionaal Geografisch InformatieSysteem
SWNL0195946 Pagina 9 van 39
Gebiedsbeschrijving
matig tot grof zandige afzettingen uit de Formatie van Beegden tot NAP -23,0 m. Onder de Formatie van Beegden bevindt zich de Formatie van Peize-Waalre tot een diepte van NAP -42 m. In deze afzetting is op NAP -23,4 m tot NAP -29,6 m een sterk zandig tot siltige klei afzetting aanwezig. Vervolgens komt de Formatie van Oosterhout voor tot NAP -84 m bestaande uit matig grof zand. Vanaf NAP -84 m tot circa NAP -139 m is de Formatie van Breda terug te vinden bestaande uit fijn, siltig zand en klei. Deze vormt de hydrologische basis. Bodemschematisatie In de beschrijving van de bodemopbouw is ingegaan op de samenstelling en textuur van de bodem. Door middel van een geohydrologische schematisatie wordt een indruk verkregen van de opbouw en de bijbehorende geohydrologische variabelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in watervoerende en scheidende lagen. De grondwaterstroming in watervoerende lagen is overwegend horizontaal, terwijl in scheidende lagen vooral sprake is van verticale stroming.
SWNL0195946 Pagina 10 van 39
Gebiedsbeschrijving
Door de heterogene samenstelling van de bodem treedt een variatie op in de ruimtelijke verbreiding van de lagen, waardoor de lokale situatie kan verschillen van de regionale. In tabel 2.1 zijn voor het plangebied en de directe omgeving de geologische formaties weergegeven. Uit de tabel blijkt dat de deklaag een hoge weerstand heeft. Regenwater doet er 80 – 240 dagen over om door de deklaag heen te zakken. Hierdoor kan tijdelijk water op maaiveld blijven staan. Tabel 2-1
Overzicht van de geohydrologisch formaties en parameters
Diepte (m +NAP)
Formatie
Geohydrologische eenheid
Weerstand (dagen)
Doorlaatvermogen (m²/dag)
7 tot 6 à 4 6 à 4 tot 0 0 tot -23,0 -23,0 tot -23,4 -23,4 tot -29,5 -29,5 tot -42
Holocene afzettingen Kreftenheye (krz3) Van Beegden (bez2/3) Peize - Waalre (pzwaz3) Peize - Waalre (wak2) Peize - Waalre (pzwaz5/7) Oosterhout (ooz1 / ooz2) Breda (brz1 / brk1)
Deklaag Eerste watervoerend pakket Eerste watervoerend pakket Eerste watervoerend pakket Scheidende laag Twee watervoerend pakket
80 - 240 -
120 650 18
Twee watervoerend pakket
-
580
15.000
2,6
-42 tot -84 -84tot -139
Hydrologische basis1
230 500
1) vanwege de diepte tot waar deze laag voorkomt en de geohydrologische weerstand, wordt gesteld dat de onderliggende formaties niet relevant zijn in het kader van dit onderzoek.
Op basis van bovenstaande informatie is de conclusie dat de deklaag bestaat uit lichte zavel of lichte kleigronden die slecht doorlatend zijn, waardoor infiltratie van regenwater naar de ondergrond slechts beperkt mogelijk is. 2.5 Grondwater In het archief van DINOloket van TNO is gekeken naar een representatieve peilbuis in de directe omgeving van het plangebied. Op circa 850 meter ten zuidwesten van het plangebied staat peilbuis B45F0594 en ten noorden staat op circa 1.200 meter peilbuis B46F0718. Deze peilbuizen hebben de volgende kenmerken, zoals weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2-2 Peilbuis
Peilbuis kenmerken X- coördinaat
Y- coördinaat
Maaiveld (m t.o.v. NAP)
Bovenkant filter (m t.o.v. NAP)
Onderkant filter (m t.o.v. NAP)
B45F0594_1
178.260
423.160
8,60
1,78
0,78
B46A0718_1
180.060
424.230
8,39
1,66
0,66
Deze peilbuizen staan in het eerste watervoerend pakket. Op basis van de meting zijn de gemiddelde grondwaterstand, de gemiddeld laagste (GLG) en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald met het programma Menyanthes. In tabel 2.3 zijn de GLG, de gemiddelde grondwaterstand en GHG opgenomen. Tabel 2-3 Peilbuis B45F0594_1 B46A0718_1
Grondwaterstanden X- coördinaat
Y- coördinaat
Maaiveld (m t.o.v. NAP)
GLG
Gem GWS
GHG
GT
178.260 180.060
423.160 424.230
8,60 8,39
5,20 5,90
5,36 6,22
5,55 6,58
VIII VIII
Figuur 2.4 geeft de meetreeks van peilbuis B45F059400_1 en B46F0718 weer.
SWNL0195946 Pagina 11 van 39
Gebiedsbeschrijving
Stijghoogte peilbuizen 7,5
7,25 7 6,75
6,5
m t.o.v. NAP
6,25
B45F0594 B46A0718
6
GHG GLG B45F0594
5,75
GHG B46A0718 5,5
GLG B46A0718
5,25 5
4,75
26-12-2013
26-12-2012
27-12-2011
27-12-2010
27-12-2009
27-12-2008
28-12-2007
28-12-2006
28-12-2005
28-12-2004
29-12-2003
29-12-2002
29-12-2000
Tijd-stijghoogtelijnen
30-12-1999
30-12-1998
30-12-1997
30-12-1996
31-12-1995
31-12-1994
31-12-1993
31-12-1992
1-1-1992
1-1-1991
1-1-1990
Figuur 2.4
29-12-2001
data
4,5
Tijdens het veldwerk op 24 april 2014 is de grondwaterstand opgenomen. De grondwaterstand in de boringen ten zuiden van de Mulder is aangetroffen op NAP +5,71 m. Naar het noorden zakt de grondwaterstand naar NAP +5,60 m in boring 8. Op basis van de peilbuisgegevens loopt de grondwaterstand in noordelijke richting iets op. Dit blijkt ook uit de isohypsenkaart van provincie Gelderland (http://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). In figuur 2.4 is af te lezen dat het verschil tussen de grondwaterstanden van beide peilbuizen groot is. Vanwege dit verschil en de afstand van deze peilbuizen tot het plangebied is, in overleg met Waterschap Rivierenland, gekozen om de GHG van uit het grondwatermodel MORIA te gebruiken. Dit model is niet opnieuw gekalibreerd voor dit plangebied. In figuur 2.5 is de geïnterpoleerde waarden van de GHG weergegeven.
Figuur 2.5
GHG vanuit MORIA-model Waterschap Rivierenland m -mv
SWNL0195946 Pagina 12 van 39
Gebiedsbeschrijving
Door het verschil in reliëf van het plangebied is ook het verschil in GHG groot. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert in het gebied van NAP +6,40 m op de lage delen in het westen tot circa NAP +7,30 m op de hoge kop (rode vakken figuur 2.5) langs de Huurlingsedam. Richting het oosten loopt de GHG weer iets af naar NAP +7,10 m. De GHG is, naast de hoogteligging van het plangebied, mede bepalend voor de aanlegpeilen van wegen en woningen. De grondwaterstromingsrichting verloopt van oost-noordoost naar west-zuidwest. 2.6 Oppervlaktewater In het plangebied liggen verschillende watergangen die in beheer zijn bij Waterschap Rivierenland. In figuur 2.6 zijn de watergangen binnen het plangebied weergegeven.
CIT92b +5.5m NAP
CIT92d + 5.5m NAP Figuur 2.6 Situering oppervlaktewater (donkerblauw A-, blauw B- en lichtblauw C-watergang) omlijning plangebied fase 2 en 3 is globaal weergegeven. In het figuur liggen een aantal watergangen nog door fase 1. De legger van WSRL is na de ontwikkeling van fase 1 nog niet aangepast en komt niet overeen met de werkelijkheid. De peilscheiding is aangegeven met de zwarte stippellijn.
Het plangebied ligt in afwateringsgebied Citters 1 en peilvak CIT02b met een streefpeil van NAP +5,50 m. Het aansluitend peilvak (CIT92d) heeft eveneens streefpeil van NAP +5,50 m. De waterpeilen worden gereguleerd door een stuw ter hoogte van de Ruffelseweg / Nieuwe Lagestraat met een streefpeil van NAP +5,50 m. Aan de zuidkant van het plangebied ligt een brede waterpartij die onderdeel uit maakt van het Wijchens Meer. Deze waterpartij is bij de ontwikkeling van fase 1 vergroot met 2,5 ha. Hierin zit op basis van het verhard oppervlak van fase 1 (10,9 ha) een overcapaciteit van circa 9.150 m 2 waterberging voor fase 2 en 3. De A-watergangen (donkerblauw) aan de noordkant van het plangebied heeft volgens de Legger een bodembreedte van 1,20 m. Het profiel van deze watergang is in 2014 ingemeten (zie ook bijlage 4 Dwarsprofielen nieuwe situatie). De ingemeten bodembreedte komt nagenoeg overeen met de Legger. De A-watergang ligt gedeeltelijk in het zand en gedeeltelijk in de klei. De B-watergangen liggen grotendeels in gebieden met een dun kleidek. Deze watergangen doorsnijden het kleipakket op een aantal plaatsen (zie figuur 2.3 en bijlage 2).
SWNL0195946 Pagina 13 van 39
Gebiedsbeschrijving
Aan de westkant liggen de watergangen grotendeels op locaties waar de deklaag >3,0 m klei is. Op basis van de zandbanenkaart en de geohydrologische boringen (bijlage 2) doorsnijden de watergangen het kleipakket hier niet. Het verlengde Wijchens Meer aan de zuidkant ligt in een zandbaan en is bij aanleg voorzien van een kleilaag ter voorkoming van wegzijging. Bij het vergraven van de watergangen bestaat het risico dat de kleilaag doorsneden wordt. Bij de nadere uitwerking is dit een aandachtspunt. De bodem van de watergangen lopen in noordoostelijke richting op tot boven het streefpeil van +5,50 m NAP. Hierdoor kunnen tijdens droge perioden de watergangen droog vallen. Het inlaten van water is hier niet mogelijk. 2.7 HEN-SED-vlakken Binnen het plangebied liggen verschillende watergangen die of vervallen of aangepast dienen te worden. De watergangen in het plangebied liggen voor een groot deel in een gebied dat is aangeduid als SED-vlak (zie figuur 2.7). Alle leggerwatergangen (A-watergangen) binnen het plangebied hebben een SED status. Hierover is afstemming nodig tussen de provincie, het waterschap en de projectontwikkelaar. Een SED-water is water met een specifiek ecologische doelstelling. De provincie wil de natuurwaarden van deze wateren herstellen en beschermen. In het kader van dit plan is per mail contact geweest met provincie Gelderland op 20 mei 2014.
In reactie heeft de provincie laten weten dat het vergraven van watergangen afgestemd moet worden met de ecoloog van het waterschap en dat de ecologische doelstelling die voor de betreffende watergang geldt versterkt moet worden. Op 17 oktober 2014 is per mail aan het waterschap gevraagd of bij het wijziging van de noordelijk gelegen A-watergang de standaard waterdiepte van een A-watergangen aangehouden moet worden. Daarop is telefonisch antwoord gegeven in de week van 20 oktober 2014. Verdiepen van de watergang is niet wenselijk, maar het veranderen van de watergang kan, mits de breedte op waterlijn bij lage afvoeren niet groter wordt. Op grond van de SED-status wordt de watergang in een ecologisch profiel bracht. Daarmee wordt voldaan aan het ‘stand stil – step forward’ principe van het provinciaal waterhuishoudingsplan.
Figuur 2.7
SED-vlak (oranje) in plangebied
SWNL0195946 Pagina 14 van 39
Gebiedsbeschrijving
2.8 Huidige bebouwing / inrichting Het plangebied sluit aan de zuidkant aan op de bestaande bebouwing langs de Huurlingsedam en op de nieuwe wijk (fase 1 circa 440 woningen) die vanaf april 2009 in ontwikkeling is genomen. Aan de noordkant staan de eerstvolgende woningen langs de Oosterweg. In fase 1 is het principe aangehouden van bovengrondse afvoer van regenwater. Er liggen molgoten in de wegen waarop de kavels en openbare verhardingen afwateren. Deze goten komen uit op wadi’s of bermpassages. Deze wadi’s en bermpassages lozen het water uiteindelijk op de noordelijke watergang die aansluit op het verlengde Wijchens Meer. In de weg Huurlingsedam ligt een IT-riool waarop de woningen die langs de weg staan zijn aangesloten.
SWNL0195946 Pagina 15 van 39
3
Ontwerpgrondslagen
3.1 Doelen en maatstaven In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten met bijbehorende doelen en maatstaven weergegeven. Deze zijn gebaseerd op de (geohydrologische) verkenning van de huidige situatie en het vigerende beleid van Waterschap Rivierenland en Gemeente Wijchen. Dit hoofdstuk is het resultaat van de afstemming tussen gemeente en waterschap over de te hanteren waterhuishoudkundige doelen en maatstaven (criteria). Dit betekent dat bij het opstellen van het stedenbouwkundig ontwerp en het bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de betreffende aspecten en criteria. Het waterschap beoordeelt (toetst) de waterparagraaf van het bestemmingsplan hierop. Hierdoor wordt helderheid verschaft over de inbreng en reikwijdte van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en het stedenbouwkundig ontwerp. Conform het beleid van gemeente Wijchen is gekozen voor het zichtbaar (aan het oppervlak) afvoeren van regenwater van kavels en openbaar gebied naar wadi’s binnen het plangebied. De hiervoor geldende eisen en randvoorwaarden zijn, naast eisen van het waterschap, opgenomen in dit hoofdstuk. De doelen en maatstaven van de relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn in tabel 3.1 uitgewerkt. Tabel 3.1
Relevantie waterhuishoudkundige aspecten
Thema Water en ruimtelijke functies
Doelen
Functionele eisen
Maatstaven
Integrale afstem Water is mede ordenend prinming tussen ruimcipe in ruimtelijke ontwikkeling telijke functies en watersysteem (waterproof)
Ca. 20% van te ontwikkelen plangebied heeft waterhuishoudkundige functie Afmeting A-watergang talud ≤ 1:2; bodembreedte ≥ 0,70 m en bodempeil ≥ 1,00 m onder zomerpeil; afmeting B-watergang talud ≤ 1:2, bodembreedte ≥ 0,50 m en bodempeil ≥ 0,50 m onder zomerpeil Afmeting openbare vrijverval riolering 250 mm ≤ diameter ≤ 1.500 mm
(Ruimteclaim van) waterhuishoudkundige en riooltechnische voorzieningen is ingepast in (ruimtelijk) plan.
Ruimteclaim op basis van (geo)hydrologische en hydraulische berekeningen Waterhuishoudkundige en riooltechnische voorzieningen zijn altijd vanaf de openbare ruimte bereikbaar Keurzone A-watergang 4,00 m vanaf boveninsteek (tweezijdig) en B-watergang 1,50 m vanaf boveninsteek (tweezijdig) een en ander overeenkomstig legger Obstakelvrije zone ≥ 4,00 m boven openbare vrijverval riolering en ≥ 1,00 m boven openbare druk- of vacuümriolering
SWNL0195946 Pagina 16 van 39
Ontwerpgrondslagen
Thema
Doelen
Functionele eisen
Maatstaven
Beschermen en Ontwikkeling mag in natte land Verlaging (permanent) gemiddelde herstellen van wanatuur en in beschermingszone grondwaterstand is niet toegestaan terhuishoudkundige natte landnatuur geen nadelige Vermindering van grondwaterstroomstandigheden invloed uitoefenen op kwaliteit en ming is niet toegestaan voor (verdroogde) kwantiteit van grond- en oppernatte landnatuur vlaktewater Versterken belevingswaarde van water
Zichtbaar en herkenbaar maken van waterhuishoudkundige elementen
Afgekoppeld hemelwater bij voorkeur afvoeren via het wegprofiel
Aanleg van natuurvriendelijke oe- Oeverbreedte ≥ 10,00 m en taludvers langs oppervlaktewater helling variabel Water en veiligheid
Waterkwantiteit
Voorkomen van lichamelijke en materiële schade als gevolg van grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater
Waarborgen van voldoende aanbod bij schaarste en voldoende afvoer bij overschot
Voldoende ontwatering en droog- Ontwateringsdiepte legging o (GHG) ≥ 1,00 m onder vloerpeil begane grond; o ≥ 0,70 m beneden straatpeil; o ≥ 0,50 m beneden groenvoorzieningen Drooglegging o > 1,10 m t.o.v. zomerpeil o ≥ 0,70 m bij bui T=10+10% (Buishand-Velds); o ≥ 0,00 m bij bui T=100+10% (Buishand-Velds) Voldoende capaciteit (afvoer en berging) rioolstelsel
Geen ‘water op straat’ bij bui T=2 (bui 08 Leidraad Riolering)
Voldoende veilige oevers in stedelijk gebied
Toepassen ‘zachte’ oevers (géén constructie) met talud ≤ 1:3 en onderwaterbanket van 1,00 m breedte op 0,50 m diepte
Vasthouden van hemelwater op locatie waar het valt
Infiltreren hemelwater indien doorlatendheid bodem ≥ 0,50 m per dag Aanlegpeil bodem infiltratievoorziening ≥ 0,50 m boven GHG Ledigingstijd infiltratievoorziening ≤ 24 uur Dimensionering infiltratievoorziening op basis van bui T=5+10% (Buishand-Velds) Afvoer naar buurpercelen of riolering is niet toegestaan (afkoppelen / niet aankoppelen)
(vasthouden – bergen – afvoeren)
Bergen van hemelwater in gebied Als doorlatendheid bodem ≤ 0,50 m per dag Peilstijging oppervlaktewater ≤ 0,30 m bij bui T=10+10% (BuishandVelds) en ≤ maaiveld bij bui T=100+10% (Buishand-Velds) Afvoeren van hemelwater buiten gebied (via oppervlaktewater of vrijverval riolering)
Als doorlatendheid bodem ≤ 0,50 m per dag Afvoer naar A-watergang ≤ 1,50 l/s per ha bruto gebied Afvoer naar openbare vrijverval riolering ≤ 110 l/s per ha aangesloten verhard oppervlak (bui 08 Leidraad riolering) Aangesloten verhard oppervlak per woning ≤ 150 m2
SWNL0195946 Pagina 17 van 39
Ontwerpgrondslagen
Thema
Waterkwaliteit
Doelen
Voorkomen van verontreiniging van grond- en oppervlaktewater en waterbodem
Functionele eisen
Maatstaven
Rekening houden met gevolgen voor grond- en oppervlaktewater van ruimtelijke ontwikkeling(en)
Permanente wijziging (verlaging of verhoging) van gemiddeld peil grond- en oppervlaktewater is niet toegestaan Tijdelijke wijziging (verlaging) van gemiddeld peil grondwater alleen toegestaan voor bronnering, zij het onder voorwaarden Lozing bronnering- of drainagewater op (openbare) riolering is niet toegestaan
Schoonhouden grond- en oppervlaktewater en waterbodem
Verontreinigd hemelwater mag niet (rechtstreeks) in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd Bijzondere aandacht voor schadelijke activiteiten (grondgebruik) en infiltratie van water in grondwaterbeschermingsgebieden, waterwingebied (25 jaar zone) en grondwaterbeschermingsgebied (100 jaar zone)
Voldoende doorstroming en waterdiepte in oppervlaktewater
Stroomsnelheid ≥ 0,05 m/s en waterstand A-watergang ≥ 1,00 m en B-watergang ≥ 0,50 m
Toepassing duurzame niet -uitlogende bouwmaterialen
Toepassen Dubo-materialen; materialen zoals lood, koper, zink en zacht pvc zijn niet toegestaan
Scheiden
Bij nieuwbouw of herinrichting géén afvoer van (schoon) hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie Vuilemissie rioolsysteem minimaal gelijkwaardig aan verbeterd gescheiden stelsel
Schoonmaken
Afvalwater afvoeren naar rioolwaterzuiveringsinstallatie (via riolering) of naar IBA Licht verontreinigd hemelwater mag alleen in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd via wadi (filter)