CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 rapport STAB

Raad openbaar Wijchen 16 december 2025, gemeente wijchenBij agendapunt: 89565 Beslisnota Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Balgoij-West12.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raad vanstate=

Afdeling hestuursrechtspraak=

Pagina 1 van

GEMEENTE WiJCHEN INGEKOMEN

Nr.=

22 JULO25 AÍd.

Kopever(ç1 aan:

Raad van de gemeente Wijchen Postbus 9000 6600 HA WIJCHEN

l )Ltu lti

21 juli 2025

)ii iiiitntiiut= 202404720/1 /R4

1Jv kennierk

l iili= Iitii iz_n

Onderwerp

5.1.2e

Wijchen Bestemmingsplan Balgoij-West (CHW)

5.1.2e

lruihii

Beroep

Geachte heer/mevrouw, ln de bovengenoemde procedure is een deskundigenversiag uitgebracht aan de Afdeling. Dat treft u hierbij aan. U kunt uw zienswijze op het verslag schrifteiijk naar voren brengen. U hebt hiervoor de gelegenheid tot en met 18 augustus 2025. Privacy

De Afdeling stuurt de stukken die u stuurt, door aan de andere partijen. Houdt u daar rekening mee ais u stukken met privacygevoelige informatie stuurt. Voor meer informatie gaat u naar www.raadvanstate.nl/privacyverklaring. Aangezien dit bericht geautomatiseerd is aangemaakt, is dit niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier

434i759(Ac)=

Postbus 20019 - 2500 EA Den Haag -T 070 426 44 26 - F 070 365 13 80 - www.raadvanstate.nl Bij correspondentie de datum en het nunimer van deze brief vermelden

-= .. .= .

STAB

... GERECHTELDkE OMGEVINGSDESKUNDIGEN Raad van State Afdeflng bestuursrechtspraak Postbus 20019 2500 EA Den Haag

Uw kenmerk=

Uw brief=

Kenmerk=

Datum

202404720/1/R4=

15apr112025=

STAB-42069=

18ju112025

Onderwerp Bestemmingsplan Balgoij-West te Wijchen

ln antwoord op uw brief van 15 april 2025 ontvangt u hierbij het gevraagde verslag. lk verzoek u mij te zijner tijd op de hoogte te stellen van de uitspraak in dit geschil. De directeur, 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

Contactpersoon:=

5.1.2e

Telefoonnummer:=

5.1.2e

Mobiele tel.nr:

5.1.2e

E-mailadres:=

5.1.2e

T= 31 70 315 01 50= E nfoOstab.n)= W sab.nl

Bezuidenhouseweg 60= 2594AW Den Haag=

@stab.nl

Postbus 95928= 2509CX Den Haag=

)BAN NL33 INCB 0005 0080 21 lCvk Oen Haag4115987i

.-= ,

• U•

STAB

••• GERECHTELIJKE OMEV1NCSDESKUNDICEN

Verslag ex artikel 8:47 Algemene wet bestuursrecht Opdrachtgever Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak Kenmerk opdrachtgever 202404720/ 114 Datum opdracht 15 april 2025 Onderwerp Bestem mingsplan Ba lgoij-West te Wijchen

Kenmerk STAB STAB-42069 Datum l8juli 2025 Opsteller(s) 5.1.2e

Toetser ir. 5.1.2e Waarschuwing !n ditrapport van STAB kunnen persoonsgegevens voorkomen. Persoonsgegevens moeten worden beschermd tegen onrechtmotige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Hetzonder noodzaak publiceren ofde/en met derden von dit ropport is een onrech tmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie persoonsgegevens irì dit ropport (kunnen) staan.

T 5.1.2e 50= E inroestab.nl= W stab.nl

=

5.1.2e

25

AW Den Haag=

5.1.2e

Postbus95928= 5.1.2e Den Haag=

ISAN N133 l 5.1.2e ltvl Den Haag41159871

lnhoud

1=

Samenvatting

3

lnleiding

5

1.1=

Bestreden besluit

5

1.2=

Partijen

5

1.3=

Onderzoeksopdracht

5

1.4=

Hetplan

6

1.5=

Geschilpu nten/beroepsgronden

7

1.6=

Onderzoeksmethode en werkwijze

8

1.7=

Leeswijzer

9

2=

Feitelijke situatie

10

2.1=

Situering van het plangebied

10

2.2=

Waterhuishouding plangebied en omgeving

11

3=

Planologie

16

3.1=

Voorgaande plannen

16

3.2=

Voorliggende planregime

18

3.2.1=

Planregels

18

3.2.2=

Toelichting

20

4=

Waterhuishoudkundige inrichting

23

4.1=

Bergingsberekening in hetwaterhuishoudingsplan

24

4.1.1=

Compensatieverplichting waterschap

25

4.1.2=

Bergingsberekening

26

4.1.3=

Beoordeling STAB

27

4.2=

Kwelberekening

30

4.2.1=

Geohydrologisch onderzoek Stantec

30

4.2.2=

Contra-expertise appellanten

33

4.2.3=

Reactie Stantec op contra-expertise

33

4.2.4=

Bevindingen STAB

34

4.3=

Vuilwaterriolering

38

4.3.1=

Standpunten partijen

38

4.3.2=

Bevindingen STAB

38

STAB-42069 l l8juli 2025 l 1

••

5=

Gevolgen van het plan voor appellanten=

41

5.1=

Gevolgen voor 5.1.2e

41

5.2=

Gevolgen voor

5.3=

Gevolgen voor 5.1.2e Bijlagen=

5.1.2e

en 5.1.2e

- 5.1.2e en 5.1.2e =

=

=

43 46 50

STAB-42069 l 18 juli 2025 2

• U•

Samenvatting De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad varì State heeft STAB gevraagd om een verslag uit te brengen in het kader van de beroepen van appellanten 5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e en 5.1.2e

tegen de vaststelling van het bestemmingsplan Balgoij-West te

Balgoij (gemeente Wijchen). Het bestemmingsplan maakt in het gebied de realisatie van 37 woningen en aanverwante voorzieningen mogelijk. Appellanten komen, kort gezegd, in beroep tegen de vaststelling van het plan omdat zij vrezen voorverslechtering van de waterhuishoudkundige situatie op hun percelen. Appellanten stellen aan de hand van een contra-expertise van Landslide dat de onderzoeken van Stantec B.V. die ten grondslag liggen aan het plan tekortkomingen bevatten. De Afdeling heeft STAB gevraagd om de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding te onderzoeken en daarbij de tot dusver uitgebrachte rapporten te betrekken. ln het kader van de onderzoeksopdracht heeft STAB onderzocht of uit de uitgebrachte rapporten blijktdatdewaterhuishoudkundige inrichting in het plan volstaatom negatieve waterhuishoudkundige gevolgen te voorkomen. Gelet op de beroepsgronden van appellanten heeft STAB dit gedaan aan de hand van drie themas: waterberging, kwelverandering en riolering. Waterberging ln het voorliggende verslag concludeert STAB dat de hoeveelheid waterberging die met de aanleg van drie wadi-systemen in het plangebied gerealiseerd wordt niet volstaat om aan de waterbergingsopgave te voldoen. ln het waterhuishoudingsplan is voorbijgegaan aan de ai bestaande waterbergingsopgave in de noordelijke tertiaire watergang.

Kwelverandering Verder stelt STAB vast dat in het geohydrologisch onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan wat betreft de mogelijkheid om in tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergrondse bouwwerken aan te brengen tot een diepte van 5 m. De gevolgen van de maximale invulling van het plan op de kwelstromen is daarom meer omvattend en complex dan in het geohydrologisch onderzoek als uitgangspunt is genomen. Dit betekent dat de kwalitatieve beoordeling van de gevolgen voor de kwefflux op grond van een berekening met de formule van Mazure en aan de hand van geëxtrapoleerde

STAB-42069 l 18ju11 2025 3

gegevens niet volstaat in het licht van de Richtlijn toetsing kwel en wegzijging van het waterschap Rivierenland. De kritiek van Landslide op het onderzoek van 5tantec is daarom terecht in de zin dat de gegevens die gebruikt zijn in de kwelstudie onvoldoende betrouwbaar en/of locatiespecifiek zijn, dat onvoldoende rekenschap gegeven is van bijzonderheden in de ondergrond en dat er onvoldoende inzicht is in de relatie tussen het Maaspeil en de grondwaterstanden in het plangebied om de effecten van de maximale invulling van het plan te kunnen toetsen. Vuilwaterriolering Ten aanzien van de riolering constateert STAB dat de hoeveelheid afvalwater uit het plangebied niet beperkend is voor het functioneren van het bestaande rioleringssysteem in de kern Balgoij. Gevolgen voor appellanten Ten slotte heeft STAB aan de hand van de eerdere bevindingen, de gevolgen voor appellanten beoordeeld. Voor appelanten 5.1.2e

betekent het voorliggende plan dat de afwatering van hun

gronden wordt belemmerd, dat het waterbezwaar op hun percelen toeneemt en dat door het tekort aan bergingscapaciteit in de noordelijke (tertiaire) watergang niet meer wordt voldaan aan de wateroverlastnorm. Ookappellanten Molzullen meerwateroverlastop hun perceel ondervinden omdatde afwatering van de weg de Maasakkers via de tertiaire watergang verslechtert. Voor het beoordelen van de gevolgen van het plan voor appellanten 5.1.2e

en 5.1.2e

geeft het geohydrologisch onderzoek onvoldoende inzicht in de mogelijke effecten van het voorliggende plan voor de kwelsituatie in en nabij het plangebied, omdat geen locatiespecifieke gegevens voorhanden zijn en het inzicht in de relatie tussen het Maaspeil en de grondwaterstanden in en nabij het plangebied onvoldoende is. STAB heeft deze gevolgen niet kunnen beoordelen.

STAB-42069 l l8juli 2025 4

1=

Inleiding

1.1= Bestreden besluit Het besiuit van de gemeenteraad van de gemeenteWijchen van 20jun1 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan Balgoij-West. Het plan voorziet in de oprichting van maximaal 37 woningen aan de westzijde van de kern Balgoij op gronden die voorheen een agrarische bestemming hadden.

1.2= Partijen Appellanten •

5.1.2e

aan •

en

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

(hierna te noemen: appellanten 5.1.2e

5.1.2e5.1.2e

5.1.2e

), wonende

te Balgoij;

5.1.2e

en 5.1.2e

wonende aan de 5.1.2e

te Balgoij.

(hierna te noemen: appellanten 5.1.2e ),

Beiden vertegenwoordigd door mr. G.R.R. Knarren van ARAG SE Nederland. • •

5.1.2e

(hierna te noemen: appellant 5.1.2e

5.1.2e

te Balgoij;

5.1.2e 5.1.2e

(hierna te noemen: appellante 5.1.2e

), wonende aan de ), wonende aan de 5.1.2e

te Balgoij.

Beiden vertegenwoordigd door 5.1.2e

5.1.2e

& 5.1.2e

Advocaten.

Verweerder De raad van de gemeente Wijchen, vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen van Hekkelman advocaten en notarissen te Nijmegen. Derde belanghebbende Qubus Vastgoed/Qubus vastgoedontwikkeling B.V., te Uden.

1.3= Onderzoeksopdracht Bij briefvan 15 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State STAB benoemd als deskundige in deze procedure. De Afdeling verzoekt STAB een onderzoek in te stellen en de bevindingen kenbaar te maken in een schriftelijk verslag. De onderzoeksopdracht luidt als volgt:

STAB-42069 18 juli 2025 5

Watzijn de gevoigen van het plan voor de waterhuishouding? Betrek daarbij de tot dusver uitgebrachte rapporten Voor het uitbrengen van het verslag is de termijn gesteld op l7juli 2025.

1.4= Hetplan Het plan biedt de planologische regelgeving voor de oprichting van 37 woningen en het treffen van maatregelen voor de opvang van hemeiwater en het voorkomen van grondwateroverlast. Het plan kent de bestemmingen Wonen, Verkeer, Groen en Agrarisch met Waarden-1 . De beoogde waterhuishouding sluit aan op de bestaande watergangen in het plangebied, en betreftzowel de bestemmingen Wonen, Groen als Verkeer. Appellanten zijn omwonenden en wonen allen op korte afstand van het plangebied (zie afbeelding 1).

STAB-42069 l 18ju112025 16

L1

• U

5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e5.1.2e

Afbee!ding 1: Situering appe/Ianten ten opzichte van hetbestemmingsplangebied (bron: QGis, bewerking STAB).

1.5=

Geschilpunten/beroepsgronden

Standpunten appellanten Appellanten 5.1.2e

en 5.1.2e

betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft

gedaan naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding bij hun woningen en tuinen. Zij vrezen dat de nieuwbouw problemen zal veroorzaken bij onder meer de opslag van hemelwater en de verwerking van afvalwater in de riolering. Zij wijzen in dat verband op de in hun opdracht opgestelde contra-expertise. Appellanten 5.1.2e

sluiten zich hierbij aan.

STAB-42069

18 juli 2025 l 7

Standpunt verweerder Verweerder bestrijdt dat de gevolgen voor de waterhuishouding niet goed zijn onderzocht en verwijst onder meer naar een notitie van Stantec B.V. van 1 7 maart 2025 naar aanleiding van de contra-expertise.

Onderzoeksmethode en werkwijze

1.6

Gevolgde werkwijze Het onderzoek is gebaseerd op het procesdossier, de door partijen aangereikte nadere documenten, nadere informatie in antwoord op vragen van STAB gedurende het onderzoek, openbare bronnen alsmede vakinhoudelijke kennis van STAB-adviseurs. Bij het onderzoek is de STAB-gedragscode in acht genomen. Het ontwerpbestemmingsplan is op 1 9 oktober 2023 ter ¡nzage geiegd. STAB gaat in dit verslag, gelet op het overgangsrecht voor lopende procedures, uit van het wettelijk kader zoals dat gold tot 1 januari 2024, dus voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. STAB heeft het ruimtelijk kader dat in dit verslag aan de orde is, geraadpleegd via regelsopdekaart.nl. Voor het onderzoek heeft 5.1.2e , en

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e 5.1.2e

( 5.1.2e ),

en

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

,

(allen werkzaam bij de gemeente Wijchen) in aanwezigheid van

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

op 22 mei 2025 gesproken met 5.1.2e

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

(Qubus vastgoed ontwikkeling B.V.), 5.1.2e

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

(beiden 5.1.2e

). Verweerder, initiatiefnemer en zijn adviseur hebben in

dit gesprek het plan en de onderzoeken toegelicht. Op 23 mei 2025 hebben adviseurs

5.1.2e 5.1.2e

gesproken met

,

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

en 5.1.2e

5.1.2e

5.1.2e

(telefonisch),

( 5.1.2e

en

5.1.2e

5.1.2e5.1.2e

5.1.2e5.1.2e

het plangebied bezocht en

5.1.2e5.1.2e

5.1.2e

en 5.1.2e

5.1.2e

. Ook hebben zij gesproken met

(Landslide) en hun vertegenwoordiger

en 5.1.2e ). Appellanten hebben in deze gesprekken hun

bezwaren toegelicht. Op 2 juli 2025 heeft

5.1.2e 5.1.2e

5.1.2e

telefonisch gesproken met

5.1.2e5.1.2e

5.1.2e

van het waterschap

Rivierenland. ln dit gesprek heeft het waterschap de beleidsregel inzake het afvoeren van hemelwater vanaf (nieuw) oppervlak, de Richtlijn toetsing kwel en inzijging en de betrokkenheid van het waterschap bij het voorliggende plan toegelicht.

STAB-42069 l 18ju112025 8

Uitwerking onderzoeksvraag Het onderzoek van STAB is gericht op de inhoud van de ingebrachte rapporten in samenhang met de beroepsgronden. Voor de beantwoording van de onderzoeksvraag zijn in het deskundigenverslag de aangevoerde beroepsgronden en bijbehorende argumenten samengevat beschreven, evenals de reactie van verweerder op die beroepsgronden. De beschrijving van de feitelijke situatie is gericht op de aspecten die volgens STAB van belang zijn voorde behandeling van de beroepsgronden en de beantwoording van de onderzoeksvraag. Gedurende het onderzoek heeft STAB aanvullende stukken ontvangen. Deze stukken zijn opgenomen in de bijlagen STAB-7, STAB-8 en STAB-9 bij dit verslag.

1.7= Leeswijzer ln het volgende hoofdstuk wordt een beschrijving geven van de situering en algemene kenmerken van het gebied. ln hoofdstuk 3 is de oude en de nieuwe planologie beschreven. ln hoofdstuk 4 gaat STAB in op de bezwaren van appellanten met betrekking tot de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de waterhuishoudkundige inrichting in het plan. Ten slotte beschrijft STAB in hoofdstuk 5 de gevolgen van het plan voor appellanten.

STAB-42069 18 juli 2025 l 9

3

•

m

2=

Feitelijke situatie

2.1=

Situering van het plangebied

Het plangebied van het bestemmingsplan Balgoij-West ligt ten zuidwesten van het dorp Baigoij. Het grenst in het oosten aan woonwijk Den Bogerd1 dat omstreeks 2004 is gerealiseerd (zie afbeelding 2). Aan de noordoostkantvan het plangebied aan de Maasakkers bevindt zich een rij woningen die in de periode 201 7 tot 2021 ziin gebouwd. Noordwestelijk van het plangebied Iigt oudere bebouwing van begin 20@ eeuw aan de Hoeveweg. De minimale afstand tot de rivier de Maas bedraagt ongeveer 360 m.

Lint Hoeveweg, bouwjaar begin 20 eeuw

-. \=

-,/,

Maasakkers. bouwjar 2017-2021

Den Bogerd, bouwjaar +f- 2004

v

\

Maas=

/

,

.

.-.--

Afbee!ding 2: Situering plangebied bestemmingsplan Balgoij-West (bron: QGis).

Het plangebied omvat de kadastrale perce!en 710, en een gedeelte van de percelen 709, 706 en 243 (zie afbeelding 3). De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 38.637 m2. Percelen 709 en 710 ziin in gebruik voor akkerbouw. Sinds 2022 is er op deze percelen aardappelen, uien en bieten geteeld. Perceel 243 is in gebruik als grasland (bron: Boerenbunder.nl, zie bijlage STAB-3, actueel landgebruik).

ln de plantoelichting soms ook aangeduid als Den Boogerd.

STAB-42069 l l8juli 2025

10

.u. 2.2=

Waterhuishouding plangebied en omgeving

Het gedeelte van perceel 706 dat in het plangebied ligt is in gebruik als een watergang. Deze watergang is op de legger van het waterschap Rivierenland opgenomen ais tertiair water (zie tekstkader). Deze watergang is van belang voor het bergen en afvoeren van het hemelwater dat afstroomt van het woongebied ten noorden van de Maasakkers (zie afbeelding 3).

Afbeelding 3: Plangebieä (oranje) geprojecteerd op de kodastrale kaart (bron: ArcGis Pro)

ln het plangebied op de grens met de woonwijk Den Bogerd ligt een watergang die op de legger van het waterschap is opgenomen als secundaire watergang (zie ook kader Legger Wateren).2 Deze watergang heeft een belangrijke afwaterende functie in zuidwestelijk richting, om aan te sluiten op het primaire systeem langs de Maasbanddijk dat parallel aan de Maas in noordwestelijke richting afvoert en uiteindelijk wordt uitgemalen op de Maas bij de Loonse Waard (zie ook afbeelding 4).

2=

ln de piantoelichting en de bijlagen wordt deze watergang aangeduid als B-watergang.

STAB-42069 I l8juli 2025 11

.u. Legger Wateren Waterschap Rivierenland legt essentiëie informatie over wateren vast in de Legger wateren. Hierin is aangegeven hoe de ligging, vorrn, afmetirig en constructie van wateren, zoals bijvoorbeeld weteringen, grote en kleine sloten moet zijri. Dit is de normatieve toestand. ln de legger staat ook wie weik water moet onderhouden. ln de toelichting op de legger wateren staat hoe de legger is opgebouwd.

De te beheren wateren worden verdeeld in: •

Primaire wateren of A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarorn door het waterschap onderhouden.

•

Secundaire wateren of B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de

•

Tertiaire wateren of C-wateren: wateren die vari tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor

aangrenzende eigenaren te worden onderhouden.

geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. (bron: Waterschap Rivierenland, https.//www.waterschaprivierenland.nl/!egger-wateren)

Peilbeheer Wat betreft het peilbeheer van het opperviaktewater tigt het plangebied in het peiigebied C1T006. Voor het oppervlaktewater in dit gebied heeft het waterschap een streefpeil van NAP +5,3 m vastgesteld (zie bijlage STAB-4, streefpeilenkaart).3 Bij dit streefpeil staan de tertiaire en secundaire watergang in het plangebied droog.

Het vaststelten van een streefpeil betreft niet een peilbesluit in de zin van voorheen artikel 5.2 Waterwet, of artikel 2.41 Omgevingswet. Het gebied is niet aangewezen in de omgevingsverordening (voorheen de provinciale verordening) als gebied waarvoor een peilbesluit moet worden vastgesteld. Het streefpei) van NAP +5,3 m geldt ter hoogte van het gemaal bij de Loonse Waard. Omdat het plangebied ver bovenstrooms in het peilgebied, maar wel direct voor het gemaal ligt, zal met het verhang in het systeem het waterpeil in de secundaire watergang in het plangebied voor zover het watervoerend is. hoger zijn dan het streefpeil van NAP+5,3m.

STAB-42069 l 18ju1i2025 12

,

u..

Afbeelding 4: Ligging plongebied (oranje) ten opzichte van het watersysteem, zoals opgenomen op de legger van het waterschap Rivierenland. Primaire watergangen (donkerbiauw), secundaire watergangen(ìichtblauw) en tertiaire watergangen (wit). De pijlen geven de stroomrichting aan. (bron: waterschap Rivierenland, bewerking ArcGIS Pro).

Hoogteligging Het maaiveld in het plangebied varieert van NAP +7,00 m in het zuidoosten van het plangebied tot NAP + 7,90 in het noordwesten van het plangebied (zie afbeelding 5). Uit de klimaatatlas van waterschap Rivierenland maakt STAB op dat voor de lage gedeelten van het plangebied de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tot ongeveer 20 cm -mv (beneden maaiveld) stijgt.4

https:J/www.waterschaprivierenland.nl/klimaatatlas

STAB-42069 l l8juli 2025 13

• U• á .ð Hoogtetggrng M • NAP

Vilue

:

•

•09• 11

• •

712-713

•

714-716

•

17-718

•

19-21

•

-23

•

724-726

•

727

•

3.

2

732-734

• •

35 37. 39

4 - 741 42-7. 45=

.

A2- .t

• 5-752 53= 54 55= ,S 58= ,6 61 7,6 53 765 66 76 68 •

771-72

•

3

•_s

•

6

B

•

797.8

•

8• ,= 7.B•a•785

• ••,

•2!

Afbee!ding 5: Hoogte!igging plangebied (zwart om!ijnd) (bron:Actuee! hoogtebestandNeder!and, bewerking ArcGlS Pro).

Kwelinvloed Ten slotte merkt STAB op dat het plangebied binnen de invloedsfeer van de Maas ligt. Uit de kwelkaart zoals opgenomen in de klimaatatlas van waterschap Rivierenland blijkt dat fluctuaties in het rivierpeil doorwerken op de grondwaterstanden binnendijks (zie afbeelding 6).

STAB-42069 l l8juli 2025 14

.

Afbeelding 6: Kwelinvloed hoge rivierstand (met een gemiddelde herhalingst(jd van lojaar), rood omlijnd plangebieden directe omgeving (bron: klimaatatlas waterschap Rivierenland, bewerking STAB).

Appellanten wonen, zoals gezegd, in de directe orngeving van het plangebied (zie afbeelding 1). Voor een beschrijving van de feitelijke (waterhuishoudkundige) situatie op hun gronden verwijs ik naar hoofdstuk 5 en de fotobijlage STAB-2.

STAB-42069 I l8juli 2025 15

Planologie

3=

Het voorliggende plan brengt een verandering van het planologische regime met zich mee. ln de volgende paragrafen beschrijft STAB de voorgaande planologie en de nieuwe planoiogie voor zover van belang voor de behandeling van de beroepen.

3.1= Voorgaande plannen Voor het plangebied wordt het voorgaande planologisch regime gevormd door de bestemmingsplannen Buitengebied Wijchen, vastgesteld op 31 januari 2013, Buitengebied herziening 2014 en Hoeveweg 13 Balgoij, beiden vastgesteld op 16 oktober 2014. Enkelbsst.mnsing

E

geisc1r

[jjj] Agrarisch rnet waarden

,ð=

Bedrijf

[11 Bed: Bos

•

Centrunr

,ð=

•

E

Cuhuu, eo or,tspanrrir,g Detaiihar,dei

,/=

Dieostverlenrng

,ð=

Genrengd Groen

s=

s •

Horeca

,I=

Kantoor

s=

Maatschappelijl<

s•

Natuor

s= ,ð

s ,ð=

•

R.ecreatie

E

ì i-

port Tuin Water

1 Wonen

s L_J Woorsgeb,ed sð=

Verkeer

s=

CNeng

ð E7 anders

Afbeelding 7: Uitsnede van hetbestemmingsplan Buitengebied Wijchen, met aanduiding van het plangebied Balgoij-West (bol!etjescontour) (bron: Regels op de kaart, bewerkt in QGis).

I

STAB-42069 l l8juli 2025 16

••

Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen hadden de gronden onder het voorgaande planologisch regime de bestemming Agrarisch met waarden-1 (zie afbeelding 7). Deze gronden waren onder meer bestemd voor bedrijfsmatig dan wel hobbymatig agrarisch grondgebruik en de uitoefening van het agrarisch bedrijf (zie artikel 4 van de planregels). rI=

Bnl.elbeten,nsing Aransch

rI= .ð=

Agra,,sch rret waarden

.ð • rI= rI •

Bedr,11 Bedrj.rterrerr Bos

s/=

Centnarr

rI •

Cultoar en ontspare.ing

rI=

rI= jjjj]

rI

• rI •

rI=

Deta,lhar,del Drrstoe.ion.ng Gernersgd Groen Ho,oca Kantoor

rI []Maatschappel.ik

.ð •

Natoor

rI •

Sport

rI= rI

Water

rI

[] Rec,eat,e

rI [jjjjj] Tair,

[] Wor,e,n

s/ [jjj]

,ð=

Ve,keer

,ð=

Oversg

rI T1anders Afbeelding& Uitsnede van hetbestemmingsplon Hoeveweg 13, metaanduiding von hetplangebied Balgoij-West (bolletjescontour) (bron:Regels op de kaort, bewerkt in QGis).

De sloot ten zuidwesten van de Maasakkers had in het bestemmingsplan Hoeveweg 13, Balgoij de bestemming Verkeer (zie afbeelding 8). Deze gronden waren onder meer bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen alsmede toegang naar parkeervoorzieningen, plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten en waterhuishoudkundige voorzieningen.

STAB-42069 l l8juli 2025 17

,

• M. 3.2= Voorliggende planregime Het bestemmingspian Balgoij-West kent, voor zover relevant voor de beroepen, de bestemmingen Agrarisch met waarden-1 , Groen, Verkeer en Wonen (zie afbeelding 9).

Enkelbestrmming

[1111

Agrarisch Agrarisch ,net waarden

,i= [j]

Bedrf Bedrijseaterrein

•

Bos

,ð=

Centwm

,ð •

Cultuur en ontspannirsg

., FTI Detailhandel Dienstverleaing Gemengd Groea Horeca Kantoor Maatschappelijk Natuur Recreatie Sport Tuin Water Wonen Woongebied Verlceer Orerig anders

APoeelding 9: Verbeelding bestemmingsplan Ba!goij-West (bron: Regeis op de kaart, bewerkt in QGis).

3.2.1= Planregels Gronden met de bestemming Agrarisch met waarden-1 zijn net als onder het voorgaande planologisch regime onder meer bestemd voor bedrijfsmatig dan wel hobbymatig agrarisch grondgebruik en de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Ook zijn de gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden (zie artikel 3 van de planregels).

Anders dan in het voorgaande plan hebben deze gronden in het voorliggende bestemmingsplan tevens de gebiedsaanduiding milieuzone-spuitvrije zone. Op deze gronden is hetgebruik maken van chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen

STAB-42069 l l8juli 2025 l 18

en/ofandere verspuitbare middelen die ¡eiden totschadelijke effecten op hetgoed woon- en leefklimaatniettoegestaan (zie artikel 12.1 van de planregels). Gronden met de bestemming Groen zijn onder meer bestemd voor plantsoenen, groenstroken en overige aanpla nten, natu u rlijke oevers, pa rkeerplaatsen, water(lopen)(zie artikel 4 van de planregels). Gronden met de bestemming Verkeer zijn onder meer bestemd voor wegen en (fiets) paden, pa rkeervoorzieningen, groenvoorzien i ngen, (water)Iopen en oevers, voorzieningen voor waterberging- en infiltratie (waaronder wadis) en waterhuishoudkundige voorzieningen (zie artikel 5 van de planregels). Gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor wonen, al dan niet in corribinatie met een aan huis verbonden beroep met de daarbij behorende tuinen en erven. Parkeervoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en water en waterhuishoudkundige voorzieningen (zie artikel 6 van de planregels). Verder is van belang dat: •

voor het bouwen van hoofdbouwen geldt dat hoofdmassas uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding bouwvlak;

•

als hoofdgebouw uitsluitend woningen mogen worden gebouwd;

•

binnen de begrenzing van het bestemmingsplan mogen maximaal 37 woningen worden gebouwd.

Voor aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen geldt dat: de gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 1 10 m2; •

het buiten het bouwvlak gelegen gedeelte van het bouwperceel mag voor ten hoogste 50% worden bebouwd.

ln artikel 10 van de planregels zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen. Daarin is gesteld dat: •

alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengrondse bebouwing aanwezig is;

•

de verticale diepte niet meer dan 5 m mag bedragen;

•

waar geen bovengrondse bebouwing aanwezig is mag maximaal 25 m2 ondergronds worden gebouwd in aansluiting op de ondergrondse bebouwing waar bovengrondse bebouwing aanwezig is;

•

in verband met de aanleg van waterbergende voorzieningen de bebouwde oppervlakte per aan te leggen voorziening maximaal 700 m2 mag bedragen, waarbij de voorziening uitsluitend in openbaar gebied wordt gesitueerd.;

STAB-42069 l8juli 2025 l 19

.M. .= indien wordt gebouwd onder pe115, dit waterdicht gebouwd dient te worden. Ten slotte is in artikel 1 3 opgenomen dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van cie voorgeschreven goothoogte, (bouw)hoogte, oppervlakte, inhoud en afstand van bouwwerken, dan wel een voorgeschreven bebouwingspercentage, eventueel met overschrijding van de bouwgrenzen, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels voorgeschreven afmetingen en afstanden. 3.2.2

Toelichting

Uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat met het bestemmingsplan wordt beoogd om de realisatie van 24 rijwoningen, 9 vrijstaande woningen en 4 twee-onder-éénkap woningen mogelijk te maken. ln paragraaf4.1 van de toelichting is de waterparagraafopgenomen. Hierin is beschreven, onder verwijzing naar het waterhuishoudkundig plan dat als bijlage 8 bij de toelichting is opgenomen, op welkewijze rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderwerpen in de toelichting zijn de watercompensatie, hoogteligging en kwel. Deze onderwerpen komen hierna aan de orde. Watercompensatie ln de toelichting is gesteld dat door de ontwikkeling van de woningbouw 1 1.940 m2 aan extra verhard oppervlak zal ontstaan. Gelet op het beleid van het waterschap betekent dit dat er een watercompensatie nodig is van 793 m3. ln het plangebied is het mogelijk dit volume te bergen doorwatergangen te verbreden en nieuwe watergangen aan te leggen. ln het plan wordt hemelwater vanaf het verhard oppervlak over de weg afgevoerd naar de groene bergingen, zogenaamde wadis. De groene bergingen lozen het hemelwater vertraagd op de B-watergang (secundaire watergang) langs t Veldje en Den Bogerd.

Verder is als uitgangspunt gehanteerd dat de waterhuishoudkundige inrichting klimaatadaptiefis, dat betekent dat bij een klimaatbui geen hemelwater in de woningen terecht zal komen.6 Het begrip peil ¡s gedefinieerd in artikel 1.47 van de planregels: Voor bouwwerken, waarvan de hooftoegang van het perceel onmiddellijk aan de weg grenst: de a. hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel; ln andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. b. De omvang van de klimaatbui is in de toelichting niet nader gedefinieerd. ook in de Regionale Adaptatie Strategie (RAS) waar de toelichting aan refereert, is geen definitie van de •klimaatbui opgenomen. Desgevraagd heeft het waterschap toegelicht dat in Gelderland de omvang van de klimaatbui nog niet gedefinieerd is.

STAB-42069 18 juli 2025 20

Hoogteligging Voorts is in de toelichting aangegeven dat het maaiveld in het plangebied zal worden opgehoogd. Met het minimale aanlegpeil van de weg op een hoogte van NAP +8,10 m en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van NAP +7,00 m wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Gelet op het oppervlaktewaterpeil van NAP +5,20 m en het minímale aanlegpeil van de weg wordt tevens voldaan aan de drooglegingseisen, aldus de toelichting.7 Kwel in de toelichting is opgemerkt dat het plan een zeer beperkte toename van kwel mogelijk maakt. Deze toename is zo beperkt, ook qua duur, dat dit niet tot wateroverlast kan leiden ter plaatse van het plangebied of de directe omgeving. Ook is gesteld dat met de nieuwbouw geen uitlogende materialen worden gebruikt waardoor de bodem of het oppervlaktewater verontreinigd kunnen raken. Het afvalwater van het plangebied wordt ingezameld met een vuilwaterriool en onder vrij verval afgevoerd naar de bestaande riolering in de Maasakker en Den Bogerd. Waterhuishoudingsplan ln de toeiichting wordt tevens verwezen naar het watertoetsproces op grond van de Bro. Als onderdeel van dat proces is het Waterhuishoudingsplan Maasakkerte Balgoij opgesteld, dat ter beoordeling is voorgelegd aan het waterschap Rivierenland voor een wateradvies. De ambtelijke mailwisseling die ziet op dit advies is bijgevoegd in bijlage STAB-7.

ln hetwaterhuishoudingsplan is een selectie opgenomen van de regelgeving en het beleid zoals gold ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Vervolgens is een beschrijving gegeven van het plangebied, de (geo)hydrologie, het stedelijk watersysteem zoals volgt uit het stedenbouwkundig plan (bijlage 14 bij de toelichting), en ten slotte is de inrichting getoetst aan uitgangspunten ten aanzien van de bergingsopgave, ontwatering, drooglegging, aanleg-/bouwpeil en afstroming. Opmerkelijk is dat het plangebied in het waterhuishoudingsplan niet overeenkomt het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Gronden met de bestemming Agrarisch metwaarden-1 zijn in hetwaterhuishoudingsplan buiten beschouwing gebleven. Daarentegen isten noordoosten van het bestemmingsplangebied de groenstrook met parkeerhavens langs de Maasakkers toegevoegd aan het plangebied. Het

n het plan wordtabusievelijk uitgegaan van een streefpeil van NAP + 5,20 m, terwijl hetstreefpeil op grond van de streefpeilenkaart NAP + 5,3 m bedraagt (zie paragraaf2.2 van dit verslag).

STAB-42069 18 juli 2025 21

piangebied in het waterhuishoudingsplan sluit daarmee aan op het stedenbouwkundig plan dat is opgenomen in bijlage 14 van de toelichting.

STAB-42069 18 juli 2025 22

l=

4

4=

Waterhuishoudkundige inrichting

Zoals gezegd is in hetwaterhuishoudingsplan als uitgangspunt gehanteerd dat geen hemelwater naar het bestaande rioleringsstelsel van Balgoij wordt afgevoerd. Daartoe is, zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 van dit verslag, in het stedelijk gebied voorzien in de aanleg van een drietal bergingsvijvers/wadis. In de wadis wordt het afstromend hemelwater tijdelijk geborgen om het gedoseerd af te voeren naar het oppervlaktewatersysteem, de oostelijk gelegen B-watergang. De wegen zijn onderdeel van het watersysteem in de zin dat via de weg het afstomend hemelwater naar de wadis stroomt. ln figuur 6.2.1 in het waterhuishoudingsplan is indicatiefde hoogteligging van de weg (wegpeil) opgenomen die voorwaardelijk zijn om het water uit de deelgebieden noord, centraal en zuid naar de bijbehorende waterberging te laten afstromen. ln het toelichtend gesprek kwam naar voren dat met het ontwerp tevens verondersteld wordt dat de (gedeeltelijk verharde) bouwpercelen onder verhang richting de

8.4 mNAP

8.1 m NAP=

1= :.=

______ *.=

:- .;

B-waterga ng

Afbeelding 10: Seoogde inrichting van het watersysteem, met indicatie van de hoogteligging van de wegen (bron: waterhuishoudingsplan, fìguur 6.2. 1, bewerkt door STAB).

STAB-42069

I l8juli 2025 23

weg komen te liggen, zodat ze afwateren en ontwateren richting de weg in het plangebied en niet direct op de B-watergang (zie afbeelding 10). STAB merkt op dat de wegpeiien niet zijn geborgd in de planregels. ln de toelichting wordt gerefereerd aan een minimaal wegpeil van NAP +8,10 m. Ditverwijst naar de aansluiting van het vuilwaterriool van het woongebied op het bestaande rioleringssysteem in de woonwijk Den Bogerd. Omdat het vuilwaterriooi onder de wegen komt te liggen is dit aansluitingspunt, het laagstewegpeil in het plangebied. ln het watersysteem is in het waterhuishoudingsplan en stedenbouwkundig plan 3.091 m2 aan open water in de waterberging voorzien.8 Dit is gebaseerd op de bergingsberekeningen en profielen zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het waterhuishoudingsplan, en de kwelberekening zoals opgenomen in het rapport Geohydrologisch onderzoek naar kwel in plangebied Maasakkers te Balgoij-West (bijlage 9 bij de toelichting). ln de volgende paragrafen gaat STAB in op de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de waterhuishoudkundige inrichting van het plan. Daarbij beoordeelt STAB of uit de onderzoeken blijkt dat de waterhuishoudkundige inrichting in het plan volstaat om negatieve waterhuishoudkundige gevolgen te voorkomen. Gelet op de beroepsgronden van appellanten doet STAB dit aan de hand van drie themas: waterberging, kwelverandering en riolering.

4.1=

Bergingsberekening in het waterhuishoudingspian

ln hoofdstuk 5 van het waterhuishoudingsplan is inzicht gegeven in de berekeningen die ten grondslag liggen aan de waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied. Daarbij is op basis van het stedenbouwkundig plan de hoeveelheid oppervlaktewater in het plangebied bepaald aan de hand van vuistregels van het waterschap die zijn opgenomen in de beleidsregel 5.16 in Beleidsregels bij waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.9 Deze beleidsregel verwijst naar de vergunningplicht in artikel 3.22.8 uit de waterscha psverordening Rivierenland, Vergunningplicht bij het afvoeren van hemeiwater naar een oppervlaktewaterlichaam ofeen bergingsgebied (zie bijlage STAB-5).

Deze oppervlakte is gebaseerd op tabellen 5.4.3.1, 5.4.3.2 en 5.3.3.3 in het waterhuishoudingsplan. Het betreft het wateroppervlak op de waterlijn. In het waterhuishoudingsplan wordt verwezen naar beleidsregels op grond van de Keur. Per 1 januari 2024 en daarmee ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan, zijn deze beleidsregels opgenomen bij de Waterschapsverordening.

STAB-42069 l 18ju1i2025 24

4.1.1

Compensatieverplichting waterschap

Uit de beleidsregel blijkt dat bij het realiseren van nieuw verhard oppervlak een compensatieverplichting geldt om te voorkomen dat oppervlaktewatersysteem niet zwaarder belast wordt dan in de oorspronkelijke situatie. Voor deze compensatie geldt dat de maximale afvoer uit het plangebied niet meer mag zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm), en dat er moet voldoende berging moet zijn bij extremere omstandigheden. Dit laatste is geconcretiseerd in de vuistregel dat per ha verhard oppervlak 436 m3 geborgen moet worden in een peilstijging van 30 cm (zie afbeelding 1 1).10 Dit is noodzakelijkvoor het bergen van de neerslag die zich voordoet met een herhalingstijd van 1 O jaar met 1O% opslag (T=1O + 1O%). Daarnaast is als vuistregel opgenomen dat voor de meer extreme situatie T=100 + 1O% (neerslag die zich voordoet met een herhalingstijd van 100 jaar met en opslag van 1O%) 664 m3 berging per ha verhard oppervlak gerealiseerd moet worden, waarbij het peil mag stijgen tot de laagste putdeksel (zie toetsingscriterium 3).

Afbeelding 1 1: Waterberging in een watergang in relatie tot toelaatbarepei/stijging (bron: Waterschap Rivierenland).

ln het kader van de weging van het waterbelang bij de uitbreiding van nieuw stedelijk gebied wordt in de beleidsregel verwezen naar de Handreiking Watertoets van waterschap Rivierenland.1 Hierin zijn de maatgevende situaties en waterhuishoudkundige eisen aangegeven waarop getoetst wordt in het geval van uitbreiding van nieuw stedelijk gebied. Verder is vernield dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor nieuw stedelijk gebied worden getoetst aan een eventueel aanwezig positief advies van het waterschap over de weging van het waterbelang. Bij het ontbreken van een dergelijk positief advies wordt voor

10

Op de website van het waterschap Rivierenland is de toepassing van de vuistregels voor het realiseren van voldoerìde waterberging met (reken)voorbeelden toegelícht: https://www.waterschaprivíerenland.nl/waterberg ing.

11&=

Op de website van het waterschap is dit document niet meer te raadplegen. Wel wordt op de website in het kader varì het wateradvies verwezen naar de maatgevende situaties T=1O + 1O% erì T=100 + 1O%.

STAB-42069

18 juli 2025 l 25

deze gebieden een maximale peilstijging van 20 cm dan wel 30 cm gehanteerd (toetsingscriterium 4)•12 Voor de omvang van de verharding is in de beleidsregel opgenomen dat indien er nog geen overeenstemming is over de exacte verharding van de uitbreiding in het stedelijke gebied, er voor de perceelsverharding moet worden uitgegaan van: •

Percelen met een vrijstaande woning worden voor 70% verhard;

•

Percelen met een twee-onder-één kap woning worden voor 80% verhard;

•

Percelen met rijtjeswoningen worden voor 90% verhard.

Ten slotte is voor de benodigde bergingscapaciteit van belang dat in de beleidsregel voor gebieden binnen de bebouwde kom een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht geldt voor de afvoer van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2. 4.1.2

Bergingsberekening

ln het waterhuishoudingsplan is een berekening van de benodigde waterberging opgenomen, op grond van de hierboven genoemde vuistregels. Hierbij is op basis van het verkavelingsplan zoals weergegeven op figuur 5.0.1 van het waterhuishoudingsplan, de toename van de verharding aan de hand van de vuistregels van het waterschap bepaald (zie ook waterhuishoudingsplan, tabei 4.1). Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingstoename van 1 1.939 m2 ( dit is 1,194 ha). De benodigde waterberging voor het stedelijk plangebied berekend als: 1,194 (ha) x 664 m3 = 793 m3 bij T=100 + 10% opslag.

12 Uit het toelichtend gesprek met het waterschap is gebleken dat het toetsingscriterium 4 ziet op een aanvraag voor een grotere toelaatbare peilstijging bij de T=1O + 1 O%. Bij het ontbreken van een positief wateradvies wordt teruggevallen op de toelaatbare peilstijging bij toetsingscriterium 3.

STAB-42069 j 18ju1ï2025j26

ln paragraaf 6.5 is de uitkomst per deelgebied (wadi) inzichtelijk gemaakt in tabel 6.3.2. (Zie afbeelding 12).

74 Rijtjeshuizen(overhardj= 3.603= Tweeondereenkap(80% verhardL= 1.354= yijstaandehuizen(70%_verhard= 5.021= 2.062= Groen(0%verhard)____________= 2.367= Oppervlaktewater (0%verhard)= 18.506 Totaal= _________ 11.940= Ontworpenberging=

811=

LP

634 2.969 _____ 0= 0 1.354 ____ 0= 298= 1.530 2.192= 256341 1.465= 559= 606 1.202= 2.862 3.601 12.042 12.13 8.150= 555=

____-

114=

143

Afbeelding 12: Berekende waterberging per stroomgebied (tabel 6.3.2 in het waterhuishoudingsplan).

Op grond van het stedenbouwkundig plan wordt in het waterhuishoudingplan geconcludeerd dat met een waterdiepte van 0,50 m in de wadis in het p!an 811 m3 aan waterberging wordt gerealiseerd en dat daarmee wordt vo!daan aan de waterbergingseis. Ook geldt dat uit de berekenirìg volgt dat voor elk deelgebied wordt voldaan aan de bergingseis. 4.1.3

Beoordeling STAB

STAB heeft al opgemerkt dat het piangebied zoals gehanteerd in het waterhuishoudingsplan niet overeenkomt met het plangebied van het bestemmingsplan. Maar ook de verharding van 11.939 m2 die in het waterhuishoudingplan is toegerekend aan gronden met de bestemmingen Verkeer en Wonen stemt niet overeen met de maximale invulling van het bestemmingsplan. Daarnaast is voor de totale bergingsopgave geen rekening gehouden met de bestaande bergingsopgave in het plangebied. STAB licht deze bevindingen in hetvervolg van deze paragraaftoe. Omvang toename verhard oppervlak ln het bestemmingplan bedraagt de oppervlakte met de bestemming Verkeer ongeveer 3.986 m2. Op grond van de planregels kan ditvolledig worden verhard. Deze gronden zijn in de bestaande situatie feitelijk onverhard. De bestemming Wonen betreft een totale oppervlakte van ongeveer 11.1 19 m2. Hiervan is 3.432 m2 opgenomen in een bouwvlak. Voor gronden binnen het bouwvlak geldt op grond van de planregels dat deze volledig bebouwd en daarmee verhard kunnen worden.

STAB-42069 18 juli 2025 l 27

.

Voor gronden met de bestemming Wonen buiten het bouwvlak geldt op grond van artikel 6.2.2, onder a, sub 3, van de planegels datten hoogste 50% van dit gedeelte van het bouwperceel achter de voorgevelrooilijn mag worden bebouwd. Dit komt neer op maximaal ((1 1.119 - 3.432) x 50% =) 3.844 m2 verharding. Op grond van de bestemmingen °Verkeer en Wonen komt STAB tot de maximale oppervlakte aan verharding van (3.986 + 3.432 + 3.844 =) 1 1.262 m2 . STAB constateert dat in het waterhuishoudingsplan is uitgegaan van een grotere oppervlakte verharding dan dat het plan op de gronden met de bestemmingen Verkeer en Wonen mogelijk maakt. Daarmee is de berekende watercompensatie van 793 m3 in het waterhuishoudingsplan groter dan wanneer op basis van de maximale invulling van het bestemmingsplan de compensatie berekend wordt. Bestaande waterberging niet meegenome n ln het voorliggende plan ¡s de noordelijke waterberging voorzien in de verbreding van de bestaande watergang in het plangebied, direct ten zuidwesten van de Maasakkers.

Deze watergang is op de legger van het waterschap Rivierenland aangewezen als tertiair water, met een waterbergende functie voor het achterliggende stroomgebied.13 Gelet op de hoogteligging heeft deze watergang mede een bergende (en afvoerfunctie) voor de woningen en percelen ten zuidoosten van de Hoe 5.1.2e en de woonwijk tussen de Maasakkers en de Hoeveweg (zie afbeelding 1 3).

Zie toelichting op de Legger Wateren van waterschap Rivierenland: https://cuatro.simcdn.nl/waterschapriviereriland/uploads/Toelichting%201egger%20wateren%20v201_def.pdf?cbfJlhKhFK

STAB-42069 118ju1i2025128

u- . v.

Ha4ç9øg,ØU.7.1.-

•

706 7,09 ,, - 7 :3

•

1,99 7,11

•

•

7.18-1.2

•

1.21 - 7.24

• •

1,26-729 7.29 7.32

• •

7,33 7.39 7 37 7,39 74

•

749

•

7.44-747

•

748 73• 7 S - 7,54 7

75s-758 7.59-762 163 - ? 66 7.67 7.69 77 1,73 774 7.77 7,79 781 7,62 785 786 • 7S8 189.792 7.93 796 787 I 977 S.03 638 907

•

9,09.977

• •

072 115 976-878

•

92-622

•

823-8.26

Afbeelding 13: hoogteligging woongebied aan de Hoeveweg ren opzichte van de tertiaire watergang (bron: ArcGIS Pro).

ln het voorgaande bestemmingsplan Hoeve 13 is in het stedenbouwkundig plan, bijiage 1 bij de toe!ichting, een berekening van de berging van 30 m3 in de tertiaire watergang ten behoeve van het woonlint opgenomen (zie bijlage STAB-6). Uit deze berekening blijkt dat voor de waterberging is uitgegaan van een bodembreedte van 3,00 m, een waterkolom van 0,30 meter en daarmee een bergend nat oppervlak (dit is dedoorsnedevan dewatergang)van 0,9m2 (zieookafbeelding 11). Detotalelengtevan de tertiaire watergang bedraagt 150 meter. Dat betekent dat in het plangebied reeds (1 50 x 0,9 =) 135 m3 a!s bestaande waterberging aanwezig is. Voor de bergingsopgave in het voorliggende bestemmingspian betekent dit dat voor de omvang van de waterberging naast de 793 m3 aan watercompensatie voor de toename aan verhard oppervlak, ook de bestaande waterberging van 1 35 m3 in stand moet blijven. Aldus bedraagt de totale bergingsopgave (793 + 135=) 928 m3. Berekende bergingscapaciteit onvoldoende

Voor de bergingscapaciteit in het plangebied is in het waterhuishoudingsplan uitgegaan van de hoeveelheid water die in de beoogde situatie in de drie wadi-systemen bij een waterkolom van 0,50 m geborgen wordt. Omdat de wadis met een bodemhoogte van NAP +7,60 m droog staan bij het streefpeil van NAP + 5,3 m, doet de hele waterkolom mee

STAB-42069 l l8juli 2025 129

•

U•

in de bergingscapaciteitvoorde neerslagsituatieT=1O ofT=100. Bij een waterkolom van 0,50 m staat hetwater totaan het Iaagstewegpeil in het plan van NAP +8,10 m. Uit de tabellen in paragraaf 5.4.3. van het waterhuishoudingsplan volgt dat bij die waterkolom de bergingscapaciteit van de noordelijke waterberging 555 m3 bedraagt, voor de centrale waterberging is dit 1 14 m3 en voor de zuideRjke waterberging 143 m3. Aldus gaat het plan uit van 811 m3 aan waterberging dat in het plangebied gerealiseerd wordt. Dit is onvoldoende om te voorzien in de totale bergingsopgave van 928 m3. Conclusie STAB concludeert dat de hoeveelheid waterberging die met de aanleg van drie wadisystemen in het plangebied gerealiseerd wordt niet volstaat om aan de waterbergingsopgave die uit de toename van de verharding volgt, te voldoen. ln het plan is voorbijgegaan aan de bestaande waterbergingsopgave in de noordelijke tertiaire watergang. 4.2=

Kwelberekening

Naar aanleiding van een vraag van een omwonende is aanvullend op het waterhuishoudingsplan door Stantec in opdracht van initiatiefnemer een geohydrologisch onderzoek verricht naar de invloed het plan op de kwelstromen (bijlage 9 bij de toelichting). Landslide heeft hierop een contra-expertise uitgevoerd in opdracht van appellanten. ln de volgende paragrafen beschrijft STAB deze onderzoeken en beoordeelt in hoeverre het onderzoek van Stantec volstaat om de gevolgen van het voorliggende bestemmingsplan in beeld te brengen. 4.2.1

Geohydrologisch onderzoek Stantec

ln het rapport Geohydrologisch onderzoek naar kwel in plangebied Maasakkers te BalgoijWest heeft Stantec onderzocht ofde voorgenomen ontwikkeling van het plangebied kan leiden tot een toename van kwel en eventueel wateroverlast. Daartoe is voor de bestaande situatie op basis van beschikbare gegevens en aannames de toename van kwel als gevolg van de het rivierpeil op de Maas berekend aan de hand van de formule van Mazure (zie kader Formule van Mazure). Uit de berekening van Stantec volgt dat voor een locatie op een afstand van 400 meter van de rivier bij een hoogwater dat zich

STAB-42069 18 juli 2025 l 30

n

gemiddeld een keer per lojaar op de rivier voordoet, in de bestaande situatie het freatisch grondwaterpeil met 0,14 m stijgt tot NAP +6,94 m. 45 Voor de toekomstige situatie is in het onderzoek geen berekening gemaakt. Voor de nieuwe situatie is in paragraaf4.2 van het rapport een kwalitatieve beschouwing opgenomen waarin is aangegeven dat: •

voor de aanleg van de wegcunetten, de waterberging en de fundering geen ont- of vergraving tot onder het verzadigde deel van de deklaag nodig, waardoor geen toename van kwel wordt verwacht;

•

voor de aanleg van kelders bij drie boerderijwoningen afdichtende voorzieningen getroffen moeten worden ter voorkoming van het omhoogkomen van kwel;

•

de aanleg van de riolering naar verwachting leidt tot een zeer beperkte (verwaarloosbare) stijging van de kwelflux;

•

eventuele grondverbetering van meer dan 0,55 m een toename van de kwelflux kan betekenen. lndien dit het geval is moetverder gekeken worden ofdit significant is of niet.

ln hoofdstuk 6 van het rapport wordt geconcludeerd dat alles overziendis erin theorie een zeer beperkte toename van de kwel mogelijk, deze toename ¡s echterzo beperkt, ook qua duur, dat dit niet tot wateroverlast kan leiden ter plaatse van het plangebied ofde directe omgeving.

14

Overigens is hierbij niet uitgegaan van een worst case, omdat de minimale afstand van het plangebied tot de rivier ongeveer 360 m bedraagt. 15&= ln paragraaf 4.2 van het rapport •Geohydrologisch onderzoek naar kwel in plangebied Maasakkers te BalgoijWest is gesteld dat het gaat om een stijging van de freatische grondwaterstand. ln de mailwisseling van Stantec Onderzoeken Balgoij-West van lüjanuari 2025 met de projectontwikkeiaar Qubus en gemeente Wijchen is daarentegen aangegeven dat het gaat om een berekening van de toename van de kweldruk in de watervoerende laag, erì niet zozeer het effect voor het freatisch vlak (zie bijlage STAB-8d).

STAB-42069 l 18ju1i2025 131

Formule van Mazure ln 1936 publiceerde 5.1.2e de Formule van Mazure. Dit is een analytische formule waarmee de hoeveelheid kwei in een polder achter een dijk met hoog buitenwater wordt berekend (zie afbeelding 13): q(x)s=

kH(h - hO )

e

ln het voorliggende geval is ook de stijghoogte onder de deklaag berekend aan de hand van:

(x) = h — (h — h0) e Deze vergeiijking geeft de reiatie tussen het peil in het buitenwater ho, het polderpeil hp en de stijghoogte in het grondwater p. ,,.I,...,

),

w..

1 kwelstroom

Afbeelding 1: Kwelstroom onder de dijk, met aangegeven de verschillende componenten die terugkomen bij toepassing von de Formule van Mazure (bron: wvvw.rvde.nl/odf/Kwel/Hoogwateroolven.pdf. bewerkt door STAB). Verklaring symbolen: debiet van het grondwater op afstand x (m) q(x)= := (x)= := stjghoogte van het grondwater onder de deklaag op afstand x (m) x= := afstand tot de rand met een vaste stjghoogte (het buitenwater) (m) ho= st,jghoogte op x=O (peii van het buitenwater) (m) := hp= := gemiddelde freatische grondwaterstand in de polder (m) doorlatendheid van het watervoerend pakket (m2/dag) k= := H= := dikte van de watervoerende laag (m) A= := spreidings/engte (m) Toepassing: De formule van Mazure is een sterke vereenvoudiging van het hydrologisch systeem en wordt veel gebruikt om het effect van peilveranderingen op de grondwaterstand te berekenen. De formule voor de stijghoogte wordt veel gebruikt om een snelle inschatting te maken van het effect van aanpassing van het streefpeil op de omgeving.

STAB-42069 18 juli 2025 32

4.2.2

Contra-expertise appellanten

Bij het beroepschrift van appellanten 5.1.2e

en 5.1.2e

is een contra-expertise van

Landsiide opgenomen (produktie 7 bij het beroepschrift). ln deze contra-expertise is geconcludeerd dat de variatie in grondwaterpeilen, waaronder de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) niet op een betrouwbare wijze is vastgesteld. De gebruikte gegevens zijn onvoldoende locatiespecifiek. Hierdoor ontbreekt een referentiesituatie en kunnen de gevolgen van het plan niet gemonitord worden. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een breuklijn. Tevens constateert Landslide dat de gehanteerde uitgangspunten niet eenduidig zijn. In het kwelonderzoek is uitgegaan van andere waarden dan in het waterhuishoudingsplan. Daarmee is een van de rapportages niet correct. Verder stelt Landslide dat onvoldoende rekening is gehouden met de risicos van het ophogen van het plangebied. De ophoging creëert mogelijk een waterstagnerende laag en een verhoging van het grondwaterpeil, omdat de onverzadigde zone wordt vergroot. Dit heeft mogelijk gevo!gen voor de aangrenzende gronden. Ten slotte stelt Landslide dat de berekende grondwaterstijging gebaseerd is op onvoldoende ¡nzicht in de relatie tussen het Maaspeil en de grondwaterstanden in het plangebied. De discrepantie tussen de berekende en gemeten peilen bedraagt ongeveer een factor 10, aldus Landslide.16 4.2.3

Reactie Stantec op contra-expertise

ln bijlage 4 bij het verweerschrift verwerpt Stantec de bezwaren van Landslide en stelt dat: • met de ophoging geen waterstagnerende laag gecreëerd wordt; •

de grotere onverzadigde zone geen effect heeft op de grondwaterstand;

•

de oppervlakkige afstroming wordt voorkomen door de waterhuishoudkundige inrichting van het gebied.

Over het verschil in GHG en GLG in het waterhuishoudingsplan en de kwelstudie merkt Stantec op dat in de kwelstudie gekeken is naar de GHG en GLG in het watervoerend pakket (de zandlaag onder de kleilaag).17

16

17

ln 2024 heeft Landslide peilbuizen gezet op het perceel van appellante 5.1.2e om de stijghoogte van het diepe en ondiepe grondwater te meten. De eerste bevindingen in relatie tot het rivierpeíl op de Maas heeft Landslide gepresenteerd in de notitie Aanvullende analyse effect Maaspeilen op grondwaterpeilen plangebied Balgoij-West (gemeente Wijchen) (zie bijlage STAB-9c). Stantec refereert hier aan de stijghoogte van het diepere grondwater, dit komt niet een op een overeen met de grondwaterstand in het freatisch vlak (bovenste bovenlaag).

STAB-42069

18 juli 2025 33

Verder merkt Stantec op dat de plotselinge verandering in de dwarsdoorsnede van de bodem, anders dan dat Landslide veronderstelt, niet duidt op een geologische breuklijn. De plotselinge verandering hangt samen met de projectie van de meetpunten op de doorsnedelijn. Ten slotte merkt Stantec op dat de constatering van Landslide dat over het verschil tussen de gemeten peilen en de berekende peilen, gebaseerd is op een onjuiste vergelijking. De peilbuis waar Landslide aan refereert is niet representatief voor de kwelinvloed. 4.2.4

Bevindingen STAB

Zoals hiervoor beschreven heeft Stantec in het geohydrologisch onderzoek voor de bestaande situatie een berekening met behulp van de formule van Mazure gemaakt, om de kwelflux bij hoogwaterstand op de rivier te berekenen. De verandering van deze kwelflux als gevolg van het plan is enkel kwalitatiefbeschouwd. Desgevraagd heeft Stantec (en verweerder) ter onderbouwing van deze methode gewezen op de Richtlijn toetsing kwel en wegzijging van 23 oktober 2012 van het waterschap Rivierenland (zie bijlage STAB-8cii). Richtlijn toetsing kwel en wegzijging De Richtlijn toetsing kwel en wegzijging is een intern ambtelijk werkdocument van het waterschap Rivierenland ten behoeve van een eenduidige methode van toetsen van projecten die de grondwaterstroming , de grondwaterstanden en de belasting van het oppervlaktewatersysteem kunnen beinvloeden. ln deze richtlijn is aangegeven dat voor het waterschap Rivierenland bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen grondwaterneutraal bouwen het uitgangspunt is. Dat wil zeggen dat: •

de oorspronkelijke grondwaterstanden en -stromen in de omgeving mogen niet wijzigen;

•

geen verandering van kwel/wegzijging;

•

geen verandering in grondwaterstanden;

.= geen verandering van aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem. ln de richtlijn is verder aangegeven op welke wijze de effecten van een ruimtelijke ingreep gekwantificeerd moeten worden. Daarbij gaat het om het vastleggen van de referentiesituatie, het bepalen van het effect van de ingreep ten opzichte van de referentie, het doorrekenen van scenarios en maatregelen, kosten/baten analyse en de noodzaak van monitoring, boren en sonderen. De mate van detailniveau van de kwantifìcering is afhankelijk van de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling, de mate van de ingreep, de huidige grondwatersituatie en de te verwachten effecten naar de omgeving en de mogelijke consequenties daarvan.

STAB-42069 l 18ju1i2025134

Voor lokale ingrepen kan voor de effectbepaling over het algemeen volstaan worden met een kwalitatieve beschrijving aangevuld met en berekening rnet de formule van Mazure. Voor een stedelijke uitbreiding is in beginsel noodzakelijk dat de verandering in kwel of wegzijging, wordt onderzocht met een meer complex model, waarin ook de dynamiek van de rivierwordt rneegenomen. ln de richtlijn is sprake van grondwaterneutrale ontwikkeling voor zover de kwelverandering minder dan 2% bedraagt, en de grondwaterstandsverandering minder dan 5 cm bedraagt. ln gevallen dat dit meer is, dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. lnstemming waterschap Rivierenland Bij mailbericht van 15 mei 2024 heeft het waterschap het geohydrologisch rapport van Stantec akkoord bevonden (zie bijlage STAB-7b1i). ln het mailbericht van 19 maart 2025 is dit standpunt nogmaals bevestigd (zie bijlage STAB-7b1). Dat het waterschap geen aanvullende modellering nodig acht, betekent dat het waterschap de ontwikkeling van het bestemmingsplan Balgoij-West in het licht van de richtlijn als een kleine ingreep beschouwd, waarvoor een kwalitatieve beschrijving met een berekening met de formule van Mazure volstaat.

Desgevraagd heeft hetwaterschap aan STAB medegedeeld dat de ophoging van het plangebied in samenhang met de maatregelen zoals opgenomen in paragraaf 4.2 van het geohydrologisch rapport geen aanleiding is voor een onderzoek in meer detail. Hierbij is voor het waterschap van belang dat niet ontgraven wordt tot in het verzadigde deel van de deklaag, en dat daarom geen verandering in de hoeveelheid kwel wordt verwacht. Tevens heeft het waterschap aangegeven dat in het kader van de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, het ontwerp dat daarin voorligt nader beoordeeld wordt op de gevolgen voor de waterhuishouding (waaronder kwel). Maximale invulling niet meegenomen STAB merkt op dat de berekeningsmethode in het geohydrologisch onderzoek gebaseerd is op de beschrijving van de toekomstige situatie zoals opgenomen in paragraaf 4.2 van het geohydrologisch onderzoek, waarbij in het algemeen geen sprake is van een ont- of vergraving van de verzadigde deklaag. Verderwordt uitgegaan van de realisatie van mogelijk drie kelders met een diepte van 2,5 tot 3,O meter onder het bouwpeil, die waterdicht uitgevoerd en goed afgedichtworden. Ook zijn aannames gedaan ten aanzien van de aanleg van de riolering en de diepte van het aanbrengen van grondverbetering in het plangebied. Deze beschrijving van de toekomstige situatie is overgenomen in paragraaf4.1.2 van de plantoelichting.

STAB-42069 l l8juli 2025 l 35

.N. STAB constateert dat de toekomstige situatie die ais onderlegger is gebruikt voor kwalitatieve effectbeschrijvi ng in het geohyd rologisch onderzoek niet overeenstemt met de maximale invulling van het bestemmingsplan. Voor de maximale invulling van het plan en de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de kwel in en buiten het plangebied is relevant dat de algemene bouwregels in artikel 1 0 van de planregels ondergronds bouwen toestaan, daar waar bovengrondse bebouwing aanwezig is. Ook waar geen bovengrondse bebouwing aanwezig is, mag in aansluiting op de ondergrondse bebouwing nog eens maximaal 25 m2 ondergronds worden gebouwd. De ondergrondse bebouwing kan tot een diepte van 5 m worden aangebracht. Verder is in de planregels gesteld dat de ondergrondse bebouwing waterdicht moet worden aangebracht. Het voorliggende plan maakt binnen de bestemming Wonen een oppervlakte van 7.276 m2 aan bovengrondse bebouwing mogelijk. Dit betekent dat op grond van de bouwregels tenminste eenzelfde oppervlak (plus 25 m2 per ondergronds bouwwerk) aan ondergrondse bouwwerken gerealiseerd kan worden, waarbij ontgraven kan worden tot diep in en onder de verzadigde deel van de deklaag. Daarmee is volgens STAB de vergraving die het plan mogelijk maakt veel ingrijpender dan in paragraaf4.2 van het geohydrologisch onderzoek is verondersteld.

De kwalitatieve beoordeling dat het plan grondwaterneutraal is, houdt geen stand in het licht van de maximale invulling van het plan. Want bij de maximale invulling, waarbij tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergronds bebouwd is, is de ondergrondse situatie dermate afwijkend van de bestaande omgeving dat een enkele berekening met de formule van Mazure voor de bestaande kwelsituatie niet volstaat om de gevolgen van het plan voor de kwel en de bestaande kwelpatronen te kwalificeren. Uit het toelichtende gesprek is gebleken dat het waterschap zich bij de instemming met het geohydrologisch onderzoek geen rekenschap heeft gegeven van de maximale invulling van de ondergrondse bebouwing. Kritiekpunten Landsiide De belangrijkste kritiek van Landslide op het geohydrologisch onderzoek is dat de gegevens waarop het onderzoek stoelt onvoldoende locatiespecifiek zijn. De onderliggende gegevens zijn niet geverifieerd aan de hand van onderzoek ter plaatse. STAB merkt op dat Stantec in hoofdstuk 2 van het geohydrologisch rapport heeft verantwoord op welke gegevens de berekening van de gevolgen voor de kwelflux is gebaseerd en uit welke openbare bronnen deze gegevens betrokken zijn. Stantec verwijst naar REGIS 11, DlNOloket, open data van Rijkswaterstaat en de klimaatatlas van het

STAB-42069 l l8juli 2025 36

waterschap Rivierenland. Dit ziin openbare bronnen en, omdat geen metingen zijn uitgevoerd in het plangebied, gaat het in de berekening om geëxtrapoleerde gegevens. De gebruikte gegevens zijn daarmee minder zeker dan het geval zou zijn bij locatiespecifieke gegevens die door eigen onderzoek zijn ingewonnen. Voor een lokale (kleine) ingreep is in het licht van de Richtlijn toetsing kwel en wegzijging de keuze voor een eenvoudige berekening aan de hand van de formule van Mazure op basis van grofmazige gegevens navolgbaar. STAB heeftechter hierboven geconstateerd dat naast de ophoging van het plangebied, met name de locatie, omvang en diepte van de ondergrondse bebouwing mogelijk inbreuk maakt op de bestaande kwelstromen. Voor de toetsing van de gevolgen van de maximale invulling volstaan de meer generieke gegevens in dat geval niet, maar zal - in lijn met de Richtlijn toetsing kwel en wegzijging - de ingreep met een model moeten worden doorgerekend. Het waterschap geeft aan dat hiervoor het regionale grondwatermodel MORIA beschikbaar is, wat voor lokaal gebruik moet worden aangepast om de lokale ondergrond in het model te krijgen en de lokale peilbuizen te benutten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=66949cd8-7150-4d06-afad-5db0cb824738