Bijlage 2: Toelichting bestemmingsplan ‘Hoeveweg 18 Balgoij’
Tekst van het document
Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. De volgende aspecten spelen een rol ten aanzien van externe veiligheid bij ruimtelijke projecten: ✓ inrichtingen; ✓ vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; ✓ transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en/of spoor. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het PR en het GR. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) relevant. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het verplicht transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in een bestemmingsplan.
In het Bevt en de Regeling Basisnet zijn de normen voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Tot slot is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
29
Risicokaart Op de Risicokaart Gelderland zijn de risicovolle inrichtingen en transportassen weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportassen. De risicocontouren van op grotere afstand gelegen inrichtingen en transportassen reiken niet tot over het plangebied. De locatie is ook op ruime afstand van het PR-plafond water, samenhangend met het Basisnet, gelegen. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico in het kader van de externe veiligheid. Beleidsvisie Wijchen externe veiligheid Door de gemeente Wijchen is in 2016 de “Beleidsvisie Externe Veiligheid” vastgesteld. In deze beleidsvisie is onder meer vastgelegd op welke wijze het groepsrisico verantwoord moet worden. Daarbij geldt hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingsplicht wordt ingevuld. Op basis van de beleidsvisie is het plangebied gelegen binnen de ‘zonering provinciale en gemeentelijke wegen’ en de ‘zonering Maas’ (Maascorridor). Gelet op de aanwezige afstand tot wegen en Maas kan volstaan worden met navolgende ‘standaardverantwoording a’. Verantwoording groepsrisico a Inleiding Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van een risicobron.
Om deze reden wordt conform de Beleidsvisie externe veiligheid een standaardverantwoording toegepast. Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd.
Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
30
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Ook het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-Alert en het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van de gemeente Wijchen valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Beleidsvisie externe veiligheid Wijchen en de daarin gemaakte keuzes. 5.1.6 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden. In de directe nabijheid van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd. Voor deze bedrijven is geïnventariseerd in hoeverre sprake is van een zonering conform de handreiking ‘Bedrijven en zonering’ (VNG, 2009), die zich uitstrekt over het plangebied. Voor de in de directe omgeving aanwezige bedrijven mag worden uitgegaan van de navolgende indicatieve richtafstand ten opzichte van woningen in een ‘gemengd gebied’. Gelet op de hoeveelheid niet-woonfuncties (agrarische bedrijven, nietagrarische bedrijven, horecabedrijven) in de lintbebouwing aan de Hoeveweg mag deze aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’. In het overzicht is ook de daadwerkelijk aanwezige afstand weergegeven.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
31
Gemengd gebied Bedrijf/inrichting Garagebedrijf, Hoeveweg 3 Transportbedrijf, Hoeveweg 7a Horecabedrijf, cat. 1 t/m 4 Hoeveweg 8-10 Machinebedrijf, Hoeveweg 14 Grondgebonden agrarisch bedrijf (kleinfruit), Hoeveweg 16 Dierenpension, Hoeveweg 21-25
Categorie 2
Richtafstand 10 m
Werkelijke afstand 50 m
3.1
30 m
15 m
2
10 m
135 m
3.2
50 m
55 m
2
10 m
5m
3.2
50 m
240 m
De afstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die de bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de betreffende woningen. Het planvoornemen bevindt zich op basis van het overzicht binnen de richtafstanden van het transportbedrijf en het agrarisch bedrijf. In deze gevallen zal nader beoordeeld moeten worden in hoeverre de woningen hinder van deze bedrijven zullen ondervinden. Andersom moet ook beoordeeld worden in hoeverre de woningen uit het planvoornemen een belemmering voor de omliggende bedrijfsactiviteiten kunnen vormen. Met betrekking tot het transportbedrijf is daarbij de huidige situatie van belang. In de huidige situatie ligt het transportbedrijf tussen de 2 burgerwoningen Hoeveweg 7 en 9. Tegenover het transportbedrijf ligt de bestaande woning Hoeveweg 18. Bepalend voor de milieuruimte voor het transportbedrijf zijn de aan het bedrijfsperceel grenzende burgerwoningen. De afstanden tussen deze woningen en het bedrijfsperceel zijn circa 3 m en 6 m. Ten behoeve van een aanvaardbaar woonmilieu bij deze woningen is het bedrijf al beperkt in zijn milieuruimte. Het woonmilieu van de tegenover, op grotere afstand liggende bestaande woning zal daardoor zeker aanvaardbaar zijn. Dit zal bij de vervanging van die woning door de 2 woningen uit het planvoornemen niet anders zijn.
De beide naastgelegen woningen vormen in de huidige situatie al de beperkende factor voor de toelaatbare bedrijfsactiviteiten. De op meer dan de dubbele afstand gelegen nieuwe woningen zullen deze beperkende factor niet verder vergroten. Betreffende het agrarisch bedrijf vormt voor het zuidwestelijke deel van het agrarisch bouwvlak de bestaande woning Hoeveweg 18 de beperkende factor. Om bij deze woning een goed woonmilieu te kunnen garanderen gelden al beperkingen voor de gebruiksmogelijkheden binnen het agrarisch bouwvlak. Bij het planvoornemen blijft de afstand van de dichtstbij gelegen woning gelijk. Voor de toe te voegen woning wordt de bebouwing in westelijke richting uitgebreid, van het agrarische bouwvlak af. Omdat nu al sprake is van een aanvaardbaar woonmilieu bij de bestaande woning, zal dat ook na de vervanging door 2 halfvrijstaande woningen op
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
32
gelijk en grotere afstand het geval zijn. Omgekeerd levert de op grotere afstand gelegen extra woning geen verdere beperkingen op voor de gebruiksmogelijkheden binnen het agrarische bouwvlak. 5.1.7 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bloottelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. In en om de kern Balgoij hangen gezondheidsrisico’s met name samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, zijn veehouderijen getoetst aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aanen afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden.
Vooralsnog mag ervanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Varkens-en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Op circa 0,8 kilometer van het plangebied ligt een geitenhouderij. Er is sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Stappenplan 2.0: 1.
Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Uit deze beoordeling blijkt dat de locatie Hoeveweg 18 zich niet binnen de richtafstanden van varkens-/pluimveehouderijen in de omgeving bevindt.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
33
2. Het planvoornemen voorziet in de vervanging van een bestaande vrijstaande woning door 2 halfvrijstaande woningen. Daarbij is geen sprake van een toename van de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak, die kan leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. 3. a. Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond). De afstand tot veehouderijen met dieren zonder emissiefactor is groter dan 100 m (in een kern). b. De voor- en achtergrondbelasting is niet hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. 4. a. Het planvoornemen betreft niet een veehouderij. Rondom het plangebied zijn in de directe omgeving geen veehouderijen gelegen. b. Niet van toepassing, zie onder 4a. 5. Er is geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe geitenhouderij, pluimveebedrijf of overige veehouderij. Het plangebied is wel gelegen binnen de straal van 2 km van een geitenhouderij (stap 5a). Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b) of binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). 6. Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.
Advisering door de GGD wordt gelet op het gestelde onder stap 5a geadviseerd. Door het bevoegd gezag is advies aangevraagd bij de GGD. Het bevoegd gezag neemt het advies van de GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend aan het planvoornemen en of zo nodig extra voorschriften moeten worden opgenomen. Advies GGD De GGD heeft op 25 januari 2021 geadviseerd over een vergelijkbaar planvoornemen (Torenstraat 4 Balgoij). De GGD geeft aan dat uit onderzoek bij veehouderijen in Brabant en Noord-Limburg al was aangetoond dat omwonenden in de buurt van een geitenhouderij extra kans hebben op het krijgen van een longontsteking. En uit vervolgonderzoek 2019/2020 is gebleken dat deze problematiek ook in Gelderland speelt. De relatie is dus wel aangetoond, maar de specifieke oorzaak nog niet. Op basis van deze kennis en onzekerheid handhaaft de provincie Gelderland het moratorium op nieuwbouw en uitbreiding van geitenhouderijen. Veehouderijen leiden tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Deze gezondheidsrisico’s hangen samen met de uitstoot van fijn stof (PM10) , endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) en geur door de veehouderij.
Op basis van de huidige inzichten adviseert de GGD om het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het plaatsen van nieuwe gevoelige bestemmingen op of binnen 250 meter van een veehouderij of in veedichte gebieden met meer dan 15 bedrijven binnen een straal van één kilometer.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
34
Ook op grotere afstand dan 250 meter kunnen gezondheidseffecten optreden door emissies van veehouderijen. Bij geitenhouderijen is er tot 2 km een verhoogd risico op longontsteking gevonden. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Voor geitenhouderijen wordt door de GGD terughoudendheid geadviseerd met vestiging of uitbreiding van geitenhouderijen binnen een afstand van 2 kilometer van gevoelige bestemmingen én terughoudendheid met het bouwen van gevoelige bestemmingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Daarbij wordt verwezen naar het algemeen “Gezondheidskundig advies veehouderijen en omwonenden”, dat als bijlage bij de toelichting beschikbaar is. De aanwezigheid van de geitenhouderij is gelet op voorgaande zeker een aandachtspunt, maar dan vooral voor potentiële nieuwe bewoners. Deze nieuwe bewoners dienen daarin zelf een weloverwogen keuze te maken. Zij moeten zich ervan bewust zijn dat ze binnen 2 km van een geitenhouderij komen te wonen en daarmee een verhoogd risico lopen. Het wordt echter niet afgeraden om er te gaan wonen. 5.1.8 Spuitzone gewasbescherming Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet ter beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening ook rekening gehouden worden met eventuele spuitzones ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Er zijn echter geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten. In het kader van het planvoornemen moet de aan te houden afstand tussen de gronden waarop de gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen worden dat een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone tot bebouwing aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als ‘in het algemeen niet onredelijk’ bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits deze goed onderbouwd wordt. De vaste richtafstand van 50 m is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). De afstand van 50 m is blijkens een uitspraak uit 2004 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen.
Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden, waardoor bedoelde afstand van 50 m thans in principe kan worden gehalveerd tot 25 m.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
35
Direct grenzend aan het plangebied is fruitteelt mogelijk en heeft in het recente verleden ook plaatsgevonden. Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 25 m van deze mogelijke fruitteelt en daarmee binnen de bijbehorende spuitzone. De afstand van 25 m betreft een richtafstand. Gemotiveerd kan hiervan afgeweken worden. Daartoe is in eerste instantie het “Spuitzone onderzoek Hoeveweg 18 Balgoij, Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden” (Adromi Groep, 2022) uitgevoerd. In dit onderzoek is voor de te realiseren woningen gekeken naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege agrarisch bestemde gronden welke zich op minder dan 25 meter van het bouwperceel Hoeveweg 18 bevinden. Dit onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusie en aanbevelingen: ✓ feitelijk is aan de achterzijde sprake van grasland, in eigendom van de initiatiefnemer van het plan. Ten noorden is sprake van de teelt van akkerbouwproducten (laatstelijk: uien). Ten behoeve van beoordeling van het driftrisico, uitgaande van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie, is evenwel uitgegaan van bomenteelt en van boomgaarden. Er is gebruik gemaakt van het Efsa-model om een indicatie te geven van de driftblootstelling. Hierbij is een aantal middelen onderzocht welke in de representatieve situatie kunnen worden gebruikt.
Er is hierbij geen overschrijding van gangbare blootstellingsnormen geconstateerd; ✓ vanuit het voorzorgbeginsel geldt evenwel dat driftblootstelling zo klein mogelijk moet worden gehouden. Op deze wijze kan een situatie worden bereikt waarin blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen kan worden beschouwd als onderdeel van het maatschappelijk risico, vergelijkbaar met blootstelling aan stoffen afkomstig uit verbrandingsgassen; ✓ In lijn daarmee wordt geadviseerd om langs de noordwestelijke en noordoostelijke perceelgrens (de grens met agrarisch bestemde gronden) alsook op posities waar deze afstand minder dan 5 meter is, afschermende beplanting aan te brengen; ✓ optie hierbij is om eventueel voor de agrarische gronden in eigendom van de initiatiefnemer (het grasland aan de achterzijde) in een vast te stellen bestemmingsplanregeling te bepalen dat hier enkel mag worden gespoten met laagrisico stoffen; ✓ aan de wegzijde wordt vooralsnog geen rekening gehouden met de noodzaak voor afscherming. Het spuitzone onderzoek is als bijlage bij deze toelichting beschikbaar. De conclusie en aanbevelingen uit het uitgevoerde spuitzone onderzoeken bieden niet de garantie dat niet toch driftblootstelling op zal treden. Derhalve heeft in aanvulling op het onderzoek ook overleg plaatsgevonden met de eigenaren/ gebruikers van de omliggende percelen.
Uit dit overleg is gebleken dat deze eigenaren/ gebruikers ten gevolge van het planvoornemen en de daaruit voortkomende aanpassingen geen belemmeringen zien voor de door hen gewenste gebruiksmogelijkheden op hun percelen en kunnen instemmen met het planvoornemen. Op basis van bovenstaande is het aanvaardbaar in het geval van de locatie Hoeveweg 18 in Balgoij met een aanzienlijk kleinere afstand van ca. 3 m aan te houden.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
36
5.1.9 Hoogspanningslijnen Beleidskader In 2005 heeft de Staatssecretaris van VROM een beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanninglijnen geformuleerd. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen wordt geadviseerd om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Bovenstaande betekent dat er geen gevoelige bestemmingen (voor hoogspanninglijnen zijn dit woningen en scholen, crèches en kinderopvang) waar langdurig verbleven wordt (tenminste 14-18 uur per dag gedurende minimaal één jaar) opgericht mogen worden binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla. De magneetveldzone is de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Het magneetveld rond een hoogspanningslijn is afhankelijk van een aantal eigenschappen van de lijn. Een belangrijke bepalende eigenschap is de capaciteit van de lijn. Deze wordt op zijn beurt weer bepaald door het spanningsniveau van de lijn en de stroomsterkte die door de lijn kan lopen.
Hoogspanningslijn Ten noorden van de Drutenseweg is de bovengrondse hoogspanningslijn Dodewaard-Boxmeer (380 kV) aanwezig. Rond deze hoogspanningslijn gelden een zakelijk rechtstrook en een indicatieve zone. De in het bestemmingsplan Buitengebied Wijchen vastgelegde zakelijk rechtstrook bedraagt 35 m aan weerszijde van de hoogspanningslijn, dus een totale strook van 70 m. In principe moet deze strook worden vrijgehouden. Het plangebied ligt op ruime afstand (meer dan 1 km) van de hoogspanningslijn. De zakelijk rechtstrook vormt geen beperking. De indicatieve magneetveldzone voor deze hoogspanningslijn is 105 m aan weerszijde van de lijn. Aangezien het plangebied niet is gelegen binnen deze zone, zorgt de hoogspanningslijn niet voor belemmeringen. 5.1.10 Mer(beoordelings)plicht Besluit milieueffectrapportage Ingevolge het Besluit m.e.r. moet worden getoetst of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).
In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
37
Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de vervanging van een bestaande vrijstaande burgerwoning door 2 nieuwe halfvrijstaande burgerwoningen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de beschrijvingen van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
5.1.11 Conclusie Op basis van de onderbouwingen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat vanuit milieuaspecten geen belemmeringen bestaan tegen het planvoornemen. Ook is het niet noodzakelijk voorwaarden aan de voorziene ontwikkeling te verbinden.
5.2
Fysieke aspecten
5.2.1 Water Watertoets Water vormt een steeds belangrijker aspect bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de watertoets genoemd. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Waterparagraaf Het planvoornemen betreft de vervanging van een bestaande vrijstaande burgerwoning door 2 nieuwe halfvrijstaande burgerwoningen. Daarbij wordt de bestaande bebouwing gesloopt, op de te handhaven schuur na. Daarvoor in de plaats worden 2 halfvrijstaande burgerwoningen gebouwd. De schuur gaat als bijgebouw bij één van die woningen functioneren.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
38
Bij de andere woning wordt een nieuw vrijstaand bijgebouw gebouwd, dat als mantelzorgvoorziening dienst zal gaan doen. De rondom de woningen gelegen gronden zullen verder als onbebouwd erf en tuin gebruikt worden. De voorgestane ontwikkeling brengt een beperkte vergroting van het verhard oppervlak met zich mee. In de bestaande situatie is circa 310 m² aan bebouwing en 300 m² aan erfverharding aanwezig. In de toekomstige situatie neemt dit toe naar circa 415 m² aan bebouwing en 600 m² aan erfverharding. Een toename van in totaal (1.015 m² - 610 m² =) 405 m². Voor het planvoornemen is een afzonderlijke “Waterparagraaf woningen Hoeveweg 18 Balgoij” opgesteld. Daarin wordt onder meer geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling het aantal vierkante meters verhard oppervlak slechts beperkt (minder dan 500 m²) toeneemt. Het realiseren van watercompensatie is daardoor niet aan de orde. Het plangebied raakt geen ruimtelijk begrensde waterbelangen van het waterschap. Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein bewerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of opper-vlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. Het plangebied kan voor wat betreft het afvalwater op de bestaande openbare riolering onder de Hoeveweg worden aangesloten.
Het plan heeft gelet op voorgaande geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en omgekeerd. Het planvoornemen is op 20 mei 2021 via de digitale watertoets aangemeld. Dit heeft geresulteerd in toezending van een ‘standaard wateradvies’ door Waterschap Rivierenland. Dit advies is gebruikt bij het opstellen van de waterparagraaf. Op het planvoornemen zijn de korte procedure en standaard waterparagraaf van toepassing. De waterparagraaf en het digitale wateradvies zijn als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 5.2.2 Flora en fauna Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit. In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. Gebiedsbescherming In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
39
Het plangebied of de directe omgeving daarvan maakt geen deel uit van het NNN of Natura 2000-gebieden. De dichtstbij gelegen onderdelen van het NNN liggen op circa 570 m of meer ten zuidwesten van het plangebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, de Rijntakken, is gelegen op een afstand van ca. 11 km of meer. Omdat het planvoornemen daarnaast ook niet voorziet in het opstarten van activiteiten, die een grotere impact kunnen hebben op natuurgebieden in de wijdere omgeving (een vrijstaande burgerwoning wordt vervangen door twee halfvrijstaande burgerwoningen binnen hetzelfde ruimtebeslag), mag aangenomen worden dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de gebiedsbescherming. Stikstofdepositie Voor veel projecten geldt een vergunningsplicht (gebiedsbescherming Natura 2000) of een uitgebreidere motivatieplicht om aan te tonen dat een project geen effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als er aangetoond is dat van de bijbehorende stikstofemissie geen effect te verwachten valt op Natura 2000 gebieden. De depositie van stikstof in het natuurgebied mag niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uitkomen. Het planvoornemen betreft de vervanging van een vrijstaande burgerwoning door twee halfvrijstaande burgerwoningen. Door de Rijksoverheid is de “Handreiking woningbouw en AERIUS” uitgegeven.
In deze handreiking is een overzicht van de ‘Indicatieve depositie (mol/ha/jaar) als functie van de afstand tussen de woningen en het natuurgebied’ opgenomen. Uit dit overzicht blijkt onder meer dat de indicatieve depositie van 50 woningen op een afstand van 10 km tot het natuurgebied 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Daar vanuit gaande kan worden gesteld dat ook de depositie van 2 woningen op een afstand van 11 km tot het natuurgebied niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wnb geen ontheffing zal worden verleend. Quickscan flora en fauna Teneinde informatie te verkrijgen over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna is de “QuickScan flora en fauna Hoeveweg 18, Balgoij” (BNL Advies, 2021) uitgevoerd. De quickscan leidt tot navolgende conclusies en aanbevelingen. 1 Soorten Vogelrichtlijn 1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil.
Naderonderzoek naar het voorkomen/ gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
40
1.2 Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus).
Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog. 1.3 Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen (slopen van bebouwingen) is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. 2 Soorten Habitatrichtlijn 2.1 Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen (slopen woonhuis) kunnen leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook nodig geacht.
2.2 Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
41
2.3 Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Gelderland een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effecten op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. 3 Aanbevelingen/natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor- en na de bouw van nieuwe bebouwingen op de kavel. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe)soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen, en andere soorten is van alles te verkrijgen.
Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen de westgevel van de nieuwe woning, of er kunnen speciale ‘vleermuispannen’ aangebracht worden op de nieuwe bebouwingen. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet: www.vivara.nl. Voor de vleermuizen kunnen ook ruimtes open gelaten worden in de overstek welke toegang bieden tot de spouw, zodat ze zich in de spouw kunnen schuilhouden en voortplanten. Het is ook mogelijk nestkasten voor huismussen en vleermuizen in te metselen in de spouw. Dit heeft geen negatief effect op de isolatiewaarde maar wel een positief effect op de aanwezige soorten in de omgeving. Ook kan ervoor gezorgd worden dat vogels zich onder de nieuwe dakpannen kunnen vestigen, door vogelschroot weg te laten. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld huismussen zich vestigen onder het nieuwe dak. Alles wat hierboven benoemd wordt is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering zijn en voor ons als mens een kleine moeite. 4 Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, wordt nader onderzoek, naar volgens de Wet natuurbescherming beschermde soorten, nodig geacht.
Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van vaste rust-, voortplantings- en verblijfplaatsen van vleermuizen in het woonhuis. De garage/het bijgebouw op de kavel voorziet niet in mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten (waaronder vleermuizen) waardoor deze eventueel wel al verwijderd mag worden. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
42
Het genoemde nader onderzoek zal worden uitgevoerd conform de daarvoor opgestelde protocollen in de daarvoor vastgelegde periode in het jaar. Totdat het nader onderzoek naar vleermuizen en eventuele vervolgstappen zijn afgerond zal op geen enkele manier gestart worden met sloop- en kapwerkzaamheden. Uit het nader onderzoek kan blijken dat mitigerende of compenserende maatregelen getroffen moeten worden of dat een ontheffing Wnb nodig is. Mogelijk te treffen mitigerende of compenserende maatregelen of noodzakelijke ontheffingen Wnb zullen worden uitgevoerd respectievelijk aangevraagd. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zal waar mogelijk invulling worden gegeven aan de aanbevelingen voor natuur-inclusief bouwen. In aanvulling daarop zal bij de verdere uitwerking van de bouwplannen ook gekeken worden naar de mogelijkheden van het toepassen van groene gevels en groene daken, het aanbrengen van vogelhuisjes, insectenhotels en/of ingemetselde vogel- en/of vleermuiskasten. De Quickscan flora en fauna is als bijlage bij de toelichting beschikbaar. 5.2.3 Cultuurhistorisch erfgoed Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook navolgende bepaling omtrent de archeologische monumentenzorgen cultuurhistorische waarden. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen ook rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie In het cultuurhistorische beleid van de provincie Gelderland ‘Belvoir’ is Gelderland ingedeeld in tien Belvoirgebieden. Ieder gebied heeft zijn eigen regionale cultuurhistorische identiteiten. De dragers van deze identiteiten zijn de DNA structuren. De kaart ‘Het Gelders DNA’ geeft voor de verschillende Belvoirgebieden de cultuurhistorische identiteitsdragers weer. De provincie zet zich in om dit DNA te behouden, versterken en te ontwikkelen.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
43
Balgoij en omgeving is onderdeel van het Belvoirgebied Rivierengebied. De identiteit van dit gebied wordt bepaald door ‘strijd en leven met het water’. Op de kaart ‘Het Gelderse DNA’ is in de directe omgeving van het plangebied enkel de aanduiding ‘Bestaande Kade’ van toepassing. Deze kade volgt het tracé van de Herreweg, via de Torenstraat naar de Boomsestraat. Het planvoornemen ligt niet direct aan het tracé van de kade en doet daaraan geen afbreuk. Verdere cultuurhistorische waarden zijn binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan niet aanwezig. Op het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied’ van toepassing. De hieronder vallende cultuurhistorisch waardevolle gebieden betreffen de gebieden die zijn opgenomen in de Cultuurhistorische waarderingskaart uit de intergemeentelijke beleidsnota “Samen in verscheidenheid” en daarin zijn aangeduid als cultuurlandschappelijke waardering zeer hoog, hoog en middelhoog.
De cultuurhistorische waarden van deze gebieden bestaan uit: ✓ de mate van visueel-ruimtelijke relatie met de (agrarische) percelen en het onderscheid daarin tussen de verschillende landschapstypen (open, half-open of gesloten); ✓ de overwegend agrarische oorsprong van de bebouwing in de linten; ✓ de maat en schaal van de bebouwing; ✓ de variatie van rooilijnen en bouwmassa's langs de linten; ✓ de compactheid van de bebouwingsensembles op de afzonderlijke percelen; ✓ hoofdgebouwen die gericht zijn op de bebouwingslinten; ✓ een herkenbaar onderscheid in situering en massa tussen hoofd- en bijgebouwen. Doordat het planvoornemen betreft de vervanging van een vrijstaande door twee halfvrijstaande woningen met een vergelijkbare verschijningsvorm, is het planvoornemen niet noemenswaard van invloed op genoemde cultuurhistorische waarden. Archeologie Uitgangspunt van de wet- en regelgeving aangaande archeologie is dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Op de Archeologische beleidskaart voor de gemeente Wijchen is de omgeving van het plangebied aangeduid als gebied met een ‘middelmatige archeologische verwachting’.
De uitbreiding van het bebouwd oppervlak ten gevolge van het planvoornemen is ten opzichte van de bestaande situatie vrij klein. De nieuwe bebouwing is grotendeels gesitueerd over de locatie van de bestaande woning heen en er is sprake van bebouwing in de vorm van een tijdelijke unit voor mantelzorg. Daarnaast is in de directe omgeving (bij de nieuwe woningen ten zuiden van het plangebied, in het plan Hoeveweg 13) een archeologisch booronderzoek uitgevoerd, dat uitwees dat die locatie kom worden afgeschaald van een middelhoge naar een lage verwachting.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
44
Naar verwachting geldt dit ook voor het plangebied op Hoeveweg 18. De lage verwachting gecombineerd met de beperkte bodemverstoring rechtvaardigen de conclusie dat voor het planvoornemen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Over bovenstaande heeft reeds afstemming plaatsgevonden met de beleidsadviseur archeologie van de Werkorganisatie Druten Wijchen. Door de beleidsadviseur kan hiermee worden ingestemd. Gelet op de middelmatige archeologische verwachting wordt aan het plangebied wel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. Hiervoor geldt dat er bij toekomstige ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 60 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Zoals hierboven al onderbouwd, mag in het kader van het planvoornemen van archeologisch onderzoek worden afgezien. 5.2.4 Verkeer en parkeren Na realisering van het planvoornemen blijft binnen het plangebied de woonfunctie relevant voor verkeer en parkeren. De vervanging van een vrijstaande burgerwoning door twee halfvrijstaande burgerwoningen heeft gevolgen voor de verkeersgeneratie. In de huidige situatie is bedraagt de verkeersgeneratie (uitgaande van een verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigen/weekdag per woning) 10 motorvoertuigbewegingen/werkdag (1,11 x 8,6).
Na realisatie van het planvoornemen (waarbij het aantal burgerwoning van 1 naar 2 gaat) bedraagt de verkeersgeneratie circa 20 (2 x 10) motorvoertuigbewegingen/werkdag. De verkeersgeneratie neemt derhalve beperkt toe. De toename in verkeersgeneratie vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling op de Hoeveweg. De gemeentelijke parkeernorm voor woningen is gekoppeld aan de CROW-publicatie “Toekomstbestendig parkeren”. Dit betekent voor halfvrijstaande woningen in Balgoij (‘rest bebouwde kom’ in ‘weinig stedelijk gebied’) een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning. Conform die parkeernorm moeten in totaal 2 x 2,7 = 5,4 parkeerplaatsen aangelegd worden op eigen terrein. Omdat het om twee aparte woningen gaat, moeten per woning 3 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Daartoe is op de beide kavels voldoende ruimte aanwezig. 5.2.5 Conclusie Op basis van de onderbouwingen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat fysieke aspecten geen belemmeringen opleggen aan het planvoornemen. Ook is het niet noodzakelijk voorwaarden aan de voorziene ontwikkeling te verbinden. Wel is mogelijk een ontheffing Wnb of het treffen van mitigerende maatregelen noodzakelijk bij de sloop van de bestaande bebouwing.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
45
5.3
Economische aspecten
5.3.1 Kostenverhaal Door de gemeente Wijchen wordt met de initiatiefnemer een realisatieovereenkomst afgesloten. In deze overeenkomst (Wro, afdeling 6.4) worden onder meer afspraken gemaakt over de wijze van realiseren van het plan, het verhalen van door de gemeente te maken kosten en afwenteling van planschade. Daarnaast worden voor het herzien van het bestemmingsplan legeskosten in rekening gebracht.
De kosten van de daadwerkelijke uitvoering van het planvoornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. Voor de gemeente Wijchen zijn aan het planvoornemen verder geen kosten verbonden. 5.3.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Naar verwachting zal in onderhavig geval beperkt of niet sprake zijn van planschade. De fysieke situatie wijzigt beperkt, waarbij sprake zal zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Verouderde bebouwing wordt vervangen door nieuwe, op meer gangbare afstand van de weg gesitueerde bebouwing. Het toevoegen van een woning binnen de richtafstanden rond bedrijven kan leiden tot meer gehinderde objecten waardoor de bedrijfsexploitatie wordt bemoeilijkt. Er bestaat een risico op meer klachten. Dat kan van invloed zijn op de waarde van die bedrijven. Mocht toch sprake zijn van planschade, dan komt deze op basis van een te sluiten planschadeovereenkomst voor rekening van de initiatiefnemer.
5.3.3 Conclusie Op basis van de motiveringen in de voorgaande paragrafen mag geconcludeerd worden dat het planvoornemen economisch haalbaar is en niet leidt tot extra kosten voor de gemeente Wijchen.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
46
5.4
Handhaafbaarheid
5.4.1 Regeling conform bestemmingsplan Balgoij De bestemmingsregeling van onderhavig plan is afgestemd op de bestemmingsregeling uit het geldende bestemmingsplan “Balgoij”. Bij het opstellen van de regels voor dit bestemmingsplan “Balgoij” is reeds de nodige aandacht besteed aan de handhaafbaarheid daarvan. Door voor het plangebied aan te sluiten bij deze regels, wordt de handhaafbaarheid van de regeling voldoende gewaarborgd. 5.4.2 Conclusie Op basis van voorgaande mag geconcludeerd worden dat de handhaafbaarheid van de toekomstige situatie binnen het plangebied afdoende gewaarborgd is.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
47
6
JURIDISCHE VERANTWOORDING
6.1
Algemeen
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een drietal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten: ✓ de digitale raadpleegbaarheid; ✓ de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); ✓ de Woningwet. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
6.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn aangegeven: ✓ de grens van het plangebied; ✓ de bestemming van de in het plangebied gelegen gronden: ‘Wonen’; ✓ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’; ✓ de aanduiding ‘bouwvlak’; ✓ de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ ✓ de maatvoeringen ‘maximum aantal wooneenheden’ en ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’. Door middel van de aanduidingen wordt vastgelegd dat binnen het bouwvlak maximaal twee halfvrijstaande woningen zijn toegestaan.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: ✓ inleidende regels; ✓ bestemmingsregels; ✓ algemene regels; ✓ overgangs- en slotregels. De van toepassing zijnde regels zijn zoveel als mogelijk overgenomen van de bestemmingsregeling uit het bestemmingsplan “Balgoij” en de herziening daarvan.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting
48
7
PROCEDURE
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van de watertoets digitaal ter beoordeling aan het waterschap Rivierenland aangeboden. Het waterschap geeft aan dat de korte procedure kan worden doorlopen.
7.2 De te volgen procedure Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure. Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: vaststelling door de Raad mogelijkheid reactieve aanwijzing publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij heeft vanaf 9 november 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn over het plan geen zienswijzen ingediend bij de gemeenteraad.
bestemmingsplan Hoeveweg 18 Balgoij - toelichting