CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting bestemmingsplan ‘Herbestemming Schuur Grotestraat 29 Bergharen’

Raad openbaar Wijchen 25 april 2024, gemeente wijchenBij agendapunt: 133204 Beslisnota vaststellen bestemmingsplan Grotestraat 29 Bergharen11.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

Omdat actuele gedetailleerde telgegevens niet voorhanden zijn is op basis van gegevens van de in het verlengde van de Grotestraat gelegen Deestersteeg, het regionaal verkeersmodel en op basis van informatie uit een Raad van State uitspraak over een eerder bestemmingsplan aan de Grotestraat een inschatting gemaakt van de huidige en toekomstige verkeersintensiteit. Vervolgens is een “Worst Case” berekening (bijlage 5) gemaakt van het te verwachten geluidsniveau op het dichtstbijzijnde deel van de voorgevel. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting toelaatbaar is. Bovendien zal in het kader omgevingsvergunning bouw aangetoond worden dat het binnenniveau aan de wettelijke bepalingen zal voldoen. Bij de nieuwe woning zal een goed woon- en leefklimaat kunnen worden geboden voor wat betreft wegverkeerslawaai en er is voor dit aspect sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.3.4: Inpasbaarheid voornemen Uit de geluidskaart bij de Atlas leefomgeving blijkt dat de maximale belasting maximaal 51 dB is. De overige gevels zitten rond de 49 dB. Uit de berekening blijkt dat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden. Er is geen procedure hogere grenswaarde nodig. De akoestische situatie is geen belemmering voor de ontwikkeling van dit project.

4.4: Luchtkwaliteit 4.4.1: Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit gewijzigd en is de Wet Luchtkwaliteit verankerd in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet Milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). De wet is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In de Nederlandse wetgeving wordt met name de aandacht gelegd op stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof). Deze regelgeving is verder uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregels van Bestuur (AMvB’s) en Ministeriële Regelingen. De opname van de Wet Luchtkwaliteit in de Wet Milieubeheer heeft er met name voor gezorgd dat er een betere afstemming is ontstaan tussen ruimtelijke activiteiten en luchtkwaliteit.

Als namelijk aan één van de volgende voorwaarden is voldaan vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het ontwikkelen van de beoogde ruimtelijke activiteit: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van deluchtkwaliteit; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), ofbinnen een regionaal programma van maatregelen. Het bestemmingsplan is één van de bevoegdheden waarbij aan de bovengenoemde criteria moet worden getoetst (genoemd in artikel 5.16, tweede lid onder c Wet milieubeheer). Op 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. Op basis van bijlage 3A van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)’ dragen na de vaststelling van het NSL, de volgende ontwikkelingen “niet in betekenende mate” bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en hoeft daarvoor geen luchtonderzoek te worden uitgevoerd.

Concreet betekent dit bij: • < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en < 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2); • < 100.000 m2 bruto vloeroppervlak (b.v.o.) bij kantoorlocaties bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en < 200.000 m2 b.v.o. bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.1). Met andere woorden een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. Wordt deze grens niet overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden en zijn aanvullende maatregelen niet nodig. 25

Omgekeerde werking Naast de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de Wet luchtkwaliteit moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuw vestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. 4.4.2: Inpasbaarheid voornemen Onderhavig plan omvat de realisatie van één woning. Gezien dit beperkte initiatief is sprake van een ‘niet in betekenende mate‘-plan.

Meer concreet betekent dit dat voor dit plan geen luchtkwaliteitsonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Omgekeerd dient te worden gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling, nieuwe gevoelige objecten toelaat. Het plangebied ligt in een buurtschap van Bergharen. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen wegen of bedrijven die van negatieve invloed zijn op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.5: Milieuzonering 4.5.1: Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan, het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. 4.5.2 Milieuzonering Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijven. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden betreffen een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.

Bedrijvigheid omgeving Het plangebied ligt in een buurtschap van Bergharen. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een paardenfokkerij en dressuurbedrijf met sperma win station (Grote straat 72). In het omliggende gebied liggen verder geen bedrijven met een hindercirkel welke van invloed is op het plangebied. Het paardenbedrijf ligt op basis van de VNG milieuzonering op onvoldoende afstand (50 m) van het planvoornemen. Deze afstand geldt echter voor een rustige woonwijk. Op basis van de omgevingstypologie mag een afstandsstap terug worden gedaan. In dit geval betekent dat dat er een minimale afstand van 30 m in acht moet worden genomen. De beoogde bouwlocatie ligt hier net buiten. Dit bedrijf is bovendien nu ook al omgeven door burgerwoningen. 26

De vigerende bestemming Wonen rondom dit bedrijf ligt aangrenzend of op enkele meters. Er zijn daardoor daarmee geen verwachtingen voor onaanvaardbare hinder voor de nieuwe woning. Een goed woon- en leefklimaat kan hierdoor worden gegarandeerd. De nieuwe woonfunctie is anderzijds daarmee ook niet extra belemmerend voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

4.6: Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Een geurgevoelig object is een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De verblijfsduur is bepalend. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het plangebied ligt in het buitengebied, en heeft een landelijk karakter. Binnen de zone is sprake van verspreid liggende agrarische en voormalige agrarische bebouwing en woonbebouwing . De dichtstbijzijnde veehouderij is een paardenbedrijf. De afstand is circa 40 m van het plangebied.

Dit bedrijf moet echter nu ook rekening houden met woningen die nog dichterbij zijn gelegen (zie ook 4.5). De geurbelasting op de woning in de schuur zal lager zijn dan die van de dichter bijgelegen woningen. Vanwege de aard van het bedrijf (paarden) is er in de huidige situatie mede daarom geen sprake van een onaanvaardbare geurhinder. Het bedrijf heeft, zoals hiervoor beschreven in de huidige situatie te maken met woningen op kortere afstand dan de nieuw geplande woning. Het toevoegen van een woning in de verdere omgeving leidt alleen daarom niet tot een beperking van de bedrijfsvoering.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Gevolgen planvoornemen voor de omgeving Het perceel blijft in gebruik voor Wonen. Er worden geen activiteiten met gevaarlijke stoffen toegestaan, anders dan nodig voor het wonen. Het plangebied veroorzaakt geen relevante risico’s naar de omgeving. 4.7.2 Externe veiligheid ten opzichte van het planvoornemen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord.Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor de omgeving van buisleidingen is het besluit Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het toetsingskader. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer.

27

Beoordeling risicobronnen Uit de provinciale risicokaart , eindrapporten over het basisnet (weg, water en spoor) en actuele informatie over relevante risicobronnen blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen: • het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • een plaatsgebonden risicocontour • de veiligheidsafstanden van vuurwerkverkooppunten; • het invloedsgebied van basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; • de 200 meter zone, (toekomstig) plasbrandaandachtsgebied (PAG) van relevante spoorwegen; • de 200 meter zone, (toekomstig) PAG en vrijwaringszone van relevante vaarwegen. • het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen over de weg (provinciaal); • het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding; • het invloedsgebied van een DPO-buisleiding; • De 200 meter zone van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water. Conclusie Het aspect externe veiligheid is voor deze ontwikkeling niet relevant Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.”

4.8: Ecologie 4.8.1: Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van nieuwe woningen of een bedrijf moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied en omgeving. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. HSRO heeft een Quickscan Natuurwaarden uitgevoerd op het plangebied. Het volledige rapport maakt als losse bijlage deel uit van de toelichting (Bijlage 1). Hieronder staan de uitkomsten en adviezen van het onderzoek opgesomd: 4.8.2: Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming (hierna Wn) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wn richt zich in basis op: • het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies.

De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soorten beschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebieden beschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.8.3: Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Voor de overige soortgroepen, waar onder vleermuizen, zijn door het ontbreken van geschikt habitat en/of verblijfsindicatie, de aard van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, geen overtreding te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming.

28

Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het gebruik als schuur en het gebruik als schapenweide maken het plangebied minder geschikt als groeiplaats voor bijzondere planten. Gezien deze situatie en de beschikbare verspreidingsgegevens, kan de aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten in het plangebied worden uitgesloten. Vogels Alleen om het plangebied zijn tijdens het veldbezoek ekster, koolmees, kokmeeuw, merel, vink, staartmees, houtsnip, winterkoninkje en zwarte kraai waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of aanwijzingen van verblijf van vogelsoorten met een jaarrond beschermde verblijfplaats aangetroffen. De nu voorziene locatie van de woning is deels bebouwd en verhard en daardoor niet geschikt als foerageergebied. Er zijn geen voornemens om opgaande begroeiing te verwijderen. De overige begroeiing is relatief jong en niet geschikt als verblijfplaats voor de steenuil. Andere soorten met een jaarrond beschermde verblijfplaats worden gezien, de locatie, de beschikbare verspreidingsgegevens, de eisen van de betreffende soorten en het gebruik van plangebied, niet verwacht. Zoogdieren In het plangebied zijn tijdens de veldbezoeken geen zoogdiersoorten waargenomen. Naar verwachting zullen enkel om het plangebied algemeen beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kunnen verblijven.

Tevens is plangebied beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn tijdens het veldbezoek geen aanwijzingen gevonden dat er zich in het plangebied een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen bevind. Het plangebied wordt mogelijk wel door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Deze functie zal door het voornemen niet worden aangetast. Door de beperkte omvang blijft voldoende foerageergebied behouden. Hiernaast worden er door het voornemen geen verblijfplaatsen of vliegroutes aangetast en zal de nieuwe inrichting tot versterking van de ecologische kwaliteit in algemene zin kunnen leiden. Een ontheffing is niet nodig. Overige soortgroepen Van de overige soortgroepen worden er door het ontbreken van geschikt habitat en/of verblijfsindicatie, de aard van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, geen soorten verwacht waarvoor een overtreding te verwachten is ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. 4.8.4: Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa vier kilometer meter van het beschermde Natura 2000-gebied ''Rijntakken'. Gezien de locatie en de kleinschalige aard van de ingreep zijn effecten als gevolg van verstoring of oppervlakteverlies niet aan de orde. Ook effecten als gevolg van verzuring kunnen worden uitgesloten. Het voornemen doet geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied.

Het plangebied maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling is niet nodig. Eindconclusie Het plangebied en de direct omgeving heeft een functie voor verschillende algemene broedvogels. Voor deze soorten geldt dat de eventueel in gebruik zijnde broedlocaties/nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Verstoring van deze nesten is niet toegestaan en wordt bovendien geen ontheffing voor verleend. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve worden effecten voorkomen. Het broedseizoen is een globale periode, ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Andere beschermde natuurwaarden (soorten en/of gebieden) worden uitgesloten.

29

4.8.5: Stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021. De Afdeling is tot het oordeel gekomen dat het PAS niet verenigbaar is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Dit betekent dat het stelsel van niet meldingsplichtige, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten zoals dit bestond onder het PAS niet in stand is gebleven. Om zeker te zijn dat door dit initiatief geen depositie zal plaatsvinden is zowel voor de gebruiks- als voor de realisatiefase een “worst case” scenario ingevoerd waarbij de invloed van het verkeer en het bouwmaterieel sterk overdreven is. Het rapport met een toelichting op de invoer en de uitkomsten van de Aerius berekening is als bijlage 3 toegevoegd. De woning zal bovendien qua installaties, zonnecellen en isolatie volgens de laatste stand der techniek gasloos gebouwd worden. Conclusie Uit deze berekening blijkt dat er geen overschrijding van de norm van stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op natura 2000 gebieden ontstaat. Al met al kan geconstateerd worden dat vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming er geen belemmeringen bestaan voor dit initiatief.

4.9: Cultuur en archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valletta (Malta, 1992). Dit verdrag is uitgewerkt in een wijziging van de Monumentenwet. 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. 4.9.1: Archeologiebeleid gemeente De gemeente Wijchen beschikt over een eigen kaderbeleid archeologie en een cultuurhistorische waardekaart met een beleidsadvieskaart archeologie. Het plangebied is als gevolg hiervan aangemerkt als Archeologisch gebied met hoge waarde. De gemeente heeft in dit gebied een ondergrens vastgesteld bij bouwplannen vanaf 30 m2 en een diepte van 0,3 m onder het maaiveld. Bouwplannen die daaronder blijven zijn daarmee dus uitgesloten van een archeologische onderzoeksplicht. Nieuwe gebouwen die binnen een zone van maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht zijn eveneens vrijgesteld. In dit geval worden voor de realisatie van het deze grenzen zowel qua oppervlakte als qua diepte niet overschreden.

4.10: Besluit milieueffectrapportage Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van mogelijke gevolgen.

30

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn niet uitgesloten. Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan is daarmee m.e.r.-plichtig. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de richtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Met het opstellen van een plan mogen de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de soortenhabitats niet verslechteren. Het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Indien dat niet kan worden uitgesloten, is een plan m.e.r.-plichtig. In dit geval is dat niet aan de orde. Planspecifiek Het plan maakt herbestemming van schuur tot woning en natuurontwikkeling mogelijk. Beperkt worden opstallen gesloopt.

Het bebouwd oppervlak neemt niet zodanig toe dat sprake is van urbanisering van het gebied en wordt daarom niet beschouwd als een “stedelijk ontwikkelingsproject” (D11.2) zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. Er hoeft daarom dus geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden gedaan. Buiten deze formele constatering is daarnaast nergens sprake van een toename in milieuhinder of risico's voor de leefomgeving. Ook dit maakt dat een m.e.r. niet noodzakelijk is en meerwaarde heeft.

31

5. Juridische beschrijving Deze herziening zal uiteindelijk worden opgenomen in een nieuw omgevingsplan voor het buitengebied van de gemeente Wijchen. Bij de herziening is qua regels en verbeelding aangesloten op de methodiek van het bestemmingsplan Buitengebied. De basis voor de verbeelding, de plankaart, is een recente kadastrale ondergrond met topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Daarnaast zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Op dit perceel zijn drie versies van het bestemmingsplannen Buitengebied en een parapluplan cultuur historie van toepassing. Om problemen te voorkomen met de samenhang tussen de verschillende regels onderling is in de regels van dit plan voor een verwijzing naar, en een van toepassingsverklaring van de regels van deze bestemmingsplannen gekozen.

5.1: Indeling De regels in de bestemmingsplannen Buitengebied zijn opgedeeld in vier hoofdstukken: – Hoofdstuk 1 omvat in artikel 1 de definities van de begrippen en in artikel 2 de omschrijving van de wijze van meten; – Hoofdstuk 2 beschrijft de bestemmingen met de daarbij behorende bouw- en gebruiksregels; – Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels zoals anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en aanduidingsregels; – Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel met de titel van het bestemmingsplan. 5.1.1: Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn artikels opgenomen die begrippen en de wijze van meten nader definiëren teneinde onduidelijkheid te voorkomen. 5.1.2: Bestemmingsregels De belangrijkste wijziging in deze herziening is de toevoeging van een aanduiding om een extra woning binnen een reeds als wonen bestemd perceel mogelijk te maken. Binnen het vlak met de bestemming wonen staan nu al de twee schuren. De bestemmingen en aanduidingen met betrekking tot archeologie en de hydrologische beschermingszone blijven gehandhaafd. 5.1.3: Algemene regels Met de anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor bouwen is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor bouwen mag worden meegenomen.

De algemene bouwregels bevatten bepalingen met betrekking tot ondergeschikte bouwdelen en afwijkende maatvoering. 5.1.4: Overgangsrecht en slotregel In het artikel overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit het Bro, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen. De slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.

32

6: Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1: Algemeen Het plan wordt door de initiatiefnemer ontwikkeld. Alle kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Er zal door de gemeente geen financieel risico worden gelopen. De gemeente is niet betrokken bij de exploitatie of investeringen van het project. Het verhalen van planschade zal geregeld worden middels een planschade overeenkomst welke getekend wordt met de gemeente.

6.2: Eigendomssituatie Het perceel waar de woning gerealiseerd zal worden is eigendom van de initiatiefnemer.

6.3: Vooroverleg Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort het overleg met de daarvoor in aanmerking komende instanties en andere overheden. In dit geval gaat om herbestemming van een bestaande schuur. Een dergelijke ontwikkeling is zodanig kleinschalig en beperkt van invloed op belangen van andere overheden dat geen vooroverleg heeft plaatsgevonden.

6.4: Inspraak Vooraf is door de initiatiefnemer overleg gevoerd met direct omwonenden. Zij hebben geen bedenkingen bij deze ontwikkeling.

6.5: Zienswijzen Deze herziening van het bestemmingsplan is als ontwerp 6 weken tussen 14 december 2023 en 24 januari 2024 ter visie gelegd. Gedurende deze periode was een ieder in de gelegenheid zijn hierop zienswijzen in te dienen. Er zijn geen reacties binnen gekomen.

33

Bijlagen 1: Quick scan Ecologie (losse bijlage) 2: Watertoets (losse bijlage) 3: Aerius berekening (losse bijlage) 4: Bodem en grondwateronderzoek (losse bijlage) 5: Berekening geluidsbelasting (losse bijlage)

34

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=df4c5c2a-9400-4828-a466-0263b1fb3238