Bijlage 3: Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
4.4.4 Vaatplanten Potenties voor nationaal beschermde plantensoorten zijn binnen het plangebied afwezig. Binnen het plangebied zijn voedselarme of kalkrijke bodem en akkerreservaten afwezig. Ook zijn gedurende het veldbezoek geen beschermde soorten/ indicaties van mogelijke groeiplaatsen beschermde soorten aangetroffen.
4.4.4 Effectbeoordeling en toetsing
Pagina
14
Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt: egel, konijn en verschillende soorten (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
5. Conclusies en aanbevelingen 5.1 Soorten Vogelrichtlijn 5.1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten De kavel (locatie bestemmingsplanwijziging) is niet geschikt bevonden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten en nestplaatsen. Naderonderzoek naar het voorkomen en gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Overige soorten. Binnen en rondom het projectgebied zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten- of sporen van boombewonende broedvogels waargenomen. Op basis hiervan kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief worden uitgesloten van aanwezigheid en wordt nader onderzoek naar overige soorten met jaarrond beschermde nesten niet nodig geacht. Ook zijn er geen nesten van kraaien of eksters aangetroffen, welke kunnen dienen als nestplaats voor de boomvalk en ransuil.
5.1.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals spechten, boomkruiper, boomklever, koolmees, pimpelmees in boomholten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus).
Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen- en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle uit te voeren op aanwezige nesten. Wanneer bewoonde nesten aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden, tot de jonge vogels uitgevlogen zijn.
15
5.1.3 Algemene broedvogels
5.2 Soorten Habitatrichtlijn 5.2.1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet nodig geacht.
5.2.2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
5.2.3 Nationaal beschermde soorten Binnen- en nabij het plangebied zijn sporen van de eekhoorn aangetroffen in de vorm van nesten. Deze soort dient beschermd te worden volgens de Wet natuurbescherming. De bestemmingsplanwijziging zelf heeft geen negatief effect op deze soort. Wel dient er een nader onderzoek naar de eekhoorn uitgevoerd te worden, wanneer fysieke werkzaamheden binnen het plangebied uitgevoerd gaan worden. Te denken valt aan: bouwrijp maken perceel, het kappen van bomen en verwijderen van beplantingen en het bouwen van bouwwerken.
Pagina
16
Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effecten op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
6. Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, hoeft geen aanvullend flora- of faunaonderzoek uitgevoerd te worden voorafgaand aan de geplande werkzaamheden: de bestemmingsplanwijzing van ‘Bos’ naar ‘Maatschappelijk’. Dit verandert wanneer er fysieke werkzaamheden binnen het plangebied uitgevoerd gaan worden. Te denken valt aan: bouwrijp maken perceel, het kappen van bomen en verwijderen van beplantingen en het bouwen van bouwwerken. Wanneer fysieke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, dient er nader onderzoek naar de eekhoorn uitgevoerd te worden. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Hopende u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben, verblijf ik.
Met vriendelijke groet, Ing. R.J.L. Bijvelds Ecoloog BNL advies
Pagina
17
25-02-2022
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase Leemweg 112 te Wijchen Gemeente Wijchen
KSP Archeologie
Colofon Versie Status
: :
KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : :
1.0 Nog niet door de opdrachtgever ter goedkeuring aangeleverd bij het bevoegd gezag. Over dit rapport heeft nog geen (inhoudelijke) afstemming met het bevoegd gezag plaatsgevonden. 21205 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 21 februari 2022
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
5 6 6 6 6 7 7 9 9 9 14 18 23 24 26 27 27 27 27 28 28 30 30 30 32 33
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever). Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen et al. 2012). Figuur 4: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828, 2009). Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). Figuur 6: Geologische boring B46A0718 op 60 m ten noorden van het plangebied (bron: www.dinoloket.nl). Figuur 7: Detailbeeld van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). Figuur 8: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1918, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl). Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1998 (bron: www.topotijdreis.nl). Figuur 12: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828, 2009).
4 7 10 11 12 12 13 16 16 17 17 23
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 19 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 24
KSP Archeologie
3
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : : : : : : : : :
21205 Buro Ariëns, Loes Verhoeven KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Wijchen Esther van der Linden (beleidsadviseur archeologie) e.van.der.Linden@drutenwijchen.nl 5161922100 Gelderland Wijchen Leemweg 112 te Wijchen x: 180.058 / y: 424.158 Sectie H, nummer 4888 (deels) Februari 2022
Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
4
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie voor de locatie aan de Leemweg 112 in Wijchen (gemeente Wijchen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een dagbestedingsruimte voor jeugdigen van Shelterzorg. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied binnen een AMK-terrein (overig) en heeft vanwege de ligging in het buitengebied een hoge archeologische verwachting (Figuur 12). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek kan deze verwachting nader worden gespecificeerd per periode. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met landduinen met bijbehorende vlakten en laagten en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten en specifiek voor een grafveld uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).
Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat binnen het plangebied zowel duinvaaggronden alsmede deels intacte begraven podzolbodems aanwezig zijn. Met uitzondering van de boringen 1 en 3, waar de bodem tot een diepte van respectievelijk 80 en 70 cm -mv is verstoord (dit is inclusief de top van de podzolbodem), kan in de andere boringen het potentiële archeologische niveau al vanaf een diepte van 10- 40 cm -mv worden aangetroffen. Op basis hiervan blijft de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum alsmede de hoge verwachting voor nederzettingsresten en begravingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn.
Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 10-40 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. KSP Archeologie heeft vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden.
KSP Archeologie
5
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Buro Ariëns heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Leemweg 112 in Wijchen (gemeente Wijchen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een dagbestedingsruimte voor jeugdigen van Shelterzorg. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 950 m2 groot en ligt aan de Leemweg 112 in Wijchen (Figuur 1). Het terrein ligt binnen een bebost perceel dat aan de noordzijde wordt begrensd door de Leemweg en aan de andere zijden door bos. Net ten zuidwesten van het plangebied ligt het onderkomen Zandroos van Shelterzorg, die een veilig plek biedt aan jeugden die dit nodig. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Wijchen’ (31-01-2013) van de gemeente Wijchen Wijchen geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 0 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. (www.ruimtelijkeplannen.nl). Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
KSP Archeologie
6
1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een dagbestedingsruimte worden gebouwd (Figuur 2). Het gebouw heeft een oppervlakte van ca. 149 m2. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar de bouwput voor de fundering zal waarschijnlijk tot ca. 80 cm beneden maaiveld worden uitgegraven. Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten.
Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: opdrachtgever).
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. KSP Archeologie
7
Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek.
Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
8
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Gemiddelde grondwaterstand verdeeld in grondwatertrappen (Wageningen Environmental Research (2022); Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); Rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten/bebouwing aanwezig; Gemeentelijke monumenten (via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Wijchen_(gemeente)): geen gemeentelijke monument/bebouwing aanwezig; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding): geen kabels en leidingen binnen plangebied: Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl): is niet van toepassing. Het plangebied is onbebouwd en in gebruik als bos en maakt onderdeel uit van het terrein van Shelterzorg. Binnen het plangebied zijn geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Er zijn voor zover bekend geen ondergrondse tanks aanwezig (www.bodemloket.nl).
Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VIIId) (Wageningen Environmental Research 2022). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 140 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 180 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. In het verleden was het grondwaterpeil vergelijkbaar (grondwatertrap VIII). Dit blijkt uit de gemiddelde grondwaterstanden zoals die tot 2006 waren gekoppeld aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2). 2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl); Het plangebied ligt in het rivierengebied van het Land van Maas en Waal in het huidige stroomgebied van de Maas. De afzettingen die aan het oppervlak en in de ondiepe ondergrond liggen zijn afgezet in het Weichselien (ca. 115.000 tot 11.755 jaar geleden) en het Holoceen (vanaf ca. 11.755 jaar tot heden). In het Pleniglaciaal (75.000 tot 14.700 jaar geleden) en deels ook nog in het Laat-Glaciaal is zowel door de Maas als de Rijn zand en grind afgezet binnen het plangebied. Hierdoor wordt het onderscheidt tussen Maas- en Rijn afzettingen bemoeilijkt, waardoor de rivierafzettingenafzettingen uit het Weichselien tot de Formatie van Kreftenheye en die uit het Holoceen tot de Formatie van Echteld worden gerekend (De Mulder e.a. 2003).
KSP Archeologie
9
Het landschap is sterk beïnvloed door de tektoniek en het klimaat. In het Kwartair (circa 1,81 miljoen jaar geleden – heden) zijn rivierterrassen van de Maas ontstaan, die bestaan uit enkele meters tot een tiental meters dikke pakketten grof zand en grind (Formatie van Beegden). Door tektonische opheffing van het gebied heeft de Maas zich steeds dieper ingesneden. Op relatief korte tijdschalen (103 – 105 jaren) is vooral de invloed van klimaatveranderingen belangrijk geweest. Door deze klimaatveranderingen trad een voortdurende afwisseling op tussen perioden met insnijding (voornamelijk tijdens interglacialen) en accumulatie (voornamelijk tijdens glacialen). Deze afwisseling leidde tot het ontstaan van terrasniveaus in het Maasdal (Berendsen 2005). Volgens de stroomgordelkaart van de Rijn-Maasdelta (Figuur 3) ligt het plangebied binnen het Laat Midden-Pleniglacial Laagterras (nr. 708), dat is gevormd door een vlechtend riviersysteem van Maas en Rijn, die actief was in de periode tussen 40.000-20.000 jaar geleden. Zowel ten westen als ten oosten van het plangebied zijn nog delen van de laatglaciale meandergordel (nr. 702) van de Maas (mogelijk ook Rijninvloed) te zien, die actief was in de periode vanaf ca. 14.700-12.745 jaar geleden (BøllingAllerød interstadiaal).
In deze iets warmere periode is door de rivier ook leem/klei afgezet dat als een komafzetting kan worden beschouwd. Deze leem wordt gerekend tot de Laag van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye.
Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen et al. 2012).
KSP Archeologie
10
In de daar opvolgende periode, de Jonge Dryas (ca. 11.755 – 12.745 jaar geleden) heeft de Maas zich richting het zuidoosten verplaatst en is het klimaat zeer koud geworden, waardoor de rivier werd gekenmerkt door een vlechtend rivierpatroon (Figuur 3, nr. 70. Vanuit de vaak geheel of gedeeltelijk droogliggende, brede en ondiepe rivierbedding kon door zuidwesten winden verstuiving optreden, waardoor langs de rivieren zogenaamde rivierduinen werden gevormd op de hoger liggende terrassen uit het Laat Midden-Peliglaciaal en de Bølling-Allerød (Berendsen 2005). De rivierduinen bestaan uit matig goed gesorteerd, matig grof zand, dat scherp aanvoelt. De rivierduinen worden gerekend tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel. Waar het zand als een dek werd afgezet is sprake van dekzand, waarbij het dekzand ook uit matig goed gesorteerd, matig grof zand bestaat dat scherp aanvoelt. Dit in tegenstelling tot het dekzand dat over grotere afstanden is getransporteerd en vaak een ander bron heeft, waar het zand bestaat uit zeer fijn tot matig fijn zand dat goed is gesorteerd en goed is afgerond. Het dekzand behoort tot het laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 1, code L54) ligt het plangebied binnen een zone met landduinen met bij behorende vlakten en laagten.
Dit komt overeen met de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Wijchen (Figuur 4, RAAP 2009), waarop als geomorfogenese voor het plangebied staat aangegeven dat er woeste stuifzanden en beboste stuifzandgronden voorkomen (code Esw).
Figuur 4: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828, 2009).
KSP Archeologie
11
Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 5) zijn de hoger gelegen stuifzandduinen (donkeroranje kleuren) ten zuidwesten van het plangebied goed te herkennen het plangebied zelf lijkt meer binnen een stuifzandvlakte/laagte (lichtgroene kleuren). Daarnaast zijn er in de directe omgeving ten westen en zuidwesten van het plangebied ook nog lager gelegen gebieden (blauwe kleuren) te zien, waarvan de laagte ten westen watervoerend is. Deze laagtes zijn waarschijnlijk deels door afgraving aan het begin van het tweede kwart (rond 1928) van de 20e eeuw ontstaan (www.topotijdreis.nl).
Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
Om een indruk van de lithologische opbouw van het plangebied te krijgen is gekeken of er binnen het dinoloket geologische boringen binnen het plangebied of de directe omgeving zijn gezet. Op ongeveer 60 m ten noorden van het plangebied is boring B46A0718 in 1990 gezet. De bovenste 140 cm bestaat
Figuur 6: Geologische boring B46A0718 op 60 m ten noorden van het plangebied (bron: www.dinoloket.nl).
KSP Archeologie
12
uit grof dekzand (Laagpakket van Delwijnen) behorend tot de Formatie van Boxtel. Vanaf 140-170 cm bestaat de bodem uit leem behorend tot de Laag van Wijchen die hier tot de Formatie van Boxtel is gerekend, maar eigenlijk tot de Formatie van Beegden (als deze door de Maas is afgezet) of anders tot de Formatie van Kreftenheye (als deze door de Rijn of door de Maas en Rijn samen is afgezet) moet worden gerekend. De top van de leemlaag bevindt zich op ca. 7,0 m +NAP. Van 170-230 cm is fijn zand aangetroffen, dat tot de Formatie van Boxtel word gerekend (mogelijk gaat het hier om ouder dekzand). Van 230-398 cm is grindig zand aangetroffen, dat als beddingzand van een vlechtende rivier wordt beschouwd en wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. Als op het AHN wordt ingezoomd (Figuur 7) zijn er meerdere onnatuurlijk aandoende structuren aanwezig, die duiden op menselijke ingrepen. Zoals rechthoekige wallen ten noorden van het plangebied (deels ook binnen het plangebied), die waarschijnlijk samenhangen met de verharde parkeerplaats die hier is aangelegd. Een greppelsysteem zowel ten oosten als ten noorden van het plangebied. Het greppel systeem ten oosten van het plangebied bestaat uit ca. 3,0 m brede bedden met daartussen sloten die ca. 1,5 m breed zijn. De bedden liggen op een hoogte tussen 8,9 en 8,8 m +NAP en de sloten op een hoogte tussen 8,5 en 8,4 m +NAP.
Als je de hoogteligging van de sloten vergelijkt met de hoogte ligging van de top van de leemlaag (7,0 m +NAP) in de geologische boring (Figuur 6) dan is lijkt het er niet op dat de sloten door de leemlaag heen gegraven zijn om het stagnerende regenwater op de leemlaag af te voeren via het eronder liggende zandige pakket. Daarnaast zijn er ook vijvers ten westen en zuidoosten van het plangebied aangelegd. Het hoogste deel van het plangebied bevindt zich aan de noordwestzijde en ligt op ca. 9,66 m +NAP. Het laagste deel bevindt zich in de zuidoosthoeken ligt op ca. 8,65 m +NAP. In hoeverre de landschappelijke situatie binnen het plangebied nog intact is, zal uit het booronderzoek moeten blijken.
Figuur 7: Detailbeeld van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Door de toenemende vegetatie zijn de rivierduinen en het stuifzand vastgelegd en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. Gezien de hoge ligging van het plangebied ten opzichte van de lager gelegen rivierterrasvlakte ten noorden en ten zuiden van het plangebied is het plangebied altijd buiten de invloedsfeer van de Maas en Waal gebleven en is er geen klei afgezet. Na de bedijking van de Maas en Waal in de Late Middeleeuwen heeft er afgezien van overstromingen ten gevolg van dijkdoorbraken geen sedimentatie meer plaatsgevonden in het Land van Maas en Waal. KSP Archeologie
13
Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied duinvaaggronden verwacht (Bijlage 2, code Zd30). De duinvaaggronden zijn kenmerkend voor de voormalige stuifzandgebieden en bestaan uit een dunne bouwvoor, een micropodzol of humeuze bandjes met daaronder de natuurlijke ondergrond die uit stuifzand bestaat (De Bakker & Schelling 1989). De stuifzandlaag verschilt in dikte, maar kan dikker zijn dan 120 cm. Op grotere diepte kan een begraven podzolgrond worden aangetroffen, die oorspronkelijk aan het maaiveld lag. Op andere plaatsen is de podzolgrond juist verstoven. 2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009); Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant; Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): het plangebied ligt aan de westelijke rand van het operatieterrein Market Garden uit WOII, er worden geen specifieke resten verwacht; V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl); Bouw-/constructietekeningen van
te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): Bij het Bodemloket zijn geen gegevens aanwezig van het plangebied; Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar (zie paragraaf 2.2); In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied.
KSP Archeologie
14
Het Land van Maas en Waal wordt aan de noordzijde begrensd door de rivier de Waal, in het oosten door het Maas- en Waalkanaal, in het zuiden door de rivier de Maas en in het westen door het Kanaal van Sint Andries (Haartsen 2009). Voor de inrichting en het gebruik van het landschap van het Land van Maas en Waal is de fysisch-geografische gesteldheid van het gebied (de donken, de stroomruggen van huidige en fossiele rivieren en de kommen) van groot belang geweest. De bodem bestaat voor het grootste deel uit zavel en klei die door de rivieren is afgezet. Hier en daar komen oudere afzettingen aan de oppervlakte, namelijk rivierduinen of donken en dekzand die aan het eind van het Pleistoceen zijn gevormd. Het plangebied ligt binnen deze oudere afzettingen. Binnen de laagtes tussen de rivierduinen zijn soms vennen aanwezig. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid vinden we op de rivierduinen en dekzandwelvingen die boven de omgeving uitsteken. In het begin van het Holoceen werden de lager gelegen delen van het gebied steeds natter, er vonden vaker overstromingen plaats, zodat de hoger gelegen pleistocene zandgronden geschikte vestigingsplaatsen waren. Op enkele plaatsen zijn op deze zandgronden vondsten uit het Mesolithicum aangetroffen. Het rivierengebied behoort tot de oudste cultuurlandschappen van ons land.
Men mag aannemen dat het gebied in ieder geval vanaf de Bronstijd, en misschien al vanaf het Neolithicum, permanent bewoond is geweest. Veel zichtbare sporen hebben deze oudste bewoningsfasen echter niet in het landschap achtergelaten. De inrichting van het cultuurland, waarvan we in het huidige landschap nog de belangrijkste kenmerken terugvinden, dateert in grote lijnen uit de Vroege Middeleeuwen (stroomruggronden) en de Late Middeleeuwen (kommen). De stroomruggronden waren vanouds in gebruik als woonplaats, als bouwland en als boomgaard, terwijl in de komgebieden wei- en hooilanden, eendenkooien en grienden werden aangetroffen. De uiterwaarden zijn vooral als weiland gebruikt. Volgens het historischlandschappelijk informatiesysteem Histland ligt het plangebied binnen het landschapstype van oude bossen (voor 1850) met als hoofdtype heideontginningen en bossen (sedert 1850), waarvan de mate van verandering in de loop van de tijd niet is vastgesteld. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 8) is het plangebied in gebruik als hakhout (nr. 61 bis) en het gebied er omheen als heide (nr. 61). De leemweg ligt ten noorden van het plangebied en duidt waarschijnlijk op de leemlaag die in dit gebied onder het stuifzand aanwezig is.
Op de kaart uit 1918 (Figuur 9) is het landschapsgebruik goed te herkennen. De voormalige heide ten zuiden van het plangebied is nu aangeplant met naaldbos (donker groene kleur) en binnen het plangebied zelf is loofbos (groene kleur) aanwezig. Het plangebied en de directe omgeving is onbebouwd. Met zonvormige streeparceringen zijn de duinen weergegeven. Op de kaart uit 1957 (Figuur 10) is het plangebied onbebouwd en in gebruik als bos, maar is het ruimere gebied rondom het plangebied nu ontsloten door paden en is ten zuidwesten van het plangebied voor het eerst bebouwing aanwezig dat nu onderdeel uitmaakt van het zorgcomplex van de Sheltergroep. Volgens het kadaster stamt het oudste deel van deze bebouwing uit 1937. Op de kaart uit 1957 zijn ook de vijvers ten westen en ten zuidoosten van het plangebied te zien die in voor het eerst op de kaart uit 1928 te zien waren. Vanaf 1928 tot en met 1957 lijkt er veel grondverzet te hebben plaatsgevonden rondom en waarschijnlijk ook binnen het plangebied. Op de kaart uit 1998 (Figuur 11) is het zorgcomplex ten zuidwesten van het plangebied sterk uitgebreid. Binnen het plangebied lijkt er niet veel te zijn veranderd en komt de situatie grotendeels overeen met de huidige situatie (Figuur 1).
KSP Archeologie
15
Figuur 8: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1918, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
16
Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1998 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
17
Het plangebied was al vanaf het begin van de 19e eeuw en waarschijnlijk al langer als bos (hakhout) in gebruik, maar tussen 1928 en 1957 heeft er veel grondverzet in de directe omgeving en mogelijk ook deels binnen het plangebied plaatsgevonden. Hierdoor kan de bodem, gezien het hoogteverschil van ruim 1,0 m tussen het noordwestelijke deel en de zuidoostelijke hoek van het plangebied, tot een aanzienlijke diepte zijn verstoord. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); Gemeentelijke archeologische beleidskaart (RAAP-rapport 1828, 2009). Het plangebied ligt zelf binnen een archeologische monument (AMK-terrein 4230). Binnen het plangebied zijn geen archeologische onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied is één AMK-terreinen en zijn meerdere onderzoeksmeldingen en vondstlocaties gemeld (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Wijchen in de gemeente Wijchen, tenzij anders vermeld in Tabel 1. AMK-terrein
Locatie en ligging
Aard terrein/waarde
Datering
4230
Leemweg/Urneveldweg, op 0 m
Terrein van hoge archeologische waarde, urnenveld. Zie tekst
BRONS-IJZL
4231
Valendrieseweg, op 235 m ten ZW
Terrein van hoge archeologische waarde, urnenveld. Zie tekst
BRONS-IJZL
Onderzoeks/vondstmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
Datering
OM 2146770100
Urnenveldweg 30, op 130 ten ZW
Bureau- en booronderzoek 2007 door RAAP
Geen info in Archis en DANS
Onbekend
OM 2198773100
Havenweg, op 445 m ten NO
Bureau- en booronderzoek 2007 door De Steekproef
Zie tekst
n.v.t.
OM 2206937100
Valendrieseweg 167, op 460 m ten ZW
Archeologische waarneming 2008 door Gemeente Nijmegen
Zie tekst
n.v.t.
OM 2242706100
Valendrieseweg, op 480 ten ZW
Bureau- en booronderzoek 2009 door ARC
Zie tekst
n.v.t.
OM 2329328100
Graafseweg Alverna, op 380 m ten ZO
Begeleiding 2011 door gemeente Nijmegen
Zie tekst
NEOM-IJZV BRONS-IJZ ROM
OM 2329296100
Bospad 5 Alverna, op 412 m ten NO
Begeleiding 2011 door gemeente Nijmegen
Zie tekst
NEO-IJZ
OM 2360220100
Bedrijventerrein Oost, op 370 m ten NW
Bureau- en booronderzoek 2012 door Synthegra
Zie tekst
n.v.t.
OM 4009584100
Bospad 5 Alverna, op 460 m ten NO
Bureau- en booronderzoek 2016 door RAAP
Zie tekst
n.v.t.
OM 4695330100
Leemweg 134, op 230 m ten ZO
Bureau- en booronderzoek 2019 door Bureau voor Archeologie
Zie tekst
n.v.t.
OM 4672204100
Valendrieseweg, op 500 m ten ZW
Booronderzoek 2019 door Transect
Zie tekst
NEO-IJZ
KSP Archeologie
18
Onderzoeks/vondstmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
Datering
OM 4696108100
Leemweg 134, op 230 m ten ZO
Bureau- en booronderzoek 2019 door Bureau voor Archeologie
Zie onderzoeksmelding 4695330100 hierboven
n.v.t.
OM 4699365100
Valendrieseweg, op 500 m ten ZW
Proefsleuven 2019 door Transect
Zie tekst
BRONS-ROM MEL
OM 4839227100
Leemweg Alverna, op 230 m ten ZO
Proefsleuven 2020 door VUhbs
Zie tekst
NT
OM 4975242100
Valendrieseweg, op 435 m ten ZW
Bureauonderzoek 2021 door Econsultancy
Zie onderzoeksmelding hieronder
n.v.t.
OM 5034890100
Valendrieseweg, op 525 m ten ZW
Booronderzoek 2021 door Econsultancy
Eerste bevindingen in Archis, zie tekst
n.v.t.
VM 2753800100
Leemweg, op 295 m ten NW
Niet archeologisch
aardewerk
IJZ
VM 2753890100
Leemweg, op 245 m ten ZO
Niet archeologisch
aardewerk
BRONSL-IJZ
VM 2753899100
Leemweg, op 340 m ten N
Niet archeologisch
Aardewerk, urnenveld
IJZM
VM 2753922100
De Valendries, op 380 m ten W
Niet archeologisch 1959
Aardewerk, glas, bot en brons
IJZV
VM 2874872100
Alverna, Wit Ven, op 345 m ten NO
Niet archeologisch 1969
Vondsten zijn aangevoerd vanaf andere locatie, aardwerk
NEOL
VM 2882591100
Sportpark Alverna, op 250 m ten NO
Niet archeologisch 1955
crematie, aardewerk, urnenveld
IJZV
VM 2882623100
Sportpark Alverna, op 115 m ten NO
Niet archeologisch 1955
crematie, aardewerk, urnenveld
IJZV
VM 2899334100
Valendries, op 380 m ten W
Onbekend 1959
Stenen bijl
NEOV-BRONS
VM 2924102100
Valendries, op 315 m ten ZW
Onbekend 1931
Grafveld, crematies
BRONS-ROM
VM 3054083100
Alverna – Portiuncula, op 320 m ten O
Booronderzoek 2005
Geen info in Archis en DANS
Onbekend
VM 3140494100
Valendries, op 275 m Niet archeologisch 1959 Urnenveld, crematies IJZM ten ZW Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
AMK-terrein 4230 (Leemweg/Sint Jorispad/Urnenveldweg) Terrein met sporen van een urnenveld uit de Bronstijd tot en met Late IJzertijd. In de directe omgeving zijn verder vondsten gedaan uit het Neolithicum/Vroege Bronstijd en de Romeinse tijd. Het urnenveld heeft zeer ver buiten de grenzen van dit terrein uitgestrekt. Alle waarnemingen zijn buiten het terrein zelf gedaan. Dit terrein is waarschijnlijk het laatste stukje urnenveld dat nog intact is. Zie ook AMK-terrein 4231. AMK-terrein 4231 (Valendrieseweg) Terrein met sporen van een urnenveld. In de jaren 1930 zijn hier urnen gevonden. Onderzoeksmelding 2198773100 (Havenweg, Vissinga 2008) Vanuit de uitgevoerde boringen is duidelijk geworden dat binnen het plangebied geen sprake (meer) is van een intacte bodemopbouw. In geen van de boringen is een intact bodemprofiel (podzolprofiel) aangetroffen of is een duidelijk esdek waargenomen. Met uitzondering van de boorlocaties 6, 25 en 27 is in alle boringen onder de bouwvoor direct de C-horizont aangeboord. In boringen 6, 25, en 27 zijn twee maal een B/C-horizont en eenmaal een B-horizont (B-rest) aangeboord. De top van deze horizonten waren in alle gevallen vermengd met bovenliggende lagen. De bodem is onderzocht op intactheid en archeologische indicatoren. Tijdens het veldwerk is duidelijk geworden dat de bodem in
KSP Archeologie
19
het plangebied grotendeels tot in de C-horizont is verstoord. In een C-horizont zouden mogelijkerwijs diepere archeologische grondsporen aanwezig kunnen zijn. Voor de aanwezigheid van deze sporen binnen het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden. Advies geen vervolgonderzoek.
Onderzoeksmelding 2206937100 (Valendrieseweg 167, Wildenberg 2008) Uit de sloopput en de stort zijn geen vondsten gekomen. De bodemopbouw is als volgt: - Verstoorde bovengrond i.v.m. sloop (0-20 cm -mv) - Geel gevlekt bruingrijs zand, cultuurlaag (20-40 cm -mv) - Bruin zand, natuurlijk (40-60 cm -mv) - Bruingeel zand met oer, natuurlijk (60-80 cm -mv) Het profiel geeft aan dat de oorspronkelijke cultuurlagen op geringe diepte liggen en op (delen van) het terrein nog ongestoord zijn. Binnen de sloopput zijn deze lagen echter geheel verdwenen. Onderzoeksmelding 2242706100 (Valendrieseweg, Thijs 2009) Op de onderzoekslocatie zijn bruine enkeerdgronden aanwezig. Het deel van de onderzoekslocatie ten zuiden van de Valendrieseweg is in het verleden ontgrond tot een maximale diepte van 1,8 m –mv. Het deel ten noorden van de onderzoekslocatie is niet ontgrond. Wel is hier in verleden getracht leemlagen in de ondergrond te breken om de waterhuishouding van het perceel te verbeteren. Het verkennend booronderzoek heeft het afgraven van het perceel ten zuiden van de Valendrieseweg bevestigd. Het archeologische niveau direct onder het esdek is hier volledig afgegraven. Op het perceel ten noorden van de Valendrieseweg is in één van de drie boringen een aanwijzing gevonden voor vergraving van het archeologische niveau direct onder het esdek.
In alle boringen was nog een grotendeels intacte holtpodzol B-horizont aanwezig. In het booronderzoek is niet eenduidig vast komen te staan dat het perceel ten noorden van de Valendrieseweg volledig is vergraven door bodemingrepen uit het verleden. Een vervolgonderzoek is nodig om dit vast te stellen. Onderzoeksmelding 2329328100 (Graafseweg, Den Braven 2012) Op een aantal locaties is in de putprofielen een afgetopte podzolbodem waargenomen, bestaande uit een E-, B-, C- en Ce-horizont. Onder het pleistocene rivierduinzand (C/Ce-horizont) bevindt zich een dik pakket zandige leem. Binnen de podzolbodem zijn twee mogelijk paalkuilen zijn waargenomen. De datering is door het ontbreken van vondsmateriaal onduidelijk. Tijdens de begeleiding is een geringe hoeveelheid vondsten gedaan. Het merendeel is afkomstig uit een subrecente kuil. De archeologisch relevante aardewerk vondsten dateren in het Midden-Neolithicum tot en met de Vroege IJzertijd, Late Bronstijd tot en met de IJzertijd en Romeinse Tijd. Onderzoeksmelding 2329296100 (Bospad 5, Den Braven 2011) Uit de archeologische begeleiding is gebleken dat zich ter hoogte van het voormalige clubgebouw geen archeologische grondsporen (meer) bevinden. Er is een wandfragment handgevormd aardewerk uit de verrommelde laag aangetroffen die dateert in het Neolithicum-IJzertijd. Het bodemprofiel is verstoord tot in de C-horizont.
Advies geen vervolg. Onderzoeksmelding 2360220100 (Bedrijventerrein Oost, Kremer 2012) Onder het ophoogzand en de bouwvoor is in alle zes geplaatste boringen matig grof, zwak siltig, matig roesthoudend zand aangetroffen. Dit zand is geïnterpreteerd als een eolische afzetting, hetzij van een rivierduin (Laagpakket van Delwijnen), of een stuifduin (Laagpakket van Kootwijk). In de boringen 4 en 6 loopt dit zand door tot het einde van de boringen op 120 cm beneden maaiveld. In de boringen 1, 2, 3 en 5 is onder dit matig grove zand op een diepte van respectievelijk 150, 80, 80 en 120 cm beneden maaiveld een laagje stugge, grof zand bevattende, roesthoudende, oranje grijze klei aangetroffen met een dikte van circa 30 tot 40 cm. Deze laag zandige klei is geïnterpreteerd als Laag van Wijchen, die onderdeel uitmaakt van de Formatie van Kreftenheye). In de Laag van Wijchen is geen vegetatiehorizont waargenomen. Onder de Laag van Wijchen is tot het einde van de boringen op een diepte van respectievelijk 200, 140, 140 en 200 cm beneden maaiveld matig grof, zwak siltig zand aangetroffen
KSP Archeologie
20
(beddingafzetting van de Formatie van Kreftenheye). In geen van de boringen zijn aanwijzingen voor bodemvorming waargenomen. Ook is er geen plaggendek aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Advies geen vervolg.
Onderzoeksmelding 4009584100 (Bospad 5, Porreij-Lyklema) Het gehele terrein is afgetopt/geëgaliseerd tot in het rivierduinzand. Alleen in het westen van het plangebied, ter hoogte van boringen 3 en 7, is lichte bodemvorming aangetroffen. Vrijwel over het gehele terrein is de bodem tot 40 cm -mv verstoord. Dit is dieper van de voorgenomen ingrepen (afgraven tot 35 cm -mv). Alleen ter hoogte van boring 3 is vanaf 30 cm -mv een (licht ontwikkelde) Bhorizont aanwezig. Ter hoogte van boring 5 gaat de gravelverharding op 30 cm -mv over in een Chorizont. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats zijn niet aangetroffen. Advies geen vervolg. Onderzoeksmelding 4695330100 (Leemweg 134, Roodenburg 2019) Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem minimaal tot 120 en maximaal tot 230 cm -mv verstoord is. Het verstoorde pakket bevat kachelgrit, baksteenspikkels en een aardewerkfragment uit de Nieuwe tijd, waardoor de bodemstoring in verband kan worden gebracht met de bouw en sloop van klooster Alverna en de bouw van het huidige woon-zorgcomplex. Archeologische resten van vóór 1887 zijn waarschijnlijk vergraven. Mogelijk zijn in het terrein sporen en resten aanwezig uit de Tweede Wereldoorlog, zoals afvalkuilen en mogelijk graven. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Onderzoeksmelding 4672204100 (Valendrieseweg, Melma 2019) Onder in de boringen is vanaf een diepte van 50 cm -mv matig grof zand aangetroffen (8,4 m +NAP). Het zand kent een mediane korrelgrootte van 210-300 en is matig slecht gesorteerd. Het is zwak siltig en uitsluitend kalkloos. Vermoedelijk betreft het sediment rivierduinzand. In de top van het zand zijn sporen van roestvorming waar te nemen, die vermoedelijk het gevolg zijn van het uitlogen van ijzer uit de top van het rivierduinzand (gley-verschijnselen). Ook zijn op een dieper niveau in het duinzand roestvlekken aangetroffen (boring 3, 6 en 7). Deze roestvorming is vermoedelijk het gevolg van het hangwater, dat in de ondergrond van het plangebied stagneert. Deze stagnatie is het gevolg van de aanwezigheid van zwak zandig leem dat vanaf een diepte van 145 cm -mv in de ondergrond begraven ligt. Doordat percolerend regenwater op de leemlaag blijft “hangen” treedt vlak boven het hangwaterniveau sterke roestvorming op op het contactvlak met bodemlucht. Er zijn zelfs ijzerconcreties waargenomen. In de top van het dekzand kleurt het zand bruin. Deze bruinkleuring is vermoedelijk het gevolg van bodemvorming, een proces dat het gevolg van interne verwering is. Hierdoor ontstaat een zogenaamde verweringshorizont (Bw-horizont). Deze is in alle boringen aanwezig. Deze horizont bevindt zich tussen een diepte van 50 en 100 cm -Mv.
Boven op het zand bevindt zich hoofdzakelijk een humeus pakket zand, dat een dikte kent van circa 50 cm. Hierbinnen zijn twee delen te onderscheiden. Het onderste pakket heeft een donkerbruine kleur en is circa 10 cm dik. Deze laag is geïnterpreteerd als oude akkerlaag, die is ontstaan als gevolg van een menging van de top van het rivierduinzand met opgebrachte humeuze grond. Het bovenste deel van het pakket betreft een sterk humeus, zwartgrijs pakket zand. Dit pakket zand is waarschijnlijk ontstaan als gevolg van het opbrengen van humeuze grond ter bemesting van het terrein (als plaggendek). Tijdens het veldonderzoek zijn in alle boringen archeologische indicatoren in de vorm van aardwerk waargenomen, dat in de prehistorie dateert. Advies vervolg. Onderzoeksmelding 4699365100 (Valendrieseweg, Mol e.a. 2020) Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één kuil aangetroffen met hierin een fragment aardewerk uit vermoedelijk de Bronstijd. Het overige vondstmateriaal is afkomstig uit de top van de Bw-horizont, de akkerlaag en de bouwvoor, en bestaat uit voornamelijk aardewerk uit de periode Bronstijd-Romeinse tijd en, voor wat betreft de bouwvoor tevens aardewerk uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen. De hoge archeologische verwachting is hiermee slechts voor een klein deel uitgekomen, terwijl de
KSP Archeologie
21
proefsleuven optimaal verspreid over het plangebied lagen en in het grootste deel van het onderzoeksgebied de top van de natuurlijke ondergrond nog vrij goed intact was. Ons inziens is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats dan ook geen sprake. Advies vrijgave.
Onderzoeksmelding 4839227100 (Leemweg, Van Kampen 2020) Het archeologisch onderzoek in de tuin van het voormalige klooster Alverna was specifiek gericht op het opsporen van sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog, heeft het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek, afgezet tegen de hooggespannen verwachtingen, relatief weinig resultaat opgeleverd. Hoewel de verwachte sporen uit de Tweede Wereldoorlog dus niet zijn aangetroffen, kon wel worden bevestigd dat de verstoring, zoals deze in het booronderzoek was aangetroffen, zich uitstrekt over het volledige achterterrein van het klooster. Hoewel de reden van deze verstoring niet met zekerheid te bepalen is, wordt gedacht dat het te maken heeft met het verhogen van de vruchtbaarheid in de kloostertuin. Een relatie met de bouw van het klooster lijkt omwille van de vorm van de banen waaruit de verstoring is opgebouwd en het ontbreken van bouwpuin in de verstoring niet waarschijnlijk. Advies vrijgave. Onderzoeksmelding 5034890100 (Valendrieseweg, Econsultancy 2020) Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het zuidelijke deel van het plangebied geen archeologische verwachting heeft, omdat dit in het verleden is ontgrond, wat ook blijkt uit het booronderzoek. In het noordelijke deel van het plangebied is de bodemopbouw grotendeels intact. Archeologische resten worden met name verwacht in de vorm van grondsporen.
Door verbruining worden deze grondsporen verwacht onder de Bw-horizont, vanaf een diepte van circa 80 cm -mv. Deze resten worden mogelijk bedreigd door toekomstige bouwwerkzaamheden. Om vast te stellen of er daadwerkelijk behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied, is er in principe een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase nodig. Omdat er voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek. Het plangebied ligt binnen het als urnenveld aangemerkte AMK-terrein 4230. Dit is gebaseerd op vondstmeldingen zowel ten noorden als ten zuiden van het terrein. Binnen het AMK-terrein zelf heeft tot nu toe nog geen onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat het inderdaad om een urnenveld dan wel begraafplaats uit de prehistorie gaat. De onderzoeksmeldingen uit de omgeving tonen aan dat het gebied zeker vanaf het Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd in gebruik is geweest voor bewoning dan wel begravingen/crematies. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied binnen een AMK-terrein (overig) en heeft vanwege de ligging in het buitengebied een hoge archeologische verwachting (Figuur 12).
KSP Archeologie
22
Figuur 12: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828, 2009).
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Het plangebied is onbebouwd en er zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden deze ook niet verwacht.
KSP Archeologie
23
2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Middelhoog
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, Neolithicum – Volle natuursteen, gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen (tot in Hoog Begravingsresten: kringgreppel, e de 13 eeuw) fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Late Middeleeuwen Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, (vanaf de 13e eeuw)– Laag greppels, bakstenen, fragmenten Nieuwe tijd aardewerk, gebruiksvoorwerpen Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Diepteligging sporen Onder de top van de duinvaaggrond dan wel in eventueel daaronder gelegen podzolbodem (vanaf ca. 30 cm -mv) Onder de top van de duinvaaggrond dan wel in eventueel daaronder gelegen podzolbodem (vanaf ca. 30 cm -mv) tot in de C-horizont Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt binnen een zone met landduinen (rivierduinen) met bijbehorende vlakten en laagten. Het terrein waarbinnen het plangebied ligt is aangemerkt als urnenveld/grafveld. Mogelijk dat Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het plangebied binnen een zone met landduinen met bijbehorende vlakten en laagten ligt en het onzeker is of er in het verleden sprake is geweest van de aanwezigheid van een ven, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.