CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 archeologisch bureau en booronderzoek

Raad openbaar Wijchen 25 mei 2023, gemeente wijchenBij agendapunt: 62787 Beslisnota Vaststellen bestemmingsplan ‘Parallelweg ong., Batenburg’13.883 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

KSP Archeologie

24

2.7

Conclusie en advies (bureauonderzoek)

Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de oever van een voormalige Maasmeander die direct ten oosten van het plangebied verwacht wordt, maar de ligging buiten de zone met de oudste mogelijke bewoningfase van Batenburg uit de 11 e eeuw heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode tussen het ontstaan van de Maasmeander (in de Vroege Middeleeuwen, maar mogelijk al in de Late IJzertijd) en de bedijking/het verlanden van de Maasmeander in de Volle Middeleeuwen (tot 1300). De landschappelijke ligging voorafgaand aan de Late-IJzertijd is onduidelijk. Als de beddinggordel van de stroomgordel van Huisseling-Demen ter hoogte van het plangebied heeft gelegen, dan kan worden aangenomen dat deze rivierbedding de top van het pleistocene terras (en de eventuele resten ouder dan de Bronstijd) heeft geërodeerd en dat ter hoogte van de bedding (een actieve waterloop) ook geen bewoning mogelijk was totdat deze bedding verlaten werd op de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd. Lokaal is bij archeologisch booronderzoek voor de rioleringswerkzaamheden op een dieper niveau de laag van Wijchen waargenomen, waardoor bovenstaande verwachting voor de steentijd mogelijk niet opgaat.

Er zijn echter geen aanwijzingen voor een Holocene rivierloop ouder dan die van Huisseling-Demen, waardoor binnen de Holocene afzettingen geen verwachting op een ouder niveau dat kansrijk is op archeologische vindplaatsen. Gezien de maaiveldhoogte en de onbebouwde positie op historisch kaartmateriaal vanaf het eind van de 18e eeuw lijkt het plangebied sinds de bedijking aan het eind van de Late Middeleeuwen niet binnen de opgehoogde kern van Batenburg te liggen. Het plangebied heeft daarom een lage verwachting voor de periode na de bedijking. Op basis van de middelhoge verwachting en de beperkte omvang van het plangebied wordt geadviseerd om deze verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase. Met dit onderzoek wordt de bodem systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Daarnaast wordt ook de bodemopbouw en de intactheid daarvan vastgesteld. Aan de hand van de Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel karterend booronderzoek (Tol e.a. 2012) wordt een booronderzoek aanbevolen in een grid van 17 x 20 m (methode C3, ca. 29 boringen per ha) huisplaatsen in klei/löss gebied vanaf de Bronstijd). Gezien de middelhoge verwachting voor een huisplaats vanaf de Romeinse tijd wordt gekozen voor deze methode. Methode C3 is geschikt om huisplaatsen van ca.

1200 m² (500 – 2000 m²) met een matig-hoge vondsdichtheid (ca. 80 – 160 archeologische indicatoren per m²) op te sporen. Het is de meest intensieve boormethode om vindplaatsen uit deze periode op te sporen. Voor het plangebied van 640 m² zou dit uitkomen op minimaal 2 boringen. Gebruikelijk is om minimaal 5 boringen per plangebied te zetten. Daarmee wordt een boordichtheid van 78 boringen per ha behaald.

KSP Archeologie

25

3

Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase

3.1

Werkwijze

Op basis van de middelhoge archeologische verwachting en de beperkte omvang van het plangebied is een karterend booronderzoek uitgevoerd conform de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek (versie 2.0, Tol et al. 2012). In dit geval is conform ‘het stroomdiagram keuze onderzoeksmethode karterend IVO deel 1’ (protocol 4003, VS08) een karterend booronderzoek uitgevoerd voor huisplaatsen (vindplaatsen met een omvang van 500 – 2000 m²) met een strooiing van overwegend aardewerk (methode C3). Aangezien het plangebied3 met een oppervlakte van ca. 640 m2 relatief klein is, is het minimum aantal van 5 boringen gezet (Bijlage 4). Hiermee is een boordichtheid van 78 boringen per hectare gehaald. Voor zover de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) het toelaten, is een boorgrid van 13 x 15 m gebruikt, waarbij de afstand tussen de raaien 20 m en de afstand tussen de boringen 15 m bedraagt. Voor een optimale verdeling van de boringen verspringt het beginpunt van een volgende raai 7,5 m ten opzichte van de naastgelegen raai. Feitelijk is daarmee geboord met het boorgrid van methode E2, waarmee vindplaatsen met een omvang van ca. 500 m² opgespoord kunnen worden of analoog aan andere methoden in de leidraad ook vindplaatsen met een lage vondstdichtheid en een omvang van ca. 1200 m² opgespoord kunnen worden. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint.

De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN3. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 12 cm. De waren gepland tot minimaal 20 cm in de C-horizont (de oeverafzettingen) of doorgezet tot maximaal 2,0 m beneden maaiveld in het geval van verstoringen. Uiteindelijk is getracht alle boringen tot 2,0 m-mv door te zetten, boring 1 is met een guts met een diameter van 3 cm tot 2,5 m-mv doorgezet om een beter beeld te krijgen van de diepere bodemopbouw. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2

Veldsituatie

Het maaiveld in het plangebied steeg zoals verwacht richting de Parallelweg. 3.3

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

3.3.1

Lithologie en geologie

De natuurlijke afzetting in het plangebied bestond uit geelbruin zwak zandige klei (zware zavel). Deze laag is geïnterpreteerd als een oeverafzetting van de Maas. In de meest laaggelegen boring (boring 1), degene met het dunste ophogingsdek, is rond 1,8 m -mv een overgang waargenomen naar een zandigere laag. Dit is mogelijk de overgang naar de bedding of opgevulde geul van een eerdere fase van de Maas of haar voorganger de stroomgordel van HuisselingDemen uit de Bronstijd en IJzertijd. Gezien de dikte van het oeverpakket (ca. 1,2 m) zal gedurende een vrij lange periode voorafgaand aan de bedijking al sprake zijn van een ligging op een oever nabij boring 1. De diepere ondergrond is in de overige boringen niet bereikt. 3 In paragraaf 1.2 is het plangebied gedefinieerd al de zone die een woonbestemming krijgt. Het gebied waarvoor een

bestemmingsplanwijziging is aangevraagd is omvangrijker, maar hier kan de archeologische dubbelbestemming behouden worden / zijn archeologisch bodemonderzoek en andere bodemingrepen niet wenselijk door de aanwezigheid van een dijkbeschermingszone.

KSP Archeologie

26

3.3.2

Bodem

Boven de oeverafzettingen zijn antropogene ophogingen waargenomen die bestaan uit sterk tot matig zandige klei, lokaal is matig siltig zand als textuur voor de bouwvoor waargenomen. De donkerbruingrijze matig humeuze bouwvoor is ca. 20 à 50 cm dik. Daaronder komt een zwak humeuze bruingrijze ophogingslaag voor. De onderzijde van deze laag is waargenomen tussen 70 en 130 cm-mv. De overgang naar de oeverafzettingen bestond uit een menglaag van de humeuze ophogingslaag met de oeverafzettingen waarvan de basis is waargenomen tussen 80 en 170 cm-mv. Deze geroerde laag was in boringen 1 slechts 10 cm en 20 cm in boring 2. In boring 3, 4 en 5 was deze verstoorde laag duidelijk dikker, respectievelijk 70, 80 en 100 cm. De laagovergangen t.o.v. NAP geven een genuanceerder beeld (Figuur 10). Als aangenomen wordt dat de oeverafzetting binnen de 30 m lange zone relatief vlak is afgezet dan is de erosie/verstoring van de oeverafzetting het grootst bij boringen 2 en 3. Bij boring 4 en 5 waren echter onder de laag waar het ophogingspakket vermengd was met de oeverafzettingen ook nog enige vlekken met de kleur van de ophogingslaag aanwezig tot de einddiepte van de boringen, waardoor hier een beperkte vorm van erosie of verstoring niet is uitgesloten tot dieper dan 2 m-mv. 9,00 8,50

m+NAP

8,00 7,50

7,00 6,50 6,00 5,50 5,00 0

5

10

15

20

25

30

35

m vanaf boring 1 Maaiveld

Onderzijde bouwvoor

Onderzijde ophoging

Onderzijde menglaag

Einde boring

oud straatniveau 50 m verderop

spoorniveau greppel onder riool uit 2013? Figuur 10: N-Z profiel langs de boringen. De afstand is het aantal meter noordelijk van boring 1.

Het grondwater is niet waargenomen binnen de maximale boordiepte (2,5 m-mv). Ook zijn geen hydromorfe verschijnselen waargenomen, zoals ijzer- of mangaanvlekken. De textuur en de bruine kleur complementeren het beeld van een veelal hoger en droger gelegen positie in het rivierengebied. 3.4

Archeologische indicatoren

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de antropogene ophogingslagen en de laag waar de antropogene laag geroerd was met de oeverafzettingen. Verspreid over deze lagen en het plangebied komen fragmenten baksteenpuin, houtskoolfragmenten en grind voor. In boring 1 is aan de onderzijde van het onderste antropogene ophogingspakket een scherf aardewerk aangetroffen tussen 60 en 70 cm-mv. Deze scherf is gedetermineerd door A.A.J. Griffioen (senior KNA Specialist Materialen) van AB Griffioen. Het betreft een fragment Steengoed uit de periode 1400 – 1600 na Chr (Figuur 11).

KSP Archeologie

27

Aangezien deze scherf binnen een ophogingslaag met stadsafval geen specifieke aanwijzing vormt voor een huisplaats (zie paragraaf 3.5) zal na de beoordeling van dit rapport een voorstel gedaan worden richting het provinciaal archeologisch depot om deze vondst te deselecteren.

Figuur 11. Foto van de voor en achterzijde van een fragment steengoed in boring 1 tussen 60 en 70 cm-mv

3.5

Toetsing van de archeologische verwachting

Op basis van geo-archeologisch onderzoek tot en met 2015 (Boshoven 2016, Figuur 9) ligt het plangebied net op de oever van een Maasloop die tot vlak voor de 14e eeuw watervoerend was en ten oosten van het plangebied lag. Hesseling (2020) toont aan dat net buiten de door Boshoven (2016) gekarteerde restgeul ook nog verspoeling heeft plaatsgevonden. Tijdens het booronderzoek zijn een bouwvoor en een humeuze ophogingslaag met bouwpuin en houtskool waargenomen. Een dergelijke laag komt in de omgeving zowel voor als opvulling van de restgeul als algemene stadsophoging van Batenburg. De scherf uit de 15e of 16e eeuw aan de onderzijde van het ongeroerde pakket lijkt eerder op een algemene stadsophoging te duiden dan een 14 e eeuwse geuldemping. Deze scherf is aangetroffen ter hoogte van een boring waar de oeverafzettingen vrij ondiep zijn waargenomen. De gemengde lagen in boringen 2 t/m 5 duiden mogelijk op een verspoeling uit de 11e eeuw aan de randzone van de Maasgeul. De lagen zijn dermate dik dat een verstoring door de aanleg/bewerking van een (moes)tuin niet aannemelijk is. Al kan hier uiteraard ook sprake zijn geweest van vergravingen om de nabijgelegen kern van Batenburg op te hogen die later weer zijn geëgaliseerd.

Als het plangebied op de westelijke oever van de Maasgeul ligt dan zouden net als in de profielen van Hesseling (2020) ook een vegetatieniveau voor kunnen komen rond 6 m +NAP. Een dergelijk niveau is in boring 1 niet waargenomen binnen 5,5 m+NAP en lijkt niet in het plangebied gevormd te zijn. Een eventueel intact loop/vegetatieniveau in de top van de oeverafzettingen is niet meer intact. Bij boring 1 kan dit opgenomen zijn het ophogingspakket of verspoeld zijn. Ter hoogte van de andere boringen zal dit niveau niet gevormd of verspoeld zijn. Eventuele Laat-Romeinse tot Volmiddeleeuwse vindplaatsen worden hierdoor niet meer verwacht. Voor oudere resten was reeds aangegeven: “Als de beddinggordel van de stroomgordel van HuisselingDemen ter hoogte van het plangebied heeft gelegen, dan kan worden aangenomen dat deze rivierbedding de top van het pleistocene terras (en de eventuele resten ouder dan de Bronstijd) heeft geërodeerd en dat ter hoogte van de bedding (een actieve waterloop) ook geen bewoning mogelijk was totdat deze bedding verlaten werd op de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd. Lokaal is bij archeologisch booronderzoek voor de rioleringswerkzaamheden op een dieper niveau de laag van Wijchen waargenomen, waardoor bovenstaande verwachting voor de steentijd mogelijk niet opgaat.

Er zijn echter geen aanwijzingen voor een Holocene rivierloop ouder dan die van Huisseling-Demen, waardoor binnen de Holocene afzettingen geen verwachting op een ouder niveau dat kansrijk is op archeologische vindplaatsen.” Op basis van de aanwezig van zand met kleilagen in boring 1 tussen 1,8 en de einddiepte van 2,5 m-mv is het meest aannemelijke scenario dat de Huisseling-Demen stroomgordel (actieve rivierloop) in het

KSP Archeologie

28

plangebied actief is geweest en dat gedurende een periode voorafgaand aan de verlanding geen bewoning mogelijk was. Het is gezien de aanwezigheid van de Laag van Wijchen op enige afstand van het plangebied niet met zekerheid te stellen dat de Laag van Wijchen / top van het pleistocene terras is geërodeerd. Middels handmatig booronderzoek is dit echter lastig te onderzoeken, aangezien het beddingzand waarschijnlijk belemmerd had om dieper te boren / de guts zou leeglopen. Ook jongere resten worden niet specifiek verwacht in het plangebied. Het aangetroffen pakket ophogingsmateriaal, inclusief het fragment Steengoed, past binnen de laatmiddeleeuwse stadsophoging en geeft geen aanleiding tot een verhoging van de lage verwachting voor een huisplaats uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

KSP Archeologie

29

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie

Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de oever van een voormalige Maasmeander die direct ten oosten van het plangebied verwacht wordt, maar de ligging buiten de zone met de oudste mogelijke bewoningfase van Batenburg uit de 11 e eeuw heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode tussen het ontstaan van de Maasmeander (in de Vroege Middeleeuwen, maar mogelijk al in de Late IJzertijd) en de bedijking/het verlanden van de Maasmeander in de Volle Middeleeuwen (tot 1300). De landschappelijke ligging voorafgaand aan de Late-IJzertijd is onduidelijk. Als de beddinggordel van de stroomgordel van Huisseling-Demen ter hoogte van het plangebied heeft gelegen, dan kan worden aangenomen dat deze rivierbedding de top van het pleistocene terras (en de eventuele resten van vuursteenvindplaatsen ouder dan de Bronstijd) heeft geërodeerd en dat ter hoogte van de bedding (een actieve waterloop) ook geen bewoning mogelijk was totdat deze bedding verlaten werd op de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd. Lokaal is bij archeologisch booronderzoek voor de rioleringswerkzaamheden op een dieper niveau de laag van Wijchen waargenomen, waardoor bovenstaande verwachting voor de steentijd mogelijk niet opgaat.

Er zijn echter geen aanwijzingen voor een Holocene rivierloop ouder dan die van Huisseling-Demen, waardoor binnen de Holocene afzettingen geen verwachting op een ouder niveau dat kansrijk is op archeologische vindplaatsen. Gezien de maaiveldhoogte en de onbebouwde positie op historisch kaartmateriaal vanaf het eind van de 18e eeuw lijkt het plangebied sinds de bedijking aan het eind van de Late Middeleeuwen niet binnen de opgehoogde kern van Batenburg te liggen. Het plangebied heeft daarom een lage verwachting voor de periode na de bedijking. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, (verkennende en) karterende fase. In het merendeel van het plangebied zijn dikke humeuze lagen waargenomen met stadsafval met daaronder een laag waar de oeverafzettingen vermengd zijn met humeuze lagen. Vermoedelijk is dit het gevolg van verspoeling aan de rand van Maasmeander. In het zuidwesten van het plangebied is de vermoedelijke verspoeling en ophoging minder dik en komen de oeverafzettingen binnen 1 m-mv voor. Hier is een fragment Steengoed aangetroffen uit de periode 1400 – 1600 aan de onderzijde van het ophogingspakket met stadsafval.

Hier is een groter deel van de oeverafzetting bewaard gebleven, maar hier is geen intact potentieel archeologisch niveau waargenomen in de top van de oeverafzetting of dieper in de oeverafzetting tot 2,5 m-mv en ook geen archeologische indicatoren die daarop wijzen. De middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingen uit de periode Late IJzertijd tot en met Volle Middeleeuwen (tot 1300) kan daarom naar laag worden bijgesteld. Het aangetroffen pakket ophogingsmateriaal, inclusief het fragment Steengoed, past binnen de middeleeuwse stadsophoging en geeft geen aanleiding tot een verhoging van de lage verwachting voor een huisplaats uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vanaf ca. 2 m -mv lijkt in de diepere ondergrond een mogelijke overgang naar beddingzand aanwezig te zijn. Waarschijnlijk zal het plangebied daardoor ongeschikt zijn geweest voor bewoning door de aanwezigheid van een actieve rivierloop. Het is onduidelijk of deze rivierloop voor dermate veel erosie gezorgd heeft dat archeologische resten onder het beddingzand aanwezig kunnen zijn. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing.

KSP Archeologie

30

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen •

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? In het merendeel van het plangebied zijn dikke humeuze lagen waargenomen met stadsafval met daaronder een laag waar de oeverafzettingen vermengd zijn met humeuze lagen Vermoedelijk is dit het gevolg van verspoeling aan de rand van Maasmeander. In het zuidwesten van het plangebied is de verspoeling en ophoging minder dik en komen de oeverafzettingen binnen 1 m-mv voor. Hier is geen intact potentieel archeologisch niveau waargenomen in de top van de oeverafzetting.

•

Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? In alle boringen is een ophogingspakket gevonden met baksteenpuin en/of houtskool. Dit is geïnterpreteerd als een ophoging met stadsafval. In boring 1 is een fragment Steengoed aangetroffen uit de periode 1400 – 1600 aan de onderzijde van het ophogingspakket met stadsafval.

•

Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? Het ophogingspakket komt binnen de gehele kern van Batenburg voor.

•

Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? Gezien de aard en datering van de fragmenten aardewerk en de ligging binnen een ophogingslaag is het plangebied onderdeel van een zone waar stadsafval terecht is gekomen sinds de periode 1400 tot 1600. Er zijn geen aanwijzingen voor een specifieke huisplaats.

•

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een middelhoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor nederzettingenresten vanaf de Late-IJzertijd tot en met de Volle Middeleeuwen (tot 1300). Oudere resten zijn niet geheel uitgesloten, maar bevinden zich niet binnen de ontgravingsdiepte. Voor de periode na de bedijking heeft het plangebied door de lagere ligging en ontbreken van bebouwing op historische kaartmateriaal een lage verwachting. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat er geen intact potentieel archeologisch niveau uit de periode voorafgaand aan het opbrengen van het ophogingspakket met stadsafval (meer) aanwezig is binnen 2,5 m-mv. De middelhoge verwachting voor archeologische resten vanaf de Late-IJzertijd tot en met de Volle Middeleeuwen (tot 1300) kan daarom naar een lage verwachting worden bijgesteld. Het pakket stadsafval geeft geen specifieke aanwijzing voor een huisplaats binnen het plangebied, waardoor de lage verwachting voor een huisplaats uit de periode na de bedijking niet hoeft te worden bijgesteld.

•

In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Aangezien de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is laag wordt ingeschat, vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief.

4.3

Selectieadvies

Op grond van de bodemopbouw en het ontbreken van archeologische indicatoren voor een vindplaats adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek en om in het nieuwe bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming meer op te nemen ter hoogte van het onderzochte deel van het perceel.

KSP Archeologie

31

Het archeologisch booronderzoek is veelal uitgevoerd tot 2 m-mv, het is onzeker in hoeverre op grotere diepte nog potentiële archeologische niveaus voor kunnen komen in de top van het pleistocene landschap. Dergelijke resten zijn elders binnen de gemeente Wijchen niet direct beschermd met een dubbelbestemming. Elders in de gemeente komen zones voor waar een lage archeologische verwachting geldt op basis van de Holocene geomorfologie en waar archeologische resten in de top van het pleistocene landschap niet beschermd worden. In die zin wordt het pleistocene niveau niet direct beschermd, met uitzondering van bekende pleistocene opduikingen en rivierduinen. Eventuele dieper gelegen archeologische resten worden bij reguliere bouwwerkzaamheden enkel verstoord door heiwerkzaamheden. In het onderzochte gebied wordt daarom geen verdere archeologische bescherming geadviseerd. Het zuiden van het perceel is niet onderzocht, maar is wel onderdeel van de bestemmingsplanwijziging (zie paragraaf 1.2). Het is niet met zekerheid te stellen dat de bodemopbouw daar vergelijkbaar is met het onderzochte plangebied. Het booronderzoek laat zien dat de zuidwesthoek van het onderzochte gebied al een ander beeld geeft dan de rest van de boringen.

Mogelijk kent deze zone verder van de opgehoogde stadskern een andere bodemopbouw en kunnen hier nog resten voorkomen die samenhangen met de stroomgordel van Huisseling-Demen. Daar wordt geadviseerd om een archeologische dubbelbestemming op te behouden. Voorgesteld wordt om hier een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2” (ingrepen dieper dan 30 cm-mv toestaan tot en met 120 m²) op te nemen net als het kaartvlak net ten westen van de historische kern van Batenburg. Door de ligging buiten de stadskern is de huidige archeologische dubbelbestemming hier te zwaar. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden.

In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Wijchen), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het rapport is beoordeeld, maar er moet nog een selectiebesluit genomen worden.

KSP Archeologie

32

Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Boshoven, E.H. (2016) Kruisstraat, Kerkstraat en Stadswal te Batenburg Gemeente Wijchen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek), RAAPnotitie 5560. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Flokstra, L.M. (2012). Plangebied Parallelweg/Kruisstraat te Batenburg, gemeente Wijchen; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding, RAAP-rapport 2520 (via DANS) Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen Land van Maas en Waal Lantschap.

Bureau

Hesseling, H.J. (2020). Kerkstraat, Kruisstraat en Stadswal te Batenburg, gemeente Wijchen, een archeologische opgraving variant archeologische begeleiding en proefsleuvenonderzoek, RAAPrapport 9999 Kramer, J. de/Gazenbeek, G. (2013). Verkennend booronderzoek Oevertraject 20 De Lijmen, gemeente Wijchen, Grontmij-Archeologisch-Rapport 1385. Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 NL, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.

Nederlands

Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Tol, A.J., Verhagen J.W.H.P., Verbruggen M. (2012). Leidraad inventariserend veldonderzoek versie 2.0. Deel: karterend booronderzoek. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Zielman, G. (2014). Plangebied Parallelweg/Kruisstraat/’t Straatje te Batenburg, gemeente Wijchen; een

archeologische begeleiding.

Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ahn3/extract/ Archeologische Monumenten Kaart (2014). Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl. Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl

KSP Archeologie

33

Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek W.Z./Berendsen, H.J.A./Kempen, H.F.J. (2009): Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel , Arnhem (Provincie Gelderland, 3rd fully revised edition). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H. (2012). Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset.

http://persistent‐ identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geologische overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Geraadpleegd via https://www.grondwatertools.nl/geologische-overzichtskaart. Referentie: Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsma, I.L., Westerhof, W.E. & Wong, T.E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb.

Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl

KSP Archeologie

34

Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl RAAP-rapport 1828 (2009). Archeologie beleid gemeente Wijchen, archeologische waarden- en verwachtingskaart. Kaartbijlage 1, blad 2. RAAP-rapport 1828 (2009). Archeologie beleid gemeente Wijchen, archeologische beleidskaart. Kaartbijlage 2, blad 2. Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs

WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/

Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/ Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator

KSP Archeologie

35

Bijlage 1

KSP Archeologie

Geomorfologische kaart

Bijlage 2

KSP Archeologie

Bodemkaart

Bijlage 3

KSP Archeologie

Archeologische gegevens

Bijlage 4

KSP Archeologie

Boorpuntenkaart

KSP Archeologie

Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Projectnummer

: 20892

X (m RD)

Y (m RD) Z (m+NAP) via AHN3

Project

: Batenburg, perceel D595

1

171620

425966

7,84

Datum

: 03-03-2021

2

171632

425964

7,96

Beschrijver

: Erwin van der Klooster

3

171626

425976

8,06

Type grond

: Oeverafzetting van de Maas

4

171640

425976

8,42

Boordiameter

: 12 cm

5

171637

425987

8,68

Bijzonderheden

: geen grondwater

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

1

40

Kz2

h2

dbrgr

bst1, hk1, g1

Aap

70

Kz2

h1

brgr

bst1, hk1

1Aap

80

Kz1

gebr vl. grbr

180

Kz1

gebr

1C

oever

250

Z3s4

gebr

kleilagen

2C

nabij bedding, geguts

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

2

40

Kz3

h2

dbrgr

bst1, hk1, g2

Aap

130

Kz2

h1

brgr

bst1, hk1, g1

1Aap

150

Kz1

brgr vl. gebr

g1

1A/C

200

Kz1

gebr

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

3

20

Kz3

h2

dbrgr

90

Kz2

h1

160

Kz1

170

Kz1

gebr

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

4

40

Kz3

h2

dbrgr

70

Kz2

h1

150

Kz2

200

Kz1

Boring

Diepte in cm

Textuur

5

50

Z3s2

70

Kz3

170

Kz2

200

Kz1

Boring

Vondsten

aw

1A/C

1C

oever

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

bst1, g1

Aap

brgr

bst1, g1

1Aap

brgr vl. gebr

bst1

1A/C

diepe verstoring

1C

oever, boor geen grip

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

bst1

Aap

brgr

hk1, bst1

1Aap

brgr, vl. gebr

bst1,hk1

1A/C

verstoord

gebr

iets brgr gevl

1C

oever

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

h2

dbrgr

bst1

Aap

h1

brgr

hk1, bst1

1Aap

brgr vl.gebr

bst1

1A/C

verstoord

gebr

iets brgr gevl

1C

oever

Pagina 1 van 1

Vondsten

Vondsten

Vondsten

Vondsten

KSP Archeologie

Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.

KSP Archeologie

KSP Archeologie

Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

KSP Archeologie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=216b77de-0e7b-4205-870f-c2f83b4c0e7d